Gepost door: Johan van Veen | 6 september 2021

Festival Oude Muziek Utrecht 2021 – nabeschouwing

Het Festival Oude Muziek Utrecht zit er weer op. Tijd voor een nabeschouwing.

Laten we allereerst blij zijn dat het festival kon plaatsvinden. Het moet voor de organisatie heel spannend zijn geweest of – en zo ja, hoe – het festival zou kunnen doorgaan. De aard van de coronapandemie maakt het bijna onmogelijk te voorspellen hoe het zal gaan en welke maatregelen genomen moeten worden. De organisatie heeft een groot compliment verdiend voor de manier waarop ze deze maatregelen heeft gehanteerd. Bij het concert op de late avond op de openingsdag vreesde ik het ergste, toen er voor de Pieterskerk een heel lange rij mensen stond te wachten. Eerst de coronacheck, dan het identiteitsbewijs en dan nog eens de kaart voor het concert controleren. Dat gaat lang duren, dacht ik. Maar dat viel mee door de manier waarop dat was georganiseerd. Ook bij latere concerten ging het allemaal redelijk snel (complimenten aan de vrijwilligers!). Daarbij moet dan niet vergeten worden dat het aantal bezoekers per concert lager lag dan gebruikelijk. Slechts tweederde van de capaciteit van concertruimten kon worden gebruikt. Ik heb de cijfers nog niet gezien, maar het is te verwachten dat het aantal bezoekers beduidend lager ligt dan in voorgaande jaren.

Er zullen ongetwijfeld mensen zijn geweest, die het onder de huidige omstandigheden nog niet verantwoord vonden, concerten te bezoeken, zeker omdat er geen afstand gehouden hoefde te worden en mondkapjes niet verplicht waren. Er zullen ook veel minder buitenlandse bezoekers zijn geweest. In sommige landen zijn de beperkingen zo streng dat men niet eens het land mag verlaten. En voor bezoekers van buiten de EU zal de verplichting zich elke dag te laten testen, een te grote drempel zijn geweest. Vanuit dat oogpunt is het van groot belang dat het festival een aantal concerten via een livestream beschikbaar stelde. Daardoor konden diegenen die vanwege de omstandigheden niet aanwezig konden zijn, toch in elk geval iets van het festival meebeleven. De organisatie heeft nu een bericht laten uitgaan, waarin wordt aangekondigd dat wat in eerste instantie tijdelijk was, permanent zal worden. Een groot aantal concerten van het festival zal online beschikbaar komen. Dat lijkt me een uitstekende ontwikkeling, ook om de positie van het festival verder te verstevigen.

Het thema vam dit jaar was ‘Retoriek in de kunsten’ en dan uiteraad vooral in de muziek. Dat is op allerlei manieren aan bod gekomen, maar doordat ik me vooral op het bezoeken van concerten concentreerde, zijn de gesprekken en andere activiteiten waarin dit thema nader werd belicht, aan me voorbij gegaan. Bij de concerten moest de bezoeker de relatie tussen de muziek en retoriek meestal zelf maar zien te ontdekken. Dat is op zichzelf geen probleem, maar in veel toelichtingen op concerten in het programmaboek heb ik de aandacht voor dat punt toch wat gemist. Wat is, om een voorbeeld te noemen, de relatie tussen retoriek en de Messe de Nostre Dame van Machaut? Wat mij betreft krijgt dit belangrijke onderwerp een vervolg, wellicht via lezingen of andere activiteiten door het jaar heen. Niet alles hoeft in één festival gepropt te worden.

Het festival kent al jaren de figuur van de artist in residence. De bijdragen van zo iemand tot het festival hebben me niet altijd overtuigd, maar dit jaar had de organisatie met Sébastien Daucé en Eva Saladin een goede keuze gemaakt. Hun bijdragen tot het festival en het thema waren substantieel. Saladins activiteiten op het vlak van improvisatie lijken me een onderwerp dat om een vervolg vraagt. Dit zou wel eens een heel interessante ontwikkeling in de oude muziek kunnen gaan worden.

De kwaliteit van de concerten die ik gehoord heb, was over het algemeen goed tot uitstekend. Er waren enkele uitschieters, zoals Vox Luminis met een beklijvende uitvoering van Cavalieri’s Rappresentatione di Anima e di Corpo, Caurroy’s Requiem door Doulce Mémoire en het openingsconcert met Buxtehudes Membra Jesu nostri. Wat dat laatste concert betreft: ik begrijp de rol van Frits van Oostrom en zijn bijdragen waren ook substantieel. Maar de onderbrekingen van de cantates van Buxtehude vond ik ongelukkig. De ontwikkeling binnen dit stuk ging op deze manier toch wat verloren.

Ik heb al vaker gewezen op de problemen met de relatie tussen de muziek en de ruimte, waarin deze tot klinken komt. Het is natuurlijk niet eenvoudig, steeds de meest geschikte locatie voor een concert te vinden. Toch treft het me dat sommige concerten op een locatie plaatsvonden, die daarvoor eigenlijk niet geschikt was. Scheins Israelis Brünlein is geestelijke kamermuziek en niet echt geschikt voor de Domkerk. Schütz’ Musicalische Exequien verlangen een andere ruimte dan Hertz. Ik zou graag zien dat de organisatie zich daarop nog eens bezint.

Alles in ogenschouw nemend, denk ik dat we van een heel geslaagde editie van het festival kunnen spreken. Dat maakt het des te betreurenswaardiger dat niet meer mensen dat hebben kunnen meemaken. Laten we hopen dat het volgend jaar weer is zoals we dat gewend zijn. De oude muziek is het waard.

Gepost door: Johan van Veen | 6 september 2021

Festival Oude Muziek Utrecht 2021 – zaterdag 4 september

De voor mij laatste dag van het festival begon in Hertz. Hier speelden de violist Augustin Lusson en de klaveciniste Daria Zemele een programma met muziek uit Centraal Europa. Op het programma stonden vioolsonates van Ignazio Albertini, Biber en Georg Muffat. Dat zijn zonder uitzondering briljante en technisch veeleisende stukken. Albertini werkte in Wenen; zijn enige uitgegeven bundel met vioolsonates verscheen postuum, zeven jaar nadat hij (in 1685) werd vermoord. Z’n sonates vertonen de kenmerken van de werken van Schmelzer en Biber en daarmee paste de Sonate nr 1 in d perfect in het programma. Van Biber speelde Lusson de Sonata V in e uit de Sonatae, Violino solo van 1681, de bundel waaruit eerder deze week Gunar Letzbor twee andere sonates had gespeeld. Het concert sloot af met de enige vioolsonate van Muffat, één van de bekendere werken uit de vioolliteratuur van de barok. Het openingsdeel keert aan het einde terug en is typisch zo’n stuk dat in het geheugen blijft hangen. Lusson is een jonge Franse violist, die ik in januari vorig jaar, kort voor de uitbraak van de coronapandemie, hier eveneens in Hertz hoorde als lid van The Beggar’s Ensemble. Toen maakte hij veel indruk en dat deed hij nu weer. Het programma droeg als titel “In vuur en vlam”. Dat slaat op de muziek, maar is ook een goede typering van het muzikale temperament van Lusson. Ik was minder enthousiast over het spel van Daria Zemele. Ze speelde twee stukken van Froberger (zijn Lamentation op de dood van Ferdinand III en de Toccata VIII in D) en de Passacaglia in d van Muffat. Dat deed ze competent, maar ook niet meer dan dat. Heel spannend wilde het niet worden. Bij de Passacaglia begon ik halverwege te verlangen naar het slot en dat is geen goed teken. Naar mijn idee passen deze musici qua muzikaal temperament niet goed bij elkaar, maar daar denken ze zelf kennelijk anders over.

Over muzikaal temperament gesproken: daarvan gaf de Franse klavecinist Pierre Hantaï overvloedig blijk in zijn recital in de Lutherse Kerk. Het programma was gewijd aan Bach en Hantaï had vooral werken uit Bachs jonge jaren geprogrammeerd. Hij begon vrij rustig met een aria (BWV 989), een preludium en een fuga (BWV 899 en 997). Vervolgens klonken twee preludia en fuga’s uit het Wohltemperirtes Clavier. Daarna voegde hij een suite van Froberger in, één van de bronnen van inspiratie van Bach. De vergelijking met de uitvoeringen van Bob van Asperen van twee dagen geleden ligt voor de hand. Hantaï’s interpretatie was duidelijk heel wat extraverter dan die van Van Asperen. Daarmee is die van Hantaï niet per se beter; er zijn verschillende legitieme manieren om Frobergers muziek tot klinken te brengen. In de Ouverture in d (BWV 995) ging Hantaï helemaal los met een bevlogen uitvoering. Na weer enkele wat introvertere werken speelde hij de koraalbewerking Wer nur den lieben Gott lässt walten (BWV 691). Daarbij voegde hij veel versieringen toe en ik vroeg me af wat zijn vroegere leraar Leonhardt daarvan gevonden zou hebben. Tenslotte speelde Hantaï de Toccata in e (BWV 914), die een spectaculaire uitvoering kreeg, wat het publiek uiteraard een ovationeel applaus ontlokte. En dat was meer dan verdiend.

Misschien wel het merkwaardigste concert hoorde ik om drie uur van het ensemble Sequentia. Daarvoor moest ik helemaal naar Cloud Nine in TivoliVredenburg opklimmen. Dat wil je niet elke dag doen. De drijvende kracht van dit ensemble is één van de oprichters, Benjamin Bagby. Sinds vele jaren houdt hij zich bezig met het doen herleven van de verhalen uit oude culturen, soms in talen die zijn uitgestorven. Meestal zijn hooguit fragmenten van de muziek uit zulke culturen overgeleverd en op basis daarvan maakt hij dan reconstructies van verhalen die vaak gezongen werden. Hij trad regelmatig alleen op, zichzelf begeleidend op de harp; ook in dit festival is hij als zodanig te horen geweest. Sinds een aantal jaren werkt hij samen met Norbert Rodenkirchen, die oude fluiten speelt. In dit programma waren er ook twee zangeressen bij en gevieren brachten ze een programma met Angelsaksische, Duitse en IJslandse liederen, bezweringen en verhalen, afgewisseld met raadsels. In de teksten, die soms moeilijk te doorgronden zijn, lopen heidense en christelijke motieven door elkaar. Het geheel werd op een heel theatrale, communicatieve manier gepresenteerd. Dit was nu storytelling in optima forma. Op de muziek kun je moeilijk het label ‘mooi’ plakken, maar interessant was het allemaal wel en zeker ook wie belangstelling heeft voor oude culturen was hier aan het goede adres. Uiteraard is veel van de reconstructies speculatief, maar zulke pogingen oude culturen tot leven te wekken, kunnen niet genoeg gewaardeerd worden.

Het Italiaanse ensemble La Fonte Musica, onder leiding van Michele Pasotti, is altijd goed voor een interessant programma. In mijn recensies van eerdere festivals heb ik al de loftrompet over dit ensemble gestoken en er is alle reden dat weer te doen. Op deze tweede zaterdag van het festival trad het ensemble op in de Pieterskerk, de ideale plek voor een programma waarin Antonio Zacara da Teramo centraal stond. Hij behoort tot de laatste generatie van componisten van de stijl die ars nova wordt genoemd. Het interessante van zijn werk is dat hij streefde naar een nauwere relatie tussen tekst en muziek. Uiteraard is dat nog ver verwijderd van latere pogingen tekst en muziek te verbinden, zoals in de late 16e eeuw, maar toch bevatte het concert enkele welsprekende voorbeelden van muzikale figuren die de tekst illustreren, zoals de passage “descendit de caelis” uit één van zijn zettingen van het Credo. Dat laatste is één van zeven zettingen van dit misdeel; er zijn ook nog zeven Gloria-zettingen van Zacara bewaard gebleven, waarvan er drie werden uitgevoerd. Van geen enkele andere componist uit de ars nova zijn zoveel zettingen van misdelen bekend. Terwijl het tweede deel van het programma aan liturgisch repertoire gewijd was, begon het ensemble met enkele wereldlijke werken, waarin Zacara ook veel zorg besteedt aan de tekst. In het eerste stuk op het programma wordt zelfs de godin van de welsprekendheid ten tonele gevoerd. De uitgevoerde muziek illustreerde treffend de titel van het concert: “Middeleeuws en welbespraakt: Humanisme in het trecento”. Pasotti kon voor dit concert beschikken over vijf excellente zangers en zangeressen, die de ruimte moeiteloos vulden en perfect harmonieerden. De ruimte werd ook effectief gebruikt om de muziek optimaal over het voetlicht te brengen, bijvoorbeeld door de twee trombonisten elders op te stellen. De ruimtelijkheid van de Pieterskerk droeg substantieel tot de werking van dit programma bij. Het was opnieuw een indrukwekkend optreden van La Fonte Musica, dat de kwaliteiten van Zacara mooi tot hun recht liet komen.

Het avondconcert in TivoliVredenburg werd verzorgd door Gli Angeli Genève onder leiding van Stephan MacLeod, één van de stamgasten van het festival. Het programma droeg als titel: “De weg van het woord: Van Schütz tot Schütz”. MacLeod had vier teksten uitgekozen: drie uit het Oude Testament en één koraal. In dit programma wilde hij laten zien hoe verschillende componisten deze teksten in hun muziek behandelden. Achtereenvolgens klonken composities op de teksten Die mit Tränen säen, Mit Fried und Freud ich fahr dahin, Ist nicht Ephraim mein teurer Sohn en Zion spricht: Der Herr hat mich verlassen. Eén van de componisten in het programma was Johann Hermann Schein en van hem klonken stukken die dit ensemble al eerder in de Domkerk had gezongen. Schütz was met stukken uit zijn Geistliche Chor-Music en zijn Psalmen Davids vertegenwoordigd. Die laatste bundel bevat dubbelkorige psalmen, geestelijke concerten en motetten, en daarvan hoorden we er twee. Die verlangen een groot ensemble, zeker omdat gedeelten ook door een cappella uitgevoerd kunnen worden. Dat gebeurde hier ook: in het ensemble speelden o.a. de violisten Eva Saladin en Anaïs Chen, gambiste Kaori Uemura en Doron Sherwin op zink. In het laatste werk, Zion spricht, kwam zelfs het grote orgel van TivoliVredenburg tot klinken. Daarop speelde Francis Jacob ook twee Magnificat-bewerkingen van Buxtehude en Weckmann. Dat zijn alternatim-composities, maar in uitvoeringen en opnamen hoor je ze zelden met de gregoriaanse verzen. Dat gebeurde hier wel en dat was een heel interessante ervaring, omdat daarmee hun liturgische functie goed naar voren kwam. Van Buxtehude klonk ook Mit Fried und Freud, dat afsluit met zijn beroemde Klag-Lied op de dood van zijn vader. Dat werd helaas, zoals tegenwoordig gebruikelijk, niet compleet uitgevoerd. Bovendien werd de solopartij door drie sopranen gezongen, wat me enigszins discutabel lijkt. En de stukken uit het Israels Brünlein van Schein zijn vooral voor huiselijk gebruik bestemd, niet voor een grote ruimte. Dat neemt allemaal niet weg dat dit een heel fraai concert was, dat geheel beantwoordde aan het doel: te laten zien hoe componisten op heel verschillende manieren een tekst op muziek zetten. Er werd uitstekend gespeeld en gezongen en ook hier werd de ruimte goed gebruikt om de meerkorigheid optimaal tot haar recht te laten komen.

Als het ensemble Le Poème Harmonique optreedt, wil je dat niet laten lopen. Ik had dus een kaart voor het concert op de late avond in Hertz. Het programma was gewijd aan dat typisch Franse genre van de air de cour, een lied voor solostem en begeleiding, dat vooral in de salons tot klinken kwam. Maar er is kennelijk ook een andere kant aan dit genre, in elk geval in het oeuvre van de twee componisten die centraal stonden: Etienne Moulinié en Charles Tessier. De leider van het ensemble, Vincent Dumestre, had besloten vooral de meer theatrale kant van dit repertoire te belichten, dat ook op een theatrale manier gepresenteerd werd. Het werd allemaal behoorlijk smaakvol opgediend, zeker als je het vergelijkt met de strapatsen van Christina Pluhar en L’Arpeggiata op de eerste zondag van het festival. En het was goed Claire Lefilliâtre weer eens te horen, die weer prachtig zong. De andere zangers deden niet voor haar onder en ook de instrumenten – blokfluit, fagot, gamba’s – werden fraai bespeeld. Toch betreurde ik achteraf dat ik gegaan was. Dit is niet mijn cup of tea. Ik prefereer toch het meer serieuze werk. Het avondconcert was een betere afsluiting geweest.

Gepost door: Johan van Veen | 4 september 2021

Festival Oude Muziek Utrecht 2021 – vrijdag 3 september

Het klavecimbelrecital dat ik vandaag in de Lutherse Kerk hoorde, was één van de interessantste van de hele serie. De reden was niet in de eerste plaats dat Johannes Keller uitsluitend stukken van Jan Pieterszoon Sweelinck speelde – hoewel dat ook zelden gebeurt – maar vooral het klavecimbel dat hij bespeelde en dat in 2016 speciaal voor hem werd gebouwd. Het gaat om een zogenaamd transponerend klavecimbel: het heeft twee manualen, waarvan het bovenste een kwart hoger gestemd is dan het onderste. Keller legde uit dat elk manuaal verbonden is met twee sets snaren die elk apart en samen leiden tot klankkleuren die anders zijn dan die van een conventioneel klavecimbel. Zulke instrumenten werden door Ruckers in Antwerpen gebouwd en het is heel waarschijnlijk dat ook Sweelinck zo’n instrument bezeten heeft. Het programma zoals afgedrukt in het programmaboek klopte niet en Keller verzuimde meestal aan te kondigen welk stuk hij ging spelen. Wel gaf hij aan welk manuaal en welke set snaren hij gebruikte, waardoor je als luisteraar een goed beeld van het klavecimbel en zijn mogelijkheden kreeg. Keller meende dat de klank dichter bij die van het orgel staat en dat vanuit dat perspectief de gebruikelijke indeling van Sweelincks oeuvre in klavecimbel- en orgelwerken ter discussie gesteld kan worden. Hij eindigde met de Ut re mi fa sol la, waarin het instrument in zijn volle pracht tot klinken kwam. Keller betoonde zich een uitstekend vertolker van Sweelincks muziek, die hem duidelijk na aan het hart ligt. Het door hem bespeelde klavecimbel lijkt me een uiterst belangrijke en waardevolle aanvulling op het arsenaal aan historische toetsinstrumenten dat in de oude muziek wordt gebruikt. Het kan bijdragen tot een meer gedifferentieerde uitvoeringspraktijk.

Na dit recital kwam ik in de Pieterskerk in een heel andere sfeer. Het ensemble Invocare bracht een deel uit de madrigaalkomedie Le Veglie di Siena van Orazio Vecchi (1550-1605) ten gehore. Vecchi is vooral vanwege zulke komedies bekend, met name L’Amfiparnaso. In dit concert hoorden we uit de genoemde komedie L’humore musicale. Het hof kan niet beslissen in welke stijl het dagelijkse entertainment zal plaatsvinden en daarom worden de musici uitgenodigd een tekst ten gehore te brengen op een manier die zij prefereren. Daarbij moet steeds één bepaald temperament (humeur) centraal staan. De cyclus omvat veertien zulke madrigalen, die verschillende temperamenten vertegenwoordigen, zoals het opgewekte, het treurende, het melancholische en het ‘knotsgekke’ humeur. Van een specialist in muzikale komedies mag je verwachten dat hij elk temperament op eigen wijze in muziek weet weer te geven en dat was inderdaad het geval. Het is een uiterst onderhoudend geheel, dat ook enkele satirische elementen bevat. Vecchi steekt bijvoorbeeld de gek met het feit dat zoveel componisten Guarini’s gedicht Cor mio op muziek zetten. In één van de madrigalen maakt hij gebruik van Petrarca’s gedicht Hor che’l ciel. Het ensemble Invocare bestaat nog niet zo lang en werd in 2019 op de International Young Artist’s Presentation in Antwerpen uitgeroepen tot ‘IYAP Selected Promising Ensemble’. Die beloften heeft het waargemaakt, in elk geval tijdens dit concert. Het is een excellente groep zangers die een heel fraaie klank produceert en het gekozen repertoire met veel inlevingsvermogen tot leven wekt. Er werd geen poging gedaan tot acteren – het is ook de vraag of dat de bedoeling is. Het was ook niet nodig, want de zangers waren in staat ook zonder gebaren en bewegingen de strekking van elk madrigaal over te brengen. Invocare is een ensemble om in de gaten te houden.

Psalmen hebben altijd een centrale rol gespeeld in christelijke kerken over de hele wereld. In Europa heeft dat ook in de muziek vele sporen nagelaten. In het concert van het ensemble L’Armonia Sonora, onder leiding van Mieneke van der Velden, stond één psalm centraal: De profundis clamavi. Deze Psalm 129/130 is ook één van de zeven boetpsalmen, die traditioneel in de vastentijd gezongen worden. Het programma beperkte zich tot Duitsland. Het begon met een vierstemmige zetting, met de cantus firmus in de tenor, van Johann Walter. Deze werd gevolgd door een dubbelkorige zetting van Schütz, uit zijn bundel Psalmen Davids. Aangezien het ensemble slechts over vier zangers beschikte, werd het eerste koor door sopraan Kristen Witmer en drie strijkers uitgevoerd, het tweede koor door één strijkinstrument en drie zangers: Margot Oitzinger, Raphael Höhn en Peter Kooij. Dit werk werd gevolgd door een compositie op de Latijnse tekst van deze psalm van Johann Rosenmüller, een stuk dat Italiaanse en Duitse elementen verenigt. Het is een heel expressief werk, waarin solistische passages met tutti-episodes worden afgewisseld. Het concert besloot met één van Bachs vroegste en bekendste cantates, Aus der Tiefen (BWV 131), dat in 1707/08 is gecomponeerd. Ze bevat twee aria’s voor tenor resp. bas; de eerste is lang en herhaalt steeds de tekst “Meine Seele wartet auf den Herrn”. Deze werd prachtig gezongen door Höhn, die op de lange noten mooi dynamisch differentieerde. Peter Kooij kennen we als een excellente Bachinterpreet en dat liet hij hier weer eens nadrukkelijk horen. De obligate hobopartij werd door Marcel Ponseele, één van de beste barokhoboïsten van onze tijd, gespeeld en achter het orgel zat Benjamin Alard. Wat kan er dan eigenlijk nog mis gaan? Niets dus. Het was een heel fraai concert met prachtige muziek, uitgevoerd door één van de beste ensembles in dit repertoire.

De kennismaking met weinig bekend of zelfs geheel onbekend repertoire is een belangrijke functie van het festival. Louis-Nicolas Clérambault is bepaald geen onbekende naam, maar toch zullen heel weinig bezoekers van het concert op vrijdagavond in TivoliVredenburg de ten gehore gebrachte werken eerder gehoord hebben. Clérambault is vooral vanwege zijn orgelwerken en enkele wereldlijke cantates bekend, maar in dit concert door solisten, het Choeur de Chambre de Namur en het ensemble a nocte temporis onder leiding van Reinoud Van Mechelen kwam een andere kant van Clérambault aan bod. Het programma opende met L’histoire de la femme adultère, een oratorium gebaseerd op de geschiedenis in het evengelie naar Johannes, waarin Jezus in debat gaat over de straf voor een vrouw die op overspel is betrapt. Charpentier heeft meerdere oratoria gecomponeerd, maar dit genre heeft in Frankrijk nooit wortel geschoten. Dit oratorium is dan ook het enige van Clérambault. Daarna volgde een cantate voor tenor en orkest, met Van Mechelen als solist: La muse de l’opéra ou les caratères lyriques, die situaties uit het dagelijks leven schetst. Aan het begin laten trompet en pauken zich horen, later is er een passage met een obligaatpartij voor de traverso. Het laatste werk was Clérambaults zetting van het Te Deum, een in Frankrijk bijzonder vaak getoonzette tekst. Te Deums werden vaak bij bijzondere gelegenheden uitgevoerd, bijvoorbeeld een militaire overwinning of een vredesverdrag. In dit werk wisselen passages voor solisten zich af met tutti-episodes. De solisten leverden goede prestaties, zeker Van Mechelen zelf en ook de bas Lisandro Abadie en de tenor Guy Cutting. Sopraan Deborah Cachet zong op zich prima, maar had haar vibrato wel wat mogen beperken. Het koor uit Namen is een vaste kracht in de oude muziek en liet dat hier overtuigend zien. Van Mechelen heeft zich een prominente plaats in het landschap van de oude muziek verworven, niet alleen als zanger (tenor en haute-contre), maar ook als leider van zijn ensemble a nocte temporis. We zullen hem vaker horen en zien in het festival, dat staat vast.

Dat geldt ook voor het Tiburtina Ensemble dat de avond besloot in de Pieterskerk met een programma met eenstemmige gregoriaanse gezangen en enkele polyfone werken. Het was getiteld “Profetieën” en had als uitgangspunt de naamgeefster van het ensemble, Tiburtina, één van de (heidense) sibyllen en de enige die doordrong tot het christelijke religieuze repertoire. Het programma was in vier delen verdeeld, achtereenvolgens ‘De komst van de messias’, ‘Het laatste oordeel’, ‘De antichrist’ en ‘De overwinning van het lam’. Naast enkele antifonen hoorden we stukken in een vorm die als leich bekend is. Dit soort stukken hebben een apocalyptische inhoud en zijn van hoog niveau qua tekst en muziek. Enkele werken verwezen naar de Klaagliederen van Jeremia, door hun titel – Lamentatio – en doordat de uit de Klaagliederen bekende Hebreeuwse letters worden gebruikt om de tekst op te delen. De inhoud is ook met die van de Klaagliederen verwant, omdat de teksten gaan over zonde en oordeel. Interessant was een stuk op een Tsjechische tekst van Jan Hus, één van de eerste hervormers in Europa, lang voordat de Reformatie plaatsvond. Tenslotte klonken twee meerstemmige stukken van Petrus Wilhelmi de Grudencz. Zoals men ziet was het een uiterst interessant programma met onbekend repertoire, dat echter van hoge kwaliteit is. Voor de uitvoering ben je bij het Tiburtina Ensemble, geleid door Barbora Kabátková, aan het goede adres. Die was gewoonweg superieur. Je zult niet gauw een ensemble van vrouwenstemmen (in dit geval negen stuks) vinden die zo’n eenheid vormt, waarvan de stemmen perfect mengen en waarvan elk lid ook nog eens in staat is een solopartij zonder enige begeleiding te zingen. Het was een indrukwekkend optreden, dat naar meer smaakte.

Gepost door: Johan van Veen | 3 september 2021

Festival Oude Muziek Utrecht 2021 – donderdag 2 september

De eerste twee concerten van vandaag stonden in het teken van de tombeau. Franse componisten schreven zulke stukken ter nagedachtenis van een overledene: een familielid, een vriend of een collega. Voor zijn concert in Hertz had de luitist Michal Gondko een programma samengesteld met stukken van de hand van Denis Gaultier, die behoorde tot een dynastie van luitisten en luitcomponisten. De stukken waren geordend naar toonsoort in vier hoofdstukken. Het eerste bevatte twee tombeaus, het laatste bestond geheel uit één tombeau – de meest expressieve van de drie, geschreven naar aanleiding van de dood van een beroemde collega van Gaultier: Henri de Lenclos. Het eerste deel is een allemande grave, het tweede is een courante en beschrijft de manier waarop zijn vrienden elkaar troosten en het laatste deel een sarabande, dat hun vastberadenheid uitdrukt, de herinnering aan Lenclos levend te houden. De meeste andere stukken waren dansen, vaak met titels die verwijzen naar de klassieke mythologie (waarschijnlijk niet van de componist zelf). Die kwamen door het levendige spel van Gondko goed uit de verf, maar de tombeaus en andere ingetogen stukken, zoals sarabandes, kwamen het best tot hun recht, dankzij het gevoelige en delicate spel van Gondko. Het relatief kleine gehoor was terecht enthousiast en kreeg een toegift in de vorm van een stuk van Denis Gaultiers verwant Ennemond.

Johann Jacob Froberger was een leerling van Frescobaldi, maar ook bevriend met Louis Couperin. Het is dus niet vreemd dat zijn werk zowel Italiaanse als Franse invloeden bevat. Ook hij schreef een tombeau, en wel op de dood van Charles Fleury, Sieur de Blancrocher, een toen beroemde luitist, aan wie ook Denis Gaultier een tombeau wijdde, eerder gespeeld door Gondko. Daarnaast schreef Froberger tombeaus met de titel lamentation of lamento. Twee daarvan, bij de dood van Ferdinand III resp. Ferdinand IV, klonken in het recital van Bob van Asperen in de Lutherse Kerk. Het eerste is een zelfstandig werk, het tweede de opening van de Suite XII. En dan was er nog een andere suite (XX), die met een vergelijkbaar stuk begon: een méditation op Frobergers eigen dood (“ma mort future”) als memento mori. Voor wie nu denkt dat alles kommer en kwel was in dit recital: de suites bevatte ook levendige dansen en Van Asperen wisselde de suites af met andere stukken: een fantasia, een toccata, een capriccio en een ricercar. Van Asperen is een prominent pleitbezorger van Froberger en heeft zijn gehele oeuvre op CD opgenomen. Dan mag je doorleefde interpretaties verwachten en die kregen we ook. Zijn fijnzinnige spel, zonder grote gebaren maar met subtiele gestiek en goed gedoseerd rubato, liet de muziek van Froberger opbloeien. Het recital was een boeiend portret van een groot componist, die een essentiële rol speelde in de ontwikkeling van de fuga in Duitsland.

Eva Saladin is één van de artists in residence van dit festival. Op dinsdag was ze als soliste te horen, vandaag trad ze op als leider van het ensemble Il Profondo in de Geertekerk. Dat speelde een programma dat de titel “Virtuoos vioolconsort” droeg. Die titel begrijp ik niet helemaal: daarmee wordt gesuggereerd dat we muziek zouden horen die vergelijkbaar is met die voor een gambaconsort. In feite had maar één stuk het karakter van consortmuziek, de Sonate in g van Giovanni Valentini (1582/83-1649). Dat werd ook als enige als consortmuziek gespeeld, door alleen strijker die in een kring zaten. De andere stukken werden als kamermuziek met orgel uitgevoerd. na een sonate uit de bundel Fidicinium sacro-profano van Biber hoorden we drie sonates van diens leerling Romanus Weichlein en werken van Antonio Bertali en Giovanni Antonio Pandolfi Mealli (een sonate voor viool en basso continuo). Weichlein is een briljant componist en in zijn sonates betoont hij zich een ware leerling van Biber. Het zijn verrassende en spannende werken, die excellent vertolkt werden. Daarbij speelde het orgel – naar Italiaans model – een wezenlijke rol; het heeft meer presentie en een groter kleurenpalet dan de continuo-orgels die meestal worden gebruikt. Interessant was ook de sonate van Bertali: die heeft een solopartij voor contrabas, volgens het programmaboek. Die werd hier op cello gespeeld; opmerkelijk is dat Jonathan Pesek de strijkstok hanteerde zoals gambisten dat doen. De leden van het ensemble bleken aan elkaar gewaagd en daaruit ontstond een hecht samenspel dat leidde tot indringende uitvoeringen, die me aan die van het vroegere ensemble Musica antiqua Köln deden denken.

In een festival dat gewijd is aan retorica en muziek kun je niet om Johann Hermann Schein heen. In zijn bundel Israelis Brünlein bracht hij een aantal stukken op Duitse teksten uit voornamelijk het Oude Testament bijeen, geschreven op de manier van het Italiaanse madrigaal. In het Duitse taalgebied zul je niet snel werken vinden waarin de tekst op zo’n plastische wijze in noten is omgezet. Ze staan bol van woordschildering en madrigalismen. Ze zijn heel populair bij koren en vocale ensembles en dat is te begrijpen. Stephan MacLeod voerde met zijn ensemble Gli Angeli Genève in de Domkerk een selectie uit. Hij was al twee keer eerder in Utrecht met deze muziek langsgeweest: één keer in het festival van 2011 en één keer (ik kan me het jaar niet herinneren) tijdens het concertseizoen. Dat laatste concert was in de Geertekerk en dat was een betere plek geweest dan de Domkerk, want dit is geen kerkmuziek maar muziek voor huiselijk gebruik. Ook de samenstelling van het ensemble was anders: voor zover ik me kan herinneren waren destijds alleen Aleksandra Lewandowsa en uiteraard MacLeod er ook bij. De samenklank was toen in ieder geval beter dan nu. De bovenstem werd nu gezongen door Jenny Hogström, die een fraaie stem heeft en goed, maar de topnoten vaak te luid zong. Ondanks deze kritische kanttekeningen was het een goed concert waarin de kwaliteiten van Schein en zijn Israelis Brünlein optimaal tot uitdrukking kwamen.

Kenmerkend voor dit festival is dat je bepaalde zangers en spelers steeds weer tegenkomt, nu eens in het ene en dan weer in het andere ensemble. Dat was ook in het avondconcert in TivoliVredenburg het geval. Vox Luminis, onder leiding van Lionel Meunier, gaf een uitvoering van de Rappresentatione di Anima e di Corpo van Emilio de’ Cavalieri. Dat is een soort moraliteit, waarin de ziel (Anima) moet kiezen tussen een leven vol wereldse geneugten, dat naar de hel voert, en een deugdzaam leven dat eindigt in de hemel. Het werk is opgedeeld in drie akten. Het eerste is een dialoog van de ziel en het lichaam, in feite twee kanten van dezelfde persoon. In het tweede deel mengen allerlei allegorische figuren zich in de strijd. In het derde deel schetsen de verdoemde zielen op plastische wijze het leven in de hel, terwijl de zielen in de hemel schilderen hoe geweldig het daar is. Het werk eindigt met een festa, een lofzang op de hemelse vreugde. Ik weet niet of Vox Luminis dit werk voor CD zal opnemen; het is te hopen, en dan lijkt me de kans groot dat die opname alle andere die te krijgen zijn, zal overschaduwen. Alle zangers en spelers waren in topvorm. Het was een geweldig spektakel, niet door allerlei trucjes, maar gewoon doordat de uitvoerenden diep in de muziek doken en alle nuances naar boven haalden. Ook de ruimte van de grote zaal werd effectief gebruikt, bijvoorbeeld voor de verlangde echo-effecten. Deze uitvoering maakte ook duidelijk dat de Rappresentatione een geweldig stuk is en Cavalieri een groot componist was. De festa is al net zo’n oorworm als het ook door hem gecomponeerde slotkoor van La Pellegrina. Helaas verloor degene die de boventiteling verzorgde, halverwege de tweede acte de handeling uit het oog, waardoor een deel van de dialoog niet te volgen was. Maar dat was niet meer dan een kleine smet op een evenement dat degenen die het gehoord hebben, nog lang zal heugen.

Gepost door: Johan van Veen | 2 september 2021

Festival Oude Muziek Utrecht 2021 – woensdag 1 september

Voor het eerste concert van de dag moest ik in Gasthuis Leeuwenbergh zijn. Dat is een kleine kerk, die jaren geleden tijdens het festival vaak werd gebruikt, toen het voormalig Muziekcentrum wegens verbouwing niet beschikbaar was. Inmiddels is uit die kerk een heel mooie concertzaal geworden, die bij uitstek geschikt is voor kamermuziek. In dit concert waren het Engelse luitliederen, die werden uitgevoerd door het Duo Serenissima, bestaande uit de sopraan Elisabeth Hetherington en de luitist David Mackor. Engelse luitliederen zijn heel populair, maar je hoort meestal de bekende liederen van Dowland en nog enkele van zijn tijdgenoten. Maar wanneer hoor je nu liederen van componisten als Charles Coleman en Nicholas Lanier? Zelfs de liederen van de gebroeders Lawes – William en Henry – worden zelden uitgevoerd. Het is één van de verdiensten van dit duo dat het aandacht besteedt aan componisten die door Dowland worden overschaduwd, zelfs als ze tot een latere generatie behoren, zoals de twee eerstgenoemden. Een tweede belangrijk aspect van het werk van dit ensemble is dat in uitvoeringen gebruik gemaakt wordt van de historische uitspraak van de teksten. Elisabeth Hetherington doet daar onderzoek naar en dat is heel waardevol. Het gebruik van historische uitspraak is nog steeds uiterst beperkt. Het uitgevoerde programma was om een andere reden ook interessant: verschillende liederen lieten zien dat de ontwikkelingen in Italië – de monodie, de praktijk van het basso-continuospel – niet helemaal aan Engeland voorbij gingen. Op die manier wordt het beeld van de Engelse muziek in de eerste helft van de 17e eeuw gecorrigeerd en gecompleteerd. Afgezien daarvan was het programma onderhoudend door de kwaliteit en de gevarieerde inhoud van liederen, sommige serieus, andere humoristisch. Het ensemble had een mooi en afwisselend programma samengesteld, waarin de liederen door korte luitstukken werden afgewisseld. Helaas viel de uitvoering me wat tegen. Ik heb dit duo eerder gehoord en ik had toen veel waardering voor de manier van zingen van Elisabeth Hetherington. Helaas werd haar gezang dit keer ontsierd door een voortdurend en duidelijk waarneembaar vibrato. Dat is stilistisch niet te rechtvaardigen en ik vind het ook gewoon erg lelijk. Het ondermijnt ook de verstaanbaarheid van de tekst. Ik hoop dat het een incidenteel probleem is of een voorbijgaande fase in de ontwikkeling van de stem. Zo niet, dan voegt Hetherington zich bij het groeiende echelon aan zangers die de uitvoering van oude muziek compromitteren door een zangstijl die daar niet bij past.

Als de Oostenrijkse violist Gunar Letzbor optreedt, weet je dat je iets bijzonders of ongewoons te horen krijgt. Dat was ook het geval bij het concert dat hij, samen met zijn ensemble Ars Antiqua Austria, in de Geertekerk verzorgde. Het eerste dat opviel, was de medewerking van niet minder dan drie luitisten. Wat doen die in een programma met sonates voor viool en basso continuo uit het Duitse taalgebied, gecomponeerd in de 17e eeuw? De luitist van het ensemble, Hubert Hofmann, ontdekte luiten van verschillende grootte, die een soort van consort vormen. Het schijnt in Salzburg gebruikelijk te zijn geweest dat de basso continuo door zo’n ensemble werd gespeeld. Volgens Letzbor staat het onderzoek naar deze praktijk nog in de kinderschoenen, maar kan het bijzondere dingen opleveren. Tijdens het concert kregen we een voorproefje. Daarbij bleek zo’n luitensemble heel geschikt om dramatische contrasten te onderstrepen, met name in dynamisch opzicht. Ook interessant was het gebruik van een kopie van een Italiaans orgel uit het begin van de 17e eeuw. Dat draagt wezenlijk bij tot een interpretatie door meer dynamiek en een groter kleurenpalet. Letzbor had vier stukken meegebracht. Het eerste was van een nu nauwelijks meer bekende componist: Heinrich Döbel. Dat is een waardevolle toevoeging aan het vioolrepertoire: een technisch virtuoos werk met een interessante afwisseling van ritmes. Van Johann Heinrich Schmelzer klonk één van de weinige werken gebaseerd op een basso ostinato, die hij helemaal heeft uitgeschreven. De meeste van dit soort stukken heeft hij waarschijnlijk geïmproviseerd. Daarmee geeft het stuk een goed idee van de improvisatiekunst van die tijd. Een grote uitdaging voor elke violist zijn de werken van Heinrich Ignaz Franz Biber. Twee sonates uit de Sonatae, violino solo uit 1681 had Letzbor uitgekozen. In de Sonata VI verlangt Biber dat de violist na het tweede deel, een passacaglia, zijn instrument omstemt om het donkerder te laten klinken. Letzbor koos voor de pragmatische oplossing door een andere viool te gebruiken. Is dat al enigszins vreemd, die sonate is bijna conventioneel vergeleken met de Sonata III, waarin hoogst merkwaardige effecten zitten, die – zoals Letzbor in het programmaboek terecht opmerkt – zelfs luisteraars van deze tijd nog verrassen. Als je dit stuk hoort, zou je niet denken dat het in de 17e eeuw gecomponeerd werd. Je zou bijna vermoeden dat de violist die het speelt, één en ander zelf verzonnen heeft. Maar bij Letzbor hoef je daarvoor niet bang te zijn: die speelt niet voor de bühne. Hij blijft trouw aan de intenties van de componist. Deze sonates zijn uiterst veeleisend, maar daarvoor draait Letzbor zijn hand niet om. Hij leverde briljante, maar ook muzikaal boeiende interpretaties af, bijgestaan door het uitstekend agerende ensemble. Conclusie na dit concert: Biber was toch wel een rare snoeshaan.

Voor het avondconcert had ik de keuze tussen Simon-Pierre Bestion die de Auferstehungshistorie van Heinrich Schütz de nek omdraait, zoals hij in zijn CD-opname doet, of een scènische uitvoering van drie oratoria van Charpentier door het Ensemble Correspondances onder leiding van Sébastien Daucé in de Stadsschouwburg. Die keuze was niet moeilijk: het werd de tweede. Bij het reserveren van de kaarten realiseerde ik me niet dat ik deze stukken al gezien had op de DVD, die de CD-opname van oratoria van Charpentier van dit ensemble begeleidt. Ik hoefde dus niets nieuws te verwachten. Maar er is toch verschil tussen een DVD en een live-uitvoering. Ik was wel benieuwd of deze uitvoering mijn scepsis ten aanzien van scenische uitvoeringen van deze werken kon verminderen. Dat was niet het geval. Toegegeven, ik heb niet veel gevoel voor theater en anderen ervaren een geënsceneerde uitvoering wellicht als een verrijking, maar voor mij voegt een enscenering niets toe aan de muziek. Uit historisch oogpunt lijkt het me ook moeilijk te verdedigen. Deze oratoria waren waarschijnlijk niet voor kerkelijk gebruik bedoeld en zijn zeker ook theatraal van karakter, maar dat rechtvaardigt nog geen enscenering. In elk geval getuigde de enscenering, hoewel niet naar historische maatstaven, ook niet m.b.t. de manier van acteren, van goede smaak, en dat is meer dan je van veel opera-ensceneringen kunt zeggen. Over de vocale verrichtingen was ik niet enthousiast, net als bij de DVD-opname. De meeste zangers gebruikten meer vibrato dan bij andere gelegenheden en ik had ook de indruk dat sommige zangers zich forceerden. Wat de oorzaak is, weet ik niet. Wellicht zingen ze anders om de evidente nadelen van een theaterakoestiek te overwinnen, uit vrees dat ze achterin de zaal niet te horen zijn. Misschien heeft die akoestiek ook een negatief effect om de klank die ze produceren. Hoe dan ook, muzikaal was ik niet onder de indruk. Het was een interessante ervaring, maar als ik er niet geweest was, had ik niet echt iets gemist.

Gepost door: Johan van Veen | 1 september 2021

Festival Oude Muziek Utrecht 2021 – dinsdag 31 augustus

Iemand vroeg mij welke nieuwe ontwikkelingen ik verwachtte in de oude muziek. De toekomst voorspellen is moeilijk, maar wellicht is de toegenomen aandacht voor improvisatie iets dat zich tot een belangrijk aspect van de uitvoeringspraktijk zal ontwikkelen. Eén van de exponenten daarvan is de violiste Eva Saladin, die in het eerste concert van de dag in Hertz een proeve van haar bekwaamheid in dit vak aflegde. De titel van het concert was “Compositie versus improvisatie”. Op het programma stonden o.a. stukken van Sweelinck en Byrd, waarin één stem van de klavierpartij, gespeeld door Johannes Keller op het klavecimbel, door Saladin werd vertolkt. Daaraan voegde ze dan haar eigen geïmproviseerde variaties toe. Ze ging nog een stap verder in het bekende chanson Susanne un jour van Orlandus Lassus, dat in de late 16e en de vroege 17e eeuw vaak onderwerp van bewerkingen was. Hier speelde Saladin haar eigen diminuties. Aan het slot keerden we terig naar Sweelinck, met zijn variaties over Balletto del Granduca: Saladin speelde enkele variaties en wisselde die af met eigen creaties. Dat was nogal indrukwekkend, zeker ook omdat Sweelincks variaties briljant zijn en het uiterste van een violist vergen, bijvoorbeeld op het vlak van tempo. Er klonken ook nog enkele uitgeschreven stukken voor viool en basso continuo van Johann Schop, die ook uitstekend uit de verf kwamen. Eva Saladin is dit jaar één van de artists in residemce en dat is geheel terecht. Niet alleen is ze een excellent violiste, ze is ook creatief en bereid ongebaande paden te bewandelen. Dat kan niet genoeg gewaardeerd worden.

In de klavecimbelserie kon Girolamo Frescobaldi niet ontbreken. Hij was één van degenen die de retorische principes in zijn klaviermuziek verwerkte. De Italiaanse klavecinist Francesco Cera, die het gehele oeuvre voor toetsinstrumenten van Frescobaldi op CD heeft opgenomen, viel de eer te beurt een selectie daaruit te presenteren in de Lutherse Kerk. Halverwege meende een chauffeur zijn vrachtauto voor de kerk te moeten parkeren en stationair te laten draaien. Het leverde storende bijgeluiden op, waar Cera duidelijk last van had. Hij liet zich daardoor niet van de wijs brengen en leverde een fraai recital af. Centraal daarin stonden toccata’s uit het eerste en tweede boek (1615 resp. 1627). Hij had zijn programma volgens de regels van de retorische kunst geconstrueerd: de toccata’s gingen van de meer eenvoudige tot de meest complexe, en er was ook een inhoudelijke ontwikkeling: naarmate het programma vorderde, werden in de toccata’s verder verwijderde toonsoorten opgezocht en de harmonie aangewend voor expressieve doeleinden. Om de aandacht van de luisteraar niet al te zeer op de proef te stellen, speelde Cera als afwisseling wat lichter verteerbare stukken, zoals correntes en partita’s, en zelfs een speels stuk als de Capriccio sopra la Battaglia. Het was een heel boeiend recital, waarin Cera uit elk stuk het onderste uit de kan haalde. Door een uitgekiende timing kwamen de contrasten binnen de stukken optimaal tot hun recht, terwijl de correntes profiteerden van zijn ritmische precisie. Na het concert bood festivaldirecteur Xavier Vandamme zijn excuses aan voor de overlast – waar het festival uiteraard niets aan kon doen – en bood de bezoekers de mogelijkheid het geld voor hun kaartje terug te krijgen. Een genereus aanbod, maar ik vermoed dat niet veel bezoekers daarvan gebruik zullen maken. Mij heeft het bijgeluid niet erg gestoord, dankzij de muziek van Frescobaldi en het spel van Cera.

Ik wees er al eerder op dat ‘storytelling’ nauw verwant is met het thema van het festival. Verhalen stonden ook centraal in het concert van het ensemble I Fedeli en de tenor Ivo Haun de Oliveira in de Pieterskerk. Het programma, met muziek uit de 16e eeuw, zag er interessant uit. Het eerste deel was gewijd aan wereldlijke stukken over (ongelukkige) liefde, meestal met verhalende trekken, van Adrian Willaert, Jacques Arcadelt, Adam von Fulda en Stephan Mahu. Zoals men ziet, zaten er ook onbekende componisten bij. Dat was ook het geval in het tweede en derde deel, waarin religieuze werken werden uitgevoerd. Hier kregen we verhalen uit de bijbel: David die rouw bedrijft over de op het slagveld gevallen Saul en diens zoon Jonathan (Josquin), Saulus – de latere apostel Paulus – die op weg naar Damascus Jezus’ stem hoort (Jean le Brung), en Jezus die rouwt over de dood van Lazarus en hem vervolgens uit de dood opwekt (Clemens non Papa). Dat had een prachtig concert kunnen worden. Aan de kwaliteit van musici lag het niet. De leden van I Fedeli speelden uitstekend op zink, schalmei, trombone en dulciaan, ondersteund door orgel of spinet. En De Oliveira heeft een mooie stem – tenminste, voor zover ik kon vaststellen. Want daar zat een groot deel van het probleem. Hij werd compleet weggeblazen; van de tekst die hij zong, was vrijwel niets te verstaan. Soms kon je alleen zien dat hij zong; zelfs zijn stemgeluid kwam dan nauwelijks boven de instrumenten uit. De akoestiek van de Pieterskerk maakte alles nog erger. Het repertoire was geschreven in de ‘stile antico’, wat betekent dat alle stemmen gelijk gewicht hebben. De zanger moet zich dus niet als solist gedragen, maar dit was het andere uiterste. Zulke muziek met één zangstem en instrumenten uit te voeren is geheel legitiem, maar alles in deze bezetting is wat eenzijdig. Het is ook twijfelachtig of luide blaasinstrumenten in wereldlijk repertoire, dat toch vooral voor uitvoering in meer intieme ruimten bedoeld was, op hun plaats zijn. En wanneer in het programmaboek gewezen wordt op de relatie tussen muziek en tekst in een stuk, is het wat vreemd dat stuk dan geheel instrumentaal uit te voeren. Kortom, dit concert was een flinke teleurstelling, vooral jammer vanwege het mooie programma en de uitstekende musici. Beide kwamen niet uit de verf.

Luide blaasinstrumenten speelden ook een belangrijke rol in het concert dat ’s avonds in de Domkerk plaatsvond. Denis Raisin Dadre en zijn ensemble Doulce Mémoire voerden de Missa pro defunctis van Eustache du Caurroy (1549-1609) uit, dat waarschijnlijk geklonken heeft bij de begrafenis van koning Henri IV van Frankrijk, die in 1610 het slachtoffer werd van een moordaanslag. Raisin Dadre had ervoor gekozen de begrafenisplechtigheden te reconstrueren, voor zover de beschikbare gegevens dat toelaten. Dat betekende dat een aantal destijds uitgesproken teksten werden gereciteerd. Toen ik zag dat Philippe Vallepin daarbij geen microfoon gebruikte, vreesde ik het ergste. Maar dat was niet nodig: Vallepin is een acteur die o.a. in de commedia dell’arte actief is. Hij weet hoe je in een ruimte je stem moet gebruiken. Hij was in de hele kerk goed te verstaan en dit onderdeel van het concert was substantieel om het karakter en de impact van de gebeurtenissen in 1610 te kunnen ervaren. De verschillende onderdelen van de plechtigheid werden ingeleid door instrumentale stukken van Caurroy, gespeeld op zink, pommers, trombone en dulciaan. Tot mijn verbazing werden ook twee psalmen in zettingen van Claude Goudimel gezongen, gebaseerd op melodieën uit het protestantse Geneefse psalter. Het programmaboek gaf daarover geen uitsluitsel. Ze werden prachtig uitgevoerd, waarmee nog weer eens onderstreept werd hoe fraai die melodieën zijn en hoe betreurenswaardig het is dat ze zelfs in reformatorische kerken steeds meer aan de kant geschoven worden. De blazers kwamen ook in actie tijdens de uitvoering van de Missa pro defunctis; daarin werden a capella gezongen delen afgewisseld met delen waarin de instrumenten colla voce speelden. Aan het slot werd de opvolging van Henri door Lodewijk XIII geproclameerd. Op Vallepin’s “Vive le Roy Louis” volgde een fanfare achterin de kerk, met blazers en slagwerk. Daarmee kwam een eind aan een concert dat veel indruk maakte, niet alleen door de manier waarop deze historische gebeurtenis was gereconstrueerd, maar ook door de constant hoge kwaliteit van de zangers en spelers. Het was één van die concerten die je bijblijven en die je je jaren daarna nog herinnert. “Vive Doulce Mémoire!”

Tenslotte ging het weer naar de Pieterskerk, dit keer voor een concert gewijd aan Monteverdi. In dit festival is al wel duidelijk geworden dat retorica niet pas in de barok een rol ging spelen in de muziek. Niettemin was deze ‘nieuwe stijl’, die kort na 1600 een groot deel van Europa in z’n ban sloeg, perfect geëigend om de principes van de retorica toe te passen, vooral omdat de tekst en de daarin uitgedrukte emoties in het middelpunt kwamen te staan en veel repertoire voor solostemmen werd geschreven. En dan kun je niet om Monteverdi heen, want hij was één van de meest prominente exponenten van deze stijl. Het Italiaanse ensemble RossoPorpora, onder leiding van Walter Testolin, had een aantal stukken uit het zevende en achtste madrigaalboek geselecteerd. De selectie was gemaakt “vanuit het idee dat de personages zich in de nieuwe stijl, de seconda prattica, rechstreeks tot elkaar richten, al dan niet in briefvorm, zonder dat ze, zoals in een opera, ook echt sprekend in dialoogvorm worden opgevoerd”, schrijft Marcel Bijlo in het programmaboek. Concreet betekende dit dat de zangers zich over het ‘toneel’ bewogen en gebaren maakten. Testolin ‘dirigeerde’ het geheel, zittend aan een tafeltje; soms mengde hij zich zingend in het gezelschap. Ik vond het geheel daardoor nogal onrustig. De bedoeling was de nieuwheid van het repertoire, zoals dat toen ervaren werd, te onderstrepen, maar in elk geval bij mij werkte dat niet. De zangers waren uitstekend; je zult niet zo snel betere zangers in de geselecteerde stukken vinden dan Massimo Altieri, Giacomo Schiavo, Guglielmo Buonsanti en Walter Testolin. Maar ze zongen wel erg luid; dankzij de – voor dit repertoire ongeschikte – Pieterskerk té luid; Hertz was voor dit concert de perfecte ambiance geweest. De madrigalen uit deze twee boeken zijn weliswaar theatraal, maar zeker niet bedoeld om in het theater gezongen te worden. Het is nog steeds kamermuziek en dat kwam hier niet tot uitdrukking. Een origineel concept is prima, maar het moet wel historisch verantwoord zijn.

Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2021

Festival Oude Muziek Utrecht 2021 – maandag 30 augustus

Voor mij begon de maandag in de Lutherse Kerk, met weer een recital in de klavecimbelserie. Het werd verzorgd door de Duitse klaveciniste Christine Schornsheim, een grote naam in de klavecimbelwereld, maar – voor zover ik mij kan herinneren – nog nooit op het festival te horen, wat nogal verbazingwekkend is. Ze verving haar landgenote Alina Rotaru, die zich moest afmelden. Schornsheim speelde het door Rotaru samengestelde programma en dat was interessant door de twee bewerkingen van Bach van instrumentale suites van Johann Adam Reincken, een componist die hij bewonderde en van wie hij leerde. Reincken zelf was met een mooie toccata vertegenwoordigd. Een andere leermeester van Bach, Georg Böhm, kwam aan bod door middel van zijn Praeludium, fuga en postludium in g, dat vaak op orgel gespeeld wordt, maar waarschijnlijk in eerste instantie voor klavecimbel bedoeld is. Het is een briljant werk, dat door Schornsheim uitstekend gespeeld werd. Net als in de aan Johan Kuhnau gewijde recitals kwam ook in dit recital een verhaal voorbij: in het Capriccio sopra la lontananza del fratello dilettissimo beeldt Bach op muzikale wijze het vertrek uit van de genoemde persoon – over wiens identiteit de meningen uiteenlopen – en de gevoelens die dat bij de achterblijvers oproept. Dat gebeurt in zes delen, die elk een Italiaanse titel dragen. De contrasten tussen de delen kwamen goed uit de verf; het één na laatste leek me wat te snel: Schornsheim speelde het allegro, zoals de karakteraanduiding verlangt, maar zag de toevoeging poco over het hoofd. De twee sonates van Bach werden uitstekend vertolkt, in een heldere articulatie en met goede tempokeuzes. Ik kende Schornsheim van haar CD-opnamen, maar had haar nooit live gehoord. Dit optreden was een aangename ervaring; ze moet maar eens terugkomen in Utrecht.

Het ensemble Tasto Solo is één van de meest interessante op het gebied van middeleeuwen en vroege renaissance, vooral door het gebruik van ongewone klavierinstrumenten, met name het organetto en het clavecytherium, bespeeld door de leider van het ensemble, Guillermo Pérez. Ze kwamen tijdens het concert in de Willibrordkerk ook aan het woord, maar het programma was vooral gewijd aan vocale muziek, en wel motetten van Philippe de Vitry, die vooral als theoreticus bekend geworden is. Zijn motetten oogstten de bewondering van zijn tijdgenoten; door de uitvoering van een aantal van die stukken door Tasto Solo snap je waarom. Meestal worden twee of drie teksten gelijktijdig gezongen, wat het vrijwel onmogelijk maakt ze te verstaan, maar dat was niet het streven van componisten als Vitry. Deze motetten zijn in de eerste plaats voor liturgisch gebruik bestemd, maar werden ongetwijfeld ook bewonderd vanwege hun constructie door zangers, collega-componisten en die leden van de hogere kringen in de maatschappij die over een grondige muziekkennis beschikten. Deze motetten hebben iets extatisch door de briljante schrijfwijze en de manier waarop de stemmen tegen elkaar aan schuren. Vooral de twee bovenstemmen wedijveren om de aandacht. Dit concert was een ideale combinatie van muziek, uitvoering en akoestiek. De vier zangers van het ensemble zorgden voor puntgave en ronduit opwindende interpretaties: Anne-Kathryn Olsen, Marine Fribourg, Riccardo Pisani en David Hernandez. De trombone van Rémi Lécorché had een substantieel aandeel in het geheel. De Willibrordkerk is de ideale plaats om alle kwaliteiten van muziek en uitvoering over het voetlicht te brengen. Wat zou het festival zijn zonder Tasto Solo? Hopelijk tot volgend jaar.

Engeland, en speciaal Londen, was de plek waar je aan het eind van de 17e en in de eerste helft van de 18e eeuw moest zijn als je als musicus en/of componist carrière wilde maken. Het concertleven was levendig en gevarieerd en Londen was ook een centrum van muziekdruk. Musici uit heel Europa vestigden zich in Engeland en speelden er een substantiële rol in het muziekleven. Eén van hen was de in Duitsland geboren Johann Christoph Pepusch, wiens naam vooral geassocieerd wordt met de Beggar’s Opera. Het is ironisch dat uitgerekend hij, als niet-geboren Engelsman, een poging deed een Engelstalige opera van de grond te krijgen. Dat deed hij door Venus and Adonis, gebaseerd op de Metamorphosen van Ovidius. Deze opera ging 1715 in première en was, volgens de librettist, bedoeld om het publiek “wat goede muziek in een taal die het kon verstaan” te bieden. Het is in feite een opera seria, zij het veel korter (ca. 75 minuten) dan de opera’s van Händel. Er zijn drie karakters – Venus, Adonis en Mars – die met elkaar via recitatieven en aria’s in dialoog gaan. De dacapo-aria’s zijn niet heel uitgebreid, maar meer dan wat simpele liedjes. Sommige hebben een obligaatpartij, bijvoorbeeld voor blokfluit of traverso. De opera eindigt met een woede-scène van Venus, waarvoor beroemdere componisten zich niet hadden hoeven schamen. Aangezien het Engelse publiek moeite had met recitatieven, schakelt Pepusch regelmatig over op ariosi. Maar ook zonder dat houdt hij er de vaart in. De drie zangers – Philippa Hyde als Adonis, Ciara Hendrick als Venus en Vitali Rozynko – maakten er een spannend verhaal van: niet of nauwelijks geacteerd, maar wel met een effectieve interactie, waardoor de toehoorders geen tijd kregen zich te vervelen. Het orkest maakte er ook een mooi feest van. Stilistisch kon het gezang me niet bevredigen, vooral vanwege het te frequente vibrato van alle drie de solisten. Dat is helaas een voortdurend probleem in veel hedendaagse uitvoeringen van vocale muziek uit de 18e eeuw. Niettemin was het een goede gelegenheid kennis te maken met het ongewone fenomeen van een barokopera in het Engels en met Pepusch, die een uitstekend componist was en niet de aandacht krijgt, die hij verdient.

Veel liefhebbers van oude muziek zullen ooit eens de intermedi hebben gehoord, die verbonden zijn met het toneelstuk La Pellegrina. Dit spektakelstuk werd uitgevoerd ter gelegenheid van het huwelijk van Ferdinando de’ Medici en Christine de Lorraine in 1589. Het markeert de overgang van de oude stijl naar de nieuwe die na 1600 de norm werd. Eén van de propagandisten van die nieuwe stijl, Giulio Caccini, leverde ook een bijdrage aan de intermedi, naast Cristofano Malvezzi, Antonio Archilei, Luca Marenzio, Costamzo Festa, Giovanni de’ Bardi, Jacopo Peri en Emilio de’ Cavalieri. De laatste componeerde het slotkoor, ‘O che nuovo miracolo’, een echte oorworm, die in het geheugen blijft hangen. Ik kan me de opname onder leiding van Hans-Martin Linde in de Reflexe-serie van EMI nog herinneren. Die maakte grote indruk. Tegenwoordig wordt in dit repertoire beter gezongen en gespeeld, zoals de uitvoering in TivoliVredenburg onder leiding van Skip Sempé bewees. De meeste soli werden gezongen door Zsuzsi Tóth, een prachtige sopraan, die ook één van de steunpilaren van Vox Luminis is. Bewonderenswaardig was de manier waarop ze de virtuoze versieringen realiseerde. Voor de koren kon Sempé een beroep doen op het gespecialiseerde ensemble Voces Suaves en op de Cappella Amsterdam, een ensemble van alleskunners. De koren hadden mzximaal effect: een prachtige klank, gepaard aan ritmische precisie. Solistische passages in de koren kwamen ook uitstekend uit de verf. Het Capriccio Stravagante Renaissance Orchestra, met strijkers en blazers, zorgde voor een kleurrijke invulling van de instrumentale partijen. Gezien de verlangde grote bezetting hoor je deze intermedi zelden. Het festival is de ideale gelegenheid zo’n groots stuk tot klinken te brengen. Veel van de medewerkers zijn er toch al, omdat ze ook in andere ensembles zingen of spelen. Je kunt het aan Sempé overlaten uit zo’n gemêleerd gezelschap een eenheid te smeden. Dat resulteerde in een indrukwekkende en beklijvende uitvoering.

Gepost door: Johan van Veen | 30 augustus 2021

Festival Oude Muziek Utrecht 2021 – zaterdag 28 augustus

Jaren geleden was ‘storytelling’ in verschillende achtereenvolgende edities een belangrijk thema van het festival. Dat is niet ver verwijderd van wat dit jaar het onderwerp is. Eén van de belangrijkste principes van de retorica is dat de spreker – of dat nu in een betoog is of in een verhaal – de luisteraar direct bij het begin bij de lurven moet pakken en in het vervolg zijn aandacht moet vasthouden. Op zaterdag waren er in elk geval drie concerten waarin verhalen centraal stonden.

Het eerste was het klavecimbelrecital van Michael Hell in de Lutherse Kerk. Hij speelde de eerste drie van de Biblische Sonaten van Johann Kuhnau. In deze sonates beeldt de componist met muzikale middelen scènes uit het Oude Testament uit. Deze sonates worden soms op een groot kerkorgel gespeeld; dan kan de uitvoerder gebruik maken van het kleurenpalet en de dynamische mogelijkheden van het instrument. Maar deze sonates zijn ongetwijfeld voor de huiskamer en in de eerste plaats voor een besnaard toetsinstrument (klavecimbel, clavichord) bedoeld. Het is de uitdaging voor de uitvoerder met de relatief beperkte mogelijkheden van zo’n instrument de effecten die Kuhnau gebruikt om elementen uit de tekst uit te beelden, op een overtuigende manier te realiseren. Hell deed dat uitstekend; zelfs de krijgszuchtige passages in de eerste sonate, over de strijd tussen David en Goliath, kwamen goed uit de verf. Ook meer ingehouden en lyrische passages in deze sonates kwamen goed over. Kuhnau schreef zelf nogal uitgebreide inleidingen op zijn sonates en die werden door Thomas Höft voorgedragen (in het Duits). Dat was interessant, maar hij had wat minder mogen acteren en ze iets zakelijker mogen voorlezen. Het clownskostuum dat hij voor de gelegenheid had aangetrokken, was niet alleen weinig passend bij het repertoire, maar leidde ook af. Kuhnau heeft de verschillende episodes ook van opschriften voorzien en ook die werden voorgedragen. Dat was niet zo’n goed idee, want daardoor werd de dramatische opeenvolging van de verschillende episodes in het verhaal onderbroken. Het voorlezen van de tekst tijdens het koraal ‘Aus tiefer Not’ in de eerste sonate was ronduit storend.

Verhalen op muziek maken ook een belangrijk deel uit van het oeuvre van de Tiroolse dichter en zanger Oswald von Wolkenstein (c1376-1445). Hij maakte nogal wat reizen en in zijn gedichten doet hij verslag van zijn belevenissen. In hoeverre hij erin slaagde zijn toehoorders te boeien, konden de bezoekers van het concert van het Ensemble Leones in Hertz niet zelf ervaren, want in het programmaboek ontbraken de teksten bij dit concert. Een echte misser, want de teksten zijn zelfs voor een Duitstalige luisteraar van nu nauwelijks te volgen, ook omdat Oswald gebruik maakt van dialect. Onder die omstandigheden is het de taak van de zangers door hun interpretatie toch iets van de dramatische kracht van deze liederen over te brengen. Dat lukte Grace Newcombe, Marc Lewon (tevens leider van het ensemble) en Raitis Grigalis behoorlijk goed. Dat ze daarbij (deels) van blad zongen, deed daaraan wel enigszins afbreuk. Alle drie beschikken over mooie stemmen die zich heel goed lenen voor dit repertoire. De liederen werden afgewisseld met instrumentale stukken, waarin Baptiste Romain schitterde op vedel en doedelzak en Mara Winter op traverso. Ondanks het gebrek aan teksten was dit een mooi muzikaal portret van één van de belangrijkste dichters van het Duitse taalgebied uit de late middeleeuwen.

Ook het derde concert, door het Ensemble Correspondances onder leiding van Sébastien Daucé, had als hoofdmoot een verhaal, en weer – net als in de sonates van Kuhnau – was dat aan het Oude Testament ontleend. Giacomo Carissimi is vooral vanwege zijn oratoria bekend geworden, en zijn beroemdste werk in dit genre is ongetwijfeld Jephte. Hij belooft God dat, wanneer hij de Ammonieten verslaat, Hem het eerste dat hem bij thuiskomst tegemoet komt, te offeren. Tot zijn verdriet is dat zijn eigen dochter. Hartverscheurend is haar klacht: “Jammert heuvels, weent bergen en huilt met mij in mijn verslagenheid van hart”. Caroline Weynants gaf een indringende vertolking van deze rol. Het werk sluit af met een koor (Jammert, zonen van Israël), dat al in Carissimi’s tijd grote indruk maakte en nog steeds zijn effect niet mist, zeker niet wanneer het zo expressief vertolkt wordt als in dit concert. De perfecte intonatie zorgde ervoor dat de harmonische middelen die Carissimi gebruikt om de smart van het volk tot uitdrukking te brengen, optimaal effect sorteerden. Het oratorium werd voorafgegaan door composities van Charpentier en enkele Duitse componisten, die door Carissimi beïnvloed zijn. Indrukwekkend was Charpentier’s Pestis Mediolanensis, over een pestepidemie in Milaan, waarin bisschop Carlo Borromeo zich om de slachtoffers bekommert. In de uitbeelding van de verschrikkingen van de pest en de beschrijving van Borromeo’s werk horen we Charpentier op z’n best. Heel interessant was een stuk van de geheel onbekende Duitse componist Philipp Jakob Baudrexel (1627-1691); van hem zou ik wel meer willen horen. In werken van Kaspar Förster (1616-1673) waren enkele leden van het ensemble in soli te bewonderen: naast Caroline Weynants de sopraan Perrine Devillers en de mezzo Lucile Richardot. Na Buxtehudes Membra Jesu nostri op vrijdagavond was dit weer een bewijs van de klasse van dit ensemble. De Jacobikerk was de perfecte plek voor dit repertoire.

De verleiding is groot om elk concert in het thema van het festival te persen. Maar dat is niet zinvol: ik zie niet hoe de Messe de Nostre Dame van Guillaume de Machaut met het festivalthema in verbinding gebracht kan worden. Dit werk werd uitgevoerd door het Ensemble Organum onder leiding van Marcel Pérès. De mis werd in een liturgisch kader geplaatst door gregoriaanse gezangen, maar welk feest Pérès daarbij voor ogen stond, bleef onduidelijk. De Dom was de meest aangewezen ruimte voor dit concert; de resonantie van de kerk komt de nogal expansieve zangstijl van het ensemble tegemoet. Er werd vaak luid en meestal nogal langzaam gezongen. Alleen het Kyrie nam al meer dan tien minuten in beslag. Opvallend waren de vele versieringen die de zangers aanbrachten. Dat leidde ertoe dat het klankbeeld nogal dicht en massief werd; doorzictigheid is duidelijk niet het ideaal van Pérès. Ook de gregoriaanse gezangen werden met veel versieringen ten gehore gebracht. De opvattingen van Pérès over de uitvoering van oude liturgische muziek, bijvoorbeeld zijn overtuiging dat daarin oriëntaalse invloeden aanwezig zijn, wordt niet door iedereen gedeeld. Ook de uitvoering van Machauts mis op zaterdagavond zal niet bij iedereen in de smaak zijn gevallen. Maar het festival is wel een uitgelezen gelegenheid om interpretaties, die vragen oproepen, aan een breder publiek voor te stellen. En de uitvoering door het Ensemble Organum liet niets te wensen over. De vocale kwaliteiten van deze zangers zijn boven elke twijfel verheven.

Retorica is zeker een belangrijk element in het oeuvre van Heinrich Schütz. Niet voor niets werd hij musicus poeticus genoemd: hij was een meester in het zodanig vertalen van teksten in muziek, dat zowel de inhoud als de emotionele lading optimaal tot hun recht komen. Eén van zijn meest indrukwekkende werken is een soort van Luthers Requiem, de Musicalische Exequien. Geen wonder dat het ensemble Vox Luminis dit werk herhaaldelijk heeft uitgevoerd en ook op CD heeft opgenomen. Het is dit ensemble op het lijf geschreven. Het bevat tuttipassages, die een perfecte samenklang vragen en dat kun je gerust aan dit ensemble overlaten. Dat enkele van de vaste leden moesten worden vervangen door externe krachten deed daaraan niets af. Aan de andere kant zijn er ook episodes voor één of meer solostemmen en daarin komen de kwaliteiten van de individuele zangers naar voren. Ook daar liet Vox Luminis niets te wensen over. Er zat geen enkele zwakke plek in deze uitvoering, behalve dan de ruimte. Hertz is een prima plek voor vocale en instrumentale kamermuziek, maar niet voor repertoire dat voor kerk en kapel is geschreven. De akoestiek is daarvoor te droog. In het derde deel verlangt Schütz dat drie zangers zich apart in de kerk opstellen om zo een contrast met de rest van het ensemble tot stand te brengen. Dat werd hier opgelost door deze zangers ergens achter de coulissen te laten zingen, maar door de akoestiek kwam dat niet voldoende uit de verf. Lionel Meunier, de leider van Vox Lumnis, had eigenlijk moeten weigeren dit concert in Hertz te geven, maar daar is hij misschien te aardig voor. De Musicalische Exequien werden voorafgegaan door andere begrafenismuziek van Schütz, eveneens indringend uitgevoerd.

Gepost door: Johan van Veen | 28 augustus 2021

Festival Oude Muziek Utrecht 2021 – vrijdag 27 augustus

Het Festival Oude Muziek Utrecht is terug van weggeweest. Door de coronapandemie viel het vorig jaar in het water. Dankzij de creativiteit van het festival en de medewerking van musici konden nog wel wat concerten plaatsvinden en ook online was er het nodige te zien en te horen. Maar dat is toch niet echt. Dus de liefhebbers van oude muziek kunnen dit jaar hun hart ophalen en weer de echte festivalsfeer beleven, ook al zijn er allerlei beperkingen. Dat betreft bijvoorbeeld de bezetting van de ruimten waar concerten plaatsvinden: één derde van de capaciteit kan niet benut worden. Dat leidde ertoe dat tijdens het openingsconcert slechts tweederde van de grote zaal van TivoliVredenburg bezet was.

Het thema van dit festival wordt samengevat in de titel: “Let’s talk”. Het gaat om retorica en haar invloed op de compositie en de uitvoering van muziek. Eén van de basisregels van de retorica is dat de redenaar direct aan het begin zijn gehoor moet inpakken zodat het geboeid blijft luisteren. Dat geldt dan ook voor het openingsconcert: daarmee moet het festival als het ware worden ‘neergezet’. Die taak was weggelegd voor Sébastien Daucé en zijn Ensemble Correspondances. Hij had gekozen voor Dieterich Buxtehude’s cyclus van passiecantates, Membra Jesu nostri. In zijn introductie zei festivaldirecteur Xavier Vandamme dat de redenaar niet in de eerste plaats met logische argumenten zijn publiek voor zich moet winnen, maar vooral diens emoties moet opwekken. “Ik zou bijna zeggen: als u vanavond niets voelt, dan kunt u uw geld terugkrijgen”. Hij hoefde zich geen zorgen te maken. Buxtehude heeft met zijn cyclus een waar meesterwerk tot stand gebracht, dat niet voor niets tot de meest uitgevoerde muziek voor de passietijd behoort. De teksten en de manier waarop Buxtehude deze heeft verklankt, kunnen niemand onberoerd laten. Ik heb veel concerten en CD-opnamen met Duitse barokmuziek gehoord in uitvoeringen van niet-Duitse musici en ensembles en heb ervaren dat het voor wie niet met de Duitse traditie is opgegroeid, heel lastig is een echt idiomatische uitvoering te realiseren. Vorig jaar liet Daucé in een online uitvoering van dit werk al horen dat hij begrijpt hoe je deze muziek moet aanpakken. Dat bevestigde hij nu weer. Ik kan alleen maar een diepe buiging maken voor de manier waarop hij de expressie van dit werk tot leven wist te wekken, met dank aan zijn voortreffelijke zangers en instrumentalisten. In het midden van het stuk zong de altijd bewonderenswaardige Lucille Richardot Buxtehudes Klaglied op de dood van zijn vader. Ze gaf een heel indringende uitvoering, maar of de vele versieringen in dit werk gepast zijn, daar ben ik nog niet zo zeker van. Dat had wellicht wat minder gekund. Hoe dan ook, dit concert deed precies wat het moest doen: de luisteraar nieuwsgierig maken naar en voorbereiden op de rest van het festival.

Dit jaar is Josquin-jaar: deze grootmeester van de polyfonie van de renaissance overleed in 1521. Daaraan kan in dit festival uiteraard niet voorbijgegaan worden. Rebecca Stewart, één van de pioniers van de uitvoering van de klassieke polyfonie, viel de eer te beurt een concert aan Josquin te wijden. Het programma was gewijd aan muziek die Josquin componeerde als eerbetoon aan drie overleden collega’s: Ockeghem, Obrecht en Brumel. Als laatste werk klonk een hommage aan Josquin zelf, van de hand van een anoniem gebleven componist, maar mogelijkerwijs geschreven door Adrian Willaert. Rebecca Stewart is inmiddels een dame op leeftijd en fragiel: ze moest worden ondersteund bij het beklimmen en afdalen van de trappen van het koor van de Pieterskerk. Maar er was niets fragiels aan de manier waarop ze het ensemble Cantus Modalis & Seconda Prat!ca door het programma loodste. De manier van zingen kennen we van opnamen en concerten met verschillende ensembles uit het verleden, zoals de Cappella Pratensis. De znagers staan om een koorboek en dat bevordert de harmonie tussen de zangers, die een hechte ensembleklang produceren. De tempi waren gematigd en er werd niet luid gezongen. Toch bereikte het ensemble alle uithoeken van de kerk. Typerend ook de crescendi die je in deze muziek niet direct verwacht. Eigenaardig vond ik de bourdon waarmee de gregoriaanse gezangen begonnen. Het bekendste werk was uiteraard Josquins Nymphe des bois ter ere van Ockeghem. De andere stukken zijn minder bekend en dat maakte dit concert extra interessant. Het aan Willaert toegeschreven werk was wellicht een première en bleek een substantieel werk, een fraaie uitbreiding van het repertoire aan muzikale hommages. Dit concert was een passend muzikaal monument voor de grote meester van de renaissance, Josquin Desprez.

Gepost door: Johan van Veen | 2 september 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – nabeschouwing

Het Festival Oude Muziek Utrecht 2019 zit er weer op. Tien dagen, of zelfs – zoals in mijn geval – acht dagen lijken lang, maar zijn weer zo voorbij. Ik had grote verwachtingen van het festival, vooral ook omdat ik ervan uit ging dat we veel muziek zouden horen die nauwelijks bekend is. Die verwachting kwam uit. Niet alleen kwamen er namen van componisten voorbij, van wie ik nog nooit gehoord had, ik hoorde ook onbekende werken van componisten die ik al wel kende, zoals van Niccolò Jommelli. Zijn sacrale werken behoren, wat mij betreft, tot de ontdekkingen van dit festival. Ook in de kamermuziekserie zaten heel wat interessante werken van componisten, van wie ik wel meer zou willen horen. Van Francesco Durante’s klavecimbelmuziek had ik wel wat gehoord, maar Cristiano Gaudio’s recital was een revelatie: zijn sonates zijn echt heel goed. Die klavecinist is trouwens iemand om in de gaten te houden, net als Louise Acabo.

En daarmee zijn we al bij een ander belangrijk aspect van dit festival: de kennismaking met musici en ensembles die je niet kent. Gaudio en Acabo behoorden daartoe, maar ook de ensembles Theatro dei Cervelli en Acronym. Dan waren er ook nog musici en ensembles die ik wel van naam kende, maar niet of nauwelijks had gehoord en met wie ik nu nader kon kennismaken, zoals de violisten Eva Saladin, Evgeny Sviridov en Josef Zák. Het zijn allemaal musici die ik weer hoop te horen, in het festival of elders.

Het thema was goed gekozen en goed uitgewerkt. Napels blijkt een heel interessante stad te zijn. We hebben uiteraard maar een fragment gehoord van wat er door de eeuwen heen aan muziek is ontstaan. Er zouden waarschijnlijk nog wel een paar festivals met weer andere muziek kunnen worden georganiseerd. Ik denk dat we wel een goed beeld van het Napolitaanse muziekleven van de renaissance tot de late 18e eeuw hebben gekregen.

Uiteraard zijn er wel wat kritische noten te kraken. Ik heb het concert van L’Arpeggiata al genoemd; daar zal ik verder geen woorden aan vuil maken. Van kennissen hoorde ik dat ook het concert van L’Achéron op de tweede zaterdag een gênante vertoning was. Daar heeft de festivalleiding natuurlijk maar beperkte invloed op, maar men zou er wel enige consequenties aan kunnen verbinden.

Ik zou graag zien dat, op het vlak van de uitvoeringspraktijk, de verspreiding van het vibratovirus eens fundamenteel ter discussie wordt gesteld. Het loopt de spuigaten uit. Dat is natuurlijk wel een probleem. Want als het festival hier echt werk van maakt, moet het misschien wel driekwart van de zangers en zangeressen die hier hun opwachting komen maken, buiten de deur zetten. Het aantal vocalisten, dat echt werk maakt van de historische uitvoeringspraktijk in hun stijl van zingen, is op de vingers van twee handen te tellen, en dan ben ik in een optimistische bui.

Volgend jaar is het thema ‘Ars Rhetorica’. Dat klinkt interessant en ik ben benieuwd hoe het wordt uitgewerkt. Artists in residence zijn violiste Eva Saladin en het Ensemble Correspondances. Uitstekende keuzen – naar hun bijdragen kijk ik nu al uit.

Older Posts »

Categorieën