Gepost door: Johan van Veen | 4 oktober 2018

Een Duitser in Parijs

De vier ouvertures of orkestsuites van Johann Sebastian Bach behoren tot zijn meest geliefde instrumentale composities. Ze worden vaak gespeeld en regelmatig op CD gezet. Het genre van de orkestsuite was in Bachs tijd heel populair. Zulke suites waren geïnspireerd door de instrumentale delen uit de opera’s van Jean-Baptiste Lully, die in Frankrijk door Lodewijk XIV was ingehuurd om een puur Franse stijl in de opera te ontwikkelen. Het ballet was een belangrijk onderdeel van zijn opera’s en de balletmuziek werd ook separaat, los van de dramatische context, uitgevoerd. Door heel Europa waren monarchen en aristocraten gefascineerd door deze vorm, een uiting van de pracht en praal, die het regime van de Zonnekoning kenmerkte. Zoiets wilden ze ook wel en dus probeerden ze de Franse stijl te imiteren. Ze stuurden hun kapelmeesters er op uit om zich die eigen te maken. Eén daarvan was Johann Sigismund Kusser, van wie zes suites zijn opgenomen door Musica Aeterna Bratislava en Les Menus Plaisirs.

Over zijn muzikale opleiding weten we niet veel. Zelfs zijn jaren in Parijs zijn niet gedocumenteerd, maar wie zijn orkestsuites beluistert, kan niet geloven dat hij niet ter plaatse is geweest om met eigen oren te horen wat Lully tot stand bracht. Reinhard Goebel, oprichter en leider van het voormalige ensemble Musica antiqua Köln, zei ooit eens dat een Fransman de orkestsuites van Bach en Telemann waarschijnlijk niet of nauwelijks als Frans zou hebben herkend. Dat is het gevolg van het feit dat die het produkt zijn van de ‘gemengde smaak’ – de vermenging van Italiaanse, Franse en Duitse stijlelementen – die het ideaal van hun tijd was. In één van de bekendste orkestsuites van Telemann komt bijvoorbeeld een air à l’italienne voor. Ook in andere suites zitten solopassages. Dat is in de suites van Lully ondenkbaar en je vindt ze dan ook niet in de ouvertures van Kusser. Hier zit geen woord Italiaans bij. Dit is puur Franse muziek.

Kusser gaat zelfs zover dat hij de partituur opdeelt in vijf verschillende stemmen in de Franse stijl: dessus, haute-contre, taille, quinte en basse. Dat is een belangrijk verschil met de orkestsuites van Bach en Telemann, die schreven voor een orkest dat was geënt op Italiaans voorbeeld. Een ander relevant verschil is de rol van de diverse instrumenten. Bach en Telemann schrijven voor de blazers en de strijkers precies de stemmen voor die ze moeten spelen. In de suites van Kusser worden die niet gespecificeerd. In de opera’s van Lully speelden blazers zeker een rol, maar het is aan de uitvoerende om te bepalen wanneer ze tot klinken komen. In zijn partituur beperkt Kusser zich eveneens tot de aanduiding van de ligging van de partij, maar instrumenten worden niet genoemd. Die komen op verschillende manieren aan het woord. De strijkers zijn de basis van het orkest, maar soms maken die een moment plaats voor blokfluiten of hobo’s. Bij andere gelegenheden voegen die zich bij de strijkers en spelen dan hun partijen mee (colla parte). Dat was een gebruikelijke praktijk in Frankrijk en het lijkt dan ook terecht dat de uitvoerenden deze ook hier toepassen.

Kusser was duidelijk geïnspireerd door Lully. Hij schijnt in karakter ook wel op hem geleken te hebben. Hij was bekend als een nogal lastig heerschap, dat regelmatig ruzie maakte met collega’s en zelfs zijn werkgevers. Als gevolg daarvan moest hij nogal eens verkassen. De componist en theoreticus Johann Mattheson heeft wel wat interessants over Kusser geschreven. Het schijnt dat tijdens repetities en uitvoeringen de musici voor hem beefden. Hij liet ze ook allemaal bij hem thuis komen en zong of speelde dan elke noot voor om te laten horen hoe die moest klinken. Daar maak je geen vrienden mee.

Maar zijn broodheer, de hertog van Württemberg, een groot bewonderaar van de Franse stijl, was ongetwijfeld zeer tevreden met deze Composition de Musique suivant la Methode Francoise, die zijn kapelmeester aan hem opdroeg, met een woord vooraf in het Frans. Niet voor niets wordt Kusser tot de Duitse componisten gerekend die bekend stonden als lullistes, omdat ze helemaal doordrongen waren van de stijl van Lully. Daarvan zijn de orkestsuites van Bach en Telemann nog slechts een slap aftreksel.

Deze opname dateert al van 1993, maar is verschenen op een label dat kennelijk weinig bekendheid genoot. Ze was me in elk geval geheel onbekend. Het is mooi dat deze uitvoering weer beschikbaar is. Ze klinkt uitstekend en Peter Zajicek en zijn collega’s maken er een waar feest van. Dit is muziek waar je vrolijk van wordt. Dat ligt aan de uitstekende muziek van Kusser, maar ook aan de manier waarop die hier gespeeld wordt. Het speelplezier spat ervan af. Dit is een CD om regelmatig te draaien.

Johann Sigismund Kusser (1660-1727): Six French Overtures (Stuttgart, 1682)
Musica Aeterna Bratislava, Les Menus Plaisirs/Peter Zajicek
opname: maart 1993, Moyzes Hall, Bratislava
Christophorus CHR 77429 (76’01”)

Advertenties
Gepost door: Johan van Veen | 13 september 2018

Een Napolitaans oratorium

Volgend jaar zal het Festival Oude Muziek Utrecht gewijd zijn aan Napels. Dat is een goede keuze, want gedurende meerdere eeuwen was deze stad één van de muzikale centra van Italië en zelfs van Europa. Niet alleen vanwege de muziek was Napels beroemd. Er was ook veel te zien. Vandaar de beroemde uitspraak van de Duitse dichter Goethe: “Eerst Napels zien, dan sterven”.

Tegenwoordig is maar een klein deel van de muziek, die in Napels gecomponeerd werd, bekend, ondanks de inspanningen van vooral Antonio Florio. Voor veel muziekliefhebbers is Napels toch vooral de stad van Pergolesi, wiens Stabat mater elk jaar wel ergens wordt uitgevoerd en vele malen op CD is vastgelegd. Sommigen kennen misschien ook de namen van Leonardo Leo, Francesco Mancini en Antonio Porpora, maar dan hebben we het wel zo’n beetje gehad. De naam van Francesco Feo zal weinigen bekend voorkomen. Dat is niet terecht. De Engelse muziekjournalist Charles Burney beschouwde hem als één van de grootste Napolitaanse meesters van zijn tijd. Hij werd geboren in Napels en studeerde aan één van de vele conservatoria die de stad rijk was. Hij begon al snel opera’s te componeren, zoals de meeste van zijn collega’s. Zijn omvangrijke oeuvre omvat dan ook een flink aantal opera’s, maar hij bewoog zich in vrijwel elk genre van zijn tijd. Alleen instrumentale muziek treffen we in zijn productie niet aan. Zoals de meeste operacomponisten schreef Feo ook oratoria. Die verschillen qua stijl overigens nauwelijks van elkaar. Dat is ook het geval met het oratorium dat Fabio Biondi voor Glossa opnam, San Francesco di Sales.

In veel oratoria uit de 17e en 18e eeuw moet de hoofdpersoon kiezen tussen het pad van de deugd en de verleidingen van een werelds leven. Dat is hier niet het geval. Eén van de allegorische figuren uit dit oratorium heet Eresia, Ketterij. Daaruit wordt direct duidelijk dat dit geen werk met een moreel dilemma is, maar een theologisch conflict betreft. Dat heeft alles te maken met de persoon in de titel van het werk. Terwijl van veel in de rooms-katholieke kerk vereerde heiligen niet vaststaat dat ze echt geleefd hebben, is Franciscus van Sales een echt historische figuur. Zijn naam is ontleend aan het kasteel bij Thorens in Frankrijk waar hij in 1567 geboren werd; hij overleed in 1622 in Lyon. Tijdens zijn leven was hij onder andere bisschop van Genève en Annecy, en daarop heeft dit oratorium betrekking. Sinds de Reformatie was Genève in handen van de calvinisten en daarom resideerde de bisschop in Annecy. Franciscus legde zich er op toe het gebied weer in de schoot van de kerk van Rome terug te brengen. Daarmee had hij ook ten dele succes: in de regio Chablais keerde een deel van de calvinistische bevolking terug naar de rooms-katholieke kerk. Ketterij staat dus hier voor het calvinisme. Als rechtgeaard calvinist vind ik daar uiteraard iets van, maar dit is niet de plaats daarover verder uit te weiden. In 1665 werd Franciscus heilig verklaard.

Dit oratorium is niet echt dramatisch; er is nauwelijks sprake van enige handeling. Het is eigenlijk vooral een dispuut tussen twee partijen: aan de ene kant Ketterij, bijgestaan door Bedrog (Inganno), aan de andere kant Franciscus, bijgestaan door een engel (Angelo). Het werk is een aaneenschakeling van recitatieven en aria’s en daarin verschilt het niet van een opera; alleen duetten ontbreken. Het bestaat uit twee delen, beide afgesloten met een kort koor. In het eerste deel wordt het conflict tussen de twee partijen beschreven, in het tweede deel raken Ketterij en Bedrog steeds meer in de verdrukking en tekent de overwinning van Franciscus zich af. De vier rollen zijn netjes over de vier stemsoorten verdeeld: de engel is een sopraan, Franciscus een alt, Ketterij een tenor en Bedrog een bas. In deze opname wordt de rol van Ketterij door een sopraan gezongen. Het CD-boekje gaat op deze mijns inziens ongelukkige beslissing niet in.

Maar dat is niet het enige minpunt van deze opname. De belangrijkste tekortkoming is dat hier niet op historische instrumenten wordt gespeeld. Het Stuttgarter Kammerorchester is een modern ensemble, dat een breed repertoire bestrijkt. Steeds meer ensembles van dit soort laten zich door specialisten in de historische uitvoeringspraktijk scholen en dat is op zichzelf een goede ontwikkeling. Fabio Biondi is een ervaren barokspecialist en de speelwijze van het orkest is duidelijk geënt op de historische uitvoeringspraktijk. Helaas is het spel van vooral de strijkers niet altijd even subtiel. Dat hoeft niet altijd, maar soms vind ik het echt wat te grof. Ik moet daaraan toevoegen dat de akoestiek niet meehelpt; die is te ruimtelijk, waardoor de klank van de instrumenten wordt opgeblazen. Biondi heb ik overigens altijd min of meer als een compromisfiguur beschouwd; zijn vioolspel wijkt nogal af van wat de meeste van zijn collega’s laten horen. Onder een andere leiding was het instrumentale aandeel wellicht beter geweest. Het is te vrezen dat we zo gauw geen andere opname van dit oratorium mogen verwachten. En dat is jammer, want het is een mooi werk, dat terecht uit de archieven is gehaald. Bovendien zijn de prestaties van de zangers over het geheel genomen uitstekend. Veel opnamen van barokoratoria en -opera’s worden verpest door hevig vibrerende zangers, die vaak ook niet in staat zijn de tekst hoorbaar over te brengen en zich te buiten gaan aan extremen in versieringen en cadenzen. Dat is hier niet het geval. Weliswaar is enig vibrato hoorbaar bij Roberta Mameli en Luca Tittoto, maar het blijft binnen de grenzen van wat acceptabel is. Monica Piccinini zingt de sterren van de hemel en ook Delphine Galou interpreteert haar rol heel stijlbewust.

Kortom, dit is een mooie aanwinst voor de discografie van de Napolitaanse muziek van de 18e eeuw, maar niet zonder een paar rafelrandjes.

Francesco Feo (1691-1761): San Francesco di Sales, oratorium in 2 delen (1734)
Monica Piccinini, Roberta Mameli (sopraan), Delphine Galou (alt), Luca Tittoto (bas), Stuttgarter Kammerorchester/Fabio Biondi
opname: april 2017, Stiftskirche, Stuttgart
Glossa GCD 923409 (2 CDs; 2.17’52”)

Gepost door: Johan van Veen | 3 september 2018

Festival Oude Muziek Utrecht 2018 – nabeschouwing

Het festival zit er weer op. Het lijkt veel, tien dagen vol concerten met muziek uit de renaissance en de 18e eeuw, maar het is ook weer zo voorbij. Gelukkig is nogal wat opgenomen en kunnen we op NPO4 en de Concertzender nog het één en ander verwachten. Dat geeft de gelegenheid na te genieten van wat men gehoord heeft of in te halen wat men, door de veelheid aan concerten, heeft moeten missen. Dat is één van de nadelen van het festival: wat de Duitsers zo mooi de Qual der Wahl noemen. Soms wil je op meerdere plaatsen tegelijk zijn, maar dat kan nu eenmaal niet.

Volgens festivaldirecteur Xavier Vandamme is de 15e eeuw, die door het thema ‘Het Bourgondische leven’ een centrale plaats innam, op de kaart gezet. Of hij gelijk heeft, dat het een ‘vergeten periode’ is, weet ik niet, maar ik heb wel allerlei muziek gehoord die ik niet kende. Dat is één van de charmes van het festival: in het algemeen worden de platgetreden paden vermeden en wordt geprobeerd nieuw terrein te verkennen. Ook nieuwe benaderingen van repertoire krijgen alle mogelijkheden zich te manifesteren. Dit jaar kwam dat vooral tot uiting in de rol, die de Belgische musicus en musicoloog Björn Schmelzer speelde: hij werd gebombardeerd tot curator in residence, een première van een rol die tot nu toe onbekend was. De vraag is hoe nieuw die benadering nog is. Hij was met zijn ensemble Graindelavoix al eerder in het festival te gast en inmiddels is zijn uitvoeringswijze op een respectabel aantal CDs vastgelegd. Hij roept controverse op, wat op zichzelf geen probleem is. Maar ik vraag me wel af of het gerechtvaardigd was hem zo’n prominente plaats in het festival toe te kennen. Ik heb één concert bijgewoond en mijn scepsis ten aanzien van zijn interpretatie is alleen maar sterker geworden. Mijns inziens is die vaak gewoon niet goed en de manier van zingen van zijn ensemble, met willekeurige dynamische uithalen en soms nogal rauwe en – zoals de naam van het ensemble al aangeeft – gruizige klanken, vind ik onverdraaglijk. Ik weet nu in elk geval zeker dat ik de CD-opnamen van Graindelavoix niet wil horen.

Paul Van Nevel zorgde met zijn Huelgas Ensemble voor een meesterlijke prestatie door in drie concerten op één middag een overzicht van ‘Bourgondische’ componisten te geven. Ook daarin veel onbekende namen en muziek die het verdient meer dan een enkele maal uitgevoerd te worden. Een paar ensembles op het gebied van de muziek uit de renaissance verdienen het speciaal genoemd te worden. Tasto Solo is een regelmatige gast en dat moet zeker zo blijven, want het is één van de interessantste ensembles op dit terrein. Daar hoort nu het Sollazzo Ensemble naast, want dit leverde in twee concerten topprestaties. Ook dat ensemble mag wat mij betreft regelmatig worden uitgenodigd. Interessant was ook de aan de missen van Josquin gewijde cyclus: verschillende ensembles in verschillende bezettingen, maar elk op zijn manier overtuigend. Daarbij moet ik aantekenen dat ik de Tallis Scholars niet heb gehoord, maar mijns inziens horen die, gezien hun niet aan de historische uitvoeringspraktijk georiënteerde interpretaties, ook niet op het festival thuis. Een bijzondere vermelding verdient Música Temprana, die ons liet kennis maken met de manier waarop in Spanje met Josquins muziek werd omgegaan.

De liefhebbers van latere muziek kwamen met Couperin en Rameau aan hun trekken. De laatstgenoemde paste, als geboren in het Bourgondische Dijon, binnen het thema van het festival. Uitschieters waren de uitvoering van zijn motetten door Vox Luminis en van zijn laatste opera, Les Boréades. In het laatste geval waren de vocale bijdragen helaas teleurstellend. Dat brengt me tot een algemene observatie ten aanzien van concerten met vocale muziek in de grote zaal van TivoliVredenburg. Zowel in Les Boréades als in het concert van het Ensemble Correspondances noteerde ik dat de zangers ertoe neigden zich te forceren. Ze hadden kennelijk het idee dat ze vooral erg luid moesten zingen om overal verstaanbaar te zijn. Dat lijkt me een misverstand. Ik denk dat de akoestiek van de zaal zo goed is dat een wat geringer volume volstaat. Ik ben blij dat ik niet dicht bij het podium zat, want dan zou ik waarschijnlijk bij beide gelegenheden het pand met tuitende oren verlaten hebben. Ernstiger is dat dit verschijnsel de kwaliteit van de verrichtingen van de zangers aantastte. Tegelijk moet gezegd worden dat het in een trend past, die ik al eerder gesignaleerd heb. Op een aantal punten worden in vocale muziek de verworvenheden van de historische uitvoeringspraktijk met voeten getreden. Als het festival vernieuwend wil zijn op het gebied van de uitvoeringspraktijk zou het daarvan eens werk mogen maken.

Uiteraard kon aan de herdenking van de geboorte van Couperin niet voorbij worden gegaan. Dat leverde een serie van vier boeiende klavecimbelrecitals op. Ik was echter vooral blij met de uitvoering van de twee orgelmissen, zeker in Nederland – bij gebrek aan geschikte orgels – zelden uitgevoerd. Het orgel in de Tuindorpkerk was een verrassend goede en overtuigende keuze. Dat de missen in een liturgisch kader werden gezet door de uitvoering van de bijbehorende gezangen was een mooie bonus. Zoiets mag vaker gebeuren; het orgel is nog teveel een buitenbeentje in het festival. Wellicht laten dit jaar en vorig jaar, toen het orgel in TivoliVredenburg werd gepresenteerd, op dit vlak een trendbreuk zien.

We mogen terugkijken op een heel geslaagd festival, met een interessant thema, dat op een overtuigende en veelzijdige manier was uitgewerkt. Dat de concerten op de late avond nu weer vaker in kerken in plaats van Hertz plaatsvonden, was wat mij betreft zonder meer winst. Hertz is een uitstekende zaal, maar voor religieuze vocale muziek, zeker de polyfonie uit de renaissance, voldoet hij niet. Bovendien is de atmosfeer in een oude kerk op de late avond niet te imiteren in een moderne kamermuziekzaal.

Volgend jaar staat Napels centraal. Dat zal ongetwijfeld weer heel wat moois opleveren dat vrijwel of geheel onbekend is. Napels is meer dan Pergolesi, dat zal wel blijken. Dat is dus iets om naar uit te kijken.

Gepost door: Johan van Veen | 3 september 2018

Festival Oude Muziek Utrecht 2018 – zaterdag 1 september

De laatste dag van de week is voor mij ook de laatste dag van het festival. Om elf uur ging ik opnieuw naar de Tuindorpkerk om nog eens het orgel te horen, dat daar – na een grondige restauratie – geplaatst is. Nadat gisteren Benjamin Alard een programma rond Rameau had gespeeld, dat een uitsluitend wereldlijk karakter droeg, werd het nu door James Johnstone bespeeld in één van de twee missen van François Couperin, de Messe propre pour les convents de religieux, et religieuses. Franse componisten waren gewoon in de titel van een stuk een registratieaanwijzing te geven. Deze mis begint uiteraard met het Kyrie, en het orgelvers heeft als toevoeging plein jeu (het volle werk zonder de tongwerken). Later in het stuk komen we aanwijzingen als sur la trompette du grand clavier, sur le chromorne en sur la voix humaine tegen. Wanneer hij een niet echt Frans orgel bespeelt, moet de organist dus een registratie vinden, die het origineel zo dicht mogelijk benadert. Dat lukte Johnstone goed, maar daarbij werd hij geholpen door het feit dat dit orgel veel mogelijkheden biedt en meer dan andere Utrechtse orgels – dat van de Jacobikerk bijvoorbeeld – Franse trekken heeft. Couperins missen worden vaak alleen gespeeld; dat kan best, maar dan mis je de liturgische context waarvoor ze bedoeld zijn. Het interessante van deze uitvoering – en ook die van twee dagen geleden, toen de andere mis werd gespeeld – was dat we hier ook de verzen te horen kregen die gezongen moeten worden. Daarvoor maakte men gebruik van gezangen die in 1687 werden uitgegeven; het is een soort nieuw gecomponeerd gregoriaans, met toegevoegde versieringen in de stijl van de tijd. Voor het Benedictus greep het ensemble Les Meslanges, onder leiding van Thomas Van Essen, dat de gezangen uitvoerde, terug op de Messe Exultate Deo van François Cosset (c1610-na 1664). Speciaal was het gebruik van de serpent, een blaasinstrument dat tot in de 19e eeuw in de liturgie werd gebruikt om de zangstemmen te versterken. Ik kende het alleen van CD en dus was het interessant om het nu live te horen en ook te kunnen zien. De inzet van het orgel van de Tuindorpkerk was een briljant idee van het festival. Hopelijk hebben de luisteraars opgemerkt dat dit een heel waardevol instrument is. Hopelijk wordt het vaker in het festival gebruikt. Bovendien zijn de missen van Couperin niet erg bekend, ook al omdat ze in Nederland, bij ontbreken van geschikte instrumenten, zelden tot klinken komen.

Om drie uur toog ik naar de Pieterskerk voor een concert van het Ensemble Leones, onder leiding van Marc Lewon. Het programma was gewijd aan een bijzonder handschrift, wegens de vorm bekend als het Chansonnier Cordiforme, letterlijk ‘hartvormige codex’. Wanneer het geopend wordt, vormt het twee verbonden harten. Het bevat werken van de beroemdste componisten van de 15e eeuw, zoals Ockeghem en Dufay, maar ook een aantal anonieme werken. Ook het in het festival diverse malen uitgevoerde chanson De tous bien plaine van Hayne van Ghizeghem staat erin. De musici hadden een mooie en afwisselende keuze gemaakt, die voortreffelijk werd uitgevoerd. Met Els Janssens-van Munster, Raitis Grigalis en Mathias Spoerry beschikt het ensemble over drie uitstekende zangers, die de vocale werken op een stijlvolle manier uitvoerden. Bijzonder waren de bijdragen van Baptiste Romain op vedel en lira da braccio, vooral in samenspel met Els Janssens-van Munster. Elizabeth Rumsey (viola d’arco) en Marc Lewon (viola d’arco en luit) droegen het hunne aan het concert bij. Lewon had tijdens het concert vrijwel voortdurend een big smile op zijn gezicht; het plezier in het musiceren straalt ervan af en dat is leuk om te zien. Er was ook alle reden tevreden te zijn met de manier waarop het concert verliep. Het enthousiasme van de toehoorders was dan ook verdiend.

Dat was minder het geval bij het volgende concert. In de Geertekerk speelde het Ensemble Lucidarium onder leiding van Avery Gosfield. Onder de titel ‘La dolce vista – de wereld van Dufay’ werd een programma uitgevoerd dat je ‘populair’ zou kunnen noemen. De geselecteerde stukken werden kennelijk vanuit het perspectief van de ‘volksmuziek’ benaderd. Of die daartoe ook aanleiding gaven, laat zich moeilijk beoordelen. Zoals ik al schreef naar aanleiding van het concert van ClubMediéval gisteren: het is niet eenvoudig dat goed te doen. In dit geval vond ik weinig aanleiding tot een positieve beoordeling. De instrumentale stukken werden op een nogal luide manier – met prominent aanwezig slagwerk – en in bonte kleuren uitgevoerd. Daar heb ik wat twijfels bij, maar omdat die instrumenten goed bespeeld werden, kon ik daar wel vrede mee hebben. Dat gold niet voor de bijdragen van de zangers. De tenor Enea Sorini zong uitstekend, maar de beide sopranen waren nogal wankel; zowel de zuiverheid als de synchronisatie lieten enigszins te wensen over. Ik vond het soms een beetje pijnlijk en moeilijk om er naar te luisteren. Wat me in het festival nog niet is overkomen, gebeurde nu: ik was blij toen het concert ten einde was.

Gelukkig was het slotakkoord heel mooi: om half elf zong de Cappella Mariana onder leiding van Vojtech Semerád in de Pieterskerk eerst de boetepsalm Miserere mei Deus van Josquin – al enkele malen eerder gezongen in de Jacobikerk – en daarna het zesstemmige Requiem van Jean Richafort, dat hij naar aanleiding van de dood van Josquin, die zijn leermeester was, componeerde. Eén van de cantus firmus melodieën komt uit een chanson van Josquin. Het is een prachtig ingetogen maar ook indringend werk, dat door het ensemble voortreffelijk werd uitgevoerd. De Cappella Mariana heb ik eerder in een concert met motetten op teksten uit het Hooglied gehoord en het maakte op mij toen een heel goede indruk. Die werd nu bevestigd. Het ensemble bestaat uit heel mooie stemmen en de balans tussen de stemgroepen is perfect. Van de ensembles met een alto in de bovenstem die ik in het festival gehoord heb, was dit het enige, waarin die stem niet domineert. Daniel Elgersma heeft een heel mooie stem, maar die is minder penetrant dan die van sommige van zijn collega’s. Zijn ontspannen manier van zingen draagt ertoe bij dat hij zijn collega’s niet overstemt, die zelf trouwens ook voldoende gewicht hebben. Dit Requiem is een waardig eerbetoon aan de man die één van de hoofdfiguren van dit festival was. Een betere afsluiting van het festival had ik me niet kunnen wensen.

Gepost door: Johan van Veen | 1 september 2018

Festival Oude Muziek Utrecht 2018 – vrijdag 31 augustus

De vrijdag begon met een première, althans voor mij: een concert buiten de singels die de binnenstad omgeven. Aan de Prof. Suringarlaan, op de hoek van de H.F. van Riellaan (parallel aan de Kardinaal de Jongweg), staat de Tuindorpkerk. Daarin bevindt zich een 18e-eeuws orgel, dat heel geschikt is voor Franse muziek, ook al is het geen echt Frans instrument. Op donderdagavond had Jean-Luc Ho daar Couperins Messe à l’usage ordinaire des paroisses gespeeld. Daar kon ik helaas niet bij zijn, want ik zat in de Dom bij Gli Angeli Genève. Maar ik was erg nieuwsgierig hoe dat orgel zou klinken, vooral ook omdat ik het gehoord heb voordat het gerestaureerd en in deze kerk geplaatst werd. Op zaterdagmorgen klinkt de andere orgelmis van Couperin en daar hoop ik bij te zijn, maar nu was er al een gelegenheid het orgel te horen in een recital van Benjamin Alard, die een ongewoon programma speelde: orgelwerken van Rameau. De componist begon zijn carrière als organist, maar orgelwerken heeft hij niet nagelaten. Dat is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de praktijk van de improvisatie: omdat van organisten verwacht werd dat ze tijdens de liturgie improviseerden, was er niet veel behoefte aan gedrukte orgelmuziek. Wat ons overgeleverd is, was vooral bedoeld als instructiemateriaal voor organisten, die zelf (nog) niet over zulke vaardigheden beschikten of als een soort van portfolio van componisten om te laten zien wat ze in huis hadden. Uitgaande van het feit dat een aantal dansen in zijn opera’s hun oorsprong vinden in de klavecimbelwerken die Rameau eerder schreef, ging Alard van de – uiteraard onbewijsbare – hypothese uit dat de werken die we van hem kennen, wellicht oorspronkelijk als orgelwerken gediend hebben. Om Rameau’s activiteiten als organist in hun historisch perspectief te plaatsen, begon Alard met een Prélude van Louis Couperin, gevolgd door transcripties van twee instrumentale werken van François Couperin: de sonate La Sultane en een deel uit de eerste suite voor viola da gamba en basso continuo. Het laatste stuk klonk in een typisch Franse registratie, als récit de tierce en taille. Daarna volgden twee van de Pièces de clavecin en concert van Rameau (II en V), gescheiden door een fragment uit de opera Hippolyte et Aricie, in een andere karakteristieke registratie, als récit de cormorne en taille. Deze stukken die je niet bepaald met het orgel associeert, kwamen verrassend goed uit de verf. Dat ligt uiteraard voor een deel aan Alard, die overtuigende transcripties presenteerde, maar ook aan het orgel, dat de klankkleuren heeft om van deze transcripties iets moois te maken. Ik stelde tot mijn genoegen vast, dat het orgel, dat ik uit mijn herinnering van jaren geleden kende, een heel fraai instrument is dat best vaker gebruikt zou mogen worden. Zoveel 18e-eeuwse orgels heeft Utrecht tenslotte niet. Ik ben heel benieuwd naar het concert van zaterdag, wanneer het orgel in liturgische muziek wordt gebruikt.

Rameau was ook de centrale figuur in het klavecimbelrecital in de Lutherse Kerk. Het was niet meer dan logisch dat na vier recitals, die gewijd waren aan de vier boeken met pièces de clavecin van Couperin, nu Rameau aan de beurt was. Overigens werden zijn Nouvelles suites de pièces de clavecin, waaruit Laurent Stewart enkele stukken had geselecteerd, in 1728 uitgegeven, twee jaar vóór Couperins laatste boek. Hierin komen nog wel enkele dansen voor, maar die hebben – net als veel karakterstukken – vaak een dramatisch karakter, onder andere door contrasten tussen de secties in één stuk. Een voorbeeld is de courante, die als tweede klonk. Die contrasten hadden wel iets groter mogen zijn. Stewart staat niet bekend als een heel extraverte speler, dus ik was benieuwd wat hij van dit programma zou maken. Er was niet veel te klagen: stukken als Fanfarinette, La triomphante en Les sauvages kwamen goed uit de verf. Heel mooi was de muzikale conversatie die Rameau portretteert in L’entretien des muses. Net als in het laatste boek van Couperin verwijzen enkele stukken van Rameau naar het theater, zoals L’Égyptienne, waarmee Stewart zijn recital besloot. Er zaten ook een paar bruggetjes in het programma: met L’affligée kwam de familie Couperin, in de persoon van Armand-Louis, nog even om de hoek kijken. Stewart speelde ook enkele werken van Jacques Duphly, daaronder het theatrale La Félix; dat was een bruggetje naar de componisten van het midden van de 18e eeuw, die vooral spectaculaire en technisch veeleisende klavecimbelstukken produceerden, zoals Royer en Balbastre. Dit recital was een mooie afsluiting van een interessante serie.

Het Bourgondische rijk was omvangrijk en ook de Vlaamse stad Brugge behoorde daartoe. Daarom was het een goed idee dat het ensemble ClubMediéval, onder leiding van Thomas Baeté, zich wijdde aan liederen die daar of in de omgeving van Brugge zijn ontstaan en gezongen werden. De teksten zijn in het Nederlands of het Frans en hoewel ze soms de sporen van de kunstmuziek van die tijd dragen, zijn ze meestal minder verfijnd. Het bijzondere van die liederen, waarvan sommige voorkomen in het zogenaamde Gruuthusehandschrift, is dat ze niet in aristocratische kringen, maar onder burgers gezongen werden. Dat komt in zowel teksten als melodieën tot uitdrukking. Een aantal van die liederen werd op min of meer theatrale manier voorgedragen. Het is niet zo eenvoudig om zulke muziek goed uit te voeren. Een heel verfijnde manier van zingen past eigenlijk niet, maar dat betekent niet dat je er met de pet naar kunt gooien. Het goede midden tussen te verfijnd en te volks is niet zo gemakkelijk te vinden. Over het geheel genomen was ik niet zo enthousiast over dit concert. Dat is voor een deel een kwestie van smaak: dit repertoire spreekt me niet aan, ook vanwege sommige teksten. De voordracht kwam, mede door de niet optimale verstaanbaarheid in de Pieterskerk, niet echt tot haar recht; ik denk dat de Geertekerk een betere plek voor dit concert was geweest. Sommige vocale bijdragen waren zonder meer goed, maar bepaalde stukken klonken nogal wankel. Eén van de beste stukken in het concert was het bekende Par maintes foys/der may mit liber zal, een oorspronkelijk door Johannes Vaillant gecomponeerd chanson, dat door Oswald von Wolkenstein werd bewerkt. Ook het afsluitende Ach Vlaendere van Thomas Fabri werd mooi gezongen. Dit concert was zonder meer een zinvolle bijdrage aan het festivalthema; jammer dat het uiteindelijk niet helemaal bevredigde.

Net als Vox Luminis is ook het Britse vocaal ensemble stile antico een vaste gast in het festival. Het zong in de Jacobikerk in de serie gewijd aan de missen van Josquin de Missa Gaudeamus. De delen van de mis werden afgewisseld door andere werken, daaronder het beroemde Ave Maria en het eveneens al eerder gehoorde Salve Regina. Dat betekent niet dat stile antico een soort van liturgisch kader neerzette, zoals Weser-Renaissance Bremen dat wel deed. Want hier werden Kyrie en Gloria gesplitst, terwijl die in de liturgie altijd zonder onderbreking gezongen worden. Met twaalf stemmen was het ensemble ook groter dan zowel Weser-Renaissance als Vox Luminis. Dat leidt vrijwel onvermijdelijk tot een dichter en minder doorzichtig klankbeeld. Ik vond de uitvoeringen soms wat te massief en nu en dan ook te rechtlijnig. Het Ave Maria klonk bij de Cappella Pratensis overtuigender en genuanceerder dan bij stile antico. Dat laat onverlet dat het concert als geheel zeker de moeite waard was. De consistentie in de manier van zingen van het ensemble is bewonderenswaardig; er zijn geen zangers die door een pregnante klank of vibrato uit de toon vallen. De enthousiaste reactie van de toehoorders was dan ook zeker verdiend.

Ik heb al bij enkele concerten gewezen op de wrijving tussen de muziek en de ruimte, waarin die werd uitgevoerd. Dat geldt ook voor het avondconcert: Jordi Savall speelde samen met enkele oude getrouwen onder de naam Hespèrion XXI/Le Concert des Nations de vier werken waarnaar de naam van het ensemble verwijst: Les Nations van François Couperin. Het zijn vier composities die zijn samengesteld uit delen die in verschillende fases van Couperins carrière zijn ontstaan, maar die desondanks een mooie eenheid vormen. Ze beginnen met triosonates die uit de jaren 1690 dateren en Couperins bewondering voor de Italiaanse stijl documenteren. Daaraan heeft hij dansen in de Franse stijl toegevoegd. De instrumentatie wordt aan de uitvoerenden overgelaten. In dit concert klonken drie van de vier stukken in een bezetting van twee violen, traverso, hobo en basso continuo; de baslijn werd uitgewerkt door klavecimbel, viola da gamba, fagot en theorbe. De 3e Ordre: L’Impériale werd door de strijkers alleen uitgevoerd. Waar ik zat, was alles goed te verstaan, maar ik vraag me af of men helemaal bovenin ook alles heeft kunnen horen. Bovendien: dit is kamermuziek, die een intiemere omgeving vraagt. Hertz was een betere optie geweest, maar dan hadden uiteraard veel minder mensen ervan kunnen genieten. En dat was dan weer jammer geweest, want de musici zorgden voor een gloedvolle en kleurrijke interpretatie. Het feit dat Savall altijd met dezelfde mensen werkt, is ongetwijfeld voor een deel verantwoordelijk voor de grote consistentie in de uitvoering. Hij kan blindelings afgaan op Manfredo Kraemer en David Plantier (viool), Marc Hantaï (traverso), Patrick Beaugiraud (hobo), Josep Borràs (fagot) en Rolf Lislevand (theorbe). Alleen klavecinist Marco Vitale leek me relatief nieuw te zijn in dit ensemble. Sommige tempi lagen behoorlijk hoog, maar dat leverde geen enkel probleem op en leidde niet tot onhelderheid in het muzikale verloop. Dit concert was een mooi eerbetoon aan een groot componist en enthousiast verdediger van de vermenging van de Italiaanse en de Franse stijl.

Ik sloot de dag af met het tweede concert van Tasto Solo. Dat ensemble houdt zich vooral bezig met de rol van toetsinstrumenten in de muziek van de renaissance, maar tapte dit keer uit een ander vaatje. Dit keer geen hamer-clavisimbalum, zoals bij het eerste concert, maar wel orgel en organetto. Die speelden echter geen hoofdrol; die was weggelegd voor vijf zangers, daaronder de vaste sopraan van het ensemble, Barbara Zanichelli. Het thema van het concert waren de klaagzangen, die in de renaissance werden aangeheven bij de dood van heersers of componisten. Het programma was opgebouwd rond Margaretha van Oostenrijk, landvoogdes van de Habsburgse Nederlanden, wier leven getekend was door tragedies. De meeste stukken die werden uitgevoerd, bevinden zich in een aan haar opgedragen liedboek, dat deel uitmaakte van haar privébibliotheek. Eén daarvan is de klaagzang, die Josquin Desprez schreef op de dood van Margeretha’s vader, keizer Maximiliaan I (Proch dolor/Pie Jhesu). Het motet Doleo super me van Pierre de La Rue refereert aan de dood van haar broer, Filips de Schone. La Rue schreef ook de muziek voor Pour ung jamais, waarvan de tekst waarschijnlijk van Margaretha zelf stamt. Ook de klaagzang die Josquin schreef op de dood van Ockeghem, Nymphes des bois, ontbrak niet. Het programma eindigde met Cueurs desolez, een indrukwekkend motet, toegeschreven aan La Rue en waarscchijnlijk een ode op Jan van Luxemburg († 1508). Het was een boeiend programma met stukken die beklijven en een indruk geven hoe met de dood van geliefden werd omgegaan. De combinatie van wereldlijke en geestelijke teksten liet nog eens zien dat toentertijd geen waterscheiding tussen die twee bestond. De interpretaties konden over het geheel genomen wel overtuigen, ook dankzij de goede stemmen van de zangers. In Nymphes des bois vond ik het tempo wat te hoog; het laatste deel waarin allerlei componisten worden genoemd, die worden aangespoord te rouwen om de dood van Ockeghem, had wel iets rustiger gezongen kunnen worden. En hoe goed de stemmen ook waren, er zaten wat wankele momenten in de bijdragen van de sopranen; de zangers leken me ook niet echt een ensemble te vormen. Maar de positieve aspecten overwegen en daarom ging ik met een tevreden gevoel huiswaarts.

Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2018

Festival Oude Muziek Utrecht 2018 – donderdag 30 augustus

Het eerste concert van vandaag was niet, zoals gebruikelijk, in Hertz, maar in Gasthuis Leeuwenbergh, vroeger bekend als de Leeuwenberghkerk en regelmatig gebruikt voor concerten. De laatste jaren wordt het nog maar sporadisch in het festivalprogramma opgenomen. Jammer eigenlijk, want voor oude muziek is het een mooie ruimte. Dat bleek ook nu, tijdens het concert van het ensemble Doulce Mémoire onder leiding van Denis Raisin Dadre. Het programma was origineel: centraal stond één van de bekendste liederen van de renaissance, De tous bien playne. Die populariteit blijkt uit het grote aantal bewerkingen van verschillende soorten en maten, die vooral in de tweede helft van de 15e en de eerste helft van de 16e eeuw ontstonden. Het programma bood niet alleen een staalkaart van de componisten die zich ermee bezig hielden (Josquin, Agricola, Tinctoris en de mij onbekende Crispin van Stappen), maar ook van de verschillende manieren waarop zo’n lied bewerkt kon worden. Het programma opende met de originele compositie van Hayne van Ghizeghem, die in dienst was van Karel de Stoute (1433-1477), hertog van Bourgondië. Daarmee is direct de link naar het festivalthema gelegd. Eén van de manieren waarop een lied bewerkt kon worden was er een tweede lied doorheen weven. Dat deed een anonieme componist, wiens stuk J’ay pris amour/De tous bien playne het programma besloot. Dat was de reden dat we in het tweede deel van het programma ook een aantal bewerkingen van het tweede lied in dat stuk hoorden, onder andere van Busnoys en Japart. Opmerkelijk was het stuk van de al genoemde Van Stappen, waarin De tous bien playne werd gecombineerd met een geestelijke tekst, of in elk geval de incipit van zo’n tekst: Beati pacifici. Deze werd gezongen door de alto Paulin Bündgen, die in andere stukken de genoemde liederen zong. De instrumentale en de vocaal/instrumentale versies werden mooi afgewisseld. Bündgen heeft precies de goede stem voor dit repertoire en zong de liederen terecht zonder opsmuk of uitgebreide versieringen. Die laatste kwamen voor rekening van de instrumentalisten: drie op viola da gamba en drie, onder wie de leider Raisin-Dadre, op blaasinstrumenten: blokfluit (in verschillende stemmingen), pommer en dulciaan. Het was een interessant en mooi gespeeld programma. Enig nadeel van zo’n programma: vooral J’ay pris amour is een echte oorwurm, die je niet zo makkelijk kwijtraakt.

Maar die werd dan toch eventjes het zwijgen opgelegd door Christophe Rousset of, beter gezegd, François Couperin, wiens vierde boek met pièces de clavecin het onderwerp was van diens recital in de Lutherse Kerk. Rousset heeft in vorige edities wel met zijn ensemble Les Talens Lyriques opgetreden, maar al heel lang niet als klavecinist in een solorecital. Dat was dus iets om naar uit te kijken en dat hadden veel mensen gedaan, blijkens het grote aantal bezoekers. Ze kregen waarop ze ongetwijfeld hoopten: technisch superieur spel en een doordringende interpretatie van de stukken die Rousset had geselecteerd uit drie van de in totaal acht Ordres uit dit boek. Daarin staat nog maar een handjevol dansen; vrijwel alle stukken zijn karakterstukken, die vaak met theater te maken hebben. Vaak wordt de nadruk gelegd op de intimiteit van Couperin’s muziek, en dat is terecht, maar dat betekent niet dat Couperin een in zichzelf gekeerde poëet was die zich verre hield van het muziektheater, dat in het Frankrijk van Lodewijk XIV zo’n belangrijke plaats innam. De musicoloog Peter Holman heeft gesuggereerd dat Couperins Concert dans le goût théatral oorspronkelijk een acte de ballet moet zijn geweest; het inspireerde Skip Sempé tot een divertissement, waarin dit werk wordt gecombineerd met zijn liederen (gisteren uitgevoerd in Hertz). Dat maakt de invloed van het theater in het laatste klavecimbelboek wat meer begrijpelijk. Dat betekent overigens niet dat we hier alleen maar heel dramatische en extraverte stukken aantreffen; dat maakte Rousset wel duidelijk in zijn recital. Bijvoorbeeld in het heel subtiele L’épineuse en het bijna electriserende La convalescente (beide uit de 26e Ordre). En echt dramatisch stuk is La muse victorieuse, met veel aplomb door Rousset voorgedragen. Het werd gevolgd door het intieme Les ombres errantes, dat dit superieure recital besloot. Het was een waardig slot van een interessante en boeiende reis door Couperins vier klavecimbelboeken. Dat zijn klavecimbelwerken saai zouden zijn, zoals ik eens ergens las, werd in deze serie overtuigend gelogenstraft.

Om drie uur gaf een ensemble acte de présence dat zich al herhaaldelijk in het festival heeft laten horen evenals in het reguliere concertseizoen. Dat is begrijpelijk, want Tasto Solo, onder leiding van Guillermo Pérez, is één van de interessantste ensembles voor muziek uit de renaissance. Dat heeft voor een belangrijk deel te maken met wat het als zijn hoofdtaak beschouwt: de belichting van de rol van toetsinstrumenten in het repertoire van de 14e tot de 16e eeuw. Een speciale rol is daarbij weggelegd voor het hamer-clavisimbalum, dat door David Catalunya wordt bespeeld. Dat is, naar wordt aangenomen, het instrument dat bedoeld wordt met de in de renaissance vaak gebruikte term eschiquier. Vandaar de titel van het gespeelde programma: ‘Le chant de leschiquier’. Uiteraard stond Bourgondië centraal: naast anonieme stukken klonken composities van Dufay, Binchois en Bruolo, alsmede van twee componisten uit Engeland die de eerste generatie van Franco-Vlaamse componisten beïnvloedden: Bedyngham en Dunstaple. Instrumentale muziek was in verschillende concerten te horen, maar dan meestal gespeeld op blokfluiten, vedels, gamba’s of tokkelinstrumenten. Organetto en hamer-clavisimbalum vertegenwoordigen een aparte klankwereld en werpen licht op het belang van toetsinstrumenten, zoals dat uit bijvoorbeeld het Buxheimer Orgelbuch naar voren komt. Deze instrumenten, alsmede vedel en luit, klonken ook samen met de sopraan Barbara Zanichelli, die de vocale stukken met heldere en doordringende stem voordroeg. Met haar beschikt het ensemble over de ideale stem voor dit repertoire. Heel mooi om ook weer eens dat prachtige Se la face ay pale van Dufay te horen. Vrijdagavond laat treedt het ensemble nog een keer op. Daar kijk ik al naar uit.

Zoals altijd was het concert van vijf uur in de Jacobikerk gewijd aan Josquin Desprez. Maar dit keer klonk geen mis. Het programma dat door de Cappella Pratensis, onder leiding van Stratton Bull, werd uitgevoerd, was in feite een vervolg op het concert van Doulce Mémoire. Of ze door het festival bewust op één dag waren gepland, weet ik niet, maar het kwam wel mooi uit. De titel van het concert was ‘Josquin Desprez: het imitatiespel’. In de eerste helft klonken wereldlijke stukken die door Josquin waren bewerkt en daarna stukken van Josquin zelf die door andere componisten onder handen waren genomen. Het concert begon met twee chansons van Ockeghem (D’ung aultre amer) en Ghizeghem (De tous bien playne); dat laatste was dus weer een link met het concert van Doulce Mémoire. Deze twee chansons werden door Josquin verwerkt in zijn motet voor Pasen Victimae paschali laudes. Vervolgens klonk één van de beroemdste liederen van de renaissance, Fortuna desperata, toegeschreven aan Busnoys; Josquin gebruikte het als uitgangspunt voor zijn Missa Fortuna desperata, waaruit het Kyrie klonk. Daarna een voorbeeld van een bewerking van een wereldlijk lied: Josquin breidde het aantal stemmen van Ockeghems Petite camusette uit van vier naar zes en schrapte de tweede door Ockeghem gebruikte tekst. Josquins eigen Faulte d’argent werd door Adrian Willaert bewerkt, en het hem toegeschreven Mille regretz door Nicolas Gombert. Het programma werd besloten met Josquins motet Praeter rerum seriem en Cipriano de Rore’s Missa Praeter rerum seriem, waaruit het Agnus Dei gezongen werd. We kennen de Cappella Pratensis in de eerste plaats als ensemble voor sacrale muziek, maar de laatste jaren wordt ook steeds vaker wereldlijke muziek ten gehore gebracht. Het programma liet zien hoe het ensemble daarmee omgaat. Want het zingen rond een koorboek, zoals dat in liturgische muziek gebeurt, is bij chansons natuurlijk niet aan de orde. Die werden dan ook op de ‘conventionele’ manier uitgevoerd: de zangers stonden naast elkaar op het podium. Voor de sacrale werken schaarden ze zich dan om het koorboek. In beide genres excelleerden de in totaal acht zangers; de wereldlijke stukken werden terecht met één zanger per stem uitgevoerd. De balans binnen het ensemble is goed, maar de alto Andrew Hallock was wel duidelijk aanwezig – soms iets te duidelijk. Het is vrijwel onvermijdelijk bij een zanger met zo’n hoge en vèrdragende stem – overigens een heel fraaie stem met een grote hoogte.

Het kan bijna geen toeval zijn dat het avondconcert een link bevatte met dit concert: Gli Angeli Genève, onder leiding van Stephan MacLeod, begon zijn concert in de Dom met Josquins motet Praeter rerum seriem. Het werd gevolgd door met motet Miserere mei Deus, een zetting van één van de zeven boetepsalmen. Daarna klonk de ‘mis van de dag’, de Missa Malheur me bat, ook weer een parodiemis waarvoor Josquin teruggreep op een toen populair chanson, waarvan de componist onbekend is. Hoewel ik alles goed kon verstaan, zat ik te ver weg om de uitvoering goed te kunnen beoordelen. De negen zangers (sopraan, twee mezzosopranen, twee haute-contres, twee tenoren, bariton en twee bassen) traden als een hecht ensemble op, hoewel ze – voor zover mij bekend – niet regelmatig in deze samenstelling zingen. Vooral de haute-contre Samuel Boden en de tenor Andrew Tortise waren verrassend, omdat ik die vooral uit later repertoire ken. Blijkbaar kunnen ze ook met deze oudere muziek overweg. Waar ik bij Tortise in zijn rol als solist nog wel eens een teveel aan vibrato vaststelde, heb ik nu niets gehoord wat de samenklank verstoorde. De ruimte van de tot de nok gevulde Domkerk was geen probleem. De zangers hoefden zich niet te forceren om tot in alle uithoeken verstaanbaar te zijn; dat gaat in zo’n ruimte bijna vanzelf.

Dat is ook het geval in de Pieterskerk, waar mijn dag eindigde met een optreden van het Ricercar Consort onder leiding van Philippe Pierlot. Dat bestond voor deze gelegenheid uit slechts vier musici: de sopranen Hanna Bayodi en Ana Quintans, Pierlot op viola da gamba en François Guerrier op klavecimbel en orgel. De hoofdmoot van het programma werd gevormd door de drie Leçons de Ténèbres van François Couperin. Elk van die leçons werd ingeleid door een passend instrumentaal werk: respectievelijk een prélude voor gamba solo van Marin Marais, L’âme en peine, een klavecimbelstuk uit Couperins 13e Ordre en Marais’ Plainte voor gamba en basso continuo. Dat je in deze kerk niet luid hoeft te zingen, hadden de beide sopranen niet helemaal in de gaten. Ze zongen soms behoorlijk luid en helaas sloop op zulke momenten enig vibrato in hun voordracht, wat het geheel enigszins ontsierde. Dat is vooral daarom betreurenswaardig, omdat er heel veel te genieten was: de beide dames beschikken over heel fraaie stemmen die in de Troisième Leçon heel mooi samenvloeiden. Het slot van de eerste sectie van die leçon levert altijd een spannend moment op door de manier waarop Couperin hier de harmonie voor expressieve doeleinden gebruikt; dat miste z’n effect ook nu niet. Ook de behandeling van de tekst liet niets te wensen over: een mooi legato waar dat nodig is – zoals in de vocalises op de Hebreeuwse letters – als declamatorisch in de passages met het karakter van een recitatief. Dat Philippe Pierlot zijn solo’s prachtig speelde, hoeft geen betoog. Ondanks enkele kritische kanttekeningen was dit een memorabel concert en een mooi besluit van de dag.

Gepost door: Johan van Veen | 30 augustus 2018

Festival Oude Muziek Utrecht 2018 – woensdag 29 augustus

Afgelopen maandag heb ik met veel genoegen het concert van Ensemble Sollazzo in de Pieterskerk bijgewoond. Ik had het ensemble al eerder gehoord en er een uitstekende indruk van gekregen. Dus ik had ook een kaart gereserveerd voor het tweede concert; daarmee begon de woensdag in Hertz. Ook dit keer was het een bijzonder programma: de musici brachten een eerbetoon aan twee blinde vedelspelers, Jehan Ferrandes en Jehan de Cordoval, die grote indruk maakten op Dufay en Binchois. Hun ontmoeting in 1434 werd beschreven door Martin le Franc in Le champion des dames. Dat boek vormde gisteren het uitgangspunt van het concert van Servir Antico – een opmerkelijke link tussen de twee concerten. Ferrandes had twee zonen, die eveneens blind waren maar ook even muzikaal getalenteerd als hun vader. Op het programma stonden werken van componisten die met de vader dan wel de twee zoons in contact hebben gestaan. Geopend werd met Dufay’s prachtige klaaglied over de val van Constantinopel, O tres piteulx. Verder klonken enkele anonieme stukken uit de Cyprus Codex respectievelijk het Bayeux Chansonnier. De al genoemde Binchois was met zijn chanson Triste plaisir vertegenwoordigd. Dat werd vorige week zaterdag ook uitgevoerd door Graindelavoix. Hoewel je een puur vocale uitvoering, zoals van dat ensemble, niet echt kunt vergelijken met een uitvoering door één zangstem en twee vedels, stelde ik toch vast dat de versie van het Sollazzo Ensemble mij veel meer overtuigde; er werd vooral veel beter gezongen dan door Graindelavoix. Eén van de hoogtepunten was het bekende Vergine bella van Dufay, prachtig gezongen door Yukie Sato, waarbij zich later Perrine Devillers voegde. Alexander Agricola schreef een instrumentaal stuk, opgedragen aan de vedelspelende broers, dat hier werd uitgevoerd met een geestelijke tekst, Ave ancilla. Het concert besloot met een humoristisch chanson van Loyset Compère, Le grant désir me tient, op min of meer theatrale wijze voorgedragen door de twee zangeressen en de tenor Vivien Simon. Opnieuw bewees het Sollazzo Ensemble één van de interessantste en muzikaal overtuigendste ensembles voor renaissancemuziek te zijn. We zullen van deze musici hopelijk nog veel mooie dingen te horen krijgen.

In de Lutherse Kerk hield Bertrand Cuiller zich bezig met het derde boek met pièces de clavecin van François Couperin. Daarin vinden we hoofdzakelijk karakterstukken, soms van personen, maar ook van karaktertrekken en situaties. Wat Couperin precies in gedachten had, laat zich voor ons meestal slechts raden. In hoeverre hij echt iets portretteerde is niet te zeggen; de titels lijken vooral te refereren aan dingen die hij als inspiratiebron gebruikte. Dat is ook de reden dat hij het niet nodig vond ze te verklaren. La superbe, or La Forqueray lijkt in ieder geval wel als portret van zijn beroemde gambaspelende tijdgenoot te zijn bedoeld. Of dat portret een eerbetoon is dan wel een sneer is een interessant discussiepunt; in zijn begeleidende tekst in het programmaboek meent Marcel Bijlo het laatste. En wanneer hij schrijft dat Les petits moulants à vent niet bedoeld is als uitbeelding van windmolens maar van de “onnozele kletskousen” in de salons, leverde Cuillers interpretatie daarvan een treffende bevestiging. Beide stukken stammen uit de 17e Ordre; uit de 18e Ordre klonken onder andere Le turbulent en Le tic-toc-choc, ou Les maillotins. Beide werden in een hoog tempo gespeeld, en het eerste was inderdaad turbulent, en herinnerde me aan het soort stukken dat de generatie na Couperin produceerde. In Les fauvétes plaintives (14e Ordre) hoorden we chromatiek, en het concert werd besloten met Le dodo, ou L’amour au berceau (15e Ordre), gebaseerd op een kinderliedje. Cuiller lijkt een nogal introvert musicus, en dat kwam in zijn manier van spelen ook wel tot uitdrukking. Desondanks wist hij ook in de snellere en extrovertere stukken te overtuigen. Hij leverde een technisch gaaf en veelzijdig recital af, dat een goede indruk gaf van de inhoud van Couperins derde klavecimbelboek.

In de Jacobikerk klonk, net als gisteren, een mis van Josquin Desprez. Ditmaal was het de Missa Ave maris stella, die gebaseerd is op een Mariahymne, die dateert uit de 9e eeuw. Voorafgaand aan het Kyrie werd deze hymne gezongen door het ensemble Weser-Renaissance Bremen onder leiding van Manfred Cordes. De Mariaverering, die in het oeuvre van Josquin een belangrijke plaats inneemt, was de rode draad in het programma. Het concert opende met zijn beroemdste werk, het motet Ave Maria, dat in enkelvoudige bezetting werd gezongen. De mis werd met twee zangers per stem uitgevoerd. Hoewel er geen sprake was van een soort liturgische reconstructie, werden de delen van de mis wel afgewisseld door motetten. Na Kyrie en Gloria klonk Illibata Dei virgo nutrix, het Credo werd gevolgd door Virgo prudentissima en het concert werd afgesloten met het Salve Regina. Terwijl het ensemble wat betreft het aantal zangers niet fundamenteel afweek van Vox Luminis, die gisteren de Missa L’homme armé 6. toni uitvoerde, was er een belangrijk verschil dat het uiteindelijk resultaat beïnvloedde. Terwijl bij Vox Luminis de bovenstem door vrouwen werd gezongen, was die rol in Weser-Renaissance toebedeeld aan mannenalten: Alex Potter en Franz Vitzthum. Naar mijn ervaring is het bijna onvermijdelijk dat zulke stemmen het ensemble domineren, in meerdere of mindere mate. Aangezien de beide zangers over krachtige en heldere stemmen beschikken, waren ze duidelijk hoorbaar – iets te duidelijk, wat mij betreft. Wat me bij Vox Luminis positief opviel was de balans tussen de stemgroepen; daaraan mankeerde het hier enigszins. Bovendien leek me het ensemble minder hecht: Cordes heeft wel een soort van pool van zangers waarop hij van tijd tot tijd een beroep doet, maar het is geen vaste groep die voortdurend samen zingt. Dat liet wel enigszins z’n sporen na. Daarmee wil ik niet zeggen dat de uitvoering niet goed was. Er werd uitstekend gezongen en aan de interpretatie mankeerde verder niets. De afwisseling van misdelen en motetten bracht ons meer in liturgische sferen dan de manier waarop Vox Luminis z’n programma had samengesteld, dat meer echt een concert was.

De avond werd gedomineerd door de concertante uitvoering van een opera van Rameau, Les Boréades, die uit 1763 dateert. Daarmee is het Rameau’s laatste opera; de componist overleed in 1764. Het is niet duidelijk of het werk nog tijdens zijn leven is uitgevoerd; gesuggereerd wordt dat het werk vanwege de inhoud, die de gedachten van de Verlichting weerspiegelt, wellicht niet door de censuur kwam. Tijdens de uitvoering door solisten, Collegium Vocale 1704 en Collegium 1704 onder leiding van Václav Luks, werd duidelijk hoe modern dit werk is, niet alleen wat de tekst betreft, maar zeker ook in de muzikale vormgeving. Dat begint al met de instrumentale bezetting: in het orkest spelen twee klarinetten en ook de hoorns spelen een prominente rol. Les Boréades behoort tot het genre van de tragédie lyrique, maar heeft weinig gemeen met oudere werken in dit genre, zoals de opera’s van Lully of zelfs de vroege opera’s van Rameau zelf. Uiteraard werd hier een concertante uitvoering gegeven; een geënsceneerde uitvoering van een opera gaat de mogelijkheden van het festival te boven. Aangezien de meeste ensceneringen van barokopera’s nogal smakeloos zijn, is dat misschien maar goed ook. Ik had naar deze avond wel uitgekeken, omdat ik maar zelden een opera van Rameau live heb gehoord. Helaas stelde de uitvoering me teleur.
Met het orkest was niets mis, integendeel. Collegium 1704 is een uitmuntend ensemble en dat bleek ook nu weer. De kleurrijke partituur werd op een overtuigende manier tot leven gewekt. De instrumentale delen waren vaak opwindend, mede ook dankzij de contrastrijke interpretatie van Luks. De vaak dramatische koren kwamen ook prima uit de verf. Het waren – ik zou bijna zeggen, gewoontegetrouw – de solisten, die het voor een deel lieten afweten. Vooral in opera’s is een echt historisch verantwoorde manier van zingen tegenwoordig bijna uitzondering. Ik heb de laatste jaren maar weinig CD-opnamen van barokopera’s gehoord, waarin echt stijlvol gezongen wordt. In die zin viel deze uitvoering – helaas – niet uit de toon. Neem nu Juan Sancho, die één van de hoofdrollen zong (Abaris). Toen hij voor het eerst optrad, leek hij uit een Rossini-opera te zijn weggelopen. Vooral als hij luid zong – en dat was vaak het geval – en in het hoge register, had zijn stem dezelfde larmoyante klank, die je van tenoren in traditionele uitvoeringen van 19e-eeuwse Italiaanse opera’s hoort. Hij bleek trouwens nogal wat problemen met de hoogte te hebben. Toen hij tijdens de slotfase veel zachter zong, schakelde hij min of meer over op z’n falsetregister. Dat werd in Frankrijk niet gewaardeerd en dus moet daaruit geconcludeerd worden dat de partij eigenlijk te hoog lag voor zijn normale tessituur. Wellicht was Benedikt Kristjánsson een betere keuze geweest; hij zong de rol van Calisis en deed dat goed; hij lijkt de tessituur van een haute-contre te hebben. Uit dramatisch oogpunt was er op de verrichtingen van de zangers niets aan te merken; daarbij moeten vooral Deborah Cachet als Alphise, Caroline Weynants als Sémire en Benoît Arnould als Adamas genoemd worden. Maar kennelijk is het heel lastig om zowel een rol dramatisch het volle pond te geven als consequent in de stijl van de tijd te zingen. Vrijwel alle zangers bedienden zich van een hoeveelheid vibrato, die zich uit historisch oogpunt niet laat verdedigen. Zangers die ik in CD-opnamen en live-uitvoeringen met ander repertoire heel goed en stijlvol heb horen zingen, zoals Weynants en Arnould, maakten zich daaraan ook schuldig. Mijn indruk is dat de zangers het idee hebben dat ze heel hard hun best moeten doen om overal in de zaal hoorbaar te zijn en zich dan gaan forceren. Dat was me ook gisteren, bij het concert van het Ensemble Correspondances, al opgevallen. Over het geheel genomen leek me de uitvoering gewoon te luid. Ik betreur degenen die dichter bij het podium zaten. Die moeten met tuitende oren het pand verlaten hebben.
Wat blijft is de positieve indruk van Rameau’s laatste opera, die duidelijk maakt waarom hij zo’n sleutelrol in de muziekgeschiedenis heeft gespeeld en waarom latere Franse componisten als Berlioz, Ravel en Debussy zo onder de indruk waren van zijn orkestratiekunst. Die kwam onder de handen van Luks in elk geval voortreffelijk naar voren.

Gepost door: Johan van Veen | 29 augustus 2018

Festival Oude Muziek Utrecht 2018 – dinsdag 28 augustus

Eén van de eigenschappen van het festival is dat vaak minder bekende werken op het programma staan. In de regel worden de evergreens vermeden. Maar als Rameau één van de composers in residence is, kun je nauwelijks om zijn Pièces de clavecin en concert heen. Die behoren tot zijn meest uitgevoerde werken, wat logisch is, aangezien hij verder geen kamermuziek heeft gecomponeerd. Bovendien zijn ze van historisch belang, aangezien ze tot de vroegste werken behoren, waarin het klavecimbel een obligate partij heeft. Het Canadese Ensemble Masques was de eer gegund, deze verzameling van vijf driedelige werken uit te voeren, en wel op een daarvoor heel geschikte locatie: Hertz in TivoliVredenburg. De vijf concerts vormen geen cyclus, dus ze kunnen in elke willekeurige volgorde worden uitgevoerd. De musici van het ensemble – Olivier Fortin (klavecimbel), Anna Besson (traverso), Sophie Gent (viool) en Mélisande Corriveau (viola da gamba) – hadden ervoor gekozen het 3ème Concert als laatste uit te voeren. Het eindigt met tambourins en dat stuk geeft aanleiding – of wordt aangegrepen – om nog eens alles uit de kast te halen. Ik ben daar wat sceptisch over. Ik zie niet in waarom in de herhaling het tempo ineens twee keer zo hoog zou moeten zijn. In plaats van de traverso gebruikte Anna Besson in dit deel de piccolo; die wordt door de componist niet als mogelijkheid genoemd. Aangezien het tot de familie van de traverso behoort, was dit toen wellicht ook niet gebruikelijk. Desalniettemin, een echte reden de piccolo hier te gebruiken, zie ik niet. De klavecimbelpartij speelt de hoofdrol in deze werken en dat kwam niet helemaal uit de verf. Fortin speelde goed, maar had niet altijd voldoende presentie. Dat lag misschien ook aan de opstelling van de instrumenten: zijn drie collega’s zaten vóór het klavecimbel. Hadden ze terzijde gezeten, dan was de balans wellicht beter geweest. Verder viel er niets te klagen: het waren mooie uitvoeringen en traverso, viool en gamba wisselden elkaar op een zinvolle manier af. Eén van de mooiste momenten was La Boucon uit het 2ème Concert, waarin naast klavecimbel zowel traverso als viool speelden, dit keer zonder de gamba.

In de Lutherse Kerk verzorgde Carole Cerasi de tweede aflevering in de serie, gewijd aan de vier boeken met klavecimbelwerken van François Couperin. Dit keer stond het tweede boek centraal. Cerasi had delen uit drie Ordres geselecteerd: VII, VIII en IX. Uit de 7e Ordre klonk onder andere een korte cyclus, gewijd aan de stadia in het leven van een mens, Les petits âges; de contrasten tussen de vier onderdelen kwamen mooi uit de verf. Uit de 9e Ordre klonken vervolgens drie vrij rustige en vooral elegante stukken, met toevoegingen als nonchalamment, sans lenteur respectievelijk tendrement. Veel energieker was de allemande L’Ausoniéne, het tweede stuk uit de 8e Ordre. Daarin ook de majestueuze sarabande L’Unique en als bekendste stuk de passacaille, dat een spannende en gedifferentieerde uitvoering kreeg. Het werd gevolgd door het speelse La Morinéte, waarmee het concert werd afgesloten. Twee jaar geleden speelde Carole Cerasi ook in het festival; ik was toen enigszins teleurgesteld over haar spel. Dat was nu heel anders: ze zorgde voor afgewogen en geëngageerde interpretaties, waarin het karakter van elk stuk goed tot z’n recht kwam. De genoemde passacaille was één van de hoogtepunten van haar recital.

Het ensemble Servir Antico, geleid door Catalina Vicens, komt altijd met bijzondere programma’s, meestal thematisch. Het programma ‘Vrouw op kop: van Mariamotet tot liefdeslied’ nam zijn uitgangspunt in een boek van de dichter Martin le Franc (c1410-1460), dat hij opdroeg aan Filips de Goede: Le champion des dames. “Hij verdedigt de vrouwelijke deugden en doorspekt zijn gedicht met mythologische en historische verhalen over vrouwen”, zoals Vicens schrijft in het programmaboek. Het programma bestreek de hele bloeiperiode van Bourgondië, van Johannes Tapissier (c1370-1410) tot Hayne van Ghizeghem (c1445-1476/97). De ondertitel van het programma maakte al duidelijk dat er destijds geen waterscheiding bestond tussen wereldlijk en geestelijk, ook niet in de muziek. Catalina Vicens is de oprichtster en leider van het ensemble en speelde zelf op een prachtig portatief en een iets groter orgel in de voor die tijd passende stemming, wat tot bijzondere harmonieën leidt. Met Sophia Patsi en Lieselot de Wilde beschikt ze over twee uitstekende zangeressen; hun stemmen harmoniëren perfect, maar zijn toch heel verschillend: de één een wat hogere en lichte stem, de ander een sterkere en donker gekleurde stem. Daarbij voegde zich dan Michael Grébil, die luit en vedel speelde, maar zich verschillende keren ook als zanger liet horen. Het resulteerde in een boeiend concert, zowel vanwege de uitstekende uitvoeringen als de muziek, met prachtige composities van componisten als Dufay, Binchois, Fontaine en Solage. Van de al genoemde Tapissier klonk Eya dulcis, hetzelfde stuk dat het Huelgas Ensemble vorige week vrijdag uitvoerde. Welke interpretatie dichter bij de historische werkelijkheid komt, is nauwelijks vast te stellen. Ik kon ze beide waarderen, maar hier was het voordeel dat het stuk in een kader gezet werd, dat bij het Huelgas Ensemble ontbrak.

De Jacobikerk is de vaste plek, waar bijna elke dag een mis van Josquin Desprez wordt uitgevoerd. De eerste hoorde ik vandaag: Vox Luminis zong de Missa L’homme armé 6. toni, voorafgegaan door vier motetten. De mis is gebaseerd op één van de populairste liedjes van die tijd, waarvan de oorsprong nog steeds in nevelen is gehuld. Wie het heeft ‘gecomponeerd’ is onbekend. Het werd vele malen bewerkt en vormt de basis voor heel wat missen uit de renaissance. Josquin heeft de melodie op allerlei manieren in zijn mis verwerkt, maar dat is voor de luisteraar lang niet altijd direct herkenbaar. Dat was ongetwijfeld ook niet de bedoeling; voor de componist was het allereerst een middel om structuur in het werk aan te brengen. Daarnaast zullen de zangers destijds de melodie op allerlei plekken ongetwijfeld herkend hebben. De in totaal tien zangers van Vox Luminis zorgden voor een indrukwekkende interpretatie. Het ensemble houdt zich vooral met barokmuziek bezig, maar ook in de muziek van de renaissance voelt het zich thuis. Weliswaar is in renaissancemissen geen sprake van tekstexpressie, maar dat betekent niet dat je zo’n werk rechttoe rechtaan moet zingen. Dat gebeurde hier dan ook niet: met name de dynamiek werd op een effectieve manier gebruikt om elementen in de tekst te belichten. Ook in de vier motetten die aan de mis voorafgingen, wist het ensemble de juiste toon te treffen. De perfecte harmonie tussen de stemmen kwam vooral in het homofone motet Tu solus qui facis mirabilia mooi tot uitdrukking. In Huc me sydereo zingt de tenor als cantus firmus een eigen tekst: “Plangent eum”. Om dit hoorbaar te maken stond één van de tenoren voor het ensemble om deze partij te zingen. Ik betwijfel of dit veel verschil maakte; deze partij was ook nu niet erg goed te verstaan. De vraag is, zoals ik al opmerkte bij de mis, of dit ook de bedoeling was. Het gaat hier om liturgische muziek, niet horizontaal – op een luisterend publiek – maar verticaal gericht.

Er was ’s avonds geen laat concert, om half elf. Dat had alles te maken met de verwachte lengte van het hoofdconcert die avond, in de grote zaal van TivoliVredenburg. Dat zou tot kwart over tien duren, maar – inclusief pauze – werd het kwart voor elf. Het was daarmee een lange zit, maar de muziek en de uitvoering zorgden ervoor dat geen moment de verveling toesloeg. Sébastien Daucé leidde zijn Ensemble Correspondances in een productie onder de titel ‘Le Concert Royal de la Nuit: de koning danst’. Daarmee bracht hij in feite een herhaling van het programma dat een paar jaar geleden al op CD verscheen. Dat wil zeggen: een herhaling van het concept en waarschijnlijk ook de muziek, maar met voor een deel andere zangers. Bovendien: zo’n concept werkt live altijd wat anders dan op CD, en lang niet iedereen zal die productie kennen. Kort gezegd gaat het om Daucé’s reconstructie – voor zover op grond van de bewaarde gegevens mogelijk – van een bijzondere gebeurtenis in 1653: een ballet waarmee kardinaal Mazarin de jonge koning Lodewijk XIV wilde presenteren en vooral zijn positie wilde vestigen ten opzichte van mogelijke bedreigingen, bijvoorbeeld van de kant van de adel. Het ballet eindigde met de verschijning van de zonnegod Apollo, gedanst door Lodewijk zelf. Vandaar zijn bijnaam: de zonnekoning. Slechts een deel van de muziek is bewaard gebleven en daarom koos Daucé muziek van componisten die destijds een rol speelden in Frankrijk. Daartoe behoren ook de Italianen Luigi Rossi en Francesco Cavalli. De laatste was vertegenwoordigd met fragmenten uit zijn opera Ercole amante, die hij componeerde tijdens zijn verblijf in Frankrijk, maar daar waarschijnlijk nooit is uitgevoerd. Dat laatste gebeurde wel met Rossi’s opera Orfeo, waaruit ook enkele fragmenten te horen waren. Het Ensemble Correspondances is een geweldig ensemble, dat al enkele malen in het festival te gast was en steeds grote indruk maakte. Dat deed het ook nu met een waar vocaal en instrumentaal spektakel. Het orkest was uitmuntend en speelde met veel engagement en stijlgevoel. Ik had wel wat problemen met de klank van de zinken, die ik wat geknepen vond. Het ensemble beschikt over uitstekende zangers, die ook solistisch hun mannetje staan. Helaas maakten vooral de dames zich schuldig aan een teveel aan vibrato; de heren brachten er het op dat punt beter van af. Maar uit dramatisch oogpunt wisten ze alle te overtuigen. Zonder iemand te kort te willen doen zou ik hier met name Lucile Richardot willen noemen. Het ensemble werd terecht met een ovationeel applaus beloond.

Gepost door: Johan van Veen | 28 augustus 2018

Festival Oude Muziek Utrecht 2018 – maandag 27 augustus

Maandag was geen drukke dag. Bij wijze van avondconcert werd een film vertoond, waarbij het Orlando Consort ‘passende muziek’ uit de renaissance zou zingen. Film interesseert me niet veel en ik heb dit dus aan me voorbij laten gaan. Het gaf me de gelegenheid alvast het eerste deel van mijn recensie van het festival voor mijn site voor te bereiden.

De dag begon in Hertz, waar het relatief nieuwe ensemble van de Franse klavecinist Bertrand Cuiller, Le Caravansérail, acte de présence gaf met een interessant programma. François Couperin, de belangrijkste jubilaris van dit jaar (hij werd in 1668 geboren), is één van de bekendste componisten van de barok. Zijn klavecimbelwerken en zijn instrumentale muziek worden regelmatig gespeeld en zijn ruimschoots vertegenwoordigd op CD. Dat is anders met zijn vocale oeuvre. De Leçons de Ténèbres kent iedereen, maar zijn motetten zijn nauwelijks bekend. Even onbekend is zijn wereldlijke vocale muziek. Dat deel van zijn oeuvre is overigens vrij klein en dat verklaart waarom in dit concert naast deze stukken werken van tijdgenoten klonken. De wereldlijke liederen van Couperin, Jean-Baptiste Drouart de Bousset, René de Bousset en Sébastien de Brossard behoren tot het genre van de air de cour, dat in de 17e eeuw bijzonder populair was. Aanvankelijk werden zulke liederen, zoals de term al suggereert, vooral aan het hof gezongen, maar na verloop van tijd vonden ze hun weg naar de salons van de hogere kringen. Couperin componeerde zijn liederen in de tijd dat de Italiaanse solocantate in Frankrijk steeds populairder werd en Franse componisten zich ook van die vorm gingen bedienen. Couperin deed dat niet en ook de Italiaanse invloed op het genre van het lied is bij hem afwezig. De teksten van de uitgevoerde liederen weerspiegelen de idealen van de tijd en verplaatsen ons naar Arcadië, de wereld van herders, herderinnen en nymfen. Prominent aanwezig in het programma waren airs à boire, waarin de ‘geneugten’ van de drank worden bezongen. Er zaten ook een paar spotliederen bij: “Jan (…) was gewend de helft van zijn tijd door te brengen met slapen en de andere helft met nietsdoen”. Deze liederen werden op een nogal theatrale manier over het voetlicht gebracht door de haute-contre Jeffrey Thompson en de bas Stephan MacLeod. De vraag is of dat uit historisch oogpunt gerechtvaardigd is, gezien het feit dat het hier om kamermuziek gaat. Maar dat laat zich moeilijk bewijzen. Overigens beschikt Thompson over heel wat meer theatraal talent dan MacLeod. Ook qua stijl van zingen was er verschil: MacLeod gebruikt nogal wat vibrato, in tegenstelling tot Thompson. In die zin pasten ze niet goed bij elkaar. Teleurstellend was ook de moderne uitspraak van het Frans. Het wordt tijd dat uitvoerende musici consequent gebruik maken van de historische uitspraak. Desalniettemin was het een onderhoudend concert dat licht wierp op een weinig bekend genre. Tussen de bedrijven door speelden Romina Lischka en Bertrand Cuiller de Suite in e voor viola da gamba en bc, één van de twee suites voor die bezetting, die Couperin heeft nagelaten. Het zijn beide meesterwerken en de kwaliteiten van de Suite in e kwamen goed uit de verf, dankzij het doorleefde spel van Lischka, die haar instrument een fraaie toon ontlokte. De basso continuo had iets meer presentie kunnen hebben, ook in de begeleiding van de liederen.

Nog meer Couperin klonk in de Lutherse Kerk. Dat is gewoontegetrouw de plek waar klavecimbelrecitals worden gegeven. Dit jaar klinken in vier concerten stukken uit de vier klavecimbelboeken die Couperin liet uitgeven. Aurélien Delage beet de spits af met stukken uit het eerste boek. Dat bestaat uit vijf Ordres; elk daarvan bevat een aantal dansen en vooral karakterstukken. Die laatste vormen de vernieuwing in het genre van de pièces de clavecin, die men grotendeels op het conto van Couperin kan schrijven. Uit elk van de vijf Ordres had Delage enkele stukken uitgekozen; bij de 4e Ordre beperkte hij zich tot één enkel stuk. Delages interpretatie is subtiel en kamermuzikaal; na het concert luisterde ik naar enkele stukken in de CD-opname van Michael Borgstede, en daarbij viel me het grote verschil in aanpak op. Borgstedes tempi zijn hoger en hij beklemtoont de contrasten op een vrij theatrale manier. Wat mij betreft zijn dat legitieme alternatieven; in sommige gevallen leek mij Delages interpretatie iets te vlak en had ik graag grotere contrasten gehoord, zoals in Le réveil matin (4e Ordre). Daar stond veel moois tegenover, zoals de intensiteit van de sarabande La majestueuse (1e Ordre) en de mooie flow in Les ondes uit de 5e Ordre, waarmee het programma werd besloten.

Het contrast met het volgende concert was groot. In de Pieterskerk bracht het Sollazzo Ensemble een programma rond het ‘Leuvens Liedboek’. Dat werd slechts enkele jaren geleden ontdekt en bevat een aantal stukken, die uit geen enkele andere bron bekend zijn. Aangezien Leuven deel uitmaakte van de Bourgondische Nederlanden, paste de aandacht voor deze verzameling bij het thema van het festival. Bovendien bevat het boekje een aantal stukken van componisten, die aan het Bourgondische hof werkzaam zijn geweest, zoals Ockeghem en Binchois. Het ensemble heeft in de korte tijd van zijn bestaan – het werd opgericht in 2014 – een grote reputatie verworven en dat is te begrijpen. Ik hoorde het ensemble in 2017 tijdens een concert in Zeist en was onder de indruk van zijn kwaliteiten. Die werden in dit concert bevestigd. In Perrine Devillers, Yukie Sato (sopraan) en Vivien Simon (tenor) beschikt het ensemble over uitstekende zangers met een perfect stijlgevoel die precies weten hoe ze dit repertoire over het voetlicht moeten brengen. De samenwerking binnen het ensemble is hecht, wat tot een mooie en afgewogen samenklank leidt. Ook nu werd het boeiende programma op een overtuigende manier tot klinken gebracht. Eén bedenking heb ik wel: dit is kamermuziek en de akoestiek van de Pieterskerk is daarvoor minder geschikt. In sommige stukken miste ik de intimiteit die ik met deze muziek associeer. Ik denk dat de Geertekerk in dit geval een betere optie was geweest.

Aan het eind van de avond keerde ik terug in de Pieterskerk voor een concert van het ensemble Diabolus in Musica, onder leiding van Antoine Guerber. Op het programma stonden twee requiems, gecomponeerd door Johannes Ockeghem respectievelijk Pierre de La Rue. De teksten waren in het tekstboek apart afgedrukt, want de in Requiems gebruikte teksten wijken soms nogal af. In Ockeghems Requiem wordt het Kyrie gevolgd door het graduale Si ambulem, terwijl bij La Rue dan het offertorium Domine Jesu Christi klinkt, dat bij Ockeghem het Requiem besluit. Daarin vinden we ook de tractus Sicut cervus, dat bij La Rue ontbreekt. Beide composities hebben een donkere kleur, wat vooral het gevolg is van de nadruk op de lage stemmen. Dat verklaarde ook het overwicht van de lage stemmen in het ensemble, dat bestond uit een alto, twee tenoren, een bariton, een bas-bariton en twee bassen. Dat resulteerde in een sterke en sonore klank, die in de Pieterskerk een maximaal effect sorteerde. Vorig jaar hoorde ik het ensemble in de Broederkerk in Zeist met een programma uit de periode dat de pausen in Avignon resideerden. Ik was niet erg onder de indruk, vooral doordat één van de tenoren een penetrante klank produceerde en nogal wat vibrato gebruikte. Die was er nu niet bij en daardoor klonk het ensemble veel homogener. Bovendien is de akoestiek van de Broederkerk iets te droog voor liturgisch repertoire; hier kon Diabolus in Musica optimaal profiteren van de ruime akoestiek van de Pieterskerk, waardoor de kwaliteiten van de zangers en het ensemble als geheel goed uit de verf kwamen. Nu en dan vond ik het volume iets te groot; in deze kerk hoef je niet luid te zingen om tot in de achterste rijen verstaanbaar te zijn.

Gepost door: Johan van Veen | 27 augustus 2018

Festival Oude Muziek Utrecht 2018 – zaterdag 25 augustus

De meeste mensen zullen bij de titel van het festival – ‘Het Bourgondische leven’ – in eerste instantie aan de bloeitijd van dit gebied denken: van de tweede helft van de 14e eeuw tot kort na 1500. Maar het programma beperkt zich niet tot renaissancemuziek, ongetwijfeld tot opluchting van diegenen die een voorkeur hebben voor later repertoire. Zij zullen waarschijnlijk ingenomen zijn met de ruime aandacht voor Jean-Philippe Rameau, geboren in Dijon, dat tot Bourgondië behoort. In zijn oeuvre neemt opera een belangrijke plaats in, want hoewel zijn eerste opera pas in première ging, toen hij al 50 jaar was, laat zijn werk zien dat het theater hem in het bloed zat.

Later in de week krijgen we de gelegenheid een complete opera te beluisteren – Les Boréades (woensdag 29 augustus) – maar op zaterdag kregen we alvast een voorproefje door middel van een recital van Pierre Hantaï en Skip Sempé op twee klavecimbels (Hertz). Ze vormen kennelijk een vast duo, want ze gaven al eens een soortgelijk concert in een eerdere editie van het festival. Dat moet ook wel, want Sempé zat met z’n rug naar Hantaï. Er was dus in dit geval – in tegenstelling tot de vorige keer – geen sprake van improvisatie. Weliswaar heeft Rameau een substantieel aantal klavecimbelwerken gecomponeerd, maar stukken voor twee klavecimbels zitten daar niet bij. Hantaï en Sempé speelden enkele stukken voor één klavecimbel, waarbij de de partijen verdeelden en ruimschoots versieringen toevoegden. Daarnaast klonken stukken uit opera’s in versies voor twee klavecimbels. Bewerkingen van stukken uit opera’s voor klavecimbel waren destijds heel gebruikelijk en daarnaast was ook de praktijk van het spelen van instrumentale muziek op twee klavecimbels wijdverbreid, zoals onder andere uit uitlatingen van François Couperin blijkt. Voor liefhebbers van Rameau’s opera’s was het ongetwijfeld een feest der herkenning, want diverse bekende stukken kwamen voorbij. Opvallend is dat er eigenlijk geen verschil is tussen de operatranscripties en Rameau’s originele klavecimbelwerken; die laatste zijn vaak ook theatraal van aard en verschillende van die stukken gebruikte Rameau later in zijn opera’s. Soms waren de tempi wel erg snel, waardoor de articulatie enigszins in het gedrang kwam, maar daar staat tegenover dat Hantaï en Sempé voor een bevlogen interpretatie zorgden, die aan dramatiek niets te kort kwam.

De overgang naar het volgende concert was enorm. Wars van elke vorm van theatraal vertoon is het gregoriaans, dat door het ensemble Ordo Virtutum onder leiding van Stefan Johannes Morent in de Willibrordkerk werd voorgedragen. Het was het eerste concert van een tweeluik, gewijd aan het liturgische repertoire van twee orden: de Benedictijnen en de Cisterciënzers. Aangezien het tweede concert op zondag plaatsvond, kon ik dat niet bijwonen, maar het eerste concert was in ieder geval een bijzonder interessante en muzikaal boeiende aangelegenheid. Uitgevoerd werden de belangrijkste delen – het Magnificat met antifoon uit de Vespers, het invitatorium uit de Metten en de twaalf responsoria die op de lezingen volgen – uit het Officium transfigurationis – voor het feest van de Gedaanteverandering van Christus – van Petrus Venerabilis, de later heilig verklaarde abt van het klooster van Cluny in Bourgondië. De algemene opvatting is dat tekstexpressie in deze muziek afwezig is. En naar tekstuitbeelding, zoals je die in de madrigalen uit de 16e eeuw of in barokmuziek vindt, zul je hier vergeefs zoeken. Maar opvallend is wel dat in het melodische verloop er wel degelijk een relatie met de tekst gelegd wordt. Als de tekst spreekt over de verheerlijking van Christus gaat de melodie de hoogte in, zoals bij deze tekst: “[De] verheven Heer wilde verheerlijkt worden, opdat Hij zijn majesteit in helderheid zou kunnen tonen”. De samenzang van de zes mannen van het ensemble was vlekkeloos en van een grote sonoriteit en helderheid. In de door een solist voorgedragen passages kwam aan het licht dat hun stemmen toch heel verschillend zijn. De responsoria waarin de melodie hoog ligt, werden gezongen door een zanger met een prachtige en krachtige stem, die de hoogte van een haute-contre heeft. Eén van de andere zangers had juist een stem die krachtig is in het lage register. Dat zorgde ervoor dat de contrasten tussen de verschillende responsoria goed uit de verf kwamen. Ordo Virtutum bewees opnieuw – na zijn debuut bij het festival van vorig jaar – een excellent ensemble voor liturgische muziek te zijn. Helaas heeft het oude-muziekpubliek dat nog niet ontdekt, gezien het feit dat de kerk hooguit half gevuld was.

In het festival speelt Josquin Desprez een centrale rol. Dat is één van de meest uitgevoerde componisten uit de renaissance en is goed op CD vertegenwoordigd. Dat betekent niet dat we alleen bekende zaken horen. Een verrassende invalshoek bood het concert van Música Temprana, onder leiding van Adrián Rodríguez van der Spoel in de Jacobikerk. Dit ensemble specialiseert zich op de muziek van het Iberisch schiereiland en uit Latijns Amerika. In dit geval leidde dit tot een programma dat Josquins grote reputatie in Spanje belichtte. Zijn werken waren daar wijdverbreid en er zijn nogal wat transcripties van stukken van Josquin voor vihuela, soms met een vocale partij. Opmerkelijk is dat één van de belangrijkste meesters van de Spaanse renaissance, Francisco Guerrero, boeken met muziek van Josquin liet repareren. Geen wonder dus dat enkele stukken van zijn hand te horen waren. Centraal stond Josquins Missa Hercules Dux Ferrariae, dat in een liturgisch kader werd geplaatst, waarin naast werken van Guerrero en Victoria, ook gregoriaanse gezangen te horen waren. In zijn toelichting in het programmaboek schrijft Van der Spoel over de toenmalige uitvoeringspraktijk: “En natuurlijk werden de stemmen naar Spaans gebruik verdubbeld met blaasinstrumenten: de ministriles altos met de trombones en chirimias” (schalmeien). Hier past wel de kanttekening dat niet iedereen die opvatting deelt. In feite is dit een onderwerp van discussie tussen musicologen en uitvoerende musici. Hoe dan ook, hier werden ze ingezet en dat zorgde voor een mooie kleuring. Niet dat het ensemble die nodig heeft, want zoals altijd waren de zangers weer van grote klasse. Van sopraan tot bas: het ensemble beschikt over prachtige, kleurrijke en wendbare stemmen, die ook optimaal mengen.

Voor het avondconcert keerden we terug naar Rameau. Dit keer stonden drie grands motets op het programma, uitgevoerd door het vocale en instrumentale ensemble Vox Luminis onder leiding van Lionel Meunier. Rameau’s motetten zijn beschikbaar op CD, maar zijn bij velen toch vrijwel onbekend. Dat is niet terecht, want het zijn zonder uitzondering meesterwerken. Ook in deze religieuze werken, die vroeg in Rameau’s carrière zijn ontstaan, laten al zijn theaterinstinct zien, vooral doordat hij de contrasten in de tekst uitdiept en met een veelheid aan muzikale middelen tot uitdrukking brengt. Daarbij maakt hij ook effectief gebruik van de verschillende instrumenten – o.a. in enkele opvallende obligaatpartijen – en het contrast tussen solostemmen en tutti. De soli zijn niet alleen van een grote schoonheid, maar ook uiterst expressief, zoals het récit voor sopraan dat het motet Quam dilecta – na een instrumentale inleiding – opent. Opvallend zijn ook een aantal soli voor de heute-contre, indrukwekkend gezongen door Jeffrey Thompson. Maar ook alle overige soli en ensembles (van duo tot kwartet) kwamen uitstekend uit de verf. Vox Luminis heeft eigenlijk geen zwakke plekken en dat resulteert in een hoge mate aan aristieke consistentie. Alleen nu en dan noteerde ik iets teveel vibrato bij Stefanie True en Sebastian Myrus, maar op het uiteindelijke resultaat had dit geen negatieve invloed. Hopelijk hebben de voortreffelijke uitvoeringen van Vox Luminis de bezoekers en de radioluisteraars ervan overtuigd dat Rameau’s motetten van superieure kwaliteit zijn. Ze zouden vaker moeten worden uitgevoerd, maar het niveau van Vox Luminis zal niet vaak worden gehaald. Laten we hopen dat het ensemble deze stukken ook op CD zet.

Mijn dag eindigde in de Janskerk, waar Björn Schmelzer, curator in residence, en zijn ensemble Graindelavoix gedurende het festival resideren. Het is lang geleden dat deze kerk in het festival werd betrokken en als gevolg daarvan ben ik er al een hele tijd niet in geweest. Het is een prachtig sfeervol gebouw, dat wat mij betreft vaker gebruikt zou mogen worden. De kerk ligt midden in de stad en vooral in het weekend kan dat problemen geven. Desondanks heb ik geen geluiden van het uitgaansleven gehoord en dat op zaterdagavond tijdens een concert met muziek uit de renaissance die in principe niet erg luid is. Hoewel, bij Graindelavoix is dat soms anders. Eén van de karakteristieken is de vrijheid die Schmelzer zijn zangers geeft, die voor een deel niet in de oude muziek, maar eerder in de etnische muziek geworteld zijn. Die vrijheid leidt tot duidelijke invloeden van die etnische muziek, maar ook tot vaak grote dynamische verschillen, waarvan je je afvraagt wat daarvan de reden mag zijn. In de tekst kon ik aanleiding vinden, voorzover ik die kon volgen dan, want waar ik zat kon ik de tekst niet verstaan, en aangezien de kerk vrijwel geheel verduisterd was, kon ik die ook in het programmaboek nauwelijks meelezen. Het was een interessant programma, gewijd aan ‘Bourgondische klaagzangen’. Allereerst klonken vijf chansons van Gilles Binchois, die werden gevolgd door de klaagzang op de dood van Binchois, gecomponeerd door Johannes Ockeghem. Het programma eindigde met de klaagzang op zijn dood van Josquin. Die heb ik niet gehoord, want anderhalf uur na het begin van het concert moesten de laatste twee stukken nog gezongen worden. In de chansons van Binchois en de overige werken – chansons en motetten van La Rue, Brumel, Busnoys en Agricola – lag het tempo meestal vrij laag. In tegenstelling tot de contrasten in dynamiek waren de tempi nogal uniform. Doordat ik de tekst niet goed kon volgen, is me niet duidelijk waardoor de meeste stukken zo lang duurden. Het heeft, naast het tempo, waarschijnlijk vooral met toegevoegde versieringen te maken. Ik heb soms vrij goede uitvoeringen van dit ensemble gehoord, maar dit concert kon me niet bekoren. Eerlijk gezegd was de irritatiegraad behoorlijk hoog. Dit was het enige concert van dit ensemble – afgezien van het korte optreden op vrijdagavond – dat ik zal bezoeken. Dat is wat mij betreft ook wel genoeg.

Older Posts »

Categorieën