Gepost door: Johan van Veen | 6 september 2022

Festival Oude Muziek Utrecht 2022 – nabeschouwing

De 41e editie van het Festival Oude Muziek Utrecht zit er weer op. Het was een interessant festival: dat er muziek wordt uitgevoerd die je niet alle dagen hoort, is niet ongewoon. Maar dit keer stonden de schijnwerpers gericht op de tijd tussen de barok en de klassieke periode. Dat is een episode die weliswaar meer in de belangstelling komt, maar op het festival nog nooit echte aandacht heeft gekregen. Dat verdient dus alle lof.

Anderzijds roept het thema van het festival en de uitwerking ervan ook vragen op. Het thema was ‘galanterie’. Dan denk je aan de galante stijl die zo rond 1730 in de mode kwam en zich handhaafde tot in de klassieke tijd. Als je die term strikt interpreteert, krijg je een heel beperkt festival. Neem nu de zonen van Bach. De twee die je zonder meer ‘galant’ zou kunnen noemen, zijn Johann Christian en Johann Christoph Friedrich. Hun muziek was nauwelijks te horen, wel die van hun broer Carl Philipp Emanuel. In zijn muziek zitten zeker galante trekken, maar is toch vooral met twee andere stromingen verbonden: de Empfindsamkeit en de Sturm und Drang. Daar zitten weliswaar geen ondoordringbare schotten tussen, maar je kunt niet alles op één hoop gooien.

Het was ook duidelijk dat het festival zich niet tot de muziek uit het midden van de 18e eeuw kon beperken. Er zijn mensen voor wie ‘oude muziek’ gelijk staat met middeleeuwen en renaissance. Die moeten ook iets van hun gading kunnen vinden. Dus werd het thema zeer ruim geïnterpreteerd en kreeg het een invulling die wellicht het beste met ‘omgangsvormen’ en ‘etiquette’ kan worden omschreven. Daarbij werd verwezen naar Il Libro del Cortegiano, het invloedrijke boek van Baldassare Castiglione (1478-1529). Dat was een terechte verwijzing. Niettemin, het risico van het oprekken van een thema is dat op een bepaald moment bijna alles er onder valt. Gelukkig werd in het programmaboek niet geprobeerd bij elk concert de link naar het thema te leggen. Bij het concert van Cantar Lontano, met sacrale muziek uit Napels ten tijde van Gesualdo, was die link er gewoon niet. Dat is geen probleem: niet alles hoeft met elkaar samen te hangen.

Het was het eerste festival na corona dat zonder beperkingen kon plaatsvinden. Vorig jaar kon slechts tweederde van de zaalcapaciteit gebruikt worden. Logisch dus dat de bezoekersaantallen veel kleiner waren dan in 2019, het laatste jaar vóór corona. In mijn dagelijkse verslagen constateerde ik dat nogal wat concerten niet heel goed bezocht werden. De namen van de uitvoerenden spelen een rol: bij het klavecimbelrecital van Andreas Staier zat de Lutherse Kerk nagenoeg vol. Maar toen de volgende dag de Franse klavecinist Jean-Christophe Dijoux zijn recital gaf, was het grootste deel van de kerk leeg. Hij is bij de meesten waarschijnlijk onbekend, maar het is wel betreurenswaardig dat bekendheid van de uitvoerende musici kennelijk doorslaggevend is bij het reserveren van kaarten. Liefhebbers van oude muziek staan bekend als nieuwsgierig, maar daar blijkt in zo’n geval weinig van.

Maar, zoals ik al eerder suggereerde, er kunnen ook goede redenen zijn om af te zien van het reserveren van een plaatsbewijs. De onzekere financiële situatie kan zeker een rol gespeeld hebben. Ik kan me heel goed voorstellen dat mensen voorzichtig zijn met hun uitgaven, gezien de sterk opgelopen inflatie en de stijgende energieprijzen. Daar zijn we nog niet zomaar vanaf, dus het festival kan daarmee maar het beste rekening houden. Het zou wel goed zijn daarover ook open te zijn. Tijdens zijn speech voorafgaand aan het slotconcert repte Xavier Vandamme met geen woord over de bezoekersaantallen, terwijl hij vóór corona elk jaar met veel genoegen wéér een stijging van het aantal betalende bezoekers vermeldde. Ik heb uit de pers moeten vernemen dat er dit jaar ongeveer 10.000 bezoekers minder waren dan in 2019. Waarom mag het publiek dat niet weten?

Dan waren er nog de stakingen bij de NS. In hoeverre die een rol gespeeld hebben, kan alleen de festivalleiding bij benadering vaststellen. Een derde factor is corona: die is nog niet weg en aangezien nogal wat festivalbezoekers op leeftijd zijn, kan dit een aantal ervan hebben weerhouden concerten te bezoeken waarbij men dicht opeen gepakt zit.

Over het muzikale niveau van het festival hoef ik niet uit te wijden. Mijn dagelijkse verslagen spreken voor zich. De deelname van de Nederlandse Bachvereniging was een groot succes: twee excellente avondconcerten en dan nog salonconcerten door leden van het ensemble – dat was een heel goed idee. Zowel Alexis Kossenko met zijn ‘reuzenorkest’ als Sébastien Daucé met de reconstructie van de ceremonie bij de kroning van Lodewijk XIV waren voltreffers. Ik heb eigenlijk nauwelijks echt tegenvallende concerten gehoord. Dat is weleens anders geweest. De kwaliteitsbewaking functioneert optimaal. Mijns inziens was de ‘Utrechter Passion’ een miskleun; ik zal me over het muzikale niveau niet uitlaten, want ik heb de voorstelling niet bijgewoond. Op mijn Engelstalige blog hoop ik er binnenkort een apart stuk aan te wijden.

Er moet me nog wel een technische kwestie van het hart. De boventiteling in de grote zaal van TivoliVredenburg liet enigszins te wensen over. Soms was de synchronisatie met het gezongene zoek, maar er zaten ook heel veel spel- en zetfouten in. Dat moet en kan beter. En men zou bij (Latijnse) liturgische teksten, zoals tijdens het concert van het Ensemble Correspondances, niet moeten teruggrijpen op vertalingen van honderd jaar of langer geleden. Die zijn onbegrijpelijk en wekken vervreemding. (Of is dat de bedoeling?)

Volgend jaar is het thema ‘Neo’. Dat is vooralsnog rijkelijk vaag. Ik ben benieuwd wat ons dan te wachten staat.

Gepost door: Johan van Veen | 5 september 2022

Festival Oude Muziek Utrecht 2022 – zaterdag 3 september

Mijn laatste dag van het festival begon in Hertz met een recital met muziek voor viola da gamba. Dat mag verwondering wekken, gezien het feit dat de tijd tussen de barok en de klassieke periode het hoofdthema van het festival is. De viola da gamba moest het in de loop van de 18e eeuw afleggen tegen de cello, tot verdriet van de verdedigers van de traditie in Frankrijk. Maar in Berlijn, aan het hof van Frederik de Grote, werd de viola da gamba nog in ere gehouden. Dat was voor een belangrijk deel te danken aan Ludwig Christian Hesse, die deel uitmaakte van de hofkapel en in salaris op gelijke hoogte stond met Carl Philipp Emanuel Bach. Voor hem componeerden zijn collega’s concerten en sonates. In het concert van Noémi Lenhof (viola da gamba) en Guillaume Haldenwang (klavecimbel) waren twee van hen vertegenwoordigd. Het programma opende met de Sonate in A voor obligaat klavecimbel en viola da gamba van Christoph Schaffrath en eindigde met een deel uit het Trio in G van Johann Gottlieb Graun, geschreven voor gamba, klavecimbel en basso continuo, maar hier uitgevoerd in een bewerking voor gamba en obligaat klavecimbel. Daar tussenin klonken enkele stukken van vader en zoon Forqueray. Die stond in nauw contact met kroonprins Frederik Willem, de neef van Frederik de Grote. Hij was een enthousiast gambist en bezocht Forqueray in Parijs. Sindsdien gaf deze hem op afstand – via een briefwisseling – les. Het was een interessante confrontatie, want de verschillen tussen Forqueray enerzijds en de Duitse gambawerken anderzijds kwamen duidelijk over het voetlicht. Nog groter was het verschil met de Sonate in D van Andreas Lidl. Die was min of meer een buitenbeentje in het programma, want hij had geen connecties met het hof in Berlijn. Hij was zowel gambist als bespeler van de baryton, en dit trio zou zonder meer op dat instrument gespeeld kunnen worden. Het is een puur klassiek werk en daarmee waren we in een heel andere wereld dan die van Forqueray. Ik kende Noémie Lenhof en Guillaume Haldenwang niet. Ik was onder de indruk van hun spel; het lijken me twee namen om in het oog te houden. Ze hadden hun programma intelligent samengesteld, zodat de stijlverschillen duidelijk uit de verf kwamen. Opnieuw waren helaas maar weinig mensen getuige van dit mooie concert.

Niet alleen de viola da gamba, ook het klavecimbel dolf in de loop van de 18e eeuw in Frankrijk het onderspit tegen vertegenwoordigers van een nieuwe esthetiek. Eén van de laatste vertegenwoordigers van de Franse klavecimbelschool was Jacques Duphly. Zijn laatste werken kunnen op fortepiano gespeeld worden, maar zelf gaf hij de voorkeur aan het klavecimbel. In zijn oeuvre zijn nog maar weinig dansen te vinden; hij schreef vrijwel uitsluitend karakterstukken. Die zijn heel verschillend van karakter. In het programma dat Carole Cerasi in de Lutherse Kerk speelde, kwamen een aantal daarvan tot klinken. Groot was het contrast, bijvoorbeeld, tussen La Victoire en Les Grâces. Cerasi opende het programma met de opwindende chaconne uit het derde boek. Tegen het eind klonk La Forqueray, waarin hij zijn collega muzikaal portretteert. Cerasi speelde ook enkele stukken van Claude-Bénigne Balbastre, die niet zo’n geweldige reputatie heeft, omdat veel van zijn klavierwerken als enigszins oppervlakkig worden beschouwd. Carole Cerasi speelde een Noël, dat meestal op orgel wordt gespeeld, en een karakterstuk, La Lugeac. Geen vervelend stuk, maar wel erg op het effect gericht. Het was een prima uitsmijter aan het eind van een boeiend en prachtig gespeeld recital, waarin Carole Cerasi in uitstekende vorm verkeerde. Haar mondelinge toelichtingen waren nuttig om Duphly en zijn muziek in hun historische context te plaatsen.

Net zoals composities voor de gamba aan het Berlijnse hof te verklaren zijn door de aanwezigheid van een gambavirtuoos, kan het feit dat verschillende luitisten aan het hof te Bayreuth werkzaam waren, niet los gezien worden van het feit dat Wilhelmine van Pruisen, zus van Frederik de Grote en gehuwd met markgraaf Frederik van Bayreuth, een enthousiast luitiste was. Daarom speelden luitisten als Paul Charles Durant, Bernhard Joachim Hagen en Adam Falckenhagen een belangrijke rol aan haar hof. Alle drie waren vertegenwoordigd in een concert van de luitist Konstantin Shchenikov en het Butter Quartet. Het programma begon met een duet voor viool en luit van Durant, dat gevolgd werd door een trio voor luit, viool en cello van Hagen. Het laatste werk was een concerto voor luit en strijkers van Falckenhagen. Tenminste, dat neem ik aan: dat was het werk dat in het programmaboek vermeld stond. De programmatoelichting vermeldde ook een concerto van Kleinknecht, maar dat was kennelijk in een later stadium van het programma geschrapt. Daaraan voorafgaand werd een strijkkwartet van Maddalena Laura Lombardini Sirmen ten gehore gebracht. De keuze van dat werk begrijp ik niet goed, want deze dame speelde door heel Europa, maar van enige connectie met Bayreuth of Wilhelmine is me niets bekend. Hoe dan ook, het is een mooi kwartet en werd door het Butter Quartet uitstekend gespeeld, met mooie dynamische contrasten. Ook weer een ensemble om in de gaten te houden. Shchenikov kende ik ook niet; het is, zo te horen, een uitstekend luitist, en de samenwerking met het kwartet leverde mooie resultaten op. Het concert gaf een interessante inkijk in het muziekleven aan het hof in Bayreuth.

Wanneer Sébastien Daucé en zijn Ensemble Correspondances langskomen, kun je iets bijzonders verwachten. Dat was op deze tweede zaterdag ook het geval. Op 7 juni 1654 werd Lodewijk XIV tot koning gekroond en dat gebeurde tijdens een ceremonie die de macht van Frankrijk en zijn koning weerspiegelde. In de programmatoelichting vergelijkt Daucé de ceremonie in de kathedraal van Reims met een theaterproductie. Weliswaar is niet bekend welke muziek precies werd uitgevoerd, maar er zijn wel zoveel gegegevens beschikbaar dat een soort van ‘reconstructie’ mogelijk is. De grote zaal van TivoliVredenburg is geen kathedraal; eigenlijk was de akoestiek wat de droog. Anderzijds is de logistiek van de zaal zodanig dat iets van de ruimtelijke werking gerealiseerd kan worden. Verschillende onderdelen – bijvoorbeeld enkele gregoriaanse gezangen – werden op de balkons gezongen. Er werd ook met lichteffecten gewerkt: de voorstelling begon in een compleet verduisterde zaal, waarna de musici in ganzenpas, begeleid door blazers en trommel, de zaal binnenkwamen. Het programma bevatte muziek van enkele van de meest vooraanstaande Franse componisten van die tijd, zoals Étienne Moulinié, Antoine Boësset en Henry du Mont, maar ook enkele stukken van Francesco Cavalli. Bijzonder opwindend was het aandeel van de luide blazers: hobo’s, zinken, trombones, serpent en fagot. De bezetting van de vocale werken varieerde van solostem tot een groot ensemble van stemmen en instrumenten. Bijzonder was ook het aandeel van de kinderen, Les Pages et Les Chantres du Centre de Musique Baroque de Versailles, die na afloop terecht in het zonnetje werden gezet. Het was een buitengewone, interessante en muzikaal boeiende productie. Het was één van die concerten die in de annalen van het festival als één van de hoogtepunten zal worden bijgeschreven.

Dat concert zou een mooie afsluiting zijn geweest, ware het niet dat om half elf Eva Saladin een programma met vioolsonates zou spelen, dat ik niet wilde missen. Het programma was geïnspireerd door een verzameling instrumentale muziek die was aangelegd door Lucas Sarasin (1730-1802), die tot één van de bekendste patriciërfamilies van Bazel behoorde. Deel van die verzameling was een groot aantal vioolsonates – was, want het grootste deel van de collectie is verloren gegaan, daaronder uitgerekend alle vioolsonates. Maar de catalogus is bewaard gebleven en dat maakt het mogelijk, met behulp van andere bronnen, een programma samen te stellen dat een beeld geeft van wat Sarasin verzamelde. Hij was niet eenkennig: er zaten sonates in die stilistisch tot de baroktijd behoren (Locatelli) en stukken die in het galante idioom gecomponeerd zijn, zoals de sonate van Sarasins vioolleraar Gaspard Fritz, waarmee het programma opende. Een geheel onbekende naam was er ook: Jean-Baptiste Miroglio was van Italiaanse oorsprong en vestigde zich in Parijs. Interessant was het laatste werk: een in handschrift overgeleverde sonate van Franz Benda. Het manuscript bevat versieringen van de hand van de componist zelf, wat veel informatie verschaft over de versieringspraktijk in zijn tijd. Het was een erg mooi concert, zowel wat de samenstelling als wat de uitvoeringen betreft. Eva Saladin is een technisch begaafde en stijlvolle speelster, die de kenmerken van een stuk op een eloquente en communicatieve manier weet over te dragen. Daarbij werd ze ter zijde gestaan door Daniel Rosin (cello) – die een prachtige uitvoering van een sonate van Willem de Fesch gaf – en Johannes Keller (klavecimbel). Helaas waren maar weinig mensen getuige van dit recital. De wegblijvers hebben wat gemist.

Daarmee ben ik aan het slot van mijn verslagen van het Festival Oude Muziek Utrecht 2022 gekomen. Over een paar dagen volgt nog een nabeschouwing.

Gepost door: Johan van Veen | 3 september 2022

Festival Oude Muziek Utrecht 2022 – vrijdag 2 september

Eén van de genres dat in de klassieke periode populair werd, was het kwartet – een ensemble van vier strijkers dan wel een blaasinstrument met een strijktrio. De vorm was nieuw, het genre op zichzelf niet: er is geen waterscheiding tussen de kwartetten van bijvoorbeeld Telemann en die van de klassieke periode. In de tussentijd werden kwartetten gecomponeerd in allerlei tussenvormen. Vroege kwartetten voor hobo en strijktrio stonden centraal in een concert in Hertz, dat verzorgd werd door Georg Fritz (hobo), Eva Saladin (viool), Sonoko Asabuki (altviool) en Daniel Rosin (cello). Het programma opende met een quatuor van Johann Gottlieb Janitsch, dat nog heel barok is en sterke verwantschap vertoont met de kwartetten van Telemann. In het centrum van het concert stond een sonata à quadro van Johann Melchior Molter, dat de kenmerken van een soloconcert heeft, met viool, altviool en cello als ripienoinstrumenten. Het laatste stuk was van Johann Christian Bach, en dit werk is dan in z’n opbouw toch al een echt klassiek werk. Tussendoor klonk nog een strijktrio van Boccherini, en dit genre is wel echt klassiek van oorsprong. Tenslotte was er nog een duet voor viool en cello van Johann Georg Albrechtsberger – in feite een preludium en fuga, wat geen wonder is, aangezien Albrechtsberger één van de belangrijkste componisten voor klavier van zijn tijd was. De vier musici zorgden voor excellente uitvoeringen, met perfect samenspel en mooie solobijdragen. Het is duidelijk dat in het repertoire uit de tijd tussen de barok en de klassieke tijd nog het één en ander te ontdekken valt.

In de Lutherse Kerk klonk in de klavierserie muziek van een componist die vooral als theoreticus bekend is: Johann Mattheson. Hij was een groot voorvechter van de galante stijl. Hij was ook actief als componist en daarom was het goed dat de Franse klavecinist Jean-Christophe Dijoux hem zijn recital wijdde. Hij had het programma in vier hoofdstukken opgedeeld. In de eerste twee demonstreerde hij de Franse en Italiaanse invloeden in Matthesons muziek, met daarbij muziek van Lully in klavecimbelbewerkingen en van Benedetto Marcello. In het derde hoofdstuk kwam de polemische kant van Mattheson aan de orde: Dijoux speelde een stuk van Johann Heinrich Buttstedt, een componist die Mattheson als een relict van het verleden beschouwde. Wel ironisch dat zijn Capriccio gevolgd werd door een fuga van Mattheson. Het slot was gewijd aan de Grosse General-Bass-Schule, met daarin stukken die de uitvoerende moet uitwerken. Dijoux speelde er drie. Het was een heel interessant en muzikaal onderhoudend geheel, dat helaas door een vrij klein publiek werd bijgewoond. Mattheson en Dijoux hadden beter verdiend.

Zoals al eerder opgemerkt, zijn veel middeleeuwse gedichten – bedoeld om te worden gezongen – zonder muziek overgeleverd. Ze kunnen alleen hoorbaar worden gemaakt door er andere muziek op te zetten, bijvoorbeeld van tijdgenoten, of nieuwe muziek te schrijven. Het ensemble Moirai had beide gedaan bij de voorbereiding van een concert gewijd aan Marie de France. Veel is over haar niet bekend, maar waarschijnlijk was ze van adel en woonde en werkte ze aan het Engelse hof. Haar lais zijn geschreven in het Anglo-Normandisch, een Oudfrans dialect dat daar werd gesproken. Er is geen muziek overgeleverd, dus speelden Mara Winter (fluit) en Félix Verry (vedel) hun eigen muziek, die afgeleid is van middeleeuwse bronnen. Hun spel was niet zozeer begeleiding van Hanna Marti, die de teksten zingend en sprekend voordroeg, maar vooral illustratie van het verhaal. Marti droeg de twee nogal amusante liefdesverhalen beeldend voor en de instrumentale illustratie was heel effectief. Gelukkig werden Nederlandse en Engelse vertalingen op een scherm geprojecteerd, anders zouden ze de luisteraars zijn ontgaan. De twee verhalen werden gescheiden door een instrumentaal stuk, waarin naast fluit en vedel, ook de harp, bespeeld door Marti, te horen was. Het was een heel onderhoudend optreden, dankzij de vertelkunst van Marie de France en de manier waarop de drie leden van Moirai het geheel hadden vormgegeven. Ooit was storytelling een terugkerend thema van het festival. Dit was nu storytelling in optima forma.

De Franse componist Philippe Verdelot (c1480/85-1530/32?) vestigde zich al vroeg in zijn carrière in Italië en heeft daar een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van het genre van het madrigaal. Zijn eigen madrigalen zijn nauwelijks bekend; als ze al worden uitgevoerd is het meestal in de bewerkingen voor zangstem en luit die Adrian Willaert publiceerde. Het was mooi dat het ensemble Profeti della Quinta hem een programma wijdde. Zijn madrigalen, uitgevoerd door vier zangstemmen, werden afgewisseld met enkele instrumentale werken en met madrigalen en chansons van Jacques Arcadelt. Die laatste werden uitgevoerd in een combinatie van zangstem en instrument, wat – getuige de uitgave van Willaert – een heel gebruikelijke bezetting was. De tenor Jacob Lawrence, die eerder in het festival als lid van diverse ensembles al zo’n goede indruk had gewekt, was weer heel goed op dreef, begeleid door Elam Rotem – de leider van het ensemble – op klavecimbel. Heel interessant was de voordracht van enkele stukken door sopraan Giovanna Baviera, die zichzelf op viola da gamba begeleidde. Ze demonstreerde een toen gangbare praktijk, bekend als cantar alla viola. Ze deed dat geweldig. Het gehele concert was om door een ringetje te halen. Een mooi programma, voorgedragen door een uitstekend ensemble met vier prachtige stemmen. De akoestiek van de Pieterskerk liet het allemaal mooi tot z’n recht komen.

De vocale muziek van Carl Philipp Emanuel Bach is waarschijnlijk het meest onbekende deel van zijn oeuvre. Voor een aantal bezoekers was de uitvoering van zijn Magnificat op het openingsconcert wellicht de eerste kennismaking. Op deze vrijdag was het avondconcert in de grote zaal van TivoliVredenburg gewijd aan zijn oratorium Die Israeliten in der Wüste. Dat beschrijft de opstand van het volk Israel, op weg van Egypte naar het beloofde land, tegen Mozes – en daarmee uiteindelijk tegen God – vanwege de ontberingen onderweg, zoals het gebrek aan drinkwater. Mozes weet het volk tot bedaren te brengen en de woede van God af te wenden. Het is een dramatische episode van de geschiedenis, zoals verteld in het bijbelboek Exodus. Daaruit heeft Emanuel een oratorium gemaakt dat de trekken van een opera heeft, met virtuoze aria’s en dramatische koorgedeelten. Het conflict wordt op die manier voelbaar gemaakt. Dat kwam in de uitvoering goed tot z’n recht. Stephan MacLeod leidde zijn ensemble Gli Angeli Genève en zong zelf de rol van Mozes. De partij van zijn broer Aaron werd vertolkt door de tenor Valerio Contaldo en de twee Israelitische vrouwen werden geportretteerd door Marie Lys en Zoë Brookshaw. De aria’s werden uitstekend gezongen en aan drama ontbrak het niet, ook niet in de koren. Stilistisch was de uitvoering minder bevredigend: de solistische bijdragen werden – met uitzondering van die van Contaldo – ontsierd door een teveel aan vibrato, evenals de koorgedeelten, gezongen door solisten met toegevoegde zangers. Dat neemt niet weg dat het van groot belang is dat dit werk – dat overigens in verschillende CD-opnamen verkrijgbaar is – tijdens een festival als dit wordt uitgevoerd. Het zal de aanwezigen ervan hebben overtuigd dat Carl Philipp Emanuel Bach ook op vocaal gebied z’n mannetje stond. Hopelijk wordt zijn niet geringe vocale oeuvre vaker uitgevoerd, ook in de concertzaal.

Gepost door: Johan van Veen | 2 september 2022

Festival Oude Muziek Utrecht 2022 – donderdag 1 september

Frederik de Grote is een bekende naam in de muziekgeschiedenis. Hij was niet alleen een groot muziekliefhebber, hij verzamelde ook de beste musici en componisten uit het Duitsland van zijn tijd aan zijn hof. Dankzij hem konden componisten als de gebroeders Graun en Benda, Christoph Schaffrath, Johann Joachim Quantz en vele anderen hun talenten ontplooien. Frederik was ook een fanatiek bespeler van de traverso; hij componeerde zelfs voor zijn eigen instrument. Zijn sonates en concerten worden door musicologen niet hoog aangeslagen; ze zijn volgens hen van niet meer dan middelmatige kwaliteit. De vraag is of ze die stukken echt ooit gehoord hebben, gespeeld volgens de gewoonten van die tijd. Als ze Aysha Wills, vandaag in Hertz, hadden gehoord, in samenwerking met Octavie Dostaler-Lalonde (cello) en Artem Belogurov (fortepiano), zouden ze wellicht hun oordeel bijstellen. Ze speelde vier sonates en daar tussenin nog een sonate van zijn zus, Wilhelmine. Ik kon in die sonates niets ontdekken dat het negatieve oordeel rechtvaardigt. De langzame delen zijn zonder meer expressief; twee sonates beginnen met een recitativo. De snelle delen laten iets van Frederiks techniek zien: die moet zeer gevorderd zijn geweest, want daarin komen allerlei technische hoogstandjes voorbij. Aysha Wills toonde zich de ideale advocaat van Frederiks muziek: ze speelde technisch gaaf, produceerde een mooie toon en zette een boeiend muzikaal betoog op. Ook dankzij een prachtig instrument – een kopie van een fluit van Frederik zelf – en haar toegewijde partners was dit een zeer onderhoudend concert, dat helaas weer door een schaars – maar enthousiast – publiek werd bijgewoond.

Nagenoeg uitverkocht was daarentegen de Lutherse Kerk, waar niemand minder dan Andreas Staier – één van de groten in het historisch klavierspel – acte de présence gaf in een recital met de welsprekende titel ‘Ongetemd – welgetemperd’. Die eerste term slaat op Carl Philipp Emanuel Bach, die in veel van zijn klavierwerken zijn fantasie de vrije loop laat. Het tweede woord heeft betrekking op zijn vader; van hem klonken twee paren preludia en fuga’s uit de tweede band van het Wohltemperirte Clavier. Met één van die paren begon Staier zijn recital. Halverwege klonk een fuga van Emanuel, en daarin kwam het stijlverschil met de fuga’s van zijn vader heel markant naar voren. Het blokje met zijn muziek begon met de eerste van de zes Württembergische Sonaten, waarin hij zich niet heel ver van de stijl van de oude Bach verwijdert. Zijn fantasie leefde hij uit in de daarop volgende variaties over Les Folies d’Espagne. Het slot van het blokje was de Sonate in g (Wq 65,17), en daarin treffen we de Emanuel Bach, die terecht als de meest prominente exponent van de Empfindsamkeit wordt beschouwd. Hier neemt hij vrijheden die hij in de eerdere sonate vermijdt. Het recital eindigde met weer een prelude en fuga uit het Wohltemperirtes Clavier. Staier is een meester op het klavier, of dat nu het klavecimbel of de fortepiano is. Het was een hoogst boeiend recital en het is te betreuren dat we hem zo weinig op het festival horen. Op het slotconcert is hij er weer bij. Dat wordt vast weer heel mooi.

Zoals al eerder opgemerkt bij concerten met liederen van troubadours en trouvères: van de meeste teksten die zijn overgeleverd, is geen muziek bekend, terwijl gedichten in de middeleeuwen niet bedoeld waren om te lezen of voor te dragen, maar om gezongen te worden. Ze kunnen nu alleen hoorbaar gemaakt worden door op zoek te gaan naar passende muziek. Dat hadden de leden van het ensemble Per-Sonat gedaan om liederen van Walther von der Vogelweide, één van de belangrijkste dichters in het Duitse taalgebied van rond 1200, te kunnen uitvoeren. Marc Lewon, luitist en tenor, had enkele liederen gereconstrueerd en droeg die ook zelf voor, waarbij hij zich – naar de gewoonte van de tijd – op de luit begeleidde. Bij enkele andere had Baptiste Romain, bespeler van vedel en doedelzak, muziek in de stijl van de tijd geschreven. Deze werden voorgedragen door Sabine Lutzenberger, leider van het ensemble. Het is mooi dat op deze manier gedichten die anders onbekend zouden blijven – behalve dan bij experts – ten gehore gebracht kunnen worden. Zowel Lutzenberger als Lewon verstaan de kunst de inhoud door hun voordracht over te brengen. Tussen de liederen klonken instrumentale werken, die briljant werden voorgedragen door Romain, Lewon en Elisabeth Rumsey (vedel); sommige daarvan waren zelfs uitgesproken opwindend. Het was een memorabel concert in de Pieterskerk.

Marco Mencoboni is een musicus die graag op zoek gaat naar onbekend repertoire. Daarvan heeft hij bij eerdere festivals al blijk gegeven. Hij was dit jaar terug met een opnieuw interessant en verrassend programma, uitgevoerd door zijn ensemble Cantar Lontano in de Domkerk. Het was gewijd aan sacrale muziek uit het Napels van de tijd van Carlo Gesualdo. Hij was de rode draad in het programma: na een recercata van Diego Ortiz klonk zijn zetting van het responsorium O vos omnes uit zijn Sacrae cantiones. Zijn zetting van dezelfde tekst uit zijn Responsoria van 1611 was het sluitstuk. Daar tussenin klonk muziek van componisten, die evenals Gesualdo harmonische middelen gebruikten om de tekst op een zo expressief mogelijke manier tot uitdrukking te brengen. Weinigen gaan daarbij zo ver als Gesualdo zelf, maar we hoorden toch een paar treffende voorbeelden, zoals Pomponio Nenna’s zetting van O vos omnes en een Stabat mater van Scipione Stella. De laatste was één van de onbekende meesters in het programma; een andere was Scipione Dentice. Jean de Macque kennen we vooral als componist van eigenzinnige klaviermuziek; het was heel interessant hier enkele sacrale werken te horen. Opvallend was dat enkele werken van Gesualdo, die altijd a capella gezongen worden, hier met instrumenten weren uitgevoerd: zink, trombone, viola da gamba en orgel. Mooi dat in de basso continuo gebruik gemaakt kon worden van het ‘Monteverdi-orgel’, dat vorig jaar voor het eerst in het festival werd ingezet en op initiatief van Krijn Koetsveld is gebouwd. Met zijn klankenpalet levert het een substantiële bijdrage aan een uitvoering die beklijft. Dat was hier zeker het geval, vooral dankzij de geweldige prestaties van zangers en instrumentalisten. De vocale werken kregen bijzonder expressieve vertolkingen. De akoestiek van de Dom hielp mee om dit repertoire tot volle bloei te laten komen.

Toen de historische uitvoeringspraktijk haar intrede deed, werd afscheid genomen van orkesten van symfonische omvang die zich aan barokke soloconcerten en concerti grossi vergrepen. Klein werd de norm. Inmiddels heeft men ingezien dat de uitvoeringspraktijk in de barok heel gedifferentieerd was. Het standaardorkest bestond niet; de grootte kon variëren van één instrument per partij tot een veelvoud daarvan, afhankelijk van de omstandigheden en de gelegenheden. Corelli voerde zijn concerti grossi soms met tegen de veertig musici uit. Vooral bij bijzondere gelegenheden kon men flink uitpakken. Niet vaak zal een zo groot orkest op de been zijn gebracht als in 1773, toen Lodewijk XV het huwelijk van zijn kleinzoon en troonopvolger, de hertog van Artois, luister wilde bijzetten. Tijdens het ceremoniële huwelijksdiner – in de operazaal van het paleis – speelden waarschijnlijk zo’n honderd musici een programma met instrumentale muziek dat door François Francoeur, hoofd van de koninklijke muziekafdeling, was samengesteld. Het ‘reuzenorkest’ dat Alexis Kossenko had bijeengebracht voor een uitvoering van een deel van het programma van Francoeur, was iets bescheidener van omvang, maar met tegen de zeventig musici toch aanzienlijk groter dan we tijdens dit festival gewoonlijk op het podium van de grote zaal van TivoliVredenburg zien. Francoeur putte uit het repertoire van heden en verleden en zo kregen we, naast stukken van hemzelf, ook muziek van Rameau, Royer, Dauvergne, Mondonville en Berton te horen. Laatstgenoemde was de echte onbekende in het programma; ik kan me niet herinneren eerder muziek van hem gehoord te hebben. Francoeur had het programma in vier suites ingedeeld, naar toonsoort. Opvallend was de rol van de koperblazers: met name de vier hoorns. Deze, en de ene trompet, die enkele malen te horen was, weken in klank nogal af van wat we meestal horen. Dat heeft te maken met het feit dat de instrumenten die gebruikt werden, geen vingergaten hebben. Die hadden de instrumenten van die tijd ook niet, maar worden tegenwoordig aangebracht om de intonatie te vergemakkelijken. De Franse trompetist en hoornist Jean-François Madeuf bepleit het spelen van instrumenten zonder gaten. Dat gebeurde hier dus ook. Ze klinken wat minder gepolijst en de intonatie is veel lastiger. Maar ze brengen ook meer kleur in het geheel. Het is mooi dat Kossenko deze nieuwe ontwikkeling integreert in zijn uitvoeringen. Zijn orkest Les Ambassadeurs – La Grande Écurie maakte er een waar feest van, dat door het publiek terecht met ovaties werd beloond. Dit was één van die gebeurtenissen die in de annalen van het festival als een hoogtepunt zal worden bijgeschreven.

Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2022

Festival Oude Muziek Utrecht 2022 – woensdag 31 augustus

Muziek voor een soloinstrument was in de barok relatief zeldzaam, uiteraard afgezien van toets- en tokkelinstrumenten. Harmonie werd als essentieel beschouwd en de basso continuo was het fundament waarop een vocaal of instrumentaal bouwwerk rustte. De meeste muziek voor een melodieinstrument zonder begeleiding was voor de viool bestemd en ontstond in de Duitstalige wereld. In de 18e eeuw werd de traverso ongemeen populair, ook onder amateurs. Of die ook stukken zonder begeleiding speelden, is moeilijk te zeggen. Telemann componeerde zijn fantasieën in elk geval wel in de eerste plaats voor amateurs. Dat zijn heel gevarieerde stukken in de goût réuni, waarvan Telemann een vertegenwoordiger was. Twee van die fantasieën klonken tijdens een concert van Rachel Brown in Hertz. Ze begon haar programma met het bekendste stuk voor fluit solo, de Partita in a van Johann Sebastian Bach, een technisch veeleisend, maar expressief werk. Diezelfde karakteristieken zijn van toepassing op de sonate in dezelfde toonsoort van zijn zoon Carl Philipp Emanuel. Vooral vanwege het empfindsame karakter, stelt dit stuk wellicht nog hogere eisen aan de uitvoerende. De vierde componist in het programma was Johann Joachim Quantz, de fluitleraar van Frederik de Grote. Wellicht heeft hij de capriccio’s en fantasieën, die Rachel Brown speelde, wel als oefenmateriaal gebruikt, want daarvoor zijn ze bedoeld. Dat wil echter niet zeggen dat ze muzikaal oninteressant zijn. Quantz was een betere componist dan zijn tegenwoordige reputatie suggereert. Dat kwam in Rachel Browns uitvoeringen goed uit de verf. Haar speeltechnische vaardigheden en ademtechniek zijn indrukwekkend. Ze gebruikte die voor gediffentieerde en sprekende interpretaties. Het was een heel mooi concert; jammer dat de zaal slechts voor hooguit een derde gevuld was. Ik kom daarop aan het slot terug.

De eerste drie klavierrecitals waren gewijd aan Duits respectievelijk Oostenrijks repertoire. Voor het vierde recital gingen we naar Frankrijk. Louise Acabo speelde een programma met suites van Gaspard Le Roux en Elisabeth Jacquet de La Guerre. De laatste probeerde zich als componiste staande te houden in een door mannen gedomineerde wereld en dat lukte haar vrij goed. Het heeft er in elk geval toe geleid dat haar muziek bepaald niet veronachtzaamd wordt. Bij Le Roux is dat iets anders: bij lang niet iedereen zal een belletje gaan rinkelen als zijn muziek op het programma staat. Een bijzonderheid is dat zijn suites zowel op één als op twee klavecimbels gespeeld kunnen worden. Ze beginnen met een korte prelude, die gevolgd wordt door toen gebruikelijke dansen. Soms zit er ook een karakterstuk in. Een chaconne kan uiteraard ook niet ontbreken. Louise Acabo speelde één suite van Jacquet de La Guerre en drie van Le Roux. Hopelijk leidt dat ertoe dat hij bekender wordt, want dat verdient hij. Acabo speelde vrij ingetogen en dat past wel bij de muziek, die zelden uitbundig is. Terughoudendheid was lange tijd een ideaal in Frankrijk. Maar het concert eindigde met een allesbehalve introvert werk: Le Roux’ Sarabande en douze couplets, dat Glen Wilson eens karakteriseerde als “de briljantste en meest Italiaanse variaties van de hele Franse klavecimbelschool”. Dat kwam in Louise Acabo’s uitvoering volledig tot z’n recht: hier liet ze zich helemaal gaan. Daarmee kreeg een mooi concert een opwindend slot.

Twee instrumenten werden in het Frankrijk van het midden van de 18e eeuw heel populair: de draailier en de musette. Het eerstgenoemde instrument stond afgelopen zaterdag centraal in het concert van Tobie Miller en haar Ensemble Danguy; dat kon ik helaas niet bijwonen. Vandaag was het de beurt aan de musette, die bespeeld werd door Jean-Pierre Van Hees, bijgestaan door leden van de Bach Academie Alden Biesen onder leiding van Luc Ponet. De musette werd geassocieerd met het platteland. Dat werd toentertijd geïdealiseerd als de plaats waar het leven goed was, een soort Arcadia – de ideale (imaginaire) wereld van de hogere kringen in de barok. Verwijzingen naar het platteland kom je in de Franse muziek van die tijd herhaaldelijk tegen, bijvoorbeeld in een term als champêtre. De musette werd ook geïmiteerd door andere instrumenten. Maar het instrument kon ook zelf schitteren in sonates en concerten en figureerde als obligaatinstrument in cantates. Voorbeelden waren in het programma te horen. Twee instrumentale werken waren uit de pen van Nicolas Chédeville, de componist die eigen sonates als werken van Vivaldi aan de man probeerde te brengen. Hij componeerde ook een concerto voor de musette, dat gebaseerd is op Vivaldi’s Vier Jaargetijden. Het programma opende met een cantate van Elisabeth Jacquet de La Guerre, Lisle de Délos. Veel minder bekend is Jean-Baptiste Dupuits (des Bricettes); drie aria’s uit zijn cantate Le Retour de Thémire sloten het programma af. De vocale werken werden gezongen door Deborah Cachet, die de aangekondigde Alice Foccroulle verving. Hoewel ze wat minder vibrato had kunnen gebruiken, waren haar uitvoeringen uitstekend. Ze bracht wat leven in de tent, want als geheel viel dit concert me enigszins tegen. Jean-Pierre Van Hees is ongetwijfeld een uitstekend musettespeler, maar zat op het podium als een kantoorklerk. Hij reageerde nauwelijks op het applaus behalve een zuinig hoofdknikje. Als je een weinig bekend instrument bespeelt, moet je toch echt iets meer doen om het aan de man te brengen. Het ensemble als geheel mag trouwens wel wat aan zijn presentatie doen. De fluitiste en de violist waren zo te zien nog heel jong en aan het begin van hun carrière. Het zijn goede spelers, maar brachten weinig kleur aan. In enkele stukken werd een cello in de basso continuo ingezet en dat was niet zo’n goed idee, want in elk geval op mijn plek in de zaal was die te luid, ten koste van de musette. Dat instrument had meer verdiend dan wat hier te horen was.

Tenslotte was ik in de Dom voor een optreden van het Officium Ensemble onder leiding van Pedro Teixeira. In het programma met polyfonie uit de 16e en vroege 17e eeuw kon ik geen relatie met het festivalthema ontdekken. Dit ensemble was hier voor het eerst in 2015 en keerde een jaar later terug. Het werd met veel enthousiasme ontvangen en dat was er ook nu, na zes jaar afwezigheid. Ook ik was destijds goed te spreken over het ensemble en het is ongetwijfeld een uitstekend koor – want dat mag je een ensemble van zestien stemmen wel noemen. Centraal stond de Missa Cantate Domino van de Portugese componist Duarte Lobo. Het is mooi dat dit ensemble zijn eigen muzikale erfenis ten gehore brengt, want Portugese muziek uit de renaissance is niet zo vaak te horen. Het zou interessant zijn de concerten uit 2015 en 2016 opnieuw te horen. Zou ik dan nog zo positief zijn als toen? Of is het ensemble veranderd? In elk geval was ik nu niet zo heel erg content. Ik noteerde wat scherpe kantjes in de klank, waarvoor vooral de hoge stemmen verantwoordelijk waren. Daarnaast vond ik de uitvoeringen toch wat de rechtlijnig en soms wat star en massief. Een wat meer ontspannen klank zou de uitvoeringen goed gedaan hebben. Vernieuwingen in de interpretatie hoef je van dit ensemble sowieso niet te verwachten. Een dirigent die in polyfonie strak de maat slaat, vind ik toch wat problematisch.

Tot slot: ik kom terug op de bezoekersaantallen. Ik heb nog weinig concerten bezocht die helemaal uitverkocht waren. Het schema in de hal van TivoliVredenburg laat zien dat vooral veel gratis fringeconcerten ‘uitverkocht’ zijn. Die zijn uiteraard gratis, maar dit betekent dat alle beschikbare plaatsen vergeven zijn. In de grote zaal van Vredenburg is soms wel een derde deel leeg. Ik durf wel te voorspellen dat op de laatste dag van het festival zal blijken dat de bezoekersaantallen nog bij lange na niet terug zijn op het niveau van vóór corona.
Wat zijn de oorzaken? Dat zal een nadere analyse moeten uitwijzen. Ik doe een paar suggesties. De stakingen van de NS hebben ongetwijfeld een rol gespeeld. Als je van wat verder weg komt – zeg Zwolle of Den Haag – en geen eigen vervoer hebt, dan wordt het concertbezoek in Utrecht een probleem. Dan corona: die is niet weg. Laten we er geen doekjes om winden: een substantieel deel van het oude-muziekpubliek is op leeftijd (wat op zichzelf al een goed onderwerp voor discussie is) en dus in principe vatbaar voor besmetting. Ik kan me voorstellen dat sommigen het nog te riskant vinden om concerten te bezoeken. Derde factor: de financiële ontwikkelingen in Nederland sinds het begin van dit jaar. Dat zijn: toenemende inflatie en stijgende energieprijzen. Dat moet wel consequenties hebben voor de culturele sector: mensen zullen wellicht om financiële redenen geen of minder concerten bezoeken.
Minder duidelijk maar wel ter overweging: betekent de livestreaming van concerten dat mensen liever op hun luie stoel een concert volgen dan in de zaal? Ik weet het niet, maar het zou kunnen. En het thema: de associatie met de muziek uit de tijd tussen de barok en de klassieke periode kan wellicht een negatieve invloed hebben gehad. Dat repertoire is nog niet zo bekend en spreekt wellicht niet iedereen direct aan.
Vragen genoeg. Voor de antwoorden is het nog te vroeg. Maar dat er wat te discussiëren en te overwegen is, lijkt me duidelijk.

Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2022

Festival Oude Muziek Utrecht 2022 – dinsdag 30 augustus

De dinsdag begon met een concert van één van de artists in residence, Marc Mauillon. Hij wordt meestal een bariton genoemd, maar zijn stem heeft een dusdanige omvang dat hij met gemak tenorpartijen kan zingen. In het repertoire dat hij in Hertz ten gehore bracht, doet die ligging er niet zo toe, want bij de liederen van de troubadours ligt de toonhoogte niet vast. Hij gaf een overzicht van het repertoire van het begin tot het einde van de 12e eeuw. Er klonken liederen van onder andere Girault de Bornelh, Bernart de Ventadorn, Guiraut Riquier en Richard Leeuwenhart. De laatstgenoemde geldt als één van de laatste vertegenwoordigers van het genre. Mauillon heeft de ideale stem voor dit repertoire: licht en wendbaar. Bovendien beschikt hij over een uitstekende dictie en de communicatieve vaardigheden om deze liederen over te dragen. Interessant is het ook om zijn uitvoeringen te vergelijken met die van Anne Azéma, die afgelopen zaterdag vergelijkbaar repertoire uitvoerde. Over de interpretatie is weinig met zekerheid bekend. Terwijl Azéma zich beperkte tot een bescheiden (geïmproviseerde) begeleiding op vedel en harp (door Shira Kammen), werd Mauillon terzijde gestaan door Angélique Mauillon (harp) en Pierre Hamon, die verschillende soorten fluit bespeelde, en daarnaast ook nog doedelzak en trommel. Het instrumentale aandeel was meer dan begeleiding; het diende ook als inleiding en als tussen- of naspelen. Wie dichter bij de waarheid zit zullen we waarschijnlijk nooit weten. Het aardige van een festival als dit is dat twee benaderingen naast elkaar gezet worden en dat alle bezoekers – en dat zullen vaak dezelfden zijn geweest – de kans geboden wordt te vergelijken en daarover ideeën uit te wisselen. Het was in elk geval een heel mooi en onderhoudend concert.

In de Lutherse Kerk stond, tijdens het derde recital met muziek voor toetsinstrumenten, weer Carl Philipp Emanuel Bach centraal. Dit keer klonk zijn muziek op klavecimbel, bespeeld door Jean Rondeau. Op welk instrument de muziek uit het midden van de 18e eeuw gespeeld moet worden, staat niet vast. Het hangt van de voorkeur van de uitvoerende af en ook het karakter van het werk. Niet elk stuk komt op elk instrument even goed tot zijn recht. Voor zover ik weet, speelt Rondeau geen fortepiano, dus lag de keuze voor het klavecimbel voor de hand. Hij begon met drie sonates die hij vrijwel zonder onderbreking speelde. Dat leverde een mooi panorama van de emoties op die Carl Philipp Emanuel in zijn klavierwerken tot uitdrukking brengt en de manier waarop de stemmingen steeds wisselen. Het was zijn overtuiging dat een musicus eerst de emoties zelf gevoeld moet hebben alvorens hij de muziek kan uitvoeren. Bij Rondeau leek me dat het geval. Hij verzonk als het ware in de muziek en leek zich van de aanwezigheid van een luisterend publiek nauwelijks bewust. Dat leidde tot heel intense en doordringende uitvoeringen, met als hoogtepunten de langzame delen, die een heel expressieve uitvoering kregen. Na een kort werk van Wilhelm Friedemann Bach, dat qua expressie niet onderdeed voor de sonates van zijn broer, klonk nog een relatief ontspannen sonate van Carl Philipp Emanuel, één van de zogenaamde ‘Preußische Sonaten’.

Een festival zonder pech is nauwelijks mogelijk. Afgezien van de stakingen bij de NS, die wellicht de bezoekersaantallen negatief beïnvloeden, was er Anne Azéma, die in haar tweede concert niet kon zingen, omdat ze haar stem kwijt was. Dat moest Xavier Vandamme uitleggen aan het toegestroomde publiek dat een concert verwachtte met muziek van trouvères, gegroepeerd rond de Roman de la Rose, met namen als Thibaut de Champagne, Jehan de Lescurel en Gauthier d’Espinal. Besloten was alle stukken instrumentaal uit te voeren, afgewisseld door teksten uit dat lange gedicht, voorgedragen door Anne Azéma. Dat lukte haar gelukkig wel, en het resultaat stelde geenszins teleur. Instrumentale muziek uit de middeleeuwen klinkt meestal hooguit als afwisseling van vocale stukken. Nu stonden de instrumenten uit die tijd – draailier, harp, vedel, rebe, gittern en verschillende soorten fluiten – in het middelpunt en dat was heel interessant. Bovendien werden die instrumenten vaardig en eloquent bespeeld door Shira Kammen, Susanne Ansorg en Mara Winter. Het leverde een boeiend concert op dat bij het publiek veel enthousiasme opwekte. Zo kwam uit een kleine ramp toch iets moois te voorschijn.

Ik ben een groot fan van het ensemble Música Temprana. Je kunt eigenlijk blindelings kaarten voor zijn concerten reserveren, zonder te weten welk repertoire ten gehore zal worden gebracht. Die programma’s zijn altijd interessant en de zangers en instrumentalisten van het ensemble, onder leiding van Adrián Rodríguez Van der Spoel, zijn altijd uitstekend. Dat was ook nu het geval, tijdens een concert in de Jacobikerk, dat was gewijd aan een Spaans liedboek dat tussen 1480 en 1520 is ontstaan en als Cancionero de Palacio bekend is. De naam wijst er al op dat de liederen in kringen rond het hof zijn ontstaan. Uit de meer dan 400 liederen had Rodríguez Van der Spoel een aantal uitgekozen waarvan de teksten vertrouwelijke gesprekken van vrouwen bevatten. In het programmaboek schrijft hij: “U kunt zich voorstellen dat de gesprekken plaats vonden op een plekje waar mannen (…) geen toegang hadden, zoals de keuken”. Daarom zaten in een aantal stukken de zangeressen die deze vrouwelijke personages belichaamden – de sopraan Olalla Alemán en de mezzosopraan Luciana Cueto – op een keukenstoel voor op het podium. Daarmee zijn tegelijk twee van de dragende krachten van het ensemble genoemd: twee zangeressen met prachtige stemmen die de liederen met veel expressie voordroegen en op die manier de emotie in deze liederen aan het talrijke gehoor wisten over te dragen. In een aantal stukken kwamen nog andere zangers aan het woord: Romain Bockler (bas), Jan Van Elsacker en Rodríguez Van der Spoel zelf (beide tenor). In de ensembles sloten de stemmen en de instrumenten naadloos op elkaar aan. In dit concert klopte echt alles: prachtige muziek op excellente en expressieve wijze voorgedragen. Ik kijk al weer uit naar volgende concerten van Música Temprana.

Het is in Nederland – in tegenstelling tot andere landen – niet de gewoonte passiemuziek uit te voeren buiten de passietijd. Toen een aantal jaren geleden René Jacobs Bachs Matthäus-Passion uitvoerde, vond de festivalleiding het nodig dit uit te leggen. Nu voelde men die noodzaak kennelijk niet, toen een passiepasticcio geprogrammeerd werd, uitgevoerd door de Nederlandse Bachvereniging onder leiding van Shunske Sato. Wer ist der, so von Edom kömmt bestaat hoofdzakelijk uit muziek van Carl Heinrich Graun, aangevuld met stukken van Telemann en Bach. Er zijn nogal wat vragen waarop vooralsnog geen antwoord is gevonden. Wie stelde deze pasticcio samen? Was dat wellicht Bach? En is hij inderdaad – zoals vermoed wordt – de componist van de arioso ‘So heb ich denn mein Auge sehnlich auf’, dat in geen enkel ander werk voorkomt? Hoe dan ook, het is een indrukwekkend werk dat het verdient vaker te worden uitgevoerd. Deze uitvoering in het festival kan hopelijk tot grotere bekendheid bijdragen. Overigens vraag ik me af of het werk compleet werd uitgevoerd. Het geheel duurde ongeveer 80 minuten, maar de twee CD-opnamen van dit werk nemen beide bijna twee uur in beslag. Ik kan op dit moment niet checken of er iets is weggelaten en zo ja, wat. De uitvoering was over het geheel zeer overtuigend. Opnieuw was ik onder de indruk van de alto Reginald Mobley – voor mij één van de ontdekkingen van dit festival. Hij glansde in zijn aria en in een duet met Kristen Witmer, die me hier meer overtuigde dan eerder in Carl Philipp Emanuel Bachs Magnificat. Felix Schwandtke en Marcel Beekman leverden prima prestaties, al was de laatste niet altijd heel erg subtiel. Ik was zeer te spreken over de manier waarop Sato het geheel vorm gaf en vooral de uitvoering van de koralen, vaak een zwak punt in uitvoeringen van Duitse sacrale muziek. Ik moet nog wel even op een fout in het programmaboek wijzen. Daar staat in dat de twee eerste delen van het werk – een koor en een koraal – uit Telemanns cantate Wer ist der, so von Sodom kömmt stammen. Een nogal pijnlijke en gênante vergissing. Maar ik vrees dat er nogal wat mensen zijn die dat niet eens door hebben…

Gepost door: Johan van Veen | 30 augustus 2022

Festival Oude Muziek Utrecht 2022 – maandag 29 augustus

Vandaag een wat rustiger dag dan zaterdag. Mijn eerste concert was het tweede recital in de klavierserie. In de Lutherse Kerk speelde Anders Muskens een programma met muziek van de zonen van Johann Sebastian Bach. Hij gebruikte daarvoor niet een klavecimbel of fortepiano, maar een tangentenvleugel, en dat was een interessante ervaring, omdat dit instrument vrijwel uitsluitend op CD te horen is en zelden in concerten wordt bespeeld. Muskens begon met de Fantasie in e van Wilhelm Friedemann, die in zijn oeuvre barokke en tijdeigen elementen vermengt. In dit geval ging het om een laat werk, wat het gebruik van de tangentenvleugel (Schmahl, 1790) rechtvaardigt. Het stuk heeft sterk improviatorische trekken en bevat enkele passages die naar het recitatief verwijzen. Het is een spannend stuk en dat kwam in Muskens’ interpretatie goed tot z’n recht. Dit werk werd gevolgd door twee sonates uit verschillende verzamelingen klavierstukken die Carl Philipp Emanuel publiceere “für Kenner und Liebhaber” – voor professionele musici en voor amateurs. Hij had twee sonates geselecteerd waarin langzame of gematigde tempi domineren. De gevoeligheid – hèt kenmerk van muziek in de ‘empfindsame’ stijl – kwam hier optimaal naar voren door een gedifferentieerde tempokeuze en een optimaal gebruik van de dynamische mogelijkheden van de tangentenvleugel. Heel anders klonk het afsluitende werk: de vijfde sonate uit het Opus 17 van Johann Christian Bach, dat veel meer de galante stijl vertegenwoordigt, maar ook al vooruitwijst naar de klassieke periode. Typerend is dat het werk slechts twee delen heeft, beide in een snel tempo, maar toch verschillend. Dat kwam in Muskens’ uitvoering perfect tot uitdrukking. Je zou je kunnen afvragen of de tangentenvleugel voor de ‘Londense Bach’ het geschikte instrument is, aangezien de tangentenvleugel vrijwel uitsluitend in Duitsland werd gebruikt. Muzikaal was het echter volledig overtuigend. Kortom, een mooi recital met boeiende muziek en uitstekende interpretaties.

Een dag op het festival is een soort tijdreis. Na dit concert werd ik naar de 15e eeuw teruggeschoten door het Ensemble Leones in de Pieterskerk. In het programma stonden twee componisten centraal die aan het Bourgondische hof collega’s waren en ook persoonlijk bevriend waren: Guillaume Dufay en Gilles Binchois. Marc Lewon, de leider van het ensemble, had een programma samengesteld waarin het contrafact centraal stond. Daarmee wordt een muziekstuk aangeduid waarvan de oorspronkelijke tekst door een andere is vervangen. Sommige chansons en liederen waren zo populair dat ze vaak werden bewerkt. Naast meerstemmige zettingen werden soms ook de teksten vervangen. Daarbij kwam soms de ene wereldlijke tekst in de plaats van een andere. Er waren twee voorbeelden te horen van Oswald von Wolkenstein: één gebaseerd op Binchois’ Je loe amours, een ander op diens Triste plaisir. Een wereldlijke tekst kon ook door een sacrale tekst worden vervangen. Het programma opende met het anonieme Ave dulce tu frumentum, dat ook weer gebaseerd is op Binchois’ Je loe amours. Later klonk het eveneens anonieme O incomparabilis virgo, naar Dufay’s Or me veult. Instrumentale bewerkingen, onder andere uit het Buxheimer Orgelbuch, werden als luitduetten gespeeld door Lewon en Rui Stähelin. Lewon heeft altijd de beschikking over uitstekende zangers. Sabine Lutzenberger is een oudgediende, maar nog uitstekend bij stem. Jacob Lawrence maakte bij vorige festivals al een heel goede indruk; sindsdien is hij alleen maar gegroeid, zoals in dit concert te horen was. Nieuw voor mij was de sopraan Tessa Roos, die een werkelijk prachtige stem heeft. Een naam om in de gaten te houden. Individueel en samen leverden ze indrukwekkende prestaties. Zowel in de meer serieuze als in de wat frivole stukken wisten ze de kern te raken. Dit concert was voor mij één van de hoogtepunten van dit festival tot nu toe.

In het concert in de grote zaal van TivoliVredenburg stonden drie werken centraal. Jordi Savall, die zijn orkest Le Concert des Nations dirigeerde, had stukken uitgekozen die hij als ‘toonschilderingen’ betitelde. Alledaagse verschijnselen, zoals de seizoenen, een storm, een oorlog, maar ook dieren en mensen, zijn door de hele muziekgeschiedenis heen vaak muzikaal uitgebeeld. Vivaldi’s Vier Jaargetijden zijn het bekendste voorbeeld. Het eerste werk op het programma was Jean-Féry Rebel’s Les élémens, dat vooral bekend is geworden door de sterk dissonante akkoorden waarmee het stuk begint en die de chaos vóór de schepping van de wereld uitbeelden. Daarna volgt dan de muzikale schildering van de vier elementen en daarin komen allerlei instrumenten solistisch aan het woord. Het was een fraaie uitvoering, al vond ik de opening wat te tam. Georg Philipp Telemann was ook een enthousiaste toonschilder: in zijn oeuvre zijn nogal wat stukken te vinden, waarin hij buitenmuzikale zaken in klanken probeert te vangen. Dat is hem prima gelukt in de Ouverture in C met de bijnaam Hamburger Ebb’ und Fluth, waarin allerlei mythologische figuren uit de zee worden geportretteerd. Als Savall speelt of dirigeert, wordt het nooit saai. Dat was ook nu zeker niet het geval, maar helaas neemt hij het met historische gegevens niet zo nauw. Hier kwam dat naar voren in het gebruik van slagwerk, dat door Telemann helemaal niet wordt verlangd. In één stuk gebruikte Pedro Estevan zelfs een windmachine. Die werd in de barok in de opera gebruikt, maar is hier helemaal misplaatst; deze ouverture is niet voor het theater bestemd, maar als concertstuk voor uitvoeringen van hofkapellen. Het laatste werk was van Christoph Willbald von Gluck: de balletmuziek Don Juan. Het is een heel beeldend stuk, maar de relatie tussen muziek en het verhaal is wellicht alleen duidelijk voor diegenen die dat verhaal goed kennen. Maar ook zonder die kennis is het een boeiend werk, dat eindigt met het dramatische Les Furies, dat de ondergang van Don Juan uitbeeldt. Hier speelden Savall en het orkest hun hoogste troeven uit: de twee hoorns, de trompet en het slagwerk speelden een belangrijke rol bij het realiseren van de dreiging en het drama.

Zoals Xavier Vandamme bij het openingsconcert al uitlegde gaat het in het festival niet maar alleen om ‘galanterie’ in historische zin: de muziek uit wat bekendstaat als de galante periode. Het gaat meer in het algemeen om omgangsvormen en om de manier waarop mensen zich privé en in het openbare leven (moeten) gedragen. Een bekend voorbeeld is het traktaat Il Libro del Cortegiano (Het boek van de hoveling) van Baldassare Castiglione (1478-1529), waarin hij de vereisten, attitudes en omgangsvormen van de hoveling beschrijft. Hoe ga je dat muzikaal illustreren? Paul Van Nevel stelde Castiglione zelf in het middelpunt: met zijn Huelgas Ensemble belichtte hij de verschillende fases in zijn leven aan de hand van de plaatsen waar hij werkzaam is geweest. Achtereenvolgens waren dat Milaan, Mantua, Urbino, Rome en Toledo. Naast anonieme stukken klonken werken van onder andere Loyset Compère, Bartolomeo Tromboncino en Gaspar van Weerbeke. Het programma eindigde in Toledo, met het Agnus Dei uit de Missa Ave Maria van Francisco de Peñaloso. Daarin kwam het hele ensemble in actie: zangers en instrumentalisten. Dat laatste aspect was één van de verrassingen van dit concert: het Huelgas Ensemble zingt vrijwel altijd a capella, zowel in sacrale als in wereldlijke muziek. Hier werden blokfluiten in verschillende liggingen bespeeld, alsmede een kromhoorn en een viola da gamba. In één werk, een lauda (een spiritueel niet-liturgisch gezang), kwam zelfs een grote trom tot klinken. Daarnaast werden enkele stukken uitgevoerd in een combinatie van één of enkele zangstemmen en instrumenten. Dat paste wel bij het ‘populaire’ karakter van sommige stukken. Dit programma was nogal anders dan we van dit ensemble gewend zijn: men liet zich als het ware van een andere kant zien. Maar ook hierin wisten Van Nevel en zijn zangers en spelers volledig te overtuigen. Een volle Domkerk beloonde hen terecht met een langdurig applaus.

Gepost door: Johan van Veen | 29 augustus 2022

Festival Oude Muziek Utrecht 2022 – zaterdag 27 augustus

Eén van de aardige dingen van het festival is dat er altijd wel componisten en composities voorbij komen die nauwelijks of niet bekend zijn. De eerste zaterdag leverde weer verschillende voorbeelden op. Het begon om 11 uur in Hertz, waar het ensemble Nevermind een programma met Franse muziek uit het midden van de 18e eeuw speelde. Anna Besson (traverso), Louis Creac’h (viool), Robin Pharo (viola da gamba) en Jean Rondeau (klavecimbel) hebben zich sinds enkele jaren samen tot één van de beste kamermuziekformaties ontwikkeld. Ze schuwen het standaardrepertoire (Bach, Telemann) niet, maar zetten ook graag hun tanden in muziek die weinig gangbaar is. Jean-Baptiste Quentin en Louis-Gabriel Guillemain waren twee van de beste violisten van hun tijd en collega’s van Leclair. Hun kamermuziek beantwoordt zeker aan het ideaal van de tijd, zoals uitgedrukt in de titel van het concert: ‘Conversations galantes’. Maar die galanterie verhindert niet dat sommige stukken technisch veeleisend zijn, zoals de vioolpartij in Guillemain’s Sonate III uit zijn Premier livre de sonates en quatuors van 1743. Ook de andere werken behoren tot het toen populaire genre van het kwartet. Dat betekent dat alle vier de partijen in principe op gelijke voet behandeld worden. Er was geen gebrek aan virtuositeit in het spel van Nevermind, maar mij troffen vooral de langzame delen die expressief en met grote intensiteit en subtiliteit werden uitgevoerd. Daarmee werd ook het vooroordeel ontkracht dat galante muziek per definitie oppervlakkig is en het ene oor in en het andere uit gaat.

Een vast onderdeel van het festival is een serie recitals op toetsinstrumenten, altijd in de Lutherse Kerk, een akoestisch perfecte locatie. De serie werd geopend door Mitzi Meyerson, en ook zij bracht muziek van een componist ten gehore, van wie weinig mensen gehoord zullen hebben. De in Bohemen geboren Joseph Anton Steffan was in zijn tijd een gevierd klaviervirtuoos, die vooral in Wenen werkzaam was, waar hij de leraar werd van de latere Franse koningin Marie Antoinette. Tegenwoordig is hij vrijwel vergeten, maar de laatste jaren zijn enkele CD-opnamen van zijn oeuvre verschenen. Daartoe behoort ook een CD die Mitzi Meyerson aan hem wijdde; uit het programma van die CD speelde ze drie voorbeelden. Het zijn heel eigenaardige werken, die ongewoon zijn voor de tijd en allerlei theatrale en verhalende elementen bevatten. Sommige stukken of passages zijn ronduit bizar. Meyerson wees in haar toelichting in het programmaboek op de dynamische aanwijzingen, die suggereren dat Steffan zijn sonates voor de fortepiano heeft gedacht. Zij bespeelde een klavecimbel en het is de uitdaging de dynamische contrasten daarop zo goed mogelijk te realiseren door manuaal- en registerwisselingen en voordrachtsmogelijkheden die een klavecinist ten dienste staan. Dat lukte goed en mede daardoor werd dit een recital dat de luisteraar ervan overtuigde dat Steffans muziek de hernieuwde aandacht meer dan waard is. Meyersons uitvoeringen waren excellent, en het was leuk te zien hoe haar gezichtsuitdrukkingen het karakter van de muziek weerspiegelden.

Het contrast met het volgende concert kon nauwelijks groter zijn. In Cloud Nine in TivoliVredenburg brachten Anne Azéma (zang en draailier) en Shira Kammen (vedel en harp) een programma met muziek van troubadours. Dan bevinden we ons in het Frankrijk van de 12e en 13e eeuw. Het programma had als titel ‘Liefde op een voetstuk’ en daarin lag de verbinding met het festivalthema, want galanterie heeft alles te maken met de hoofse liefde, die in dit repertoire centraal staat. Het programma opende en sloot met Martin Codax, en daar tussenin klonken liederen van onder andere Giraut de Bornelh, Bernart de Ventadorn en Aimeric de Peguilhan. De beide musici zijn specialisten in dit repertoire en dat is te horen in de vanzelfsprekendheid waarmee het ten gehore wordt gebracht. De voordracht is heel communicatief, maar zonder opsmuk en tierelantijntjes die de aandacht van de muziek aftrekken. Helaas was er geen boventiteling, wat het voor het publiek in de vrijwel geheel verduisterde zaal onmogelijk maakte de teksten te begrijpen. Slechts een relatief klein deel van de teksten is met muziek overgeleverd. Daarom kan een aantal daarvan slechts tot klinken komen door andere melodieën te gebruiken; dan spreken we over contrafacten. Een ander probleem is dat troubadours waarschijnlijk zichzelf begeleidden, maar daarvan niets schriftelijk bewaard gebleven is. Dan moet de begeleider dus improviseren en Shira Kammen deed dat met verve. Wie denkt dat er in de middeleeuwen geen sprake was van virtuositeit, heeft Shira Kammen nooit gehoord. Het is een groot kunstenares; haar improvisaties zijn technisch indrukwekkend, maar sluiten ook nauw bij de vocale partijen aan. De laatste werden door Azéma eloquent voorgedragen. Ondanks de afwezigheid van vertalingen van de gezongen teksten was dit toch een heel boeiend recital.

In elk festival zijn er wel concerten waarbij de relatie met het festivalthema niet direct duidelijk is. Dat was bijvoorbeeld het geval met het concert van Stile Antico in de Jacobikerk. Het programma was gewijd aan muziek van vrouwelijke componisten en van mannen die voor vrouwen componeerden. Een voorbeeld van dat laatste was het madrigaal All creatures now are merry minded van John Bennet. Het maakte deel uit van een bundel madrigalen opgedragen aan Elizabeth I, ‘The Triumphs of Oriana’. Oriana was de bijnaam van Elizabeth, en elk gedicht eindigt met de woorden “Long live fair Oriana!”. Het interessantst waren de stukken van componistes uit de 16e en vroege 17e eeuw, allemaal uit Italië en allemaal nonnen, die hun sacrale werken in de eerste plaats voor gebruik in het eigen klooster schreven. Ze zijn (nog) grotendeels onbekend: Raffaella Aleotti is de bekendste, maar van Leonora d’Este, Sulpitia Cesis en Maddalena Casulana zullen maar weinig mensen gehoord hebben. Wellicht brengt een programma als dit, dat het ensemble ook elders uitvoerde, daar verandering in. Er werden niet alleen motetten uitgevoerd, maar ook madrigalen. Dat is repertoire dat je niet direct van Stile Antico verwacht. Terecht werden deze werken met één zanger per stem uitgevoerd. Maar de akoestiek van de Jacobikerk is voor dit repertoire niet echt geschikt. De snelle loopjes waarmee bepaalde tekstpassages worden geïllustreerd, kwamen niet optimaal tot hun recht; daarvoor is een intiemere ruimte nodig. De sacrale werken kwamen dan ook beter uit de verf. Het omvangrijke motet Gaude, gaude, gaude Maria van John Sheppard was wat mij betreft het hoogtepunt van het concert; dat is de core business van het ensemble en de Jacobikerk is daarvoor de perfecte ruimte. Het concert sloot af met een hedendaags werk, gecomponeerd voor dit programma door Joanna Marsh. Avantgardistisch is het niet bepaald; deels wortelt het in het idioom van de renaissance. Het is een parodiestuk en je kunt het aan Britten overlaten om daar iets van te maken. Met alle respect voor de componiste en de uitvoerenden: ik hoef het geen tweede keer te horen.

De Vrienden van het festival zijn één van zijn belangrijkste steunpilaren. Door hun financiële bijdragen en hun aanwezigheid bij concerten en andere activiteiten dragen ze ertoe bij dat de oude muziek in Nederland in bedrijf blijft. Het festival beloont hen door een Vriendenconcert, waartoe zij met voorrang toegang hebben (hoewel ook niet-Vrienden welkom zijn). Er was dit jaar kennelijk geen heel grote aandrang, want ongeveer een derde van de grote zaal in TivoliVredenburg was leeg. Dat heeft wellicht daarmee te maken dat in dit concert heel oude muziek klonk: uit de 12e, 13e en 14e eeuw. Voor sommigen is dit echt oude muziek; anderen geven de voorkeur aan later repertoire. Voor dit concert was het Sollazzo Ensemble onder leiding van Anna Danilevskaia uitgenodigd. Dat is te begrijpen: het is één van de interessantste ensembles voor middeleeuwse muziek en heeft de laatste jaren indruk gemaakt met concerten en CD-opnames. Maar: kun je deze muziek in de grote zaal van TivoliVredenburg op een overtuigende manier ten gehore brengen? Het programma, met sacrale en wereldlijke muziek van onder andere Matteo da Perugia, Johannes Ciconia en Francesco Landini, werd op een licht geënsceneerde wijze gepresenteerd. Spiegels speelden daarin een centrale rol, kennelijk als uitdrukking van wat het uitgangspunt van het programma was: is de mens van nu echt zo anders dan die van toen? Of zien we, als we middeleeuwse muziek beluisteren, onszelf in een spiegel? Dat is mijn interpretatie; of die klopt en of de zin van de enscenering is overgekomen, weet ik niet. Erg doorzichtig was het niet. Het ensemble bevestigde zijn reputatie: er werd uitstekend gezongen en gespeeld en het concert werd terecht met groot applaus beloond. Maar het riep ook vragen op. Soms werd een stuk op een manier voorgedragen die me eerder modern dan middeleeuws leek. Acht zangers in middeleeuwse muziek: is dat niet wat veel? Misschien niet in de sacrale werken (hoewel ik daar bepaald niet zeker van ben), maar in de wereldlijke stukken lijkt me dat echt teveel. En dan werd instrumentale muziek vaak gespeeld in een combinatie van blaas-, strijk- en tokkelinstrumenten, wat me uit historisch oogpunt nogal discutabel lijkt. Ik hoor het Sollazzo Ensemble toch liever in een wat intiemere setting en in een kleinere bezetting.

Onbekend repertoire kwam ook tot klinken in het laatste concert van de dag. Cellosonates uit de 18e eeuw: dan denkt iedereen direct aan Vivaldi of aan Geminiani, en deze of gene noemt wellicht ook nog Platti. Maar dan hebben we het wel gehad. Octavie Dostaler-Lalonde, Victor García García en Artem Belogurov speelden vier sonates; alleen de Sonate in A van Johann Christoph Friedrich Bach geniet enige bekendheid. De drie overige werken, van Franz Benda, Christoph Schaffrath en Anton Fils, behoren bepaald niet tot het standaardrepertoire. Met Benda en Schaffrath zijn we aan het hof van Frederik de Grote, terwijl Fils in Mannheim werkzaam was. De laatste componeerde een set sonates voor cello en basso continuo, die als zijn opus 5 werd uitgegeven. Daaruit klonk de eerste sonate, die opviel door het gebruik van de hoge registers. Dat werd mede mogelijk gemaakt door het instrument dat Octavie Dostaler-Lalonde bespeelde: een cello van Johann Michael Alban, die kleiner is dan de ‘gewone’ barokcello; het verschil werd direct visueel duidelijk door vergelijking met de cello die Victor García García in het continuo speelde. Het instrument is lichter van klank en hoger gestemd. Volgens de musici past dit instrument bij een groot deel van het repertoire dat in het midden van de 18e eeuw in Duitsland voor de cello werd gecomponeerd. Helaas horen we daarvan heel weinig en daarom was dit concert zo interessant, nog afgezien van het instrument dat Octavie Dostaler-Lalonde met zoveel enthousiasme en technische vaardigheid bespeelde. Soms hoor je op het festival musici die je niet eerder hebt gehoord en die indruk maken. Dat was hier het geval; dit zijn drie mensen die men in het oog moet houden. Daar kunnen we nog mooie dingen van verwachten.

Gepost door: Johan van Veen | 27 augustus 2022

Festival Oude Muziek Utrecht 2022 – vrijdag 26 augustus 2022

Het openingsconcert van het Festival Oude Muziek Utrecht is niet meer wat het ooit was. Het was altijd de aftrap en smaakmaker van wat er te gebeuren stond. Dat laatste is nog steeds het geval, maar het eerste niet meer. De laatste jaren wordt op vrijdagmiddag, voorafgaande aan het officiële openingsconcert, al het één en ander aangeboden. Dit jaar viel de klavierspelers Artem Belogurov en Menno van Delft de eer te beurt, het festival te openen. Ze deden dat met een demonstratie van instrumenten, die in gebruik waren ten tijde van de galante periode, de decennia rond het midden van de 18e eeuw, die de kern van het festivalprogramma vormen. In de Fundatie van Renswoude stonden vijf instrumenten opgesteld. Dat waren twee originele instrumenten: een tangentenpiano van Schmahl uit 1790 en een zogenaamd ‘clavecin royal’, een soort van fortepiano, maar dan met een wat pregnantere klank. Dat waren ook de instrumenten die bij het publiek wellicht het minst bekend zijn. De tangentenpiano is vrijwel uitsluitend op CD te horen en wordt zelden in concerten bespeeld. Het ‘clavecin royal’ is een nogal curieus instrument, dat ook voor opnamen zelden wordt gebruikt. Verder waren er drie kopieën: een klavecimbel naar Gräbner, een fortepiano naar Silbermann (1749) en een clavichord naar Friederici. Dat laatste instrument is ook vrijwel uitsluitend op CD te horen, want in de meeste concertzalen valt het zachte geluid helemaal weg. Van Delft bespeelde het dan ook in een aparte ruimte, waarin de helft van de bezoekers een plaats kon vinden. Voor de andere helft herhaalde hij daarna het programma. Het grootste deel van het recital werd gevuld met stukken voor twee klavieren. Daarin klonken combinaties die relatief ongewoon zijn, maar in die tijd waarschijnlijk bepaald niet ongebruikelijk. Deze instrumenten – met uitzondering van het clavichord – werden naast elkaar gebruikt. Ongewoon was bijvoorbeeld het presto uit Wilhelm Friedemann Bachs Concerto a due cembali, dat meestal op twee klavecimbels wordt gespeeld, maar hier op tangentenpiano en fortepiano, wat een heel ander klankbeeld opleverde. Er waren ook stukken van weinig bekende componisten te horen, zoals Johann Gottfried Müthel, Carl Friedrich Christian Fasch (de zoon van Johann Friedrich) en Johann Abraham Peter Schulz. Dit concert was in goed Nederlands aangekondigd als ‘lecture recital’, wat betekent dat de beide klavierspelers een toelichting gaven op de karakteristieken van de verschillende instrumenten, in relatie met de gespeelde muziek. Van die taak kweten ze zich met verve, afwisselend in het Nederlands en het Engels. Met evenveel enthousiasme stortten ze zich op de muziek en brachten de verschillende instrumenten eloquent tot klinken. De Fundatie van Renswoude was de ideale locatie, zowel qua akoestiek – de toelichtingen waren goed verstaanbaar – als qua architectuur. Dit recital gaf de bezoekers ook de gelegenheid twee van de vertrekken in het gebouw, met prachtige schilderijen en plafondverluchting, te bewonderen. Kortom, een geslaagde onofficiële opening van het festival 2022.

Voor het officiële openingsconcert was de Nederlandse Bachvereniging onder leiding van Shunske Sato verantwoordelijk. Het eeuwfeest van dit ensemble was de reden dat het in dit festival artist in residence is. Natuurlijk verwacht je dan muziek van Bach, maar in dit geval stond niet de Thomaskantor, maar zijn zoon Carl Philipp Emanuel centraal. Beide componeerden een Magnificat, maar de zetting van de oude Bach is veel bekender dan die van zijn zoon. Wie dat laatste werk nooit heeft gehoord, kan het als een schok ervaren, als hij de versie van Johann Sebastian in de oren heeft. Dat laatste werk is opgedeeld in een aantal relatief korte secties, voor solostem(men) of het hele ensemble. Bij CPE is het aantal delen geringer en zijn de aria’s langer, technisch virtuozer en vooral sterk beïnvloed door de opera. De sopraan- en tenoraria’s zitten vol coloraturen. De altaria ‘Suscepit Israel’ daarentegen is een prachtig lyrisch stuk, dat door Reginald Mobley subtiel werd gezongen. Velen zullen hem niet kennen, maar dat zou weleens snel kunnen veranderen, want hij heeft alles om in oude muziek te overtuigen, zoals hier. Marcel Beekman kent hier iedereen, en hij gaf een mooie vertolking van zijn aria. ‘Fecit potentiam’ vereist een krachtige stem en Felix Schwandtke heeft die. Kristen Witmer zong haar aria overtuigend, maar was soms iets te luid. Het vocaal ensemble bestond uit twaalf zangers, inclusief de vier solisten. Dat bleek voldoende om de koorgedeelten effectief tot klinken te brengen. We hoorden de tweede versie van dit werk dat in 1786 door CPE zelf werd uitgevoerd, samen met onder andere het Credo uit de Mis in b van zijn vader. Vijf delen daaruit klonken ook nu. Ook hier was Kristen Witmer iets te luid; in het duet ‘Et in unum Dominum’ overstemde ze Reginald Mobley. Expressief was het Crucifixus, en het contrast met het volgende ‘Et resurrexit’ kwam optimaal tot z’n recht. Tussen de twee vocale werken klonk nog een strijkerssymfonie van Carl Philipp Emanuel, waarin hij zich van zijn meest experimentele kant laat zien. Het stuk kreeg een scherp geprofileerde uitvoering, waarin de strijkers van het ensemble hun kwaliteiten konden demonstreren. Het was een in alle opzichten geslaagde opening van het festival en een echte smaakmaker voor wat ons nog te wachten staat.

Gepost door: Johan van Veen | 20 april 2022

Passiemuziek in 2022

Het Passieseizoen is weer voorbij. In Nederland bestaat zoiets: hier worden de passies van Johann Sebastian Bach buiten dit seizoen niet uitgevoerd. Dat is in het buitenland heel anders: daar kun je midden in de zomer een uitvoering van de Matthäus-Passion bijwonen. Iets vergelijkbaars geldt voor zijn Weihnachtsoratorium. Niettemin was, in elk geval dit jaar, op heel wat zenders passiemuziek te horen, zowel live als in uitvoeringen die eerder waren opgenomen. Een aantal ervan heb ik kunnen beluisteren en ik wil hier wat indrukken geven.

Ik geloof niet dat ik eerder in een paar weken zo vaak een uitvoering van Bachs passies heb gehoord. Op de Zwitserse zender Espace 2 waren ze beide te horen. Stephan MacLeod dirigeerde een uitvoering van de Johannes-Passion; de namen van de solisten, onder wie Alex Potter, lieten een goede uitvoering verwachten. Dat viel een beetje tegen. In het streven zo dramatisch mogelijk te zijn, vergaloppeerde MacLeod zich door te snelle tempi. Julian Prégardien liet in de Evangelistenpartij wat steken vallen. Alexandra Lewandowska is een heel goede zangeres, maar hier werd haar aandeel door teveel vibrato bedorven. Een week later was op dezelfde zender de Matthäus-Passion te beluisteren in een opname van 12 november 2021 (!) onder leiding van Aapo Häkkinen. Daar was ik wel over te spreken. Ik was vooral onder de indruk van de Duitse tenor Benjamin Glaubitz, die de partij van de Evangelist uitstekend vertolkte. Dat is een zanger om in de gaten te houden. In deze uitvoering was vooral mezzosopraan Marie Seidler teleurstellend, wier aria’s onder – opnieuw – een teveel aan vibrato te lijden hadden.

Een andere uitvoering van de Matthäus-Passion was live op de Poolse zender Dwójka te horen. Jan Tomasz Adamus voerde het werk in Krakow uit, met zijn ensemble Capella Cracoviensis. Ik heb het eerste deel uitgezeten en daarna een andere zender opgezocht. De uitvoering was abominabel. In iets meer dan een uur jakkerde Adamus door het eerste deel heen. De koralen kregen soms niet eens de tijd uit te klinken, voordat het klavecimbel voor het volgende recitatief inzette. De solisten werden opgejaagd en daardoor kwamen de aria’s niet uit de verf. De meeste solisten bedienden zich van een belabberde Duitse uitspraak. Het ergste was de Evangelist, in de persoon van Juan Sancho, een volstrekte misbezetting.

Philippe Herreweghe zul je op dat soort escapades niet kunnen betrappen. Hij dirigeerde een uitstekende uitvoering van de Matthäus-Passion in Antwerpen, die door Klara live werd uitgezonden. Ik had hier vooral naar uitgekeken omdat de geweldige tenor Reinoud Van Mechelen de partij van de Evangelist voor z’n rekening zou nemen. In die rol had ik hem nog nooit gehoord, en hij maakte er wat van, waarmee hij weer eens zijn kwaliteiten onderstreepte. Heel fraai waren ook de twee sopranen, Dorothee Mields en Grace Davidson.

Ook in België, maar dan in Brussel, als afsluiting van het jaarlijkse Klara-Festival, werd de Johannes-Passion uitgevoerd door een vocaal ensemble en het Orchestra of the Age of Enlightenment onder leiding van Mark Padmore. Deze trad zelf als Evangelist op en deed dat uitstekend. Zangers uit de Angelsaksische hoek hebben vaak moeite met Duitse muziek, maar Padmore heeft ooit met Herreweghe gezongen en diens invloed is duidelijk te horen, bijvoorbeeld in de manier waarop met de tekst wordt omgegaan. De recitatieven waren wel wat te traag en vooral ritmisch niet vrij genoeg. De leden van het kleine vocale ensemble zongen ook de solopartijen. Heel goed was vooral Paula Murrihy in ‘Es ist vollbracht’. Raoul Steffani gaf een mooie interpretatie van de partij van Jezus. De koren waren niet helemaal bevredigend, doordat daarin individuele stemmen te duidelijk naar voren kwamen.

Weer een Matthäus-Passion, nu van de Nederlandse Bachvereniging, voor de eerste keer onder leiding van Shunske Sato. Daar was ik erg nieuwsgierig naar, ook al omdat ik de laatste jaren wat ongemak voelde bij enkele door hem geleide uitvoeringen. Over de uitvoering van Grauns Der Tod Jesu in de Zaterdagmatinee was ik niet zo te spreken (daarover zo meteen) en de Brockes-Passion van Reinhard Keiser, vorig jaar in de Matinee, werd door een blatende en hevig wapperende Evangelist (Eric Stoklossa) nogal bedorven. In de lijst van solisten zag ik enkele namen die me enigszins ongerust maakten. Maar daarvoor was geen reden. Elk van de zangers leverde een heel goede prestatie. Daniel Johannsen had ik nog nooit als Evangelist gehoord; deze partij paste hem als een handschoen. Ook hier was het tempo soms te traag en ontbrak het aan ritmische vrijheid. Dominik Wörner was, zoals te verwachten, bijzonder goed in de partij van Jezus. Sato had speciaal aandacht gevraagd voor de ‘rollende r’ in de tekst. Dat was in Bachs tijd, volgens hem, gebruikelijk. Ik ben wel benieuwd naar de bronnen, maar wil er ook even op wijzen dat deze manier om de r uit te spreken ook nu nog gebruikelijk is, vooral in het zuiden van Duitsland. Zo bijzonder is dat dus niet. Soms klonk het een beetje overdreven en onnatuurlijk. Als geheel was het een indrukwekkende uitvoering, één van de beste die de Nederlandse Bachvereniging de laatste jaren heeft verzorgd.

Terugkomend op Der Tod Jesu van Carl Heinrich Graun: dit was het meest populaire werk voor de Passietijd in Duitsland totdat Bachs Matthäus-Passion het in de loop van de 19e eeuw verdrong. Inhoudelijk is er een duidelijk verschil met Bachs passies. Vooral in de aria’s komt ook een verschil in stijl naar voren; Grauns aria’s zouden in een opera niet misstaan. De Nederlandse Bachvereniging voerde het werk in de Matinee uit onder leiding van Sato. Helaas keerde hij niet naar de originele bezetting met twee sopranen, tenor en bas terug, maar sloot hij zich aan bij een later ingesleten gewoonte, de aria’s voor de tweede sopraan door de tenor te laten zingen. De sopraanpartij werd door Rachel Redmond gezongen en dat was nogal problematisch door haar gewoonte flink veel vibrato te gebruiken. Ik kan daar niet tegen en het is stilistisch ook niet te verdedigen. Marcel Beekman en Matthias Winckhler gaven heel goede interpretaties van hun aria’s. Deze uitvoering was onderdeel van het loffelijke streven ook andere passies dan die van Bach aan bod te laten komen.

Wellicht kan de Bachvereniging zich dan eens wijden aan een ander werk van Keiser, Der blutige und sterbende Jesu, dat oorspronkelijk in 1705 werd gecomponeerd maar alleen beschikbaar is in een gereviseerde versie uit 1729. Op WDR3 werd een uitvoering van het oude-muziekfestival in Herne van 2017 uitgezonden; de dirigent, Bernhard Klapprott, heeft het werk daarna ook op CD gezet (recensie), maar in een iets andere solistische bezetting. De live-uitvoering was wellicht nog net iets beter. Het is een geweldig werk, dat eens te meer doet beseffen dat het heel tragisch is dat zoveel muziek van Keiser verloren is gegaan. Alle solisten waren in excellente vorm, onder andere Marie Luise Werneburg, die dit jaar ook in de Matthäus-Passion van de Bachvereniging te horen was, en de al eerder genoemde Benjamin Glaubitz.

Op Klara was een uitvoering te horen van Alessandro Scarlatti’s Passio secundum Joannem, een niet zo heel bekend werk en opvallend ook, omdat het genre van de passie – waarin de bijbeltekst centraal staat – in Italië niet wijd verbreid was. Wellicht liggen er nog passies in de archieven op ontdekking te wachten. Scarlatti bedient zich hier vooral van de stile antico; aria’s zijn er niet. In de uitvoering die op Klara te horen was, onder leiding van Andreas Küppers, met onder andere het B’Rock Orchestra, werd het werk voorafgegaan door een stuk van Louis Andriessen (Miserere) en gevolgd door Arvo Pärts Da pacem Domine. Het geheel werd uitgevoerd in een theatrale setting, met het Muziektheater Transparant. Ik heb het uiteraard niet gezien, maar ik zou dit ook niet hebben willen zien. Scarlatti’s werk leent zich niet voor een theatrale uitvoering. Er werd heel goed gezongen, maar de uitvoering was inderdaad te theatraal en daarin miste men het wezen van het stuk.

Wat was er verder nog? Opmerkelijk was een serie met eerder opgenomen concerten met Leçons de Ténèbres en andere passiemuziek op France Musique, een zender die soms de passietijd vrijwel negeert. Ik heb ze nog niet gehoord; de geïnteresseerde kan de programma’s nog terughoren. Op verschillende zenders was een uitvoering van Buxtehudes Membra Jesu nostri te horen, door vocale solisten en het ensemble Tourbillon onder leiding van Damien Guillon. Het was uitstekende uitvoering, die hopelijk ook op CD zal verschijnen. Klara heeft deze uitvoering op Stille Zaterdag uitgezonden en ook deze is nog te beluisteren.

Older Posts »

Categorieën