Gepost door: Johan van Veen | 2 september 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – nabeschouwing

Het Festival Oude Muziek Utrecht 2019 zit er weer op. Tien dagen, of zelfs – zoals in mijn geval – acht dagen lijken lang, maar zijn weer zo voorbij. Ik had grote verwachtingen van het festival, vooral ook omdat ik ervan uit ging dat we veel muziek zouden horen die nauwelijks bekend is. Die verwachting kwam uit. Niet alleen kwamen er namen van componisten voorbij, van wie ik nog nooit gehoord had, ik hoorde ook onbekende werken van componisten die ik al wel kende, zoals van Niccolò Jommelli. Zijn sacrale werken behoren, wat mij betreft, tot de ontdekkingen van dit festival. Ook in de kamermuziekserie zaten heel wat interessante werken van componisten, van wie ik wel meer zou willen horen. Van Francesco Durante’s klavecimbelmuziek had ik wel wat gehoord, maar Cristiano Gaudio’s recital was een revelatie: zijn sonates zijn echt heel goed. Die klavecinist is trouwens iemand om in de gaten te houden, net als Louise Acabo.

En daarmee zijn we al bij een ander belangrijk aspect van dit festival: de kennismaking met musici en ensembles die je niet kent. Gaudio en Acabo behoorden daartoe, maar ook de ensembles Theatro dei Cervelli en Acronym. Dan waren er ook nog musici en ensembles die ik wel van naam kende, maar niet of nauwelijks had gehoord en met wie ik nu nader kon kennismaken, zoals de violisten Eva Saladin, Evgeny Sviridov en Josef Zák. Het zijn allemaal musici die ik weer hoop te horen, in het festival of elders.

Het thema was goed gekozen en goed uitgewerkt. Napels blijkt een heel interessante stad te zijn. We hebben uiteraard maar een fragment gehoord van wat er door de eeuwen heen aan muziek is ontstaan. Er zouden waarschijnlijk nog wel een paar festivals met weer andere muziek kunnen worden georganiseerd. Ik denk dat we wel een goed beeld van het Napolitaanse muziekleven van de renaissance tot de late 18e eeuw hebben gekregen.

Uiteraard zijn er wel wat kritische noten te kraken. Ik heb het concert van L’Arpeggiata al genoemd; daar zal ik verder geen woorden aan vuil maken. Van kennissen hoorde ik dat ook het concert van L’Achéron op de tweede zaterdag een gênante vertoning was. Daar heeft de festivalleiding natuurlijk maar beperkte invloed op, maar men zou er wel enige consequenties aan kunnen verbinden.

Ik zou graag zien dat, op het vlak van de uitvoeringspraktijk, de verspreiding van het vibratovirus eens fundamenteel ter discussie wordt gesteld. Het loopt de spuigaten uit. Dat is natuurlijk wel een probleem. Want als het festival hier echt werk van maakt, moet het misschien wel driekwart van de zangers en zangeressen die hier hun opwachting komen maken, buiten de deur zetten. Het aantal vocalisten, dat echt werk maakt van de historische uitvoeringspraktijk in hun stijl van zingen, is op de vingers van twee handen te tellen, en dan ben ik in een optimistische bui.

Volgend jaar is het thema ‘Ars Rhetorica’. Dat klinkt interessant en ik ben benieuwd hoe het wordt uitgewerkt. Artists in residence zijn violiste Eva Saladin en het Ensemble Correspondances. Uitstekende keuzen – naar hun bijdragen kijk ik nu al uit.

Gepost door: Johan van Veen | 2 september 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – zaterdag 31 augustus

Als iets leuk is, vliegt de tijd. Zo is het ook met het festival: het is voor mij al weer de laatste dag. Een vol programma, van 11 uur tot tegen middernacht. Zoals gebruikelijk is het eerste concert in Hertz. Voorgaande concerten waren gewijd aan kamermuziek voor viool of blokfluit. Ook dit keer klinkt kamermuziek, maar dan een afwisseling van instrumentale en vocale stukken. Het ensemble UrgentMusic onder leiding van Veronika Skuplik treedt hierin op samen met de sopraan Nuria Rial (foto). Het programma is opgebouwd rond de schilder Caravaggio, die na een duel met dodelijke afloop op de vlucht sloeg en ook enige tijd in Napels verbleef. Het is een voorbeeld van de soms dunne lijntjes die de muziek die ten gehore wordt gebracht, met Napels verbinden. Dat geldt ook voor de muziek zelf. De rode draad vormen instrumentale werken van Andrea Falconieri, die hier werkte. Verder klinken drie vocale werken van Sigismondo d’India, die verschillende perioden van zijn leven in Napels verbleef. Maar we hoorden ook twee stukken van Barbara Strozzi, die in Venetië werkte en is, voor zover ik heb kunnen nagaan, nooit in Napels geweest. Nuria Rial houdt zich voornamelijk met oude muziek bezig en wellicht is het daaraan te danken dat haar interpretaties veel dichter bij de historische uitvoeringspraktijk blijven dan wat we van de meeste van haar collega’s eerder deze week hebben gehoord. Hier staat de tekst centraal en horen we geen extravaganties noch een groot en constant vibrato. De stukken van d’India zijn voor twee stemmen en basso continuo; de tweede stem speelt Veronika Skuplik op de viool. In hoeverre dit een gebruikelijke praktijk was, weet ik niet. Het klonk goed, maar ik zou toch de voorkeur hebben gegeven aan twee zangstemmen. De instrumentale werken van Falconieri kwamen prima uit de verf. Ook de overige spelers in het ensemble droegen tot het resultaat bij. Overigens is de cello in muziek uit deze periode een minder voor de hand liggende keuze. Een viola da gamba of een basviool waren betere opties geweest.

In een serie recitals met muziek voor toetsinstrumenten uit Napels kan Domenico Scarlatti uiteraard niet ontbreken. Tenslotte werd hij er geboren en bracht hij er de eerste twintig jaar van zijn leven door. Hier werd de basis voor zijn ontwikkeling als één van de briljantste klavierspelers van zijn tijd gelegd. Overigens componeerde hij het grootste deel van zijn sonates na zijn vertrek uit Italië. Giovanni Paganelli (foto) speelde negen sonates uit de bundel die onder de titel Essercizi in druk verscheen. Hij combineerde dat met zogenaamde partimenti. Daaronder verstaat men uitgewerkte baslijnen volgens de regels van de basso continuo, maar dan niet als begeleiding, maar als zelfstandige composities. Die praktijk lijkt recent meer in de belangstelling te staan. Het is in dit verband interessant dat de grote kenner van Scarlatti’s sonates, Ralph Kirkpatrick, van mening was dat diens sonates hun oorsprong vinden in deze praktijk. Paganelli had stukken van Rocco Greco (c1650-vóór 1718) en van Alessandro Scarlatti als uitgangspunt voor zijn eigen uitwerkingen genomen. Hij speelde deze als een soort ‘commentaar’ op de sonates van Domenico. Dat kwam in zoverre niet helemaal uit de verf, als het publiek applaudisseerde tussen de sonatas en de daarbij behorende partimenti. Misschien had Paganelli vooraf moeten vragen dat niet te doen. Hij begon overigens met twee stukken van Alessandro Scarlatti, en net als eerder in het recital van Bart Naessens, lieten deze stukken zien dat Domenico zijn talent als klavierspeler niet van een vreemde had. Paganella speelde de sonates uitstekend; mijn favoriet was de laatste, de Sonate in g (K 30), die hij bij wijze van toegift nog eens voordroeg.

Het derde concert bracht me naar het Napels van de 14e eeuw. In de Willibrordkerk voerde het ensemble La Fonte Musica onder leiding van Michele Pasotti (foto) een programma uit waarin twee componisten centraal stonden: Antonello da Caserta en Filippotto da Caserta, volgens Pasotti de eerste componisten uit de regio Napels van wie wereldlijke muziek is overgeleverd. De titel van het concert vatte samen wat hij als de kenmerken van deze muziek beschouwt: “dulcedo et subtilitas” – zoetheid en subtiliteit. Die laatste term is ook een verwijzing naar de stijl die bekend is als ars subtilior, een vooral Frans verschijnsel waardoor deze componisten beïnvloed werden. Dat komt ook daarin tot uiting dat meerdere van hun stukken op een Franse tekst gecomponeerd zijn. Eén van de hoogtepunten was Filippotto’s En attendant, waarin het ensemble gebruik maakte van de ruimte van de Willibrordkerk: de zangers stelden zich op verschillende plekken op wat een bijzonder effect had. Opnieuw bleek de Willibrordkerk uiterst geschikt voor dit soort muziek. Het concert werd afgesloten met een stuk dat nogal afweek van wat we eerder hadden gehoord en dat alles behalve zoet was, maar eerder weerbarstig en tegendraads, Del glorioso titolo van Antonello da Caserta. Het ensemble beschikt over excellente zangers en spelers en daardoor werd dit concert één van de hoogtepunten van het festival. Het had langer mogen duren dan een uur, als er niet die vreselijke banken in de Willibrordkerk waren. Daarop houd je het niet veel langer dan een uur uit.

Wie de hele dag concerten bezoekt, overbrugt eeuwen binnen een uur. Een pijlsnelle tijdreis deed me in de 18e eeuw belanden. Marco Mencoboni presenteerde opnieuw een weinig bekend werk (alhoewel recent een opname ervan op CD verscheen): de Missa per i morti oftewel Requiem in c van Francesco Durante, dat waarschijnlijk in 1746 voor het eerst werd uitgevoerd. Het is een dubbelkorig werk, maar de twee koren zijn niet gelijk van samenstelling. Het eerste bestaat uit vijf stemmen (SSATB), het tweede uit drie lagere stemmen (ATB), die vooral als ripienisten optreden. Alhoewel er diverse solopassages in zitten, zijn de koorgedeelten toch overheersend. Cantar Lontano (foto) bleek opnieuw een uitstekend ensemble. Daaruit kwamen ook de solisten; van hun bijdragen was ik iets minder gecharmeerd. Uiteraard was er het tegenwoordig bijna onvermijdelijke vibrato, maar de soli werden nogal opera-achtig aangepakt en er werden een paar virtuoze cadenzen toegevoegd. Ik ben er niet zeker van dat dit gepast is in een sacraal werk van een componist, die zelf geen enkele opera heeft geschreven. De koorgedeelten vond ik overigens soms wel wat massief. Een wat doorzichtiger en gedifferentieerder klankbeeld had ik wel fijn gevonden. Het orkest (CanalGrande Orchestra), dat vooral in de sequentia een geprononceerde rol in de tekstexpressie speelt, maakte een uitstekende indruk. Dit werk was opnieuw een voorbeeld van een stuk dat veel bekender zou moeten zijn. Het is een mooie aanwinst voor het repertoire aan Requiems, net als dat van Jommelli, dat ik vrijdag hoorde. Er is echt meer dan alleen het Requiem van Mozart.

Door de jaren heen heb ik de verrichtingen van Christina Pluhar en haar ensemble L’Arpeggiata (foto) met toenemende scepsis gadegeslagen. Ik heb mooie dingen gehoord, maar ook optredens waar ik herhaaldelijk de neiging had voortijdig de zaal te verlaten. Dat was ook nu het geval. Ik twijfelde of ik een kaart zou reserveren. Uiteindelijk heb ik het toch gedaan, in de hoop dat heel misschien Pluhar besloten had nu eens serieus muziek te maken. Helaas, dat was niet het geval. Eén van de stukken op het programma had de titel Il pazzo, ‘de gek’. Die gek – dat was ik. Ik had niet moeten gaan, want na een best goed begin begon ik me al snel te ergeren. Twee zangers meenden het genoemde stuk van Pietro Antonio Giramo en een ander stuk van zijn hand, getiteld La pazza, op een overdreven manier te moeten voordragen. Het was allemaal vreselijk over the top en daardoor al gauw vreselijk vervelend. Er stonden ook een paar traditionele liederen op het programma. Die moet je niet door klassiek geschoolde zangers laten uitvoeren. Dat is net zo onnatuurlijk als operasterren die kerstliedjes gaan zingen. Dat is artificieel en wordt al gauw belachelijk. En wat moet je met zink, gamba en verschillende tokkelinstrumenten in muziek met een populair karakter? Uiteraard was er weer de onvermijdelijke jazz-achtige improvisatie, nota bene midden in een pastorale. Dit soort fratsen zijn echt onverdraaglijk. Het ensemble kan zoveel beter, zoals Giuseppina Bridelli liet horen in het expressief gezongen Lamento d’Arione van Luigi Rossi. Het is treurig dat zulk muzikaal talent wordt verspild aan smakeloze flauwekul. De festivalleiding mag zich wel eens achter de oren krabben of dit nog acceptabel is. Als je als festival de kennis en de toepassing van de historische uitvoeringspraktijk wilt stimuleren via lezingen, een zomerschool en discussies, kun je niet tegelijk ensembles de vrije hand geven om bewust de verworvenheden van die historische uitvoeringspraktijk in de vuilnisemmer te gooien, op straffe van ongeloofwaardigheid.

Ik verwachtte dat mijn laatste concert in het festival geschikt zou zijn om de vieze smaak van L’Arpeggiata te verdrijven. Pergolesi’s Stabat mater is een evergreen en hoef ik niet steeds weer te horen. Maar een uitvoering door Hana Blaziková kon ik niet aan me voorbij laten gaan. Mijn hoge verwachtingen werden ruimschoots overtroffen. Niet alleen stak Blaziková in een uitstekende vorm, de tweede stem werd door Monika Jägerová gezongen, een mezzosopraan die ik niet kende, maar die ik vaker hoop te horen. Hun stemmen pasten perfect bij elkaar en ze trokken ook stilistisch één lijn. Hun interpretatie was er één van een zeldzame schoonheid en emotionele intensiteit. Daaraan droeg ook het kleurrijke en dynamisch gedifferentieerde spel van het Ensemble Tourbillon onder leiding van Petr Wagner (foto) bij. Ik denk dat dit wel de mooiste uitvoering van dit werk was, die ik ooit heb gehoord. Ze maakte mijn dag goed. Het festival had voor mij niet beter kunnen eindigen dan met dit geweldige optreden.

Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – vrijdag 30 augustus

De vrijdag begon, zoals gebruikelijk, met kamermuziek in Hertz. Dit keer stond niet de viool, maar de blokfluit centraal. Daarmee keerden we terug naar het eerste ochtendconcert in Hertz, toen Erik Bosgraaf blokfluitconcerten van Alessandro Scarlatti speelde. Dit keer stond Francesco Mancini centraal, die met twee concerten vertegenwoordigd was. Die worden overigens als sonata aangeduid, maar de begrippen concerto en sonata zijn hier uitwisselbaar. Waar bij Scarlatti de blokfluit is ingebed in het ensemble, krijgt ze bij Mancini meer een echte solorol. Ook de bezetting is iets anders: bij Scarlatti spelen in het ensemble alleen twee violen, bij Mancini komt daar nog een altviool bij. Het concert besloot met een sonate in dezelfde bezetting van Domenico Sarri. Daartussen klonken enkele sonates voor blokfluit en basso continuo van Mancini, Leonardo Leo en Pietro Pullj. Terwijl de concerten en sonates van Mancini niet geheel onbekend zijn, danken we de andere stukken vooral aan de onderzoekende geest van Inês d’Avena, die hier met haar ensemble La Cicala (foto) de resultaten van dat onderzoek presenteerde. Ondanks het feit dat in de concerten de blokfluit een echte solist is, waren dit toch uitvoeringen waarin het ensemble als een hechte eenheid optrad. Inês d’Avena produceert een fraaie, vloeiende toon, maar in de interpretatie brengt ze veel spanning door articulatie, variatie in tempo en dynamische accenten. Dat levert ook een heel mooie cadans op, die je gewoon kunt voelen als je luistert. Dit is een echt topensemble, waarnaar je altijd weer met genoegen luistert, of het nu live is of op CD.

In de Lutherse Kerk was het weer klavecimbelmuziek die centraal stond. De Portugese klavecinist Fernando Miguel Jalôto (foto) speelde een programma dat geheel aan Giovanni Salvatore gewijd was. Hij was als organist werkzaam in verschillende Napolitaanse kerken. Het grootste deel van zijn composities voor toetsinstrumenten werd in 1641 uitgegeven. Volgens Jalôto zijn de meeste stukken in eerste instantie voor het orgel bedoeld. Meestal kunnen ze ook op klavecimbel gespeeld worden, met uitzondering van enkele die echt een orgel verlangen en die hier uiteraard niet tot klinken kwamen. Jalôto legde ook uit hoe een ricercare met drie thema’s, fughe genoemd, is opgebouwd. Volgens hem is Salvatore’s muziek vooral intellectueel en interessanter voor de speler dan voor de luisteraar. Niettemin lukte het hem om een boeiend recital af te leveren waarin de verschillende toen gangbare vormen voorbij kwamen. Hij had het programma, dat aan één stuk, zonder onderbrekingen, werd gespeeld, zodanig opgebouwd dat elk blokje verschillende vormen bevatte, bijvoorbeeld ricercare – capriccio – corrente of ricercare – toccata – canzone. Voor veel luisteraars zal dit de eerste kennismaking met Salvatore zijn geweest. Jalôto bleek een uitstekende verdediger van zijn oeuvre, die de verschillende stukken met verve en gestructureerd ten gehore bracht.

Ook het derde concert vond plaats in de Lutherse Kerk. Je zou kunnen zeggen dat het recital van harpiste Mara Galassi (foto) naadloos in de klavierserie paste, want specifiek voor de harp geschreven muziek bestond in die tijd niet. Harpisten speelden meestal muziek die in eerste instantie voor toetsinstrumenten was bedoeld en konden uiteraard ook muziek voor luit spelen. Sommige componisten noemden in de titels van hun verzamelingen overigens de harp specifiek als één van de instrumenten waarop hun muziek gespeeld kon worden. Het is dus geen wonder dat Galassi meerdere stukken speelde van componisten van wie we eerder klaviermuziek hoorden, zoals Antonio Valente, Giovanni de Macque en Ascanio Mayone. Van de laatste speelde ze o.a. de Partite sopra Fidele, die Louise Acabo gisteren op klavecimbel had gespeeld. Waarin de harp zich van het klavecimbel onderscheidt, is de mogelijkheid van dynamische verschillen; dat is één van de aspecten, waarin een uitvoering op harp zich onderscheidt van die op klavecimbel. Voorbeelden van luitmuziek hoorden we aan het begin van het programma, met twee stukken van Fabrizio Dentice. Mara Galassi bespeelde een kopie van de zogenaamde Barberini-harp. Dat is een instrument dat ergens tussen 1605 en 1620 is gebouwd en is voorzien van het familiewapen van de Barberini’s, een machtige Romeinse familie, waartoe ook paus Urbanus VIII (gekozen in 1623) behoorde. Dat is het perfecte instrument om muziek uit deze tijd tot klinken te brengen. Voeg daarbij het meesterschap van Galassi, één van de pioniers van de historische harp, en je hebt een concert dat je tot de hoogtepunten van het festival moet rekenen, zeker als je bedenkt dat de harp – in het reguliere concertseizoen, maar zelfs op het festival – zelden in een solorol hoort.

Het vierde concert bracht me in de Pieterskerk, waar het vocaal ensemble Utopia (foto) een programma met muziek van Giaches de Wert uitvoerde. Dat is een componist, die zoals veel andere in Vlaanderen werd geboren, maar carrière maakte in Italië. Hij is vooral bekend geworden om zijn madrigalen, die vooruit wijzen naar de tijd van Monteverdi in de verbinding van tekst en muziek en het gebruik van harmonie voor expressieve doeleinden. In vergelijking wordt zijn sacrale muziek niet zo vaak uitgevoerd. Daarom was het een goed idee juist dat deel van zijn oeuvre naar voren te halen. Daarin laat zich de invloed van zijn madrigalen overigens meermaals vaststellen. Het programma was opgebouwd rond de Missa Dominicalis, waarvan de delen verspreid over het concert werden uitgevoerd, net zoals dat in de mis gebeurt. Daartussen klonken motetten als pendant voor de liturgische gezangen in de mis. Opvallend in deze vijfstemmige mis is dat het een alternatim-structuur heeft: de verzen worden afwisselend éénstemmig (gregoriaans) en meerstemmig gezongen. Een heel expressief motet is Adesto dolori meo waar Wert gebruik maakt van chromatiek om de tekst tot uitdrukking te brengen. Het programma opende met een stuk in het Italiaans, Padre del ciel, dat behoort tot het genre van het madrigale spirituale, dat vooral in de tijd van de Contra-Reformatie, toen de kerk probeerde de ‘verwereldlijking’ van de religieuze muziek terug te dringen, een middel was om de verworvenheden van de wereldlijke muziek te behouden door die te gebruiken voor geestelijke teksten. Het programma besloot met een Te Deum voor vijf stemmen, waarin in het laatste vers een zesde stem wordt toegevoegd. Ook dit werk is een alternatim-compositie, zoals overigens gebruikelijk was. Utopia bestond in dit concert uit twee sopranen – die meestal in afwisseling zongen – en vier mannenstemmen: alt, tenor, bariton en bas. De gregoriaanse verzen kwamen voor rekening van de bariton Lieven Termont, die deze mooi verstaanbaar voordroeg. Utopia is een uitmuntend ensemble, waarin de stemmen perfect mengen en bij elkaar passen. De ruimte van de Pieterskerk werd gebruikt om de verschillende stukken van elkaar te onderscheiden: de misdelen werden op het koor gezongen, het geestelijk madrigaal juist dicht op het publiek dat in groten getale aanwezig was en het ensemble terecht met een enthousiast applaus beloonde.

In het Napels van de 17e en 18e eeuw zijn kerk en straat niet gescheiden en lopen ‘hogere’ en ‘lagere’ cultuur door elkaar. Dat was het uitgangspunt van het concert van Le Poème Harmonique onder leiding van Vincent Dumestre(foto) in de Jacobikerk. Het was getiteld “Anamorfosi” – volgens de Grote Van Dale is een anamorfose een “vertekende figuur die, in een gebogen spiegel bezien, een goed beeld oplevert”. Het programma begon met twee anonieme laude op Italiaanse tekst; tijdens het eerste stuk liepen de musici zingend en spelend van achteren naar voren door de kerk, als in een processie. Daarop volgende een staalkaart van religieuze en spirituele stukken, daaronder ook enkele contrafacta: werken die van een nieuwe tekst zijn voorzien. Dat was bijvoorbeeld het geval met Monteverdi’s Si dolce è’l tormento, dat hier klonk met de tekst Si dolce è’l martire: “Zo zoet is de kwelling die ik in mijn borst voel, dat Jezus die grote vreugde zal bewaren”. En van Luigi Rossi hoorden we een wereldlijke cantate met een tekst over het lijden van Christus. Het ensemble maakte gebruik van de faux bourdontechniek en improvisaties voor het anonieme Domine ne in furore en ook, als afsluiting van het programma, Gregorio Allegri’s beroemde Miserere. Dat klonk totaal anders dan we het meestal horen, met allerlei aanslibsels, in feite bewerkingen, uit de 18e en 19e eeuw. In deze vorm maakt de etherische esthetiek plaats voor emotionele kracht. Het was een indrukwekkende gebeurtenis – dat is wellicht een betere omschrijving dan ‘concert’. Het ensemble maakte effectief gebruik van de ruimte om een optimale werking te bereiken. De verrichtingen van zangers en instrumentalisten waren van een hoog niveau, zoals we dat van dit ensemble gewend zijn. In dit soort repertoire komen de kwaliteiten van het ensemble het beste uit de verf.

Het laatste concert was gewijd aan wereldlijke cantates van twee componisten uit de 17e eeuw en weer ging het om namen, die de meeste liefhebbers niet eerder gehoord zullen hebben: Antonio Farina (die actief was rond 1675) – niet te verwarren met Carlo Farina – en Cataldo Amadei (1649-1693). Raffaella Milanesi en het Ensemble Odyssee onder leiding van Andrea Friggi openden met Sovra carro stellato van Farina. Dat stuk heet een serenata, maar qua karakter is ze met een cantate vergelijkbaar. Friggi wijst er in de toelichting op dat dit soort stukken waarschijnlijk in de open lucht, tijdens kustfeesten, werden uitgevoerd. Het stuk begint met een instrumentale inleiding en dan volgen twee paren recitatief en aria; het besluit met een recitatief dat overigens aan het slot het karakter van een arioso heeft. Dat is ook het geval in het recitatief dat de tweede cantate van Farina besluit. De structuur van dat stuk is overigens heel anders: na een sinfonia klinken een recitatief en daarna drie aria’s zonder dacapo. We zitten hier in de tijd dat de vorm van de cantate nog niet vastligt; dat deed Alessandro Scarlatti aan het eind van de 17e eeuw. Ook Amodei’s cantate Già col manto dell’ombre, voor solostem en basso continuo, heeft een aparte vorm. Na een recitatief volgt een aria, waarvan de openingsfrasen niet alleen worden herhaald aan het eind, maar ook nog eens aan het slot van het op de aria volgende recitatief. Opvallend was de bezetting: naast twee violen ook twee blokfluiten. Vooral de serenata Farina deed me aan de instrumentale muziek in de opera’s van Cavalli denken. Er werden ook twee sonates van Pietro Marchitelli uitgevoerd; die componist zijn we in het festival al eerder tegengekomen. Hier waren ook weer blokfluiten van de partij, maar die speelden colla parte met de violen. De Sonata I bevat enkele briljante passages voor de violen, en hier zwegen de blokfluiten. Het ensemble, met onder andere de violiste Eva Saladin, die we in de serie vioolrecitals hebben gehoord, en de blokfluitiste Anna Stegmann, leverde een uitstekende prestatie, met levendig en kleurrijk spel. Op de dramatische kwaliteiten van Raffaella Milanesi valt niets af te dingen en in die zin was haar optreden een succes. Maar haar vibratorijke manier van zingen kan ik niet waarderen; het bederft mijn genoegen bij zo’n concert. Niettemin: de ten gehore gebrachte werken waren heel interessant en muzikaal boeiend; van deze componisten zou ik graag meer horen.

Gepost door: Johan van Veen | 30 augustus 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – donderdag 29 augustus

De donderdag begon, zoals gebruikelijk, met een concert van kamermuziek in Hertz. Dit keer stonden sonates voor viool en basso continuo van Nicola Porpora op het programma. Porpora was vrijwel uitsluitend als componist van vocale muziek bekend. Hij wilde bewijzen dat hij ook op instrumentaal gebied zijn mannetje stond. Daarom liet hij in 1754 in Wenen een bundel met twaalf vioolsonates drukken. Die hadden niet het succes waarop hij had gehoopt. Het zijn opmerkelijke stukken, want zeker de eerste zes zijn buitengewoon virtuoos en bevatten veel passages met dubbelgrepen. Dat is iets wat je niet direct verwacht van een componist, die zelf geen professioneel violist was. In dit concert klonken drie sonates uit deze bundel, de nummers 5 en 6 uit de eerste helft en de laatste uit de tweede. Die tweede helft laat de invloed van de galante stijl zien, maar ze zijn niet heel veel minder virtuoos dan de eerste zes. Over de kwaliteit van de muziek kun je verschillend denken. Ik moest soms denken aan de versieringen die de castraat Farinelli – leerling van Porpora – in de door hem gezongen aria’s aanbracht, waarvan Ann Hallenberg er dinsdag twee liet horen. De virtuositeit in sommige delen van de sonates is zo extreem dat je vraagtekens mag zetten bij de muzikale kwaliteit. Is dit virtuositeit omwille van de virtuositeit? Het is indrukwekkend om te horen, maar een drietal sonates in een concert is wel genoeg. Gelukkig werden ze onderbroken door andere stukken. Eén daarvan was een aan – wellicht ten onrechte – aan Händel toegeschreven sonate. Het andere stuk was een curieus werk: een bewerking voor viool zonder begeleiding van een deel uit Pergolesi’s Stabat mater van de hand van Johan Helmich Roman. Niets dan lof overigens voor de uitvoering van deze werken door het ensemble Ludus Instrumentalis, bestaande uit Evgeny Sviridov (viool), Davit Melkonyan (cello) en Stanislav Gres (klavecimbel) (foto). Sviridovs interpretatie was technisch boven alle twijfel verheven en ook muzikaal van het hoogste niveau. Zijn collega’s deden in niets voor hem onder. Opnieuw liet in dit concert een jonge violist zijn grote beheersing van de barokviool en de barokke speeltechniek zien. Op dat gebied hebben we echt niets te klagen.

Een nog jongere musicus was in de klavecimbelserie te horen. Louise Acabo (foto, met dank aan Christopher Price) was pas 19 jaar, toen ze in 2018 het klavecimbelconcours van Rouen won. Ze mocht zich in het festival presenteren met een recital gewijd aan Ascanio Mayone, één van de belangrijkste klaviercomponisten van Napels rond 1600 en één van degenen die experimenteerden met vormen en harmonie. Dat laatste maakt het nodig een klavecimbel te gebruiken dat meer toetsen heeft dan tegenwoordig gebruikelijk, omdat destijds noten, die tegenwoordig identiek zijn, gesplitst werden. Overigens had het instrument dat in dit recital werd bespeeld ‘slechts’ 14 toetsen per octaaf in plaats van 19. We hoorden verschillende vormen: toccata’s, canzona’s en partite (de energiek voorgedragen Partite sopra Fedele) en verschillende bewerkingen van vocale stukken. Heel interessant was de opeenvolging van twee van zulke bewerkingen van het chanson Pis ne me peult venir vanAntonio de Cabezón en Antonio Valente. Van Mayone klonk een bewerking van het madrigaal Ancidetemi pur van Jacques Arcadelt. In de Ricercar sopra il canto fermo di Costantio Festa wist Acabo de polyfonie door haar heldere spel goed over het voetlicht te brengen. Ook in de toccata’s wist ze de goede toon te treffen en een echt muzikaal betoog neer te zetten. Haar succes bij het genoemde klavecimbelconcours kan niet verbazen.

Muziek van een heel andere categorie klonk bij Camerata Trajectina (foto) in Hertz. Aanknopend bij een gewoonte in de 17e en 18e eeuw, dat jonge aristocraten een grand tour door Europa maakten, was een programma geconstrueerd rond de grand tour die Nicolaas Heinsius, een student filologie in Leiden, van 1646 tot 1648 ondernam. Daarbij deed hij Florence, Rome en tenslotte Napels aan. De muziekstukken werden verbonden door brieffragmenten die Heinsius in de mond waren gelegd door Jibbe Willems. Naast Nederlandse stukken van o.a. Cornelis Schuyt en Sweelinck, werd Italiaanse muziek uitgevoerd, van o.a. Caccini, Giovanni Ferretti en Stefano Felis. Sommige van deze stukken werden voorgedragen met een Nederlandse tekst uit de 17e eeuw, o.a. van Joannes Stalpart van der Wiele. Het was zeker een onderhoudend concert, maar de muzikale kwaliteit was wisselend, zoals eigenlijk altijd bij Camerata Trajectina, dat zich nooit helemaal kan bevrijden van ‘muziek tussen de schuifdeuren’. De concerten van dit ensemble lijden ook altijd aan het euvel dat het allemaal toch vooral wel een beetje ‘leuk’ moet zijn. De samenzang van de vocalisten was niet optimaal, vooral door Hieke Meppelink, die er een licht maar duidelijk hoorbaar vibrato op na houdt.

Opera speelde in het Napels van de 18e eeuw een buitengewoon grote rol. Vrijwel elke componist van naam componeerde opera’s; de in vorige weblogs al genoemde Francesco Durante was één van de weinige uitzonderingen. Maar tegenwoordig zijn de meeste van die componisten nauwelijks bekend en hun opera’s zijn vergeten. Het is dus een goede ontwikkeling dat er musici zijn die proberen dat repertoire weer tot leven te wekken. Andrea Buccarella, leider van het Abchordis Ensemble (foto), is er één van. Een paar jaar geleden recenseerde ik een CD van dit ensemble met muziek voor de Goede Week, waarop ook een werk van Gennaro Manna (1715-1779) te vinden is. Ik betwijfel of ik ooit eerder opera-aria’s van hem heb gehoord. Dat kon ik nu in elk geval goedmaken door dit concert, waarop vier aria’s uit verschillende opera’s, twee ervan met het inleidende recitatief, werden uitgevoerd. Het bleek dat Manna zich gemakkelijk met de bekendere componisten van zijn tijd kan meten. Niet alleen in dramatisch opzicht, maar ook muzikaal zijn die aria’s van prima kwaliteit, vocaal en instrumentaal. Dat kwam in het concert goed uit de verf. Over dramatisch talent beschikt de sopraan Marie Lys zeker en ze haalde alles uit de kast om de gevoelens van de persoon, die in een aria aan het woord is, tot uitdrukking te brengen. Helaas gebeurde dat op een manier die vanuit historisch oogpunt onverdedigbaar is. Het zijn eigenlijk de standaardproblemen, die zich steeds weer voordoen bij moderne uitvoeringen van vocale muziek van de 18e eeuw: een groot en continu vibrato, extreme cadenzen, waarin de normale omvang van de partij ver wordt overschreden, en het fortissimo zingen van de hoogste noten. Ik vind dit eigenlijk onverdraaglijk en hoezeer ik de pogingen, barokopera’s weer tot leven te wekken kan waarderen, ik snak ernaar dat men nu eens serieus werk maakt van een echt historisch verantwoorde interpretatie op het vlak van vocale techniek. Overigens was het orkest uitstekend, zoals ook bleek in twee delen uit Durantes Concerto per quartetto No. 2 en een sonate van de eveneens weinig bekende Aniello Santangelo.

Voor het avondconcert toog ik niet naar TivoliVredenburg, maar naar de Stadsschouwburg. Daar werd een oratorium van Alessandro Scarlatti uitgevoerd: Agar e Ismaele (foto). Direct bij al bij het begin vroeg ik me af waarom deze uitvoering in de Stadsschouwburg plaatsvond. Want het was inderdaad een uitvoering, geen opvoering. Er was geen enscenering, de zangers droegen geen kostuums, maar kleding die ze ook op het podium van welke concertzaal dan ook hadden kunnen dragen, er was nauwelijks echte beweging op het toneel en de zangers droegen hun partij voor met de muziek voor hun neus. Op verschillende momenten werden fragmenten uit het bijbelverhaal (uit het eerste bijbelboek, Genesis) voorgedragen. Dat is tegenwoordig kennelijk nodig, aangezien steeds meer mensen de bijbelse geschiedenissen helaas niet meer kennen. Dat was in Scarlatti’s tijd uiteraard anders; wat in het oratorium niet verteld wordt, vulde men uit de eigen kennis aan. Opvallend was verder dat aan het oratorium van de hand van Scarlatti muziek uit de Arabische traditie werd toegevoegd. De regisseur, Thomas Höft, schrijft in de programmatoelichting dat in de Koran het verhaal van Abraham, Sara, Hagar en Ismael een vervolg heeft. “Om onduidelijke redenen vertelt Scarlatti niet het vervolg van het verhaal.” Dat is een merkwaardige uitspraak, die suggereert dat Höft de bedoeling van oratoria in de Italiaanse barok niet begrijpt. Een oratorium was bedoeld om de gelovigen de waarheid van het christelijk geloof in te prenten. Wanneer daarvoor een bijbelse stof werd gebruikt, beperkte de librettist – want die was verantwoordelijk voor de manier waarop het verhaal wordt verteld – zich tot wat in de Bijbel vermeld wordt, ook al werd daarmee in de praktijk nogal vrij omgegaan. De Koran werd uiteraard niet als bron gebruikt, want niet als waarheid erkend. Het is ook maar helemaal de vraag of de librettist het verhaal in de Koran überhaupt kende. Gelukkig werd de Arabische muziek na de afsluiting van het oratorium – in de vorm van een aria met moraal van de engel – gespeeld en niet in het oratorium ingevoegd. De uitvoering was in grote lijnen wel geslaagd. Het was mooi Claire Lefilliâtre weer eens te horen, en dan in zo’n goede vorm; ze zong de rol van Sara, en aan het eind die van de engel. De rol van Abraham werd overtuigend vertolkt door Jochen Kupfer (bariton). De sopranist Doron Schleifer zette de rol van Ismael op een mooie, heel kwetsbare manier neer. De rol van Hagar kwam goed uit de verf in de vertolking van Franziska Gottwald; stilistisch was ze minder overtuigend. Het ensemble Neue Hofkapelle Graz speelde de instrumentale partijen heel mooi. Desondanks verliet ik de Stadsschouwburg met gemengde gevoelens. Ik ben geen voorstander van het ensceneren van oratoria, die daarvoor nooit bedoeld zijn. Maar als je dan zo’n werk in een schouwburg wilt uitvoeren, maak er dan iets van. Voor een wat in wezen concertante uitvoering is, hoef je niet naar de schouwburg. In de grote zaal van TivoliVredenburg is dan het geluid ook nog eens beter.

De dag eindigde in de Dom; daar was ik dit festival nog niet geweest. Op het programma stond opnieuw een werk dat ik niet kende: het Requiem in Es uit 1756 van Niccolò Jommelli. Het is een groot en groots werk voor solisten, koor en orkest waarin Jommelli weliswaar verraadt dat hij het één en ander wist van opera, maar dat toch eigenlijk heel ‘klassiek’ is. Jommelli slaat hier een brug van het traditionele contrapunt naar de idealen van de klassieke stijl en weet die beide elementen moeiteloos te verweven. Het was wat mij betreft één van de ontdekkingen van dit festival. Dit Requiem zou in de concertzalen vaker te horen moeten zijn; dan horen we weer eens wat anders dan altijd maar weer het Requiem van Mozart. Vox Luminis had dit keer de krachten gebundeld met het barokorkest Il Gardellino (foto); het geheel werd deskundig en met verve geleid door Peter Van Heyghen. Vox Luminis is een solistenensemble; elk lid is in staat ook veeleisende solopartijen te zingen. Dat bleek hier ook; de solopassages zijn meestal kort, maar zeker niet simpel en die kwamen hier perfect uit de verf. Desondanks is het ensemble in staat een echte eenheid te blijven; in de tutti loopt niemand uit de pas. Die waren vol contrasten in kleur en dynamiek. Kortom, het was een vrijwel ideale uitvoering. Helaas werd het aangekondigde Miserere niet uitgevoerd. Misschien iets voor een hopelijk komende CD-opname?

Gepost door: Johan van Veen | 29 augustus 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – woensdag 28 augustus

We zijn gewend te spreken over de barok, op grond van een overeenkomst in stijlkenmerken van de muziek die toen gecomponeerd werd. Binnen dat kader bestaat echter nogal wat variatie en die is vaak gerelateerd aan een bepaalde regio of zelfs stad. Daarom is het heel zinvol het festival aan een bepaald land of een bepaalde stad te wijden, zoals dit jaar aan Napels. Het biedt de mogelijkheid juist die aspecten van een stijlperiode te belichten die voor die stad of dat land karakteristiek zijn. Voorbeelden daarvan leverde het concert van het Ensemble Aurora onder leiding van Enrico Gatti (foto). Sonates voor viool en basso continuo en triosonates behoren tot de meest gangbare genres van de barok. Maar sonates en concerti – die termen zijn vaak uitwisselbaar – voor drie en vier violen en basso continuo zijn vrij zeldzaam en lijken een Napolitaanse eigenaardigheid te zijn. Net als bij de twee vorige ochtendconcerten kwamen we Giovanni Carlo Cailò tegen; nog even en hij wordt zowaar een beroemdheid. De sonate voor drie violen die we van hem hoorden, kan overigens in Rome zijn ontstaan, wat de bewering dat het hier om een typisch Napolitaans genre gaat, dan weer enigszins nuanceert. Het zou best eens het vroegste voorbeeld van zo’n bezetting kunnen zijn. Van Pietro Marchitelli (1643-1729) hoorden we twee sonates, voor twee resp. drie violen. Van de eerste is me vooral het laatste deel bijgebleven, in de tweede viel de snelle afwisseling tussen forte en piano in het tweede adagio op. Het programma begon met een concerto voor drie violen van Nicola Fiorenza, dat eindigde met een presto waarin de violen non legato spelen. Aan het eind klonk een concerto voor vier violen van Leonardo Leo. In de beide langzame delen zet de componist twee paren violen tegenover elkaar, die met elkaar in dialoog gaan. Enrico Gatti is een oudgediende als het gaat om het bespelen van de barokviool, maar hij kan zich nog steeds met gemak met spelers van de jongere generatie meten. Drie daarvan had hij om zich heen verzameld. Ook oudgedienden zijn de cellist Gaetano Nasillo en klavecinist Guido Morini. Tesamen leverden ze een boeiend concert af, waarin de kwaliteiten van de stukken goed uit de verf kwamen. Hooguit had ik nu en dan graag wat sterkere dynamische contrasten gehoord.

In verschillende concerten was al klavecimbelmuziek van Alessandro Scarlatti te horen. Dat is een nauwelijks bekend onderdeel van zijn oeuvre. Ook op CD is zijn klavecimbelwerk niet erg goed vertegenwoordigd. Het was dus een goed idee hem een heel recital te wijden. Bart Naessens (foto), die we al eerder hoorden als leider van het ensemble Capriola di Gioia, speelde vier toccata’s, waarvan vooral de laatste, de Toccata VII, opviel door haar proporties. Ze bestaat uit zes delen waarvan het laatste een serie van niet minder dan 29 variaties over de bekende ostinaatbas La Folia is. Het is een briljant werk en het is begrijpelijk dat juist dit stuk nog enige bekendheid geniet. Maar ook de andere stukken die Naessens speelde, zijn de moeite waard en verdienen meer aandacht. Naessens toonde zich een competente speler, die het echter niet lukte voldoende structuur in de werken aan te brengen. Wanneer een stuk zoveel noten bevat als Scarlatti’s toccata’s, is het de taak van de interpreet hiervan een verhaal te maken. Daarvan was geen sprake. Het verschil met Cristiano Gaudio, die gisteren de sonates van Francesco Durante op een heel retorische manier tot klinken bracht, was evident. Ik had graag een wat meer sprekende voordracht gehoord, met komma’s en punten, en echt ademend klavecimbelspel. Daaraan ontbrak het helaas.

Eén van de aardige dingen van het festival is dat je, naast onbekende componisten, ook ensembles hoort die je nog niet kende. Dat was het geval met Acronym (foto), dat om drie uur in de Pieterskerk z’n opwachting maakte. Kennissen hadden me verteld dat dit een geweldig ensemble is. Het concert gehoord hebbend, kan ik dat alleen maar onderstrepen. Het was een mooi programma, zij het enigszins speculatief. Centraal stond Giovanni Valentini, die nooit in Napels is geweest en vooral ten noorden van de Alpen heeft gewerkt. Volgens de toelichting in het programmaboek werd hij beïnvloed door “de harmonische experimenten die worden geassocieerd met Napolitaanse componisten zoals Gesualdo, Trabaci en De Macque”. Dat is natuurlijk best mogelijk, maar nauwelijks te bewijzen. En Napels was niet de enige plek waar harmonische experimenten plaatsvonden. Het meest merkwaardige stuk van het concert was Valentini’s Sonata a 5 in g, dat soms wel atonaal lijkt. De meest merkwaardig harmonieën volgen elkaar op. Over experimenten gesproken. De andere sonates van zijn hand zijn wat ‘conventioneler’; de bezetting is vaak aan de grote kant, wat de voorkeur van het keizerlijke hof in Wenen weerspiegelt, waar hij het grootste deel van zijn leven gewerkt heeft. Dat was ook de reden dat andere componisten die daar werkzaam waren, aan het woord kwamen, zoals Antonio Bertali en Samuel Capricornus (slechts één jaar: 1649). Het programma eindigde met de Sonata jucunda a 6 van de hand van òf Biber òf Schmelzer. Om de gesuggereerde verbinding met Napels te beklemtonen werden enkele stukken van Gesualdo, Trabaci en De Macque uitgevoerd. Die zijn weliswaar in eerste instantie bedoeld voor een akkoordinstrument (klavecimbel, orgel of harp), maar werden hier instrumentaal uitgevoerd, met uitzondering van De Macque’s Canzon francese del Principe, dat door Elliott Figg op klavecimbel werd gespeeld. Het ensemble maakte indruk door perfect en energiek samenspel alsmede mooie solo’s van diverse leden. De interpretatie was ook dynamisch gedifferentieerd, wat vooral voor dit repertoire heel belangrijk is. De combinatie van de muziek en de uitvoering leidde tot een stormachtig applaus, dat geheel verdiend was. Dit ensemble moeten we dus vaker horen. Wellicht volgend jaar al? Tenslotte is het thema dan ‘Ars Rhetorica’, en retorisch was het spel van Acronym zeker.

Datzelfde kan gezegd worden van Holland Baroque (foto) dat zich over vijf van de Concerti per quartetto van Francesco Durante ontfermde. De bezetting is twee violen, altviool, cello en basso continuo. Dat impliceert niet dat het hier om kamermuziek gaat, hoewel het zeker interessant zou zijn ze eens in solistische bezetting te horen. Holland Baroque trad hier met zeven violen, twee altviolen, cello, contrabas en twee klavecimbels aan. Durante had een uitgesproken voorkeur voor contrapunt en daarmee was hij enigszins ouderwets in zijn tijd, waarin de galante stijl doorbrak, die melodie de eerste plaats toekende. Maar dat wil niet zeggen dat Durantes concerten voorspelbaar zijn. Het aantal delen en de volgorde daarvan varieert per concert. Ook de titels van sommige delen verraden al een onafhankelijke geest, zoals Ricercar del quarto tono (nr 4) en largo staccato – canone amabili (nr 3). Het laatste concert is het meest merkwaardige, ook in harmonisch opzicht. Het heeft niet voor niets de bijnaam La Pazza, wat letterlijk ‘de gek’ of ‘de idioot’ betekent. Ook elders word je als luisteraar voortdurend verrast. Holland Baroque wist wel weg met de eigenaardigheden van Durantes concerten. Het spel van het ensemble was energiek, dynamisch en gedifferentieerd. Het was mooi Holland Baroque weer eens in echte barokmuziek te horen. De laatste jaren heb ik geen concerten van het ensemble gehoord, doordat het zich op dwaalwegen begaf met allerlei cross-over onzin. Welkom terug in de echte barok!

Het avondconcert was dit keer weer eens ouderwets lang, met een pauze. Op het programma liturgische muziek, die je niet direct in de grote zaal van TivoliVredenburg verwacht. Met zijn ensemble Cantar Lontano (foto) voerde Marco Mencoboni, artist in residence, muziek van Diego Ortiz uit, een componist die veel oude-muziekliefhebbers vooral vanwege zijn recercadas uit het leerwerk Trattado de glosas zullen kennen. In 1565 verscheen in Venetië zijn enige bundel met liturgische muziek en daaruit had Mencoboni een Vesper samengesteld. Ortiz’ sacrale muziek mag onbekend zijn, ze is zeker de moeite waard. Dat kwam in de uitvoering helaas niet helemaal uit de verf. Dat heeft voor een deel te maken met het feit dat de zaal niet echt geschikt is voor dit repertoire. Ons werd een ‘Vesper in surround sound’ beloofd, en inderdaad maakte Mencoboni optimaal gebruik van de ruimtelijkheid van de zaal door zangers en spelers op verschillende plaatsen – op het podium, maar ook op hoger gelegen plekken, bij de ingangen – op te stellen. Maar deze muziek heeft een ruimere akoestiek nodig; die van de grote zaal is te droog. Daardoor ging het effect dat dit soort muziek kan hebben, voor een deel verloren. Het leidde er ook toe dat het geheel nogal verbrokkeld was. Mencoboni maakte het nog erger door binnen één stuk de bezetting en de grootte van het aantal zangers en instrumentalisten te variëren. Met de uitvoering zelf was verder weinig mis, ook al waren sommige blazers hier en daar niet helemaal zuiver en was sopranist Alessandro Carmignani – hier als contratenor aangeduid – te domiant aanwezig, zoals bijna altijd. Mencoboni heeft deze muziek op CD opgenomen en ik zou adviseren daarnaar op zoek te gaan, als men de kwaliteiten van Ortiz als componist van religieuze muziek wil leren kennen.

\

De dag eindigde met een aangename verrassing. In de Pieterskerk bracht het ensemble Theatro del Cervelli onder leiding van Andrés Locatelli (foto) een programma met de titel ‘Devotie in Napels’. We hoorden motetten en laude uit de jaren 1630. Bij de laatste gaat het om relatief eenvoudige gezangen in de volkstaal, die zijn geschreven in de stile antico en hier werden voorgedragen door drie of vier zangers, a capella of met begeleiding van instrumenten (blokfluit, theorbe, orgel). De overige stukken zijn produkten van de toen gangbare monodische stijl, waarin de stemmen worden ondersteun door een basso continuo, en waarin solistische passages voorkomen, die door de zangers van versieringen moeten worden voorzien. Dat deden de zangers van het ensemble met overgave en op een stilistisch overtuigende manier. De verrichtingen van Esther Labourdette, Jacopo Facchini, Akinobu Ono en Marco Saccardin waren bewonderenswaardig. Ook als ensemble maakten ze, samen met de instrumentalisten, veel indruk in motetten van Giovanni Domenico Montella, Carlo Pedata en anonieme componisten. Deze stukken waren zonder uitzondering van grote kwaliteit. De vocale werken werden onderbroken door instrumentale stukken van Trabaci en Falconieri. Heel fraai was Marta Graziolino op harp in Trabaci’s Partite artifiiose. Ik kende dit ensemble en deze musici niet, maar hoop meer van ze te horen, want deze kennismaking smaakte naar meer.

Gepost door: Johan van Veen | 28 augustus 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – dinsdag 27 augustus

Toen ik las dat in het festival van 2020 de violiste Eva Saladin (foto) één van de artists in residence zou zijn, vroeg ik me af wat daarvan de reden was. Ik kon me niet herinneren haar eerder gehoord te hebben. Na het concert van vanmorgen begrijp ik waarom men haar daarvoor heeft uitgekozen. Niet alleen was het een concert van hoog niveau, zowel technisch als muzikaal, ook haar stijl van spelen past bij wat volgend jaar het overkoepelende thema zal zijn: ‘Ars Rhetorica’. Eva Saladin gaf in haar concert een visitekaartje af door haar retorische en sprekende manier van spelen. Bovendien heeft ze aandacht voor de verschillende uitvoeringspraktijken die in de 17e en 18e eeuw gangbaar waren. Dat betreft bijvoorbeeld de houding van de viool: tegen de kin geklemd of los tegen de schouder, met allerlei variaties daartussen. In een heldere toelichting tijdens haar optreden legde ze uit dat destijds verschillende manieren van spelen naast elkaar bestonden. Er is dus niet zoiets als de ‘goede’ of de ‘foute’ manier. Ook in de bezetting van de basso continuo was er variatie: in een in manuscript overgeleverde sonate van Gian Carlo Cailò werd alleen het klavecimbel ingezet, terwijl in de Sonate in g, op. 2,3 van Michele Mascitti alleen de cello de baspsrtij speelde. Dat was een destijds gangbare praktijk, die tegenwoordig nog zelden wordt toegepast. Saladin en haar collega’s, Daniel Rosin (cello) en Johannes Keller (klavecimbel), hadden een interessant programma samengesteld met muziek van componisten die zelf violist waren, wat betekent dat hun composities de mogelijkheden van de viool uitbuiten en technisch veeleisend zijn. Dat geldt zeker voor Giovanni Antonio Piani en Nicola Matteis, twee componisten die uit Napels afkomstig waren, maar hun carrière elders maakten. Mascitti werd in de buurt van Napels geboren, ontving daar zijn opleiding, maar verhuisde naar Parijs, waar hij zich als musicus en als mens geliefd maakte. Het leidde ertoe dat hem het staatsburgerschap werd verleend. Zijn muziek is overigens volstrekt Italiaans, zoals ook uit de twee tijdens dit concert uitgevoerde sonates bleek. Hoogtepunten van het concert – zo daarvan al sprake is, wanneer alles van zulke kwaliteit is en zo goed wordt uitgevoerd – waren twee stukken voor viool zonder begeleiding van Matteis, Passaggio rotto en Fantasia, beide briljant gespeeld door Eva Saladin, en de sarabanda uit Piani’s Sonate in c, op. 1,7. Er is alle reden naar de concerten van Eva Saladin in het volgende festival uit te kijken.

Zij staat aan het begin van een hopelijk mooie carrière. Dat is ook het geval met de jonge Italiaanse klavecinist Cristiano Gaudio (foto), die de eer te beurt viel een recital in de klavierserie in de Lutherse Kerk te verzorgen. Hij speelde een programma met zes sonates en twee toccata’s van Francesco Durante, afgewisseld met een toccata van Alessandro Scarlatti. Durante gold als een nogal conservatief componist, in wiens oeuvre het contrapunt, dat in zijn tijd steeds meer als – met een hedendaagse dooddoener – ‘niet meer van deze tijd’ werd beschouwd, een belangrijke rol speelt. Dat geldt ook voor zijn klavecimbelsonates, die uit twee delen bestaan. Het eerste is steeds een fuga, waarin Durante zijn voorkeur voor en bedrevenheid in het contrapunt demonstreert. Maar het tweede deel is een divertimento, en daarmee slaat hij een brug naar zijn eigen tijd, want het divertimento was één van de geliefdste vormen van de galante stijl. Gaudio’s technische beheersing was indrukwekkend, want deze sonates zijn alles behalve eenvoudig. Ze vereisen vingervlugheid, maar ook inzicht in de retorische opbouw. Gaudio beschikte over beide eigenschappen en dat resulteerde in een heel boeiend recital, waarin Durante als klavecimbelcomponist op de kaart werd gezet. Gaudio werd terecht met een langdurig applaus beloond, wat een toegift in de vorm van een sonate van Domenico Scarlatti uitlokte.

Het concert van drie uur in de Pieterskerk is meestal aan muziek uit de middeleeuwen of renaissance gewijd. Dit keer was het Ensemble Leones (foto) aan de beurt een aspect van het muziekleven in Napels in de middeleeuwen te belichten. Daarbij was in dit geval de connectie tussen de muziek en Napels wel erg dun. Het hele programma was gewijd aan Adam de la Halle (1245/50-1285/88), die weliswaar in de late jaren 1270 in Napels verbleef, maar die het grootste deel van zijn oeuvre in Parijs componeerde. Maar daarom niet getreurd: onder leiding van Marc Lewon voerde het ensemble een heel interessant programma uit van een componist, van wie je zelden iets hoort en die eigenlijk alleen bekend is door zijn muzikale spel Jeu de Robin et de Marion. Het programma begon met het overgebleven fragment van het epische gedicht Le Roi de Secile, met sobere gebaren voorgedragen door de tenor Giovanni Cantarini. Heel interessant waren ook de fragmenten uit een dialoog tussen Adan en Jehan, het resultaat van een literaire wedstrijd door leden van de Puy d’Arras, een soort literaire vereniging. Daarnaast klonken rondeaus en chansons alsmede enkele estampies. Helaas werden de stukken deels in een iets andere volgorde uitgevoerd dan in het programmaboek stond, wat enige verwarring veroorzaakte. Dat mocht de pret niet drukken, want we kregen een prachtig muzikaal portret van Adam de la Halle, wiens werk meer aandacht verdient. Els Janssens-Vanmunster speelde, als vanouds, een hoofdrol; ze weet altijd weer de juiste toon te treffen in elk stuk dat ze onder handen heeft. Ze vond gelijkwaardige partners in Cantarini en de sopraan Miriam Trevisan. Dat Marc Lewon, die verschillende strijk- en tokkelinstrumenten bespeelde, ook een goede stem heeft, wisten we al, maar hier bleek dat ook Mara Winter, die de middeleeuwse fluit bespeelde, wat dat betreft van wanten weet. Ook hier weer een enthousiast publiek en de onvermijdelijke toegift. Maar wie zou daarover klagen?

Het koor en orkest Ghislieri hadden we zaterdag gehoord in een programma met groot bezette werken voor solisten, koor en orkest van Jommelli en Pergolesi. In de Geertekerk kwam alleen het koor (foto) aan het woord, dit keer met begeleiding van slechts het orgel, bespeeld door Maria Cecilia Farina. Op het programma stonden de Missa quatuor vocum van Alessandro Scarlatti, die in de wandeling de Messa di Madrid wordt genoemd, omdat het werk zich in de koninklijke bibliotheek van Spanje bevindt. Het is een werk voor vier stemmen zonder begeleiding; hier speelde het orgel een basso seguente. Het was in Scarlatti’s tijd gebruikelijk dat muziek voor de liturgie in de stijl van Palestrina werd gecomponeerd en dat is ook hier het geval. De liturgische functie van de mis werd in dit concert onderstreept door het invoegen van gregoriaanse gezangen, genomen uit de liturgie voor Witte Donderdag. Het Benedictus werd voorafgegaan door Domenico Scarlatti’s Sonate in d (K 52), waarin volgens de programmatoelichting “retorische verwijzingen naar het lijden en sterven van Christus” te vinden zijn. Het is één van mijn favoriete sonates; ik heb me vaak afgevraagd hoe die op orgel zou klinken. Dit concert gaf het antwoord: perfect. Het tweede werk op het programma is ook gerelateerd aan de tijd voor Pasen: de boetpsalmen werden vooral tijdens de vasten en dan met name tijdens de Goede Week gezongen. Hier hoorden we Psalm 50 (51), Miserere mei Deus, van Niccolò Jommelli. Ook hij neemt de stile antico als uitgangspunt, maar voegt er nogal wat dramatische elementen aan toe. Jommelli was niet voor niets één van de beroemdste operacomponisten van zijn tijd. Direct bij de eerste frase gebruikt hij al de harmonie om de tekst tot uitdrukking te brengen. Heel dramatisch is de herhaling van “libera me” door het gehele ensemble. Hier en daar zitten enkele solopassages die in een opera niet zouden misstaan. Ik was door de uitvoering van beide werken meer overtuigd dan in Pergolesi vorige week zaterdag. Hier werd een duidelijker verschil gemaakt tussen de twee componisten, die tot verschillende stijlperiodes behoren. Het Ghislieri koor is een uitstekend ensemble, en Prandi dirigeerde hier wat rustiger dan zaterdag, toen hij wel erg wild gebaarde.

Het avondconcert in de grote zaal van TivoliVredenburg was gewijd aan Farinelli, één van de grootste castraten van zijn tijd. Uitgangspunt van het concert door Ann Hallenberg (mezzosopraan) en het ensemble Stile Galante onder leiding van Stefano Aresi (foto) is een bundel met tien aria’s die Farinelli regelmatig zong en die hij cadeau deed aan keizerin Maria Theresa in Wenen. Deze bron is vooral interessant, omdat Farinelli bij twee aria’s z’n eigen versieringen en cadenzen heeft toegevoegd. Die twee aria’s klonken tijdens dit concert: Quell’usignolo uit Merope van Geminiano Giacomelli en Son qual nave ch’agitata uit Mitridate van Giovanni Antonio Giay. Wie die versieringen hoort, begrijpt de kritiek van iemand als Benedetto Marcello en later Christoph Willibald von Gluck. De edele kunst van het ornamenteren was volledig uit de hand gelopen. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen dat dit soort vocale capriolen grote opwinding en bewondering van de operaliefhebbers van die tijd uitlokten. Voor de moderne zanger zijn de virtuoze coloraturen en eindeloze kettingen van trillers buitengewoon inspannend. Dat verklaart wellicht waarom Ann Hallenberg slechts vier aria’s zong. Je moet bewondering hebben voor de manier waarop de dat deed. Er zullen weinig zangers zijn die haar daarin kunnen evenaren. Ze is bovendien een gevierd operazangeres vanwege haar theatrale kwaliteiten. Met echte barokke zangkunst heeft het echter weinig te maken. Haar vrijwel constante vibrato, het forte zingen van de topnoten en het feit dat de tekst niet in het middelpunt staat zijn tekenen van de tegenwoordig helaas dominante, ‘moderne’ benadering van de vocale muziek van de barok. Het zou interessant geweest zijn wanneer de musici en met name Hallenberg consequent gestreefd hadden naar een herleving van de zangstijl van Farinelli’s tijd. Er klonken ook enkele instrumentale werken: het Concert in G voor cello van Porpora en een vioolsonate van José Herrando, waarin de geluiden van het voorjaar worden geïmiteerd, zoals de nachtegaal en de koekoek en de naderende storm. Deze werken werden uitstekend vertolkt door Agnieska Oszanca (cello) respectievelijk Isabella Bison (viool). Stile Galante bewees zijn kwaliteiten hier en in de aria’s.

Gepost door: Johan van Veen | 27 augustus 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – maandag 26 augustus

De ochtendconcerten om elf uur in Hertz zijn gereserveerd voor kamermuziek en in dit festival betekent dat meestal muziek voor viool. Zo was het ook deze morgen. In 2016 richtte Josef Zák het Ensemble Castelkorn (foto) op; in 2018 verscheen de eerste CD. Die heb ik nog niet gehoord, dus dit concert was de eerste kennismaking. Die was zonder meer positief, alleen al vanwege het feit dat twee componisten op het programma stonden, die je niet alle dagen hoort. Terwijl Nicola Matteis niet geheel onbekend is en zijn muziek ook op CD is opgenomen, had ik van Giovanni Antonio Guido nog nooit gehoord. Beide zijn met Napels verbonden: Matteis werd er geboren, Guido studeerde er. Om en om klonken drie suites van Matteis en twee sonates van Guido. Matteis’ suites zijn los van vorm en hebben geen vaste structuur. De titels van sommige delen roepen vraagtekens op, zoals ‘malinconia’. Matteis was een echte virtuoos, iets wat in Engeland in de tweede helft van de 17e eeuw een nieuw fenomeen was. De suites zitten vol contrasten in karakter en tempo. In de Suite in G bijvoorbeeld wordt een aria burlesca gevolgd door een aria grave. Veel stukken zijn technisch veeleisend en meerdere delen bevatten passages met dubbelgrepen. Maar ze zijn zeker niet verstoken van expressie, zoals de sarabanda con affetto uit de Suite in e. Deze kwaliteiten kwamen in de uitvoering van het ensemble uitstekend uit de verf. Guido’s twee sonates die tijdens het concert gespeeld werden, bleken heel mooie stukken, met briljante snellen delen en zangerige langzame delen. Záks spel was ook hier uitstekend en ik moet zeker ook het aandeel van de basso-continuosectie met ere noemen. Heel fraai was het aanstekelijke ritme van de bas in het eerste allegro van Guido’s Sonate in F. Guido’s sonates zou ik wel op CD willen hebben.

De concerten om één uur in de middag zijn traditioneel gewijd aan muziek voor toetsinstrumenten en vinden in de regel in de Lutherse Kerk plaats. Daar nam deze middag Jean-Marc Aymes (foto) achter het klavecimbel plaats om de muziek van Giovanni de Macque uit te voeren. Dat is niet heel omvangrijk en tijdens dit recital kregen we het grootste deel van zijn klavieroeuvre te horen. De belangrijkste vormen van de tijd waren vertegenwoordigd: capriccio, canzona, toccata en partite. Het was aardig dat Aymes tijd nam om de toehoorders uit te leggen hoe De Macque een stuk opbouwt. Dat deed hij aan de hand van het Capriccio sopra tre soggetti, waarbij hij demonstreerde hoe de componist de drie thema’s gebruikt en uitwerkt en zo aan elkaar verbindt dat harmonische wrijvingen ontstaan. De Macque was één van de Napolitaanse componisten in zijn tijd, die nogal experimenteerden met harmonieën en stemmingen. Een stuk als Durezze, e ligature wordt gedomineerd door dissonanten en zou wellicht beter uit de verf komen op een orgel. Aymes’ recital was heel boeiend door de goede afwisseling van verschillende vormen en uiteraard de kwaliteit van De Macques muziek, die onder de handen van Aymes volledig tot haar recht kwam.

In de Pieterskerk maakte het ensemble Tasto Solo (foto) zijn opwachting met een interessant programma rond een intrigerende persoon: Anna Inglese, een Engelse zangeres die carrière maakte in Italië. In 1471 arriveerde ze in Napels – reden genoeg om dit programma in het festival te presenteren. Aanvankelijk zouden we muziek van o.a. Busnoys, Tinctorisen Dufay alsmede van onbekend gebleven componisten horen, stukken die zijn genomen uit in Milaan circulerende manuscripten. Maar verder onderzoek leidde tot zoveel informatie over Anna Inglese dat het programma drastisch gewijzigd werd. Nu stond een Engelse componist, Walter Frye, centraal en we hoorden ook een stuk van Tinctoris op een Engelse tekst. Doordat het programma gewijzigd werd, toen het programmaboek al gedrukt was, moesten we raden naar de oorsprong van de uitgevoerde werken. Ik zou graag willen weten hoe een stuk van Tinctoris aan z’n Engelse tekst komt. Maar wellicht wordt dat onthuld in een CD-opname. Het is te hopen dat die er komt, want niet alleen is het onderwerp intrigerend, het concert was – zoals we eigenlijk van Tasto Solo gewend zijn – van een hoog niveau. Daartoe droeg in niet geringe mate sopraan Anne-Kathryn Olsen bij, die als het ware in de schoenen van Anna Inglese ging staan. Ze beschikt over een prachtige en voor deze muziek ideale stem. Die mengde ook optimaal met de drie instrumenten: organetto (bespeeld door Guillermo Pérez, de leider van het ensemble), harp (Bérengère Sardin) en luit (Bor Zuljan).

In Hertz klonk vervolgens een heel ander programma. Hoofdpersoon was Nicola Porpora, een in zijn tijd beroemd componist, maar tegenwoordig vooral bekend als de zangleraar van diverse castraten, zoals Farinelli. De laatste tijd wordt zijn muziek weer herontdekt en het was een goed idee hem in het zonnetje te zetten. Dat deed het ensemble Capriola di Gioia onder leiding van Bart Naessens, met de sopraan Amaryllis Dieltiens als soliste (foto). Porpora werd hier gecombineerd met Händel. Daar zijn goede redenen voor: Porpora werkte enkele jaren in Londen, waar hij werd ingehaald als rivaal van Handel. Of er echt sprake was van rivaliteit is zeer de vraag. Er zijn redenen aan te nemen dat ze op goede voet met elkaar stonden. Het programma was samengesteld uit opera-aria’s van beide componisten en twee cantates van Porpora, onderbroken door een sonate voor viool en basso continuo. Die variatie is aardig, maar was ook een probleem. Want terwijl het bij de cantates om vocale kamermuziek gaat, verlangen de opera-aria’s een groter orkest dan een ensemble met traverso, twee violen en altviool. Ook is Hertz voor zulk repertoire niet geschikt; daarvoor is een grotere ruimte nodig. Amaryllis Dieltiens is niet bepaald een operazangeres: ze deed haar best, maar echt overtuigend was het niet. Ze forceerde zichzelf, wat tot een overmatig vibrato leidde. De cadenzen waren soms ook over the top. In de cantates deed ze het beter, ook op het vlak van de tekstbehandeling. Dat alle dacapo’s werden weggelaten, behalve in de laatste aria, moet ook als minpunt worden genoteerd: dat kan echt niet. Het instrumentaal ensemble was uitstekend.

Voor oudere muziekliefhebbers zal het avondconcert door La Capella Reial de Catalunya en Hespèrion XXI onder leiding van Jordi Savall (foto) in veel opzichten een feest der herkenning zijn geweest. Savall speelde kort na de oprichting van zijn destijds Hespèrion XX geheten ensemble vaak de muziek die ook tijdens dit concert klonk. Dan gaat het om chansons, villancico’s en villanella’s, die in diverse liedboeken te vinden zijn, zoals het Cancionero de Montecassino. Dat is grotendeels Spaans repertoire, maar gezien de nauwe banden tussen Napels en Spanje gedurende meer dan twee eeuwen past dat helemaal binnen het thema van het festival. Je kunt het aan Savall overlaten om uit het omvangrijke repertoire een afwisselend programma samen te stellen. In het ensemble zitten ook veel oudgedienden, zoals Jean-Pierre Canihac (zink), Sergi Casademunt en Lorenz Duftschmid (viola da gamba) en Andrew Lawrence-King (harp). Naast anonieme stukken klonken werken van o.a. Cornago, Ghizeghem, De la Torre, Del Encina, Cabezón en Willaert. Het programma werd met veel schwung ten gehore gebracht, in een afwisseling van instrumentale en vocale stukken. Het ensemble bestaat uit echte virtuozen, die alles uit hun instrument halen. Savall houdt de touwtjes stevig in handen, zodat niemand uit de bocht vloog. Zoals altijd kan Savall vertrouwen op een uitstekende groep zangers, met ook daarin enkele vertrouwde namen, zoals David Sagastume (alto), Furio Zanasi (bariton) en Daniele Carnovich (bas). Fraai waren ook de twee sopranen, Lucía Martín-Cartón en Adriana Fernández. Het was een bijzonder onderhoudende avond.

Wie iets bijzonders wilde horen, moest maandagavond laat in de Pieterskerk zijn. De naam Leonardo Leo doet bij de meeste muziekliefhebbers waarschijnlijk geen belletje rinkelen, of het moest zijn dat men diens celloconcerten heeft gehoord, gespeeld door wijlen Anner Bijlsma. Leo was in de eerste plaats een beroemd operacomponist. Hier hoorden we hem als componist van sacrale muziek, en wel van Responsoria voor de goede week. Die werden in de renaissance vaak op muziek gezet, o.a. door Victoria en Gesualdo. Van een operacomponist als Leo mag men dramatische zettingen verwachten, en dat zijn ze ook, ondanks de bescheiden bezetting voor vier stemmen en basso continuo. Leo besteedde veel aandacht aan de relatie tussen tekst en muziek. Helaas was dat in dit concert voor de toehoorders niet goed te volgen, aangezien de kerk geheel verduisterd was, op kaarsen en een enkele lamp rond de zangers na. Maar wie de inhoud van de teksten min of meer kent, zal toch wel geraakt zijn door de manier waarop Leo die muzikaal vertaalt. Dat kwam in de uitvoering door Nova Ars Cantandi, onder leiding van Giovanni Acciai (foto), heel goed tot uitdrukking. De zangers waren perfect op elkaar ingespeeld, ook al was sopranist Alessandro Carmagnani nogal eens iets te dominant. Zijn nogal penetrante stemgeluid is niet ieders cup of tea. Het ensemble schuwde soms sterke dynamische contrasten niet. Deze Responsoria lijken me een belangrijke aanwinst voor het passierepertoire. Overigens zijn deze, in dezelfde uitvoering, kort geleden op CD verschenen (Archiv).

Gepost door: Johan van Veen | 25 augustus 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – zaterdag 24 augustus

Om elf uur begon de dag met een concert in Hertz. Erik Bosgraaf (foto) presenteerde hier vijf concerten voor blokfluit en strijkers van Alessandro Scarlatti. Zijn oeuvre bestaat voornamelijk uit vocale muziek; instrumentale werken nemen een relatief bescheiden plaats in. Opvallend daarom dat hij een aantal blokfluitconcerten heeft gecomponeerd. Daarin is de blokfluit overigens meestal één van de instrumenten in het ensemble. Dat kwam in de uitvoeringen van Bosgraaf en zijn collega’s in het ensemble Cordevento, met twee violen, cello, theorbe en klavecimbel, goed tot z’n recht. Bosgraaf hing ook niet de virtuoos uit, wat in deze muziek ook niet zou passen. Z’n spel was zeer fraai, goed gearticuleerd, ook in de snelle delen, en met mooie versieringen. In deze concerten zitten de nodige dramatische elementen, die verraadden dat Scarlatti tot de belangrijkste operacomponisten van zijn tijd behoorde. Dat bleek bijvoorbeeld in het Concerto XXI in a: het derde deel is getiteld veloce en begint inderdaad razendsnel, maar dat duurt maar een paar maten; dan wordt het tempo plotseling traag. Duidelijk later gecomponeerd is het Concerto in a van Nicola Fiorenza, waarin de blokfluit een meer zelfstandige rol speelt. Vooral het tweede deel heeft een dramatisch karakter. Het concert eindigde met wat het bekendste blokfluitconcert van Scarlatti is, dankzij het feit dat Frans Brüggen dit in de beginjaren van de herontdekking van de barok samen met o.a. Gustav Leonhardt en Anner Bijlsma op plaat opnam: het Concerto IX in a. Het kreeg een mooie speelse en creatieve uitvoering en was daarmee een waardig besluit van een mooi optreden.

Niet veel muziekliefhebbers zullen opveren bij de naam Pietro Domenico Paradisi. Hij componeerde toneelmuziek, maar is in onze tijd vooral bekend vanwege zijn klavecimbelsonates. Die staan ergens tussen de barok en de klassieke periode in. Enrico Baiano (foto, met dank aan Christopher Price) is een specialist in de klavecimbelsonates van Domenico Scarlatti en heeft ook een CD met sonates van Paradisi opgenomen. Het is geen wonder dat hij zich met Paridisi bezighoudt, want in diens muziek is de invloed van Scarlatti niet te missen. Tijdens het recital in de Lutherse Kerk kwamen meerdere sonates of sonatedelen voorbij, die je zomaar aan Scarlatti zou toeschrijven, zoals de Sonate V in F. Maar er waren ook stukken die zich duidelijk van Scarlatti verwijderen, zoals de aria uit de Sonate III in F. De Sonate IX in a is een voorbeeld van een stuk dat de geest van de tijd van de zonen van Bach ademt. Baiano speelde dit technisch veeleisende programma uit het hoofd, wat een prestatie genoemd mag worden. Zijn optreden was ook muzikaal een mooie ervaring, want de muziek van Paradisi weet zeker te boeien en dat was ook de verdienste van Baiano, die met sprankelend spel de kwaliteiten van diens sonates overtuigend over het voetlicht wist te brengen.

Johannes Tinctoris (c1435-1511) is waarschijnlijk niet veel bekender dan Paradisi, behalve wellicht bij diegenen die een bijzondere belangstelling voor de muziek van de renaissance hebben. Zij kennen hem waarschijnlijk vrijwel uitsluitend als theoreticus. Zijn theoretische werken schreef hij in Napels, en dat was reden voor Baptiste Romain en programma samen te stellen met muziek van Tinctoris en enkele tijdgenoten, dat hij met zijn ensemble Le Miroir de Musique (foto) ten gehore bracht. Dat ensemble heeft hij opgericht om vooral de rol van strijkinstrumenten, zoals rebec, vedel en viola d’arco in de muziek van de renaissance onder de aandacht te brengen. Zelf speelde hij de twee eerstgenoemde instrumenten, terwijl Elisabeth Rumsey de viola d’arco hanteerde. Uiteraard speelden de instrumenten een belangrijke rol in het programma. Er klonken verschillende instrumentale werken. Dat zijn in die tijd meestal vocale werken die instrumentaal kunnen worden uitgevoerd of in tekstloze versies zijn overgeleverd. Dat was waarschijnlijk de reden dat in deze stukken vaak één of twee stemmen door de zangers van het ensemble gevocaliseerd werden, op de namen van de noten of op één enkele klinker. Met Sabine Lutzenberger, Dina König, Jacob Lawrence en Tim Scott Whiteley stonden Romain vier uitstekende zangers ter beschikking, die de vocale werken op fraaie en stijlvolle wijze uitvoerden. De balans was niet altijd ideaal: Lawrence was soms wat te luid en Lutzenberger was soms te weinig present. Dat doet niets af aan de hoge kwaliteit van dit concert door één van de meest interessante ensembles op het gebied van de pre-barokke muziek, dat door het publiek terecht met een ovationeel applaus werd beloond.

Eén van de aardige dingen van dit festival is de variëteit, die er voor zorgt dat je na een uur muziek uit de renaissance zomaar in een heel andere wereld kunt belanden. Dat was mijn ervaring toen ik vanuit de Pieterskerk naar Hertz toog, waar de Cappella Neapolitana (foto) een programma met meestal komische stukken uit het Napels van de 18e eeuw presenteerde. Een hoofdrol was weggelegd voor tenor Pino de Vittorio, en dan weten kenners wel wat ze kunnen verwachten. Het is een geboren acteur, die zich als zanger zowel in religieus als wereldlijk repertoire laat horen, hoewel naar mijn mening zijn kwaliteiten het beste uit de verf komen in de muziek die in dit concert te horen was. Een echt mooie stem heeft hij niet en z’n manier van zingen, die geworteld is in de volksmuziek, is niet bepaald mijn smaak. Datzelfde geldt voor het repertoire, maar het is wel echt Napels en daarom mochten de aria’s en duetten – meestal uittreksels uit komische opera’s en cantates – in het festival niet ontbreken. En als je dit repertoire uitvoert, dan moet het waarschijnlijk inderdaad op deze manier. Of dat ook geldt voor een relatief laat werk als Pulcinella vendicato van Paisiello (1740-1816) – daar ben ik nog niet zo zeker van. Sopraan Leslie Visco heeft een veel ‘klassiekere’ stem, maar paste zich in manier van zingen en gestiek goed aan De Vittorio aan. Daardoor werd het een heel onderhoudend uur. De musici hadden het duidelijk net zo naar hun zin als het publiek, want het enthousiaste applaus lokte twee toegiften uit.

Voor het festival is de schare van Vrienden van groot belang. Zij ontvangen voor hun steun verschillende voordelen, maar er is ook elk jaar een cadeautje in de vorm van een Vriendenconcert. Daarvoor was ditmaal een ensemble uitgenodigd dat de laatste jaren nogal furore maakt en ook al twee maal in de Zaterdagmatinee optrad. Onder de enthousiaste leiding van Giulio Prandi brachten koor en orkest Ghislieri (foto) twee vocale werken ten gehore, die waarschijnlijk niemand in de grote zaal van TivoliVredenburg eerder gehoord had: het Dixit Dominus van Niccolò Jommelli en de Mis in D van Pergolesi. Jommelli is vooral als operacomponist bekend geworden, alhoewel zijn muziek nog niet echt herontdekt is. Er is alle reden zijn oeuvre nader te exploreren, want zijn zetting van Psalm 110 (109) bleek een fraai werk. In die psalm zitten een paar heel dramatische verzen en het is niet verbazingwekkend dat een operacomponist daar wel weg mee weet. Pergolesi heeft, ondanks zijn vroege dood, een flink oeuvre nagelaten dat maar ten dele bekend is. De Mis in D behoort tot zijn onbekende werken; ze bestaat uit een Kyrie en Gloria. Evenals Jommelli’s Dixit Dominus bestaat het uit een afwisseling van tutti en soli. De aria’s zijn vrijwel uitsluitend voor sopraan en alt; die werden destijds ongetwijfeld door castraten gezongen. Ze zouden in een opera niet misstaan. Helaas waren ze in de uitvoering de zwakke plekken. Francesca Boncompagni en Maria Chiara Gallo maakten indruk door de manier waarop ze de technisch veeleisende aria’s te lijf gingen. Uit stilistisch oogpunt konden ze veel minder overtuigen. Het waren de gebruikelijke tekortkomingen: een vrijwel onafgebroken vibrato, hoge noten met volle kracht gezongen en soms overdreven cadenzen. Er waren te weinig dynamische nuances en van de tekst was te weinig te verstaan. Koor en orkest waren goed op dreef en leverden prima prestaties. Ik vroeg me wel af of Pergolesi niet teveel werd benaderd zoals Jommelli, terwijl deze componisten toch tot verschillende stijlperiodes behoren. Soms werden de tutti in Pergolesi’s mis wel erg stevig aangepakt; het volume lag vaak wel erg hoog. Niettemin: het was een aangename kennismaking met deze twee onbekende werken.

Het concert van Concerto Soave (foto) onder leiding van Jean-Marc Aymes verplaatste degenen die deze werken gehoord hadden, in een totaal andere wereld. We beleefden de moderne wereldpremière van de Markuspassie (Passio secundum Marcum) van Giovanni Maria Trabaci. Het is één van vier passies naar de vier Evangeliën, die van Trabaci bewaard gebleven zijn. Hij is vooral bekend geworden door zijn muziek voor toetsinstrumenten, waarin hij er lustig op los experimenteert. Daarin is hij duidelijk verwant aan Carlo Gesualdo. Zijn religieuze muziek is daarentegen uitgesproken conservatief; hij houdt zich strikt aan de stile antico en slechts nu en dan is er sprake van tekstexpressie. De tekst van de evangelist wordt door drie stemmen gezongen (alt, tenor en bas), terwijl de uitspraken van individuele personen (Jezus, Petrus, Pilatus) door een solostem worden vertolkt. In de turbae wordt het ensemble tot vier stemmen uitgebreid. Trabaci vermijdt ook harmonische experimenten; hij beperkt zich grotendeels tot faux bourdon. Wat mij betreft is deze passie een belangrijke en interessante uitbreiding van het passierepertoire. Ik ben heel benieuwd naar de drie andere passies. Helaas stelde de uitvoering wat teleur. Aanvankelijk mengden de stemmen van alt, tenor en bas niet zo goed, maar dat werd gaandeweg beter. Desondanks was de zang van de drie heren niet optimaal. Hoewel dit een strikt vocaal werk is, vond Aymes het nodig hier en daar (geïmproviseerde?) tussenspelen op orgel in te voegen, soms op nogal onlogische momenten, in een enkel geval in samenspel met een harp. Daardoor werd de dramatische spanning onderbroken. Ook de zin van de incidentele begeleiding van de zangers – op de manier van een basso seguente – ontging me. Ik had naar dit concert uitgekeken en het was zeker interessant, maar muzikaal was het niet wat ik gehoopt had.

Gelukkig eindigde de dag met een hoogtepunt. Zo’n veertig mensen in een halve kring op het podium van de grote zaal van TivoliVredenburg luisterden naar een recital van Guillermo Pérez (foto), die zich heeft gespecialiseerd in het uitvoeren van renaissancemuziek op toetsinstrumenten, met name het organetto. Hij speelde een programma met hoofdzakelijk vocale muziek, van Machaut, Ciconia, Landini en enkele anonieme meesters, alsmede een paar dansen. Het is indrukwekkend met hoeveel virtuositeit hij dit kleine instrument bespeelt en wat hij er uit weet te halen. Het was een buitengewoon boeiend optreden, waarin hij de rol van het organetto in de muziek van de renaissance overtuigend over het voetlicht bracht. De intieme setting was de perfecte ambiance voor dit recital, dat voor mij in elk geval tot de hoogtepunten van dit festival behoort.

Gepost door: Johan van Veen | 23 augustus 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – vrijdag 23 augustus

Het jaarlijkse Festival Oude Muziek Utrecht is dit jaar gewijd aan Napels. Van de daar gecomponeerde muziek is maar een relatief klein deel echt bekend en dus kunnen we in dit festival veel onbekende componisten en muziekwerken verwachten. Dat was direct al het geval op de eerste dag.

Vorig jaar was er een nieuwigheid: op vrijdagmiddag gaf het Huelgas Ensemble onder leiding van Paul Van Nevel (foto) een drietal concerten met een staalkaart van de meerstemmige muziek aan het Habsburgs-Bourgondische hof. Kennelijk beviel die formule zo dat het ensemble dit jaar opnieuw mocht aantreden met drie concerten. Daarin kwam zowel de veelzijdigheid van de vocale muziek uit de renaissance en de vroege barok als de stilistische ontwikkeling van dat repertoire naar voren. De drie concerten waren chronologisch opgezet en omvatten alle een variatie van geestelijke en wereldlijke werken. In de laatste categorie stond daar het volkse element, zoals dat vooral in canzonetta’s en villanesca’s tot uitdrukking komt tegenover het meer ontwikkelde madrigaal. In dat genre hoorden we vooral uit het begin van de 17e eeuw een aantal frappante voorbeelden van tekstexpressie, met name door middel van het gebruik van chromatiek en dissonanten. We zitten dan in de barok, maar van de nieuwe stijl, die rond 1600 in Italië ontstond, is bij de ten gehore gebrachte componisten niets te bespeuren. De madrigalen zijn geschreven in de stile antico, maar net zoals Carlo Gesualdo streefden ook componisten als Pomponio Nenna, Scipione Lacorcia en Giovanni de Macque naar een optimale expressie van de tekst en de daarin uitgedrukte emoties met de middelen van de late renaissance. Vanuit dat perspectief moet het verschil tussen de ‘oude’ en de ‘nieuwe’ stijl niet overdreven worden.
Van het Huelgas Ensemble mag je een hoog niveau van interpretatie verwachten en de zangers stelden niet teleur. Zowel de eenvoudiger stukken als de gecompliceerde madrigalen kwamen goed uit de verf. De perfecte intonatie is uiteraard vitaal voor een optimale weergave van de harmonische ontwikkelingen in dit repertoire. Dat wil niet zeggen dat er geen kritische kanttekeningen te maken zijn.
Ten eerste: een aantal wereldlijke stukken werd met meer dan één zanger per stem uitgevoerd. Dat is voor discussie vatbaar. Mij lijkt een solistische bezetting meer voor de hand te liggen. In één stuk voor drie stemmen werd de bovenstem gezongen en de beide andere stemmen gevocaliseerd. Dat is een praktijk die volgens sommigen gangbaar was in de tijd van Machaut, maar in dit repertoire lijkt me een vocale uitvoering van alle stemmen of een bezetting met één stem en bijvoorbeeld een luit te prefereren. Het is bovendien nogal eigenaardig dat een drietal zangers wordt gedirigeerd. Het concert begon met een eenstemmig stuk, dat door de zangers unisono werd gezongen, waarbij de sopranen en de mannenstemmen elkaar afwisselden. Ook daarbij zijn vraagtekens te plaatsen. En tenslotte: voor madrigalen en villanesca’s is de Jacobikerk niet de meest geschikte ruimte.
Niettemin: het waren buitengewoon interessante en boeiend concerten die een uitstekende opmaat vormden tot wat ons in dit festival nog te wachten staat.

Ook het avondconcert was een soort reprise van vorig jaar. Toen werden de bezoekers in groepen ingedeeld en door middel van een wandeling door de stad naar verschillende locaties gevoerd, waar hun een kort concert wachtte. Dit keer werd de wandeling beperkt tot TivoliVredenburg zelf. De bezoekers werden naar de verschillende zalen gebracht om daar korte optredens te beluisteren. Volgens festivaldirecteur Xavier Vandamme was het karakter van de avond een soort georganiseerde chaos. Dat is goed gelukt. Dat een ongelukje enigszins roet in het eten gooide, waardoor iedere groep één optreden moest missen, was een onvoorziene bijkomstigheid. Het was niet de hoofdreden waarom ik het programma, waarvan het concept op zich best aardig oogt, onbevredigend vond. De optredens waren wel heel erg kort, soms nog geen tien minuten. Als gevolg van een niet optimale doorstroming – wat niet vreemd is in een toch relatief beperkte ruimte – zat het publiek soms nogal lang te wachten zonder dat er iets gebeurde. Vreemd was vooral dat twee optredens voor verschillende groepen plaatsvonden in aangrenzende ruimten – de K.F. Hein Foyer en Plein 6 – die met elkaar in verbinding staan. Het ene optreden kon daardoor pas beginnen toen het andere was beëindigd. En doordat de ruimten niet van elkaar gescheiden zijn, hoorden de groepen die daar zaten, de beide optredens dus twee maal. Dat was te voorzien maar werd kennelijk niet als een probleem beschouwd. Ik vond het onbevredigend, evenals het feit dat er bij verschillende optredens veel te weinig zitplaatsen waren.

Wat de optredens betreft: Weser-Renaissance (foto) maakte, met twee madrigalen van Giovanni de Macque de beste indruk: fraai gezongen in de voor dit repertoire geschikte akoestiek van Hertz. Voor wie gevoel heeft voor traditionele muziek was het optreden van Maria Marone en het Neapolis Ensemble met Napolitaanse liederen ongetwijfeld een aangename verrassing. Ik mis dat gevoel, maar kon wel waarnemen dat het om uitstekende musici gaat die weten hoe je dit repertoire aan de man moet brengen. Helaas voelden enkele bezoekers de aandrang de ritmes met handgeklap te ondersteunen. Als er iets is waar ik een gruwelijke hekel aan heb, is het dat.

De avond werd collectief afgesloten met een kort concert door de Cappella Neapolitana onder leiding van Antonio Florio (foto), een veteraan op het gebied van het onderzoek en de uitvoering van Napolitaanse muziek uit de 17e en 18e eeuw. Hij heeft al heel wat moderne premières op zijn naam staan. Ook voor deze avond had hij een onbekend stuk meegebracht. In de cantate Pace e Partenope van Cristofaro Caresana gaat het om San Gennaro, één van de beschermheiligen van de stad. Leslie Visco en Marta Fumagalli leverden uitstekende prestaties in de solopartijen, ondanks wat teveel vibrato van vooral laatstgenoemde. Het concert was een goede smaakmaker voor het optreden van dit ensemble op zaterdagmiddag.

Gepost door: Johan van Veen | 20 juli 2019

Henry Purcell: man van het theater

Er zijn goede redenen voor de stelling dat Henry Purcell geboren was voor het theater. Weliswaar heeft hij maar één echte opera nagelaten (Dido and Aeneas), maar zijn hele werk is doortrokken van theatrale elementen. Een belangrijk onderdeel van zijn oeuvre zijn de zogenaamde semi-opera’s. Zulke werken zijn een combinatie van gesproken tekst, dansen en instrumentale en vocale muziek. Tegenwoordig worden ze zelden compleet uitgevoerd. Meestal wordt de gesproken tekst helemaal weggelaten of er worden teksten voorgedragen die de loop van het verhaal verduidelijken. Bij CD-opnamen wordt daarvan meestal afgezien; het bijbehorende boekje biedt meestal een samenvatting van het verhaal.

Recent verschenen opnamen van de twee bekendste semi-opera’s van Purcell, The Fairy Queen en King Arthur. De eerstgenoemde is gebaseerd op het toneelstuk A Midsummer Night’s Dream van William Shakespeare. De auteur van het libretto is onbekend; de premiere vond plaats in 1692. Bij Glossa verscheen een uitvoering van dit werk door een Frans ensemble, Les Nouveaux Caractères, onder leiding van Sébastien d’Hérin. Het vocale ensemble is een mengeling van Engelse en Franse zangers. De laatste beschikken over een opmerkelijk goede uitspraak van het Engels. Samen zingen ze ook de koorgedeelten en dat zou weleens in overeenstemming kunnen zijn met de praktijk in Purcells tijd.

Purcell verlangde voor dit werk een instrumentaal ensemble van strijkers, twee blokfluiten, twee hobo’s, twee trompetten, pauken en basso continuo. Helaas vond d’Hérin dat niet genoeg. Hij voegde een zink en een harp toe. In zijn ensemble, dat trouwens aan de grote kant is, vinden we twee cello’s, een contrabas en een regaal. Het gebruik van cello’s is hoogst discutabel, want de cello was in Purcells tijd in Engeland nog niet gangbaar. Een contrabas heeft Purcell in zijn werken nooit gebruikt. En wat een regaal in dit werk te zoeken heeft, is me een raadsel. Het gebruik van dit instrument zorgt voor een zeer onbevredigende uitvoering van de ‘Dance of the Followers of the Night’ (acte 2). De zink speelt de obligate vioolpartij in ‘The Plaint’ (O let me weep) in acte 5. Dat heeft een desastreus effect, omdat het introverte karakter van dit lied grotendeels teniet wordt gedaan. De balans met de sopraan is helemaal zoek: de zink trekt alle aandacht naar zich toe. Overigens wordt dit lied ook naar de filistijnen geholpen door het grote vibrato van Caroline Mutel. Nog erger zijn haar escapades in ‘Hark! The echoing air’; hier voegt ze extravagante versieringen toe als in een slechte uitvoering van een opera van Händel.

De prestaties van de zangers zijn teleurstellend. Eigenlijk kan alleen Anders Dahlin stilistisch overtuigen. Ook Samuel Boden maakt een relatief goede indruk. Bij de overige zangers wordt er lustig op los gevibreerd. Uiteraard heeft dat ook een negatief effect op de ensembles. D’Hérin zet te vaak slagwerk in. Dat de ‘First Music’, die het werk opent, wordt ingeleid door een paukensolo is al een slecht voorteken. Maar ook in de chaconne ‘The Dance for the Chinese Man and Woman’ – dat hier overigens het werk afsluit, terwijl Purcell het vóór het koor ‘They shall be as happy’ plaatste – is het prominent aanwezig.

Kortom, een heel teleurstellende productie. Dan is de opname van King Arthur door Vox Luminis balsem voor de oren. Deze semi-opera gaat over een bekende figuur, die weliswaar historisch is, maar om wie een heel web van fabels is geweven. Het libretto is van de hand van John Dryden en gaat over de strijd tussen Arthur en de Saksen. Hij komt trouwens zelf niet aan het woord, evenmin als de andere hoofdfiguren in het verhaal, want het zijn allemaal gesproken rollen.

Er zijn een paar overeenkomsten tussen de beide opnamen. Het aantal zangers is ongeveer gelijk (12 resp. 13) en ook bij Vox Luminis zingen de solisten samen de koorgedeelten. Maar dat is het dan wel. Het instrumentaal ensemble in King Arthur is veel kleiner: naast blokfluiten, hobo’s, fagot, trompetten en pauken horen we strijkers in enkelvoudige bezetting. Geen cello’s en contrabas, wel een basviool, wat veel meer in overeenstemming is met de praktijk in Purcells tijd. Het slagwerk speelt een veel geringere rol dan in The Fairy Queen.

Ook op vocaal gebied steekt deze opname met kop en schouders boven de Glossa-produktie uit. Dit is een ensemble van volledig op elkaar ingespeelde zangers, die artistiek op één lijn zitten. Ik heb Vox Luminis tweemaal met dit werk gehoord. De eerste keer betrof het een concertante uitvoering tijdens het Festival Oude Muziek Utrecht in 2015, de tweede keer een semi-scènische uitvoering tijdens de Purcell-dag in Utrecht in 2018. Hoewel ik niet de indruk had dat de zangers geboren toneelspelers zijn, was dat een heel geanimeerde en overtuigende uitvoering. De ervaring van meerdere uitvoeringen gedurende een aantal jaren heeft ongetwijfeld een positief effect gehad op de CD-opname die nu is verschenen.

Gezien het algemene niveau van de uitvoering is het niet zo zinvol hoogtepunten te noemen. Niettemin, een paar heel mooie momenten wil ik toch vermelden. In acte 1 maakt Robert Buckland indruk in de rol van The British Warrior. ‘Hither, this way’ (acte 2) wordt excellent gezongen door Caroline Weynants. Olivier Berten zorgt voor een subtiele interpretatie van ‘How blest are shepherds’ (acte 2). Zsuzsi Tóth en Stefanie True zijn een perfect duo in ‘Shepherd, shepherd, leave decoying’ (acte 2). Eerstgenoemde is op haar best in ‘Fairest Isle’ (acte 5). Sebastian Myrus zet een heel goede Frozen Genius neer. Hier had het staccato iets scherper kunnen zijn. De enige teleurstellende bijdrage komt van Sophie Junker, die wat teveel vibrato gebruikt in de rol van Cupid; ze doet het beter in de partij van Honour in acte 5.

Er wordt hier excellent gezongen en gespeeld. Dit is de beste opname van King Arthur, die ik ken. Het zou mooi zijn als Vox Luminis zich ook over andere theatermuziek van Purcell zou ontfermen. The Fairy Queen wellicht?

Purcell: The Fairy Queen (Z 629)
Caroline Mutel, Virginie Pochon, Hjördis Thébault (sopraan), Caitlin Hulcup (mezzosopraan), Christophe Baska (alto), Samuel Boden, Anders Dahlin, Julien Picard (tenor), Guillaume Andrieux, Kevin Greenlaw (bariton), Ronan Nédélec (bas-bariton), Frédéric Caton (bas), Les Nouveaux Caractères/Sébastien d’Hérin
opname: 2016, Théâtre Laurent Terzieff – Ensatt, Lyon
Glossa GCD 922702 (2 CDs) (2.03’52”)

Purcell: King Arthur (Z 628)
Vox Luminis/Lionel Meunier
opname: 2018, AMUZ, Antwerpen
Alpha 430 (2 CDs) (1.37’59”)

Older Posts »

Categorieën