Gepost door: Johan van Veen | 6 september 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – nabeschouwing

Het is tijd voor een nabeschouwing. Ik heb nog even die van vorig jaar doorgelezen en het trof me dat ik een aantal opmerkingen vrijwel ongewijzigd kan herhalen. Opnieuw is het aantal bezoekers gegroeid, maar nog steeds zijn er lege plaatsen, zeker bij de klavecimbelrecitals en de concerten van half elf ’s avonds. Er zijn in het festival wel jongere bezoekers te signaleren, maar het zou me niet verbazen wanneer dat grotendeels muziekstudenten zijn, ook uit het buitenland. In concerten tijdens het reguliere seizoen zie ik die niet. Ook mijn opmerkingen over de relatief geringe betrokkenheid van Radio 4 kan ik herhalen. Enkele concerten zijn rechtstreeks uitgezonden (helaas vaak in nogal belabberde geluidskwaliteit), maar opnamen voor een later tijdstip heeft men geheel aan de Concertzender overgelaten. En die is nog steeds niet overal via de kabel te ontvangen, ook niet hier in Utrecht waar de zender nota bene zijn burelen heeft. Ik heb al eens gewezen op de soms wat problematische relatie tussen muziek en ruimte; dat hoef ik niet te herhalen.

Ook de kwestie van de boventiteling in de grote zaal van TivoliVredenburg heb ik al aangesneden. Ik wil nog wel opmerken dat de vertalingen soms wel wat merkwaardig waren, voorzover je dat kunt zeggen zonder de originele tekst gezien te hebben. Het lijkt me gewoon een misser om “race” als “ras” te vertalen. Dat betekent het wel, maar in de context van de uitgevoerde werken betekent het “geslacht” in de zin van “familie”. Daar hoef je geen Engels voor gestudeerd te hebben.

Over het geheel genomen denk ik dat dit een kwalitatief heel goede aflevering van het festival was. Het thema was goed gekozen en grotendeels goed uitgewerkt. De belangrijkste genres waren vertegenwoordigd. Natuurlijk kun je altijd van mening verschillen over wat wel en niet geprogrammeerd was. In de programma’s met consortmuziek heb ik bijvoorbeeld Christopher Tye gemist; zijn consortmuziek is heel belangrijk en van hoge kwaliteit. Het ensemble Spirit of Gambo heeft recent een prachtige CD met het grootste deel van dat repertoire uitgebracht en dat zou een mooie bijdrage aan het festival zijn geweest.

Het is jammer dat de meeste zangers zich bij het uitvoeren van luitliederen tot Dowland beperken. Er waren veel meer goede componisten van zulke liederen, maar die zijn vrijwel niet aan de orde geweest. Ik noem hier in het bijzonder Henry Lawes, van wie een groot aantal liederen – waarschijnlijk grotendeels voor het theater gecomponeerd – overgeleverd zijn, die je nooit hoort en nauwelijks op CD verkrijgbaar zijn. Ook enkele componisten heb ik gemist, bijvoorbeeld John Ward of, uit later tijd, Pelham Humfrey, een uiterst interessante componist. En Dowland heeft meer gecomponeerd dan wereldlijke en instrumentale muziek. Er zijn ook psalmen, wonderlijk genoeg op melodieën uit het Geneefse psalter. Uit de 17e eeuw zijn ook veel geestelijke liederen voor huiselijk gebruik overgeleverd, o.a. van de hand van de gebroeders Lawes. Opnieuw: dat deel van het repertoire is nauwelijks bekend en dat blijft ook na dit festival zo. Tenslotte: veel Purcell is mooi, maar helaas zijn wel erg veel bekende werken uitgevoerd. Hij heeft nogal wat liederen gecomponeerd – en dan niet de tegenwoordig meestal uitgevoerde liederen uit zijn toneelmuziek – maar die hoor je vrijwel nooit. Zelfs een groot deel van zijn anthems is onbekend en dat geldt in nog sterkere mate voor die van zijn collega Blow.

Zo blijft er altijd wat te wensen over. Misschien iets voor een volgend ‘Engels’ festival.

Mijn kritiek op Christina Pluhars capriolen in Purcells Dido and Aeneas ga ik niet herhalen. Mijn opmerkingen in de vorige aflevering zijn duidelijk genoeg. Ik constateer met genoegen dat Jan Nuchelmans die kritiek in de kern deelt, al laat hij zich in het openbaar – op Radio 4 – wat diplomatieker uit. Hij wijst terecht op de verantwoordelijkheid van het festival ten aanzien van de oude muziek. Ik onderstreep ook graag zijn visie dat een historisch verantwoorde uitvoering zich niet tot de instrumenten beperkt. Die moet een Gesamtkunstwerk zijn – de term is van de NPO-omroeper – en dat zou mijns inziens betekenen dat consequenter gestreefd wordt naar de correcte stemming in renaissancemuziek en een meer historische uitspraak van teksten. Ik hoor nog teveel een moderne uitspraak van het Engels, terwijl echt wel het één en ander bekend is over de uitspraak in vroeger tijden. En misschien kan men ook eens de kwestie van dat vervelende vibrato aan de orde stellen. Vox Luminis is een prachtig voorbeeld van een ensemble dat laat horen dat vibrato helemaal niet nodig is om tot expressieve interpretaties te komen.

De beslissing dit ensemble tot artist in residence te bombarderen was een gouden greep. Het heeft zijn status volledig waargemaakt en moet als één van de beste vocale ensembles in de wereld van de oude muziek worden beschouwd. Hopelijk is het volgend jaar weer van de partij.

Dan staat Venetië centraal en daarbij wordt de schijnwerper speciaal gericht op Adrian Willaert. Ik kijk er nu al naar uit.

Gepost door: Johan van Veen | 5 september 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – zaterdag 5 september

Mijn laatste festivaldag is volgepland tot en met het avondconcert met Purcells Dido and Aeneas. Het eerste concert is in Hertz en maakt deel uit van de serie “Out of Handel’s shadow”. Dat geldt zeker voor Johan Helmich Roman, de eerste geboren Zweedse componist in de geschiedenis, maar veel minder voor Francesco Geminiani, die bepaald niet onbekend is. De laatste jaren is er toenemende aandacht voor Roman en dat is meer dan terecht, zoals dit concert door Musica ad Rhenum overtuigend laat zien. Jed Wentz speelt twee van zijn twaalf sonates voor traverso en bc; daarin klinkt niet alleen de invloed van Händel door, maar zeker ook van de Italiaanse opera. Die wordt nog eens onderstreept door Wentz’ interpretatie, waarin niet alleen de contrasten tussen de verschillende delen naar voren komen, maar ook die binnen afzonderlijke delen, onder andere door vertragingen en versnellingen zoals we die van dit ensemble gewend zijn. Van Geminiani speelt Job ter Haar één van de zes cellosonates die hij als zijn opus 5 in 1746 in Parijs uitgaf. Het zijn nogal eigenzinnige stukken waarin het ritme een belangrijke rol speelt. Dat komt in deze uitvoering goed tot z’n recht. Michael Borgstede speelt enkele klavecimbelwerken die mogelijk van de hand van Händel zijn en zich in de Montagu Music Collection bevinden. Het eerste is een Arpeggio, de twee volgende zijn bewerkingen van opera-aria’s. De tweede is nogal virtuoos en lijkt op de bewerkingen van William Babell; Borgstede verslikt zich nu en dan, maar geeft overigens mooie uitvoeringen. Tenslotte een paar bewerkingen van Schotse melodieën, die in de eerste helft van de 18e eeuw nogal populair waren in Engeland. Het zijn charmante en soms humoristische stukjes, ook door de wat eigenaardige ritmes. Wentz en zijn collega’s maken er het beste van.

In een serie gewijd aan de virginalisten kan William Byrd natuurlijk niet ontbreken. Hij kan als de eerste grote virginalist beschouwd worden die, volgens Mark Manion in het programmaboek, het klavecimbel als soloinstrument op de kaart zette en het van een geheel eigen idioom voorzag. Twee recitals zijn aan hem gewijd, beide in de Lutherse Kerk: zondag speelt Aapo Häkkinen een selectie, vandaag is het Ursula Dütschler. Het programma wordt geopend en besloten met twee fantasieën: de laatste is de briljante Fantasia in G (MB 62). Heel mooi is The carman’s whistle met een onverwachte modulatie, indrukwekkend is wat Byrd maakt van een eigenlijk simpel melodietje als The queens alman, ook bekend als Une jeune fillette, La Monica en Von Gott will ich nicht lassen. Een imitatie van klokken kan gemakkelijk triviaal worden maar dat is The Bells allerminst. Dütschler speelt dit programma heel mooi, met een grote technische beheersing en expressiviteit. Het bekende The woods so wild is één van de hoogtepunten.

De oudste muziek in dit festival wordt uitgevoerd door Dialogos onder leiding van Katarina Livljanic. Het programma concentreert zich op de cultus van Sint-Swithun, die in de 10e eeuw begon. De rode draad vormt de beschrijving van zijn leven door Wulfstan, een zanger uit Winchester; deze wordt aangevuld met gedeelten uit een hagiografie van deze heilige. Deze teksten zijn zonder muziek overgeleverd; ze worden hier voorgedragen op nieuw gecomponeerde en geïmproviseerde muziek waarin geprobeerd wordt de stijl van de tijd – voorzover die bekend is – te benaderen. Gedeelten van de tekst worden sprekend voorgedragen; er zijn ook enkele scènische elementen. Deze teksten worden afgewisseld met liturgische gezangen uit het Winchester Troparium, dat een groot aantal tweestemmige stukken bevat en daarmee een voorbeeld van de vroegste meerstemmigheid is. Deze opzet mondt uit in een bijzonder boeiend geheel – een combinatie van “storytelling” en liturgie, die op welsprekende wijze wordt voorgedragen door de vier zangeressen van Dialogos. Dit concert maakt duidelijk dat deze heel oude muziek een modern publiek zeer wel kan boeien zonder allerlei moderne fratsen.

In de Pieterskerk maakt een Portugees vocaal ensemble zijn festivaldebuut: Officium onder leiding van Pedro Teixeira. Het heeft zich tot nu toe vooral met Portugese renaissancemuziek beziggehouden; vandaag klinken Engelse werken van Byrd, Tallis en Sheppard. De programmering is niet erg origineel: het is een beetje “the best of”. Met uitzondering van de vierstemmige mis van Byrd hebben alle stukken al eerder tijdens dit festival geklonken. Daar staat tegenover dat het ensemble zijn visie op deze muziek met overtuiging verdedigt en een mooi visitekaartje afgeeft. Opvallend zijn de aandacht voor de tekst – die is meestal te verstaan, wat bepaald geen vanzelfsprekendheid is – en soms sterke dynamische accenten, die bij mij wel vragen oproepen. Ik noteer ook een soort van warmte die de uitvoeringen van dit ensemble kenmerken en die je van Engelse ensembles meestal niet hoort. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in het overbekende Ave verum corpus van Byrd. Hoogtepunt is Tallis’ Miserere nostri, Domine dat een bijna electrificerende interpretatie krijgt; in dit stuk staan de zangers in een kring. Dat zouden ze vaker moeten doen; het lijkt de intensiteit van de uitvoeringen te bevorderen. De kennismaking met Officium is me goed bevallen en hopelijk komt het ensemble in een volgende editie van het festival terug.

Naar mijn laatste concert van dit festival heb ik uitgekeken. Purcells enige opera Dido and Aeneas is een meesterwerk, en Mariana Flores zal de titelrol zingen. Ik heb haar de afgelopen jaren op concerten en op CDs als een zeer expressieve zangeres leren kennen en ik verwachtte een hoogst expressieve interpretatie van de rol van Dido, vooral van die beroemde slotaria ‘When I am laid in earth’, één van de mooiste in de barok. Ze stelt niet teleur; ze zingt haar rol met grote intensiteit. Maar helaas wordt de positieve indruk daarvan door Christina Pluhar volledig teniet gedaan door de voor haar typerende eigenzinnigheden, zoals allerlei jazz-achtige interpolaties. De hele proloog wordt op een onhistorische manier bij elkaar gerommeld. De scènische elementen zijn buitengewoon smakeloos en vaak zonder meer vulgair. Zoals altijd zet Pluhar de partituur naar haar hand en doet ze dingen die historisch ingefundeerd zijn. Ze gebruikt in het orkest een contrabas, terwijl vaststaat dat dit instrument in Purcells tijd in Engeland niet gebruikt werd. Een zink heeft in Dido and Aeneas niets te zoeken. In de proloog werd ook nogal vals gespeeld. En waarom doen de heksen alsof ze niet kunnen zingen?
Het is me een raadsel waarom gerespecteerde musici als Mariana Flores of eerste violiste Veronika Skuplik aan dit soort flauwekul meewerken. Met historische uitvoeringspraktijk heeft dit allemaal niets te maken. Door de muziek van Purcell op te leuken – althans, ik neem aan dat ze het zelf wel leuk vindt – geeft Pluhar er blijk van die niet serieus te nemen. En wie een componist en zijn muziek niet serieus neemt, hoort niet in dit festival thuis.

Ik had me mijn slotavond van het festival anders voorgesteld.

Maandag volgt een slotbeschouwing.

Gepost door: Johan van Veen | 5 september 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – vrijdag 4 september

Na de relatief onbekende Giles Farnaby die gisteren tijdens het dagelijkse klavecimbelrecital belicht werd, staat vandaag Thomas Tomkins op het programma. Hij kan als één van de laatste virginalisten worden beschouwd. Van hem zijn rond de 70 klavierwerken bewaard gebleven; het grootste deel schijnt uit de laatste jaren van zijn leven te dateren. Stilistisch behoren ze tot een eerder tijdperk en vertonen de invloed van Byrd, die waarschijnlijk zijn leermeester was. In het programma dat Carole Cerasi in de Lutherse Kerk speelde, waren verschillende genres vertegenwoordigd: liedvariaties (Fortune my foe), dansen (een pavan en galliard), A Fantasi en, ter opening en afsluiting, twee grounds. Veel stukken van Tomkins zijn heel virtuoos; de interpreet moet over soepele vingers beschikken om het veeleisende passagewerk goed te realiseren. Dat was bij Cerasi, die in 2001 een CD met werken van Tomkins uitbracht, prima in orde. A grounde waarmee het programma afsloot, was een indrukwekkend voorbeeld van Tomkins’ meesterschap en Cerasi’s vaardigheid. Maar ook in de langzamere en meer introverte stukken wist ze te overtuigen, zoals in A sad paven for these distracted times. Ritmische precisie kenmerkte haar spel in Barafostus dreame en Fortune my foe en de snelle galliards. Een mooi concert om de dag mee te beginnen.

De Franse sopraan Anne Azéma is al weer jaren geleden te gast geweest in het festival. Ze was terug met een interessant programma waarin in feite niet zozeer de muziek als wel de teksten centraal stonden. In de middeleeuwen werden de teksten die hier werden gepresenteerd, in de regel niet gelezen – de meeste mensen konden helemaal niet lezen – of voorgedragen, maar vooral gezongen. Helaas zijn maar weinig teksten met de bijbehorende muziek overgeleverd. Dus moet degene die zulke teksten aan een modern publiek wil laten horen, een list verzinnen. Hij kan bijvoorbeeld gebruik maken van wel overgeleverde muziek op andere teksten of zonder tekst. Maar men kan ook proberen nieuwe muziek in de stijl van de tijd te schrijven. Verschillende experts hebben dat gedaan en enkele voorbeelden waren in dit concert te horen. Naast enkele orginele melodieën hoorden we nieuwe melodieën in middeleeuwse stijl van onder andere John Fleagle, Margriet Tindemans en Shira Kammen. Laatstgenoemde bespeelde tijdens dit concert de vedel en de harp en droeg op improvisatorische wijze enkele instrumentale stukken voor. Onder de teksten vindt men moralistische, maar ook humoristische; beide werden op welsprekende wijze door Azéma voorgedragen, in één geval heel passend vanaf de kansel. Hoewel de teksten strikt genomen geen verhalen vertellen, had dit programma in een vroegere editie heel goed onder het thema “storytelling” gerangschikt kunnen worden. Anne Azéma en Shira Kammen lieten zich beide kennen als bedreven verhalenvertellers, de ene met haar stem, de andere met haar instrument.

Het Franse ensemble Doulce Mémoire onder leiding van Denis Raisin Dadre voerde de luisteraar terug naar het begin van de 16e eeuw, toen Frans I koning van Frankrijk was. In 1519 werd Karel V keizer van het Heilige Roomse Rijk en Spanje wat het machtsevenwicht in Europa bedreigde. Om daartegen tegengewicht te kunnen bieden ontmoetten Frans en Hendrik VIII van Engeland elkaar in Noord-Frankrijk in het zogenaamde Goudlakenkamp. Bij die gelegenheid werd uiteraard ook veel muziek uitgevoerd; beide vorsten hadden hun eigen kapel meegebracht. Dat bracht Raisin Dadre op het idee de twee stijlen naast elkaar te zetten. Welke muziek uitgevoerd werd is niet bekend. Op grond van allerlei overwegingen – die hij uitvoering toelicht in de recente CD-opname (ZigZag Territoires) – koos hij voor een afwisseling van delen uit de Missa Quare fremuerunt van Claudin de Sermisy en de Missa Benedicta van Nicholas Ludford. Die werden ook op verschillende manieren uitgevoerd: de eerste met stemmen en instrumenten, de laatste a capella. Het zou nog interessanter zijn geweest als ook verschillende zangers waren ingezet. Maar waarschijnlijk is niet of nauwelijks te zeggen in welk opzicht de manier van zingen van beide kapellen van elkaar verschilde. In elk geval leverde dit programma een heel interessant contrast op. Het ensemble zorgde voor een heel mooie uitvoering, waarbij gezegd moet worden dat de misdelen van Sermisy beter uit de verf kwamen dan die van Ludford. Dat kwam vooral doordat tenor Hugues Primard een wat penetrante stem heeft die in de a capella gezongen misdelen te duidelijk aanwezig was. Tussen de misdelen klonken niet in het programma vermelde instrumentale stukken, waarschijnlijk dezelfde die ook op de CD gespeeld worden. Daarop staat dit programma overigens in een wat uitgebreidere versie en de tweede CD bevat wereldlijk repertoire.

Het orkest is een uitvinding van de 18e eeuw. Dat wil zeggen, volgens Paul McCreesh verlangde Purcell in zijn tweede Ode for St Cecilia’s Day uit 1692 voor het eerst in Engeland een echt orkest. Dus we moeten dan de late 17e eeuw als de tijd van ontstaan van het orkest beschouwen. Toch trad Skip Sempé in TivoliVredenburg met zijn Capriccio Stravagante Renaissance Orchestra op. Op het programma stond instrumentale muziek uit de vroege 17e eeuw: consortmuziek van Engelse componisten – elk van de vier blokjes opende met één van de Lachrimae pavans van Dowland – en dansen van de Duitse componist Michael Praetorius. Het is waar dat in die tijd instrumentale ensembles van gemengde samenstelling speelden, maar de vraag is wel of die zo groot waren als wat hier te horen was. Bovendien was het in de 16e eeuw niet gebruikelijk dat instrumenten die in consort gebouwd werden – dus in verschillende stemmingen, zoals blokfluiten – samen met andere instrumenten speelden. Was dat in de tijd van Dowland en Praetorius anders? De laatste was ruimschoots vertegenwoordigd, maar het lijntje tussen hem en Engeland is flinterdun. Veel van de dansen die hij in zijn verzameling Terpsichore opnam, zijn bewerkingen van Franse dansen, die toen vaak al eeuwen oud waren. In die zin was hij een beetje een vreemde eend in de bijt van een aan Engelse muziek gewijd festival. Dat ook een aantal stukken van William Brade werden uitgevoerd lag meer voor de hand. Hij was van Engelse origine en vestigde zich in Noord-Duitsland; daardoor raakten Duitse componisten als Samuel Scheidt vertrouwd met de Engelse consortmuziek. Er zijn dus wel enkele kritische kanttekeningen bij dit concert te plaatsen. Maar het was buitengewoon onderhoudend: de muziek was prachtig en zeker niet eentonig, zoals een paar bezoekers in mijn omgeving meenden. Dat lag ook aan de voortreffelijke uitvoering door het ensemble met uitstekende strijkers en blazers en een slagwerkster die op het scherp van de snede acteerde. Ik had nog een half uurtje meer hiervan niet erg gevonden.

Gepost door: Johan van Veen | 4 september 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – donderdag 3 september

Vandaag eerst naar Hertz in TivoliVredenburg voor een concert in de ‘subserie’ “Out of Handel’s Shadow”. Op het programma staan sonates voor viool en basso continuo van Händel, Corelli, Barbella en Festing. Het is de vraag of “out of Handel’s shadow” hier wel zo’n goed opschrift is, want weliswaar zijn Händels vioolsonates niet onbekend, maar het zou overdreven zijn te zeggen dat ze deel uitmaken van het standaardrepertoire. Dat is anders met de vioolsonates op. 5 van Corelli, waaruit Bojan Cicic (viool) en Maude Gratton (klavecimbel) de zesde in A speelden. Cicic merkte op dat je ook zou kunnen zeggen “out of Corelli’s shadow”, want zo groot was diens invloed. Van Händel klonken drie sonates en één van zijn tijdgenoot Michael Christian Festing, een vioolvirtuoos die o.a. leerling was van Geminiani. Tenslotte klonk nog een sonate van Emanuele Barbella, een componist uit Napels. In de jaren 1760 bezocht hij Londen waar verschillende collecties met kamermuziek werden uitgegeven, daaronder een serie van zes vioolsonates waaruit Cicic de derde in D speelde. In zijn korte toelichtingen kwam hij over als een heel introverte persoonlijkheid, maar dat veranderde zodra hij de viool ter hand nam. In zijn spel liet hij zich kennen als een uiterst gedreven musicus, die elke sonate binnenste buiten keerde. Zijn expressieve interpretaties resulteerden in een boeiend concert waarin de stilistische verschillen tussen de vertegenwoordigde componisten mooi tot uiting kwamen. Maude Gratton is ook niet van de uitbundige soort, maar gaf een uitstekende uitvoering van de Suite in F (HWV 427) van Händel.

Vervolgens naar de Lutherse Kerk voor een recital van Catalina Vicens, die de schijnwerpers richt op Giles Farnaby, een minder bekende virginalist. Daar had ik naar uitgekeken, niet alleen vanwege de kwaliteiten van de klaveciniste, maar in de eerste plaats vanwege Farnaby. Zijn muziek hoorde ik voor het eerst via een grammofoonplaat van de helaas jong overleden Canadese klavecinist Bradford Tracey. Sindsdien heeft Farnaby me niet meer losgelaten. Zijn muziek is levendig en inventief, met prachtige versieringen van destijds populaire melodieën en met pregnante ritmes. Catalina Vicens speelde prachtig, afwisselend op een klavecimbel en een muselaar en de versieringen kwamen goed tot hun recht. Toch verliet ik het concert met een gevoel van teleurstelling omdat die pregnante ritmes veel minder uit de verf kwamen. Dat lag aan de meestal nogal trage tempi. Sommige stukken herkende ik nauwelijks. In haar programmatoelichting legde Vicens wel erg de nadruk op de charmante kant van Farnaby. Ik vond haar interpretatie te lievig, te poezig – uiteindelijk werd Farnaby’s muziek te onschuldig. De pit en de scherpte en ook het briljante van zijn muziek bleven onderbelicht.

De heel vroege muziek uit Engeland heeft in dit festival nog niet bijzonder veel aandacht gekregen, maar er staan nog enkele concerten met muziek uit de tijd vóór Hendrik VIII geprogrammeerd voor de laatste dagen (Anne Azéma, Dialogos, La Morra). Ook het concert van La Capilla was aan vroeg repertoire gewijd en daarin stond John Dunstaple centraal. Hij is degene die verantwoordelijk wordt gehouden voor de invloed van de contenance angloise op het continent. Hoe dat precies gebeurde is niet duidelijk. De historici zijn het er niet over eens of hij zelf voet op continentale bodem heeft gezet. De leden van La Capilla ontdekten echter drie continentale bronnen voor zijn chanson Puisque m’amour terwijl het in geen enkele Engelse bron overgeleverd is. Misschien is hij er toch zelf geweest? Interessant is ook dat een anonieme mis gebaseerd is op ditzelfde chanson; in het concert klonken zowel het chanson als drie delen uit deze mis. Daarnaast motetten van Dunstaple, soms voorafgegaan door de gregoriaanse zetting van dezelfde tekst en enkele werken van tijdgenoten: Binchois, Regis en Dufay. Van de laatste hoorden we o.a. het beroemde Se la face ay pale. De St.-Willibrordkerk is de ideale plek voor dit soort muziek en de akoestiek hielp mee om de gezongen stukken optimaal over het voetlicht te brengen. De tenor, bariton en bas produceren een mooi sonoor geluid; prachtig ingetogen waren de gregoriaanse gezangen. De polyfonie werd zeer eloquent ten gehore gebracht, soms voor in de kerk, dan weer links voor en aan begin en einde achter in de kerk. Een speciaal compliment verdient de alto Bart Uvin, die op korte termijn de ziek geworden Rob Cuppens verving. Hij voegde zich perfect in het geheel en was in het begin ook solistisch te horen – met luitist Jan Van Outryve die een aantal mooie intavolaties speelde – in Dunstaples Nesciens mater. La Capilla is een waardige opvolger van de Capilla Flamenca waaruit het is voortgekomen en dat werd opgeheven na het overlijden van Dirk Snellings.

In de Geertekerk werd uit een heel ander vaatje getapt. “Orpheus Brittannicus” was de titel van het concert van de sopraan Dorothee Mields en de blokfluitist Stefan Temmingh, met Axel Wolf (luit) en Sebastian Wienand (klavecimbel). De titel slaat op een publicatie uit 1698 waarin een aantal solostukken uit Purcells theaterwerken werden opgenomen. Ook in onze tijd wordt die vaak gebruikt voor concerten en CD-opnamen. In dit programma klonken bijvoorbeeld The plaint: O let me weep, dat afkomstig is uit The Fairy Queen en – minder bekend – Celia hath a thousand charmes uit The Rival Sisters. The plaint heeft een obligate partij voor een melodieinstrument en die wordt meestal op viool gespeeld, maar hier op de blokfluit, wat gebaseerd is op de visie van Peter Holman dat deze voor blokfluit bedoeld is. Er klonken nog andere stukken: Corydon, een mooie cantate voor sopraan, blokfluit en bc van Christoph Pepusch, tijdgenoot van Händel, een catch van Purcell en enkele anonieme stukken. Pièce de résistance was de Sonate in F uit Corelli’s sonates op. 5, hier in een versierde versie voor blokfluit van William Babell. Babell was een specialist in dit soort bewerkingen: hij arrangeerde ook vele opera-aria’s van Händel voor klavecimbel en daarin valt – evenals in deze sonate van Corelli – de veelheid van noten op. Charles Burney had er niet veel mee op: hij schreef dat Babell “acquired great celebrity by wire-drawing the favourite songs of the opera of Rinaldo, and others of the same period, into showy and brilliant lessons, which by mere rapidity of finger in playing single sounds, without the assistance of taste, expression, harmony or modulation, enabled the performer to astonish ignorance, and acquire the reputation of a great player at a small expence … Mr Babel … at once gratifies idleness and vanity”. De muzikale waarde van het origineel overstijgt die van de bewerking verre. Telemann zou er hoofdschuddend naar geluisterd hebben: hij moest niets hebben van virtuositeit als doel in zichzelf. Maar het is interessant en nodig zulke stukken als tijdsbeeld te laten horen. Temmingh speelde fantastisch. De musici maakten er met elkaar een mooi feestje van. Leuk voor een uur, maar ook niet meer.

Dinsdagavond hoorden we in TivoliVredenburg de masque Venus and Adonis van John Blow, geen volledig onbekend werk, maar zeker niet vaak uitgevoerd. Vrijwel onbekend is Semele, een opera in drie acten van John Eccles. In 1700 had hij deelgenomen aan een wedstrijd betreffende de compositie van William Congreve’s masque The Judgement of Paris. Hij eindigde als tweede, maar zijn versie werd snel de meest populaire. Semele was bedoeld voor de opening van het Haymarket Theatre in 1704, maar Eccles had zijn opera pas drie jaar later af en toen was de Italiaanse opera inmiddels tot Engeland doorgedrongen. Semele werd nooit opgevoerd en Eccles trok zich – kennelijk uit teleurstelling – terug uit het openbare muziekleven. Onder leiding van Fabio Bonizzoni werd dit werk uitgevoerd – op een enkel scènisch moment na strict concertant – met zijn eigen ensemble La Risonanza. Dat lijkt misschien verrassend, maar pakte goed uit. Ik was van deze uitvoering meer gecharmeerd dan van wat het Dunedin Consort van Blow’s masque maakte. La Risonanza speelde veel kleurrijker en ritmisch pittiger; Bonizzoni gaf de dramatische aspecten het volle pond. Daartoe droegen ook de solisten bij, die zonder uitzondering prima prestaties leverden. Uit stilistisch oogpunt heb ik wel mijn bedenkingen. Ik vind het teleurstellend dat Stefanie True, die ik eerder in concerten en CD-opnamen bewonderde voor haar stijlvolle manier van zingen, zich inmiddels een flink vibrato heeft eigen gemaakt. Dat was trouwens vooral het geval als ze forte zong. Hetzelfde euvel was ook bij andere zangers te constateren. Dat doet aan mijn waardering voor deze uitvoering niets af. Ze maakte duidelijk dat we het hier met een serieuze opera van uitstekende kwaliteit van doen hebben, die op het programma van operahuizen thuis hoort. Het is te hopen dat Bonizzoni de gelegenheid krijgt het werk op CD op te nemen.

Veel intiemer ging het eraan toe in Hertz, op de late avond, waar het blokfluitensemble Mezzaluna en luitist Paul O’Dette “kamermuziek voor de Tudors” speelden. Uitgangspunt waren Hendrik VIII en zijn muzikale smaak, die in latere jaren sterk Italiaans gekleurd was. Vandaar dat diverse stukken van Italiaanse componisten te horen waren, zoals Willaert, Arcadelt en Ruffo. Daarnaast klonken luitstukken uit de tijd van Hendrik en ook van latere generaties van de Tudors: Philip van Wilder, John Johnson en Daniel Bachelar. Een interessant en onderhoudend programma, dat prima werd vertolkt door het levendig en zuiver spelende blokfluitconsort. Paul O’Dette is één van de belangrijkste luitisten van onze tijd en droeg de luitstukken in een welsprekende stijl voor. De laatste stukken van het programma – van Augustine Bassano en Ferrabosco II – werden door Mezzaluna en O’Dette samen gespeeld. Een mooi concert om de dag mee te besluiten.

Gepost door: Johan van Veen | 3 september 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – woensdag 2 september

Woensdag begint waar dinsdag mee eindigde: muziek van John Jenkins. In de Geertekerk treedt het ensemble Fantasticus op. Bij aanvang van het concert wordt meegedeeld dat de violiste Rie Kimura ziek is. Ze wordt vervangen door Antoinette Lohmann. Ik weet niet hoeveel tijd zij heeft gehad zich op dit concert voor te bereiden, maar het is opmerkelijk hoe gemakkelijk ze zich door het programma heenwerkt. Ook het samenspel met Robert Smith (viola da gamba) en Guillermo Brachetta (klavecimbel, orgel) staat als een huis. In het concert van gisteren (Ensemble Masques) konden we al horen hoe de viool in het oeuvre van Jenkins langzaam maar zeker een grotere plaats inneemt. In de suites die toen werden uitgevoerd functioneren ze als alternatief voor de gamba; deze werken kunnen ook als consortmuziek gespeeld worden. In de fantasias-suites die op het programma van Fantasticus staan is daarvan geen sprake meer. Ze bestaan uit drie delen: een uitgebreide fantasia en twee korte dansen of airs. De vorm van de fantasia-suite werd ontwikkeld door John Coprario, maar Jenkins’ bijdragen tot dit genre zijn veel moderner. De vioolpartij is opvallend virtuoos, vooral in de fantasia’s. Wat Jenkins hier doet met de viool zou men kunnen vergelijken met wat Christopher Simpson met de gamba deed, zoals het al genoemde concert van gisteravond liet zien. Ook William Lawes was vertegenwoordigd met een vergelijkbaar werk, Fantazia and ayres nr. 8 in D. In de programmatoelichting werd erop gewezen dat ze elkaar waarschijnlijk beïnvloed hebben. Naast deze twee geboren Engelsen prijkte de uit Napels afkomstige Nicola Matteis op het programma. Hij vestigde zich rond 1670 in Engeland en liet de Engelsen verbaasd staan om zijn ongeëvenaarde virtuositeit. Die komt in zijn vioolwerken duidelijk tot uiting. Sommige van die stukken zijn nogal bizar, maar in dit programma hoorden we enkele relatief ‘conventionele’ werken. Ik heb niets dan bewondering voor de verrichtingen van Antoinette Lohmann, die prachtig speelde: technisch gaaf en muzikaal en stilistisch overtuigend. Ook Smith en Brachetta leverden uitstekende prestaties. Fantasticus is een in Nederland gevestigd ensemble, dus we mogen hopen het vaker op onze podia tegen te komen.

De serie klavecimbelrecitals werd voortgezet door Richard Egarr. Dat was weer in Hertz; ik heb iemand horen zeggen dat de Lutherse Kerk een veel betere plek voor dit soort concerten is. Daar ben ik het eigenlijk wel mee eens. Hertz is een mooie zaal en de akoestiek is prima, maar de Lutherse Kerk heeft iets eigens. Het is bijna een soort grote huiskamer en er is een directer contact tussen de musicus en zijn publiek. Egarr had twee componisten en tijdgenoten op het programma staan: Henry Purcell en John Blow. De klavecimbelwerken van beide zijn vrij onbekend, hoewel Purcell op CD heel wat beter vertegenwoordigd is dan Blow. Egarr voerde een pleidooi voor Purcell; hij heeft ook al eens een CD met zijn klavecimbelwerken opgenomen. Sommige suites zijn technisch weinig gecompliceerd, maar dat wil niet zeggen dat ze van weinig waarde zijn. De relatieve eenvoud heeft z’n eigen charme en onderhoudend zijn Purcells suites zeker. Dat kwam in Egarrs interpretatie goed uit de verf. Hij speelde ook drie grounds, een in Engeland in die tijd heel populaire vorm. Purcell maakte er vaak gebruik van, ook in vocale muziek; enkele van die vocale grounds zijn later voor klavecimbel bewerkt, zoals de door Egarr ook gespeelde A new ground in e, een bewerking van ‘Here the deities approve’ uit Purcells eerste Ode for St Cecilia’s Day, dinsdag j.l. door de Gabrieli Consort & Players uitgevoerd. Opmerkelijk waren de twee werken van Blow, die ik nooit eerder had gehoord. Vooral de Chaconne in FaUt is een opmerkelijk werk, virtuozer dan Purcells klavecimbelwerken. Wie dit stuk hoort verbaast zich erover dat het blijkbaar nooit gespeeld wordt. Ook de Suite in d is een mooi stuk, met soms merkwaardige harmonieën. Egarrs enthousiasme voor de door hem uitgekozen muziek was aanstekelijk en hij wist met zijn spel de toehoorder van de kwaliteiten daarvan te overtuigen.

Vox Luminis kennen we vooral van muziek uit de barok. Het was daarom interessant te horen hoe men het Engelse renaissancerepertoire zou aanpakken. In de Pieterskerk werd een programma met anthems uitgevoerd onder de titel “Light and shadow”. Dat laatste sloeg op de inhoud van de verschillende anthems en motetten. Op het programma stonden motetten op Latijnse tekst voor de rooms-katholieke liturgie en anthems voor de Anglicaanse liturgie in het Engels. Het ensemble gebruikte de ruimtelijkheid goed door enkele stukken in het koor uit te voeren of een zanger die de gregoriaanse verzen zong zijwaarts op te stellen. Vox Luminis produceert een nogal sonore klank, die afwijkt van wat we van Engelse ensembles gewend zijn. Of dat aan de stemmen of aan de training ligt is moeilijk te zeggen. In Engeland zijn er koren van jongens- en mannenstemmen die ook een afwijkende klank produceren en dat wordt dan ‘continentaal’ genoemd, dus het zal waarschijnlijk aan de training liggen. Wat de historische waarheid – als die hier al bestaat – het meest benadert is waarschijnlijk onmogelijk uit te maken. Mij beviel dit ‘alternatief’ heel goed, en dat lag natuurlijk ook aan het niveau dat we van dit ensemble gewend zijn. De samenklank, de dynamiek, de manier waarop de tekst werd behandeld – het getuigde allemaal van de intelligentie en het stijlbewustzijn waarmee Vox Luminis te werk gaat. Het programma eindigde met een prachtig subtiel gezongen In pace in idipsum van Sheppard. Hopelijk horen we het ensemble vaker in renaissancerepertoire.

Het is algemeen bekend dat in Engeland de opera niet van de grond kwam. Purcells Dido and Aeneas wordt als de enige echte Engelse opera beschouwd. Maar er is ook Venus and Adonis van John Blow. Of dat een opera is, daarover zijn de meningen verdeeld. Blow zelf noemde het een masque. Het Dunedin Consort dat onder leiding van John Butt de laatste jaren een aantal opmerkelijke CD-opnamen heeft uitgebracht, maakte zijn debuut in Utrecht met dit werk. Het was een concertante uitvoering en – in tegenstelling tot Purcells King Arthur – werden hier geen scènische elementen ingebracht. Heel dramatisch is het werk ook niet; er zit nauwelijks handeling in. Dat wil niet zeggen dat er niets dramatisch gebeurt: Adonis wordt tijdens de jacht door een everzwijn dodelijk gewond waarna Venus in een jammerklacht uitbarst. Die is wel expressief, maar ook ingetogen. Typisch Engels, zou je kunnen zeggen: laten we vooral niet overdrijven. Die klaagzang werd door Mhiari Lawson goed gezongen, maar stilistisch was ik van haar verrichtingen niet erg onder de indruk. Haar nogal vibratorijke gezang kon me niet erg bekoren. In het algemeen vond ik de vocale verrichtingen niet bijzonder; ook Matthew Brook maakte weinig indruk als Adonis. Claire Wilkinson was het meest overtuigend als Cupid. Het instrumentaal ensemble speelde mooi, maar niet bijzonder spannend of inventief. Venus and Adonis is zeker een mooi werk dat terecht werd uitgevoerd in het festival, want ondanks verschillende CD-opnamen is het niet echt bekend. Maar deze uitvoering was nauwelijks een overtuigend pleidooi voor het werk. En het Dunedin Consort is niet de ontdekking van de eeuw die ik persé in een volgende editie terug wil zien. In het eerste deel van het concert, in het programmaboek enigszins oneerbiedig als ‘voorprogramma’ aangeduid, klonken instrumentale werken van Henry Lawes, Gibbons en Locke, en vocale werken van Weelkes en Ward. Die laatste twee componisten verdienen veel meer aandacht; vooral Ward wordt zelden uitgevoerd – ook niet in dit festival, en dat is een gemis, want zowel zijn vocale werken als zijn consortmuziek zijn van hoge kwaliteit. Dat kwam hier wel tot z’n recht; het eerste deel van het concert sloeg ik hoger aan dan Blow, hoewel ook hier het vibrato van enkele zangers de samenklank enigszins ondermijnde.

Je hoopt altijd dat in het festival muziek te horen is die je nog niet kende. Dat was zeker het geval in het concert op de late avond door Spes Nostra, een gambaconsort onder leiding van Jérôme Hantaï. Het grootste deel van het programma was afkomstig uit een handschrift dat zich in de British Library bevindt. Daar staan een aantal stukken in die uit andere bronnen ook bekend zijn, maar ook unica, werken die alleen hierin voorkomen. Het programma was opgedeeld in drie onderdelen. Het eerste was gewijd aan hymnes: het handschrift bevat een aantal vocale werken die zonder tekst zijn genoteerd. Dat laat zien dat vocale muziek vaak ook instrumentaal werd uitgevoerd. En zo hoorden we hier o.a. Spes nostra van Osbert Parsley en Miserere van Henry Stoning, namen die de meeste muziekliefhebbers niets zullen zeggen en die ik ook voor het eerst hoorde. Natuurlijk konden enkele In nomine’s niet ontbreken. In het tweede deel hoorden we dansen: een pavan van Ferrabosco II en een almand van Dowland, met daartussen vier stukken van Holborne. Geen slagwerk dit keer, in tegenstelling tot het openingsconcert van vrijdag. Ik werd bevestigd in mijn indruk dat dit ook helemaal niet nodig is. Ritmisch was hier alles in orde en Spes nostra speelde deze dansen heel levendig. Het concert eindigde met vier prachtige stukken van Byrd: twee fantasia’s en twee In nomine’s. Ze kregen een indringende en beklijvende interpretatie van een ensemble dat een prachtige en doorzichtige klank produceerde. Spes nostra zorgde voor één van de interessantste concerten van dit festival.

Gepost door: Johan van Veen | 2 september 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – dinsdag 1 september

Een verhoudingsgewijs rustige dag, met slechts vier concerten, begon in de Lutherse Kerk met weer een aflevering in de klavecimbelserie. Net als sommige andere concerten stond dit onder het kopje “Out of Handel’s shadow”. Dat geldt eigenlijk alleen voor Giovanni Bononcini, want hij was een tijdgenoot van Händel. Het is niet van toepassing op Giovanni Battista Draghi (c1640-1708): hij was al overleden lang voordat Händel zelfs maar voet op Engelse bodem had gezet. Hij vestigde zich rond 1662 in Engeland en was daarmee één van de eerste Italiaanse componisten die zijn geluk in Engeland kwamen beproeven. Een deel van zijn oeuvre is verloren gegaan, daaronder verschillende grote vocale werken. Hij werd speciaal bewonderd als klavecinist en Luca Guglielmi had vier van zijn werken voor zijn recital geselecteerd. Draghi was een tijdgenoot van Purcell en dat is te horen. Heel verrassend was de opening van het recital: de Ground in c ‘Scocca pur’ heeft een basthema dat wie Purcells muziek kent heel bekend zal voorkomen. Na de expositie van dat thema verwachtte ik een aria van Purcell te zullen horen. In de navolgende suites in g klein en G groot is de overeenkomst met Purcell minder opvallend, maar dat komt vooral doordat Purcells klavecimbelsuites niet echt bekend zijn. De Suite in G eindigt met een briljant deel, getiteld The Hunting Tune. Alle delen hebben overigens Engelse titels, zoals aire en corrant. De Toccata in c verraadt de Italiaanse afkomst van Draghi. Na de eeuwwisseling zouden veel meer Italiaanse componisten voor kortere of langere tijd zich in Engeland en met name Londen ophouden. Daaronder was ook Giovanni Bononcini, wiens muziek – en dan vooral zijn opera’s – populair waren en tot pogingen leidden hem naar Engeland te halen. Dat lukte in 1720; hij bleef een aantal jaren en kon zich in het succes van zijn opera’s verheugen. Guglielmi had drie divertimenti uit een bundel van acht uitgekozen, die in 1722 in twee edities in Londen verschenen: één voor viool of traverso en bc en één voor klavecimbel solo. De laatste is grotendeels identiek aan de eerste, afgezien daarvan dat enkele naar een andere toonsoort werden getransponeerd. Zowel onder professionele musici als onder amateurs was Italiaanse muziek heel populair en deze werken staan dan ook in puur Italiaanse stijl, in vier delen volgens het vertrouwde schema langzaam-snel-langzaam-snel, met uitzondering van het Divertimento VIII in c, dat drie delen heeft. Bij deze klavecimbelversies hebben we het met uitstekende muziek van doen, die een interessante uitbreiding van het klavierrepertoire van de barok zijn. Luca Guglielmi is een creatieve geest, die al verschillende CDs met ongebruikelijk repertoire het licht heeft doen zien (Galuppi, Hasse, Platti, Bernardo Pasquini). Een programma als dit past helemaal in zijn straatje en hij droeg de uitgekozen werken met zwier en grote technische beheersing voor. De combinatie van repertoire en voordracht resulteerde in een uiterst boeiend recital dat door de toehoorders met langdurig applaus beloond werd.

Het vocaal ensemble Cinquecento is al verschillende keren te gast geweest op het festival. Het heeft zich in de relatief korte tijd van zijn bestaan opgewerkt tot één van de belangrijkste vertolkers van de polyfonie van de renaissance, wat gedocumenteerd is in verschillende CD-opnamen (Hyperion). Het houdt zich hoofdzakelijk bezig met componisten die op het continent werkzaam waren. Of het al eerder muziek van Engelse componisten gezongen heeft weet ik niet, maar in elk geval zijn daar geen CDs van. Het was dus in zekere zin verrassend dat Cinquecento in dit festival acte de présence gaf met repertoire dat vrijwel uitsluitend door Engelse ensembles wordt geïnterpreteerd. In de Pieterskerk zong het ensemble muziek van Christopher Tye, die één van de toonaangevende componisten van zijn tijd was. Helaas zijn maar weinig vocale werken van hem bewaard gebleven en de overgeleverde werken zijn niet altijd ongeschonden; soms ontbreken één of meer stemmen. Dat is ook het geval met de vijfstemmige mis – aangeduid als The mean Mass – die de rode draad van het programma vormde. Hiervan ontbreekt de tenorpartij die echter kon worden gereconstrueerd. Hierin komt de eigenzinnige harmonie die veel werken van Tye eigen is, goed tot uiting, ook dankzij de loepzuivere intonatie van de vijf zangers. Die droeg er ook toe bij dat de nog verdergaande experimenten met samenklanken in Jesu salvator saeculi van John Sheppard perfect hoorbaar waren. Naast dit werk werden enkele stukken van Tallis ten gehore gebracht, waarmee Tye in een zinvolle historische context werd geplaatst. De meeste Engelse ensembles zingen deze muziek met een groter aantal zangers. Dat zou weleens dichter bij de historische werkelijkheid kunnen zijn, in elk geval wanneer het muziek betreft die door de Chapel Royal gezongen werd. Dit aspect krijgt wellicht niet de aandacht die het verdient. Voordeel van een kleinere bezetting is de betere tekstverstaanbaarheid en een subtielere behandeling van de dynamiek. Dat was hier ook het geval. Tallis’ In pace in idipsum ontving een ragfijne interpretatie die volledig recht deed aan de tekst. De – althans voor mij – eerste kennismaking met Cinquecento’s interpretatie van Engelse renaissancepolyfonie is me uitstekend bevallen.

Het avondconcert was opnieuw gewijd aan Purcell. De Gabrieli Consort & Players voerden onder leiding van Paul McCreesh twee Odes uit, die Purcell schreef voor het feest van St Cecilia, beschermheilige van de muziek. Deze twee Odes zijn sterk verschillend: het concert opende met een korte zetting uit 1683, Welcome to all the Pleasures. Daaruit is vooral de aria ‘Here the Deities approve’ bekend geworden, vaak ook los van de context gezongen. Dit is een partij voor een countertenor en wordt in ‘authentieke’ uitvoeringen doorgaans door een mannenalt gezongen. Maar voor zo’n stem ligt de partij – zoals vaker bij Purcell – iets te laag. Voor een ‘gewone’ tenor is die aan de hoge kant en dat suggereert dat Purcell wellicht een hoge tenor – zoals de Franse hautecontre – in gedachten had. Nicholas Mulroy heeft de nodige hoogte en zong deze aria prachtig, met heel mooie versieringen. Het stuk als geheel kreeg een energieke en glanzende interpretatie. Na de pauze klonk de tweede Ode, Hail, bright Cecilia uit 1692, een veel grootschaliger werk, volgens Paul McCreesh het eerste werk in Engeland waarin een volledig orkest wordt verlangd. Dat bestaat uit strijkers, blokfluiten, hobo’s en natuurlijk trompetten en pauken. McCreesh en zijn musici zorgden voor een briljante uitvoering. Mulroy schitterde opnieuw, eerst in de aria ‘Tis Nature’s Voice’. Opvallend dat waar zangers de hoogste noten vaak met volle kracht eruit persen, Mulroy deze juist zacht en heel subtiel zong. Tegen het einde hoorden we het duet ‘In vain the am’rous flute and soft guitar’, door Mulroy en Thomas Walker. Deze laatste pakte flink uit in ‘The fife, and all the harmony of war’, dat een ongewoon dramatische en felle interpretatie kreeg. Walker deed dat heel overtuigend. Er waren ook enkele soli van de bassen William Gaunt en George Humphreys; die zongen goed, maar laatstgenoemde had zijn vibrato wel wat mogen beperken. Ook mooi was de alto David Allsopp; mezzosopraan Kim Porter maakte iets minder indruk en haar stem had iets te weinig draagkracht in de grote zaal van TivoliVredenburg. In het eerste deel klonk ook nog een 20e-eeuws werk: de Hymn to Saint-Cecilia op. 27 van Benjamin Britten. Dit werk voor koor a capella werd ongetwijfeld goed gezongen; indrukwekkend was vooral de manier waarop de soms grote dynamische contrasten werden gerealiseerd. Maar het is niet mijn cup of tea. Het weerhoudt me er niet van dit concert als één van de hoogtepunten van het festival te beschouwen.

Purcell componeerde ook de laatste werken voor een gambaconsort in de Engelse geschiedenis. Dat was toen al een ouderwetse vorm. Aan het begin van de 17e eeuw deed de viool zijn intrede en die kreeg een steeds belangrijker rol. Ook in consortmuziek werden violen gebruikt, als alternatieven voor de diskantgamba. Het Canadese Ensemble Masques onder leiding van Olivier Fortin speelde een programma rond John Jenkins (TivoliVredenburg, Hertz). Hij is één van de sleutelfiguren in de Engelse muziekgeschiedenis van de 17e eeuw die zijn carrière begon toen de Engelse muziek nog door de stijl van de renaissance gestempeld werd en overleed toen die door de barok verdrongen was. In zijn oeuvre zijn deze stilistische ontwikkelingen af te lezen. Zelf speelde hij niet alleen de gamba, maar ook de viool. Er klonken drie suites voor twee violen en bc, die – hoewel deze bezetting verwijst naar de triosonate – nog sterk de trekken van de consortmuziek vertonen. Eén van de eigenschappen van de barok is de grotere aandacht voor virtuositeit in muziek voor soloinstrumenten. Christopher Simpson was één van de pioniers van het solospel op de gamba, zoals ook tot uiting komt in zijn fantasia’s over de maanden van het jaar (Fantasias the monthes), waaruit we – heel passend – September in g hoorden, met verve gespeeld door Mélisande Corriveau. Verder klonk nog de Suite nr 3 uit The Broken Consort van Matthew Locke. Dat was een nogal eigenzinnig heerschap en dat klinkt door in zijn muziek, bijvoorbeeld het gebruik van de harmonie, die vaak nogal gedurfd is, en dat was ook in deze suite het geval. Olivier Fortin speelde nog enkele korte klavecimbelsoli, daaronder A sad pavan for these distracted times van Thomas Tomkins, geschreven als reactie op de terechtstelling van Charles I. Dit concert trok – evenals gisteren het geheel aan Tomkins gewijde concert – een beperkt aantal toehoorders. De wegblijvers hebben iets moois gemist.

Gepost door: Johan van Veen | 1 september 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – maandag 31 augustus

De muziek van de Engelse virginalisten – zoals Byrd, Bull en Gibbons – wordt regelmatig gespeeld. Muziek van latere componisten is veel minder vaak te horen en mondjesmaat op CD verkrijgbaar. Dat geldt zelfs voor Purcell, die later nog aan bod komt in een recital van Richard Egarr. Ook Händel liet een omvangrijk oeuvre van klaviermuziek na, maar daarvan zijn eigenlijk alleen de acht suites die in 1720 in druk verschenen bekend geworden. Uit Händels klavieroevre had Pierre Hantaï een mooie keuze gemaakt, waarbij hij overigens soms losse delen uit verschillende suites combineerde (TivoliVredenburg, Hertz). Het programma droeg de veelzeggende titel “Out of his own shadow: klaviersuites van Händel”. Dat is een variant op de titel van een aantal concerten, “Out of Handel’s shadow”. De titel zou kunnen verklaren waarom Händels klavierwerken weinig aandacht krijgen: ze worden door zijn andere werken, vooral de oratoria en opera’s, overschaduwd. Misschien speelt ook een rol dat het vaak veeleisende werken zijn wat een weerspiegeling is van Händels eigen kwaliteiten als virtuoos bespeler van toetsinstrumenten, zoals tijdgenoten hebben genoteerd. Hantaï kwam wat moeizaam op gang: de allemande die de Suite in e opent, klonk wat hoekig en ook technisch was niet alles perfect. Dat werd beter gedurende het concert, maar ik had het idee dat hij pas op de helft echt op dreef kwam. In het laatste deel van de genoemde suite kwamen de theatrale aspecten goed uit de verf. De Suite in A (HWV 426) is naar mijn idee één van de mooiste, en vooral het briljante laatste deel geeft een goed idee van Händels eigen vaardigheden. Hantaï speelde dat bijzonder mooi, evenals de ouverture uit Il Pastor Fido, misschien door Händel zelf getranscribeerd, die Hantaï als opening van de Suite in d gebruikte. Het recital eindigde met de Suite in F (HWV 427) die de vorm heeft van een sonate, met als derde deel een recitatief en als slotdeel een fuga, die door Hantaï met verve werden vertolkt.

Klaviermuziek van een heel andere orde werd in het volgende concert in de Geertekerk gepresenteerd. Het ensemble Tasto Solo specialiseert zich in de klaviermuziek van de 14e en 15e eeuw en maakt daarbij gebruik van instrumenten als clavecytherium, clavichordium en gotisch orgel. Die zijn voor een deel speciaal voor dit repertoire gereconstrueerd. Het programma omvatte muziek uit een latere tijd: de eerste helft van de 16e eeuw. Maar in zijn programmatoelichting wijst de leider van het ensemble, Guillermo Pérez, erop dat aan het hof van Hendrik VIII ook ‘oude’ muziek werd gezongen en gespeeld, hoofdzakelijk uit de 15 eeuw maar zelfs nog ouder, tot muziek uit de vroege 14e eeuw. De instrumenten die hij en zijn collega David Catalunya bespeelden, waren toentertijd niet meer gangbaar, maar misschien nog niet verdwenen. “[Met] studie en experiment rond de muziek en musici van de Engelse renaissance onderzoeken we in hoeverre de cultuur van de late middeleeuwen hierin zijn sporen heeft nagelaten”. Mij lijkt dit een uitstekend voorbeeld van ‘historisch geïnformeerde creativiteit’. Het resultaat was een uiterst boeiend programma met vele stukken die weinig of niet bekend zijn, zoals enkele composities van Robert Cooper en een aantal anoniem overgeleverde werken. Daarnaast klonken stukken van Hendrik VIII, Thomas Preston, Dunstaple, Bedyngham en Dufay. Het concert eindigde met Hornepype van Hugh Aston, een vrij bekend stuk dat nogal eens figureert in concerten met muziek van de virginalisten. Hier kreeg het een andere dimensie door de uitvoering met organetto en hamerclavisimbalum. Dat zijn twee intrigerende instrumenten: het laatstgenoemde lijkt op een klavecimbel maar stelt de speler in staat dynamisch te differentiëren. Bij de organetto zorgen de door de speler bediende balgen voor de lucht, wat een klank teweegbrengt die soms doet denken aan een middeleeuwse dwarsfluit. Dat leidt tot een heel mooie ademende en daarmee uitgesproken ‘vocale’ klank. Ik had het ensemble al diverse malen gehoord, het laatst in het festival van 2013. Ik noteerde toen dat het één van de interessantste ensembles in de wereld van de oude muziek is en dat werd in dit bijzonder mooie concert nog eens onderstreept.

Met het concert van het Gabrieli Consort onder leiding van Paul McCreesh schoven we een generatie op. De twee hoofdwerken op het programma waren twee antifonen van indrukwekkende afmetingen: Gaude gloriosa Dei mater van Thomas Tallis en Vox Patris caelestis van William Mundy. Beide zijn ontstaan onder het regime van ‘Bloody Mary’, Mary I, die vijf jaar koningin van Engeland was en probeerde de dominantie van de rooms-katholieke kerk te herstellen. Dat betekende ook dat componisten weer in de gecompliceerde polyfone stijl van voorheen konden schrijven, waarin de verstaanbaarheid van de tekst van ondergeschikt belang was. Zulke complexe bouwwerken zouden in de anglicaanse liturgie geheel misstaan, ook al vanwege de veelvuldige verwijzingen naar Maria. McCreesh wees er in zijn inleidende woorden op dat die verwijzingen wellicht ook op koningin Mary betrokken zouden kunnen worden. Het Gabrieli Consort trad hier op met 16 stemmen, gelijkelijk verdeeld over de vier stemgroepen. Het is een goed ensemble met zonder uitzondering mooie stemmen. Nu en dan noteerde ik wel een licht vibrato, vooral in passages die met een gereduceerd aantal stemmen werden gezongen. Ik weet ook niet zeker of deze werken vrijwel constant forte gezongen moeten worden. In dit opzicht vond ik de uitvoering van Sheppards Media vita door Stile Antico vorige week zaterdag overtuigender; daar was de dynamiek meer gedifferentieerd. Op het programma stonden ook twee stukken uit de late 20e eeuw, van Kenneth Leighton en Matthew Martin, geïnspireerd door de muziek van de renaissance, maar toch in een duidelijk modern idioom. De kwaliteiten van het ensemble kwamen daarin ongetwijfeld goed tot hun recht, maar deze muziek spreekt me in het geheel niet aan. Ik ben altijd van mening geweest dat hedendaagse muziek op een festival voor oude muziek niet thuishoort.

In een festival dat aan Engeland is gewijd neemt Purcell uiteraard een belangrijke plaats in. Hij geldt als de belangrijkste componist van de late 17e eeuw en kan zelfs als één van de beste componisten in de geschiedenis worden beschouwd. Zijn muziek is altijd prachtig, ook als de teksten van middelmatige kwaliteit zijn, zoals in sommige gelegenheidswerken. Purcell was een man van het theater: zijn muziek is altijd dramatisch en vol van contrasten. Slechts één opera kwam uit zijn pen, Dido and Aeneas, die zaterdagavond wordt uitgevoerd. Vox Luminis en La Fenice ontfermden zich over King Arthur, meestal aangeduid als semi-opera, een mengsel van gesproken tekst, aria’s, ensembles en instrumentale delen. De gesproken tekst wordt in hedendaagse uitvoeringen meestal weggelaten, zo ook hier, met uitzondering van enkele verbindende teksten. Het verhaal – voorzover daarvan sprake is – is niet gemakkelijk te volgen. In de grote zaal van TivoliVredenburg kregen we boventiteling in het Nederlands. Dat is wel zinvol, maar ook wat vervreemdend. De Engelse teksten zijn waarschijnlijk lastig te vertalen en het zou beter zijn geweest wanneer men die in elk geval op papier had gekregen. Wanneer men de tekst van begin tot eind doorleest, wordt waarschijnlijk ook duidelijker waar het allemaal om gaat. De leden van Vox Luminis, die we vooral kennen in religieus repertoire, zoals zaterdag in de Funeral Sentences, lieten zich nu van een andere kant zien. Hoewel het een concertante uitvoering betrof, waren er wel scènische elementen. Daarin voelden sommige zangers zich meer thuis dan andere. Aan de meeste zijn waarschijnlijk geen operazangers verloren gegaan. De vocale verrichtingen waren zonder meer uitstekend en de dramatische elementen kwamen daarin beter tot hun recht dan in de pogingen tot acteren. Jean Tubéry leidde de zangers en zijn eigen instrumentaal ensemble La Fenice met verve en veel gevoel voor Purcells stijl door de partituur. Het was een bijzonder onderhoudende avond, zelfs voor iemand zoals ik, die dit allemaal wat te frivool vindt.

Het daarna volgende concert in Hertz was wat dat betreft meer naar m’n zin: religieuze muziek van Thomas Tomkins. Het concert werd helaas niet erg goed bezocht, wat misschien toe te schrijven is aan de onbekendheid van het Pluto-Ensemble dat nog maar kort bestaat. Het Hathor Consort, bestaande uit vijf gambisten, is al wat ouder maar wellicht ook niet heel erg bekend in vergelijking met aan de weg timmerende gambaconsorts als Fretwork of Phantasm. De wegblijvers hebben een prachtig concert gemist. Het grootste deel bestond uit anthems die de sporen van het madrigaal dragen in de relatie tussen tekst en muziek. In dit concert werden sommige vocale werken met een gambaconsort uitgevoerd. Dat is niet specifiek door Tomkins aangegeven: de begeleiding is voor orgel. Maar het is bekend dat ook gamba’s werden gebruikt als ‘begeleiding’, of, beter gezegd, ondersteuning, want de gamba’s spelen colla voce en geven zo kleur aan de stemmen. Daarnaast klonken enkele stukken a capella; daaronder waren ook verschillende voor drie stemmen. Die zijn mogelijk bedoeld voor huiselijk gebruik; zulke stukken vindt men ook in het oeuvre van de gebroeders Lawes. Het Pluto-Ensemble heeft een variabele samenstelling; voor dit concert had de leider Marnix De Cat mooie stemmen samengebracht die uitstekend met elkaar en met de gamba’s harmonieerden, daaronder ook de ‘veteraan’ Harry van der Kamp. Het Hathor-Consort mag dan minder bekend zijn dan vergelijkbare Engelse ensembles, de vergelijking daarmee kan het zonder meer doorstaan. Kortom, dit was een erg mooi concert dat meer belangstelling verdiend had. De Concertzender heeft het opgenomen, dus te zijner tijd kunnen de afwezigen de schade inhalen. Overigens had ik dit concert liever in een kerk, bijvoorbeeld de Geertekerk, gehoord.

Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – zaterdag 29 augustus

Een vol programma vandaag: het eerste concert om 11 uur, het laatste om middernacht. Een serie concerten met muziek voor toetsinstrumenten – meestal in de Lutherse Kerk – is elk jaar een vast onderdeel van het programma. Dit jaar is deze serie niet alleen interessant vanwege het repertoire, maar ook de gebruikte instrumenten, want naast het klavecimbel speelde in het Engeland van de renaissance ook het virginaal een belangrijke rol. Zo’n instrument was ook op het eerste concert te horen: Laurent Stewart speelde een deel van zijn programma op een muselaar, een virginaal met het klavier rechts van het midden. Het programma was gewijd aan Orlando Gibbons, één van de grootste klaviercomponisten van zijn tijd, en John Dowland. De stukken van eerstgenoemde werden hoofdzakelijk op het klavecimbel uitgevoerd, een kopie naar Italiaanse modellen uit de 17e eeuw. Vooral de fantasia’s zijn complexe polyfone stukken die hoge eisen aan de uitvoerder stellen. Stewart koos meestal rustige tempi wat de toehoorder in staat stelde de verschillende lijnen van het stuk te volgen. Daar droeg ook de heldere en gearticuleerde speelstijl van Stewart aan bij. In Gibbons’ dansen kwamen de ritmes goed uit de verf. Dat muziek van Dowland werd gespeeld was enigszins verrassend, want hij heeft geen klavierwerken nagelaten. Zijn composities werden wel frequent bewerkt voor een toetsinstrument; of Stewart hier zijn eigen versies speelde dan wel die van componisten uit Dowlands tijd, daarover liet het programmaboek de luisteraar in het ongewisse. Hoe dan ook, Stewart liet horen dat Dowlands liederen het op een toetsinstrument – in dit geval de muselaar – uitstekend doen.

Misschien maakte hij gebruik van bewerkingen van Thomas Morley. Dat deden in elk geval Skip Sempé, Pierre Hantaï en Olivier Fortin in ‘consortmuziek’ voor drie toetsinstrumenten (TivoliVredenburg, Hertz). Dat lijkt nogal merkwaardig: we kennen consortmuziek voor allerlei soorten melodieinstrumenten, maar voor toetsinstrumenten? In het programmaboek wijst Marcel Bijlo erop dat in huizen van de Engelse elite meerdere toetsinstrumenten stonden, “waar dus ook gezamenlijk op werd gespeeld”. Dat is een wel erg boude uitspraak: het simpele feit dat er meerdere instrumenten voorhanden zijn is nog geen bewijs dat ze ook gelijktijdig bespeeld werden. Ik zou enige historische documentatie van deze praktijk op prijs gesteld hebben. Maar het klonk allemaal prachtig. Hantaï en Fortin bespeelden een klavecimbel, Sempé de door Stewart ook gebruikte muselaar. Ze speelden niet altijd met z’n drieën; een aantal stukken werden op twee instrumenten uitgevoerd, daaronder ook twee specifiek voor twee klavieren bedoelde werken, respectievelijk van Farnaby en Tomkins. Op het programma prijkten ook enkele anonieme stukken en werken van een minder bekende componist uit de late 16e eeuw, William Blitheman.

Mijn eerste concert van de dag was gewijd aan veel later repertoire. Het Collegium 1704 onder leiding van Václav Luks, vorig jaar één van de artists in residence, speelde een programma met werken van Händel en zijn jongere tijdgenoot Charles Avison (TivoliVredenburg, Hertz). Dat is een interessante combinatie, aangezien Avison een vurig bewonderaar was van Francesco Geminiani, die hij hoger aansloeg dan Händel. Dat kwam hem op forse kritiek te staan en heeft hem de reputatie opgeleverd van Händel-criticus. Dat moet volgens Jed Wentz in zijn programmatoelichting enigszins gerelativeerd worden. Hoe dan ook, de confrontatie tussen de twee meesters was interessant, zeker ook uit stilistisch oogpunt, want Avison behoort duidelijk tot een latere generatie. Händel was vertegenwoordigd met twee triosonates, die nog helemaal in de barokke traditie staan en gedomineerd worden door contrapunt. In de zesde sonate uit het op. 5 hoort men overigens allerlei motieven die we ook uit de orgelconcerten kennen. Van Avison klonk één triosonate en die is duidelijk anders van stijl, zoals vooral uit die passages blijkt waarin de violen in parallelle beweging spelen. Opmerkelijk waren de sonates uit drie andere verzamelingen: op. 5, op. 7 en op. 8. Hierin speelt het klavecimbel een solistische rol, vergelijkbaar met die in de Pièces de clavecin en concert van Rameau. Dat is niet de enige ‘moderniteit’: twee van de sonates hebben slechts twee delen wat typisch is voor de tijd na de barok (denk bijvoorbeeld aan Johann Christian Bach). Het Collegium 1704 gaf mooie vertolkingen en het ensemblespel stond als een huis. Het was zinvol dat de violisten stonden in de triosonates waarin zij de hoofdrol speelden, maar gingen zitten in de werken waarin ze slechts een begeleidende rol hadden. Toch kwam de klavecimbelpartij niet altijd helemaal tot z’n recht; het zou beter geweest zijn als de violisten zich naast of zelfs achter het klavecimbel hadden opgesteld.

Camerata Trajectina is een regelmatige gast in het festival. Het concert ‘Dowland in Holland’ was een logische bijdrage aan het programma, omdat het ensemble al eerder concerten heeft gegeven met Nederlandse bewerkingen van Engelse muziek, o.a. in het Netwerk Oude Muziek. Dowlands melodieën werden ook op het continent bekend, zoals in Duitsland en ook in Nederland waar vooral de Friese dichter Jan Janszoon Starter verschillende liederen van een Nederlandse tekst voorzag, zowel geestelijk als wereldlijk. Zijn versies vormden de opening en het sluitstuk van het programma. Daartussen klonken andere bewerkingen, met name van Dirck Rafaelszoon Camphuysen. Hoe goed de bewerkingen ook zijn, soms is de verbinding tussen tekst en muziek niet helemaal geslaagd. Maar we weten – ook uit Duitse koralen van de 16e eeuw – dat men daarmee nogal vrij omging, bijvoorbeeld op het gebied van woordaccenten. Het programma werd verrijkt met een aantal instrumentale bewerkingen van melodieën van Dowland en andere (meestal anonieme) componisten, die in Nederland circuleerden. Daarbij speelde blokfluitiste Saskia Coolen een glansrol met mooie versieringen van de vocale lijnen. De zangers maakten een uitstekende indruk, met mooie solobijdragen van met name Hieke Meppelink en Nico van der Meel.

Muziek van geheel andere orde klonk in de Jacobikerk. Stile Antico nam in 2009 een CD op met werken van John Sheppard en een deel van het programma werd in dit concert ten gehore gebracht, daaronder de monumentale antifoon Media vita, die een indrukwekkende uitvoering kreeg. Het is een veeleisend werk, niet alleen door de lengte – zo’n 25 minuten – maar ook door de virtuositeit van de vocale lijnen, en dan verdient ook de samenklank nog optimale aandacht. Dat laatste is één van de sterke punten van dit ensemble. Ook de individuele kwaliteiten van de zangers kwamen duidelijk naar voren door de ontspannenheid waarmee de veeleisende partijen werden gezongen, ook waar die tegen de grenzen van de tessituur aanschuren. Heel mooi waren ook de subtiele dynamische schakeringen. Dat van de tekst vaak weinig te verstaan was valt de zangers niet aan te rekenen; dat is het resultaat van de complexe polyfonie. Die verstaanbaarheid was in de Latijnse liturgie ook geen vereiste. Dat was anders in de Engelse liturgie, en daarvan kregen we enkele voorbeelden te horen. I give you a new commandment werd door vier leden van het ensemble gezongen en juist hier was de tekstverstaanbaarheid optimaal, deels door het karakter van de compositie – homofoon, syllabisch – maar ook door de heldere manier van zingen. Wie de Jacobikerk kent, weet dat dit de ideale plek is voor dit soort repertoire. Het grote enthousiasme van de volle kerk werd beloond met een prachtige uitvoering van één van de mooiste (geestelijke) madrigalen van de Engelse renaissance, Never weather-beaten sail van Thomas Campion.

Vox Luminis is dit jaar artist in residence en maakte die status bij het eerste optreden al direct helemaal waar. Wat als Purcell’s Funeral Sentences was aangekondigd bood meer dan de titel suggereerde. In feite werd het hele leven van Queen Mary (1662-1694) belicht, in het eerste deel door één van de odes die Purcell voor haar verjaardag schreef, Celebrate this festival (1693). Het is een feestelijk stuk met een instrumentale bezetting waarin naast strijkers ook trompet, hobo’s en blokfluiten klinken. Ook vocaal is het een briljant werk met mooie ensembles en soms uitgebreide soli. Die werden door de leden van het ensemble prachtig gezongen, vooral de sopranen Sara Jäggi en Zsuzsi Tóth en de alto’s Daniel Elgersma en Barnabás Hegyi. Het programma opende met één van Purcells bekendste werken, My heart is inditing, een anthem voor de kroning van James II. Geen connectie met Mary dus, maar het stuk kan wel dienen als voorbeeld van wat bij zo’n gelegenheid uitgevoerd werd. Na de pauze kwam dan de muziek die werd uitgevoerd bij de begrafenis van Mary in 1694. Purcells anthems zijn bekend en worden regelmatig uitgevoerd, maar minder bekend is dat hij die schreef als aanvulling op wat de hoofdmoot van de plechtigheden was: de anthems die Thomas Morley componeerde, waarschijnlijk voor de begrafenis van Elizabeth I in 1603. De stilistische overeenkomst tussen Morley en Purcell is opmerkelijk en resulteert in een grotere eenheid dan men zou verwachten. De anthems die hier te horen waren behoren tot het beste dat Morley en Purcell componeerden, ongetwijfeld geïnspireerd door de gelegenheid en door de prachtige en indringende teksten over dood en opstanding. Vox Luminis heeft deze muziek op CD gezet (Ricercar) en die productie is heel mooi, maar in een live-uitvoering maakt ze een nog sterkere indruk. Het concert eindigde met O dive custos, een klaagzang op de dood van Mary voor twee sopranen en bc. Dit werk maakt nog eens duidelijk waarom Purcell met recht tot de allerbeste componisten in de geschiedenis wordt gerekend. Wat er verder in dit festival ook nog gebeurt, dit concert is zeker één van de hoogtepunten van deze editie.

Tenslotte het concert om middernacht, weer in Hertz van TivoliVredenburg. Daar zou de sopraan Mariana Flores liederen van Dowland and Danyel zingen, met Hopkinson Smith op de luit. Helaas moest Smith zich om persoonlijke redenen afmelden en Mariana Flores werd daarom begeleid door Leonardo García Alarcón op klavecimbel. Dat leidde ertoe dat het programma sterk werd veranderd: geen liederen van Danyel – toch al slecht vertegenwoordigd in het festivalprogramma – maar in plaats daarvan enkele liederen van Purcell. Die kwamen het best tot hun recht: een klavecimbel past hier uiteraard beter dan in Dowlands luitliederen en de op tekstexpressie gerichte interpretatie van Mariana Flores is hier precies goed. Dowland is een ander verhaal. Het gaat hier om liederen in de stijl van de renaissance, waarin de invloed van de moderne stijl (Caccini e.a.) afwezig is, met uitzondering van een stuk als In darkness let me dwell. I saw my lady weepe werd onnatuurlijk langzaam gezongen, met een barokke tekstexpressie die volgens mij hier misplaatst is. García Alarcón speelde veel te lange voor- en tussenspelen wat de eenheid niet ten goede kwam. Het meest problematisch was de opening: de prachtige Four note Pavan van Alfonso Ferrabosco II, waaraan hij later de tekst Heare me O God van Ben Jonson toevoegde. In een consortsong is de zanger geen solist maar voegt zich in het geheel als één van de stemmen. Met een klavecimbel lukt dat natuurlijk niet, dus dit was een ongelukkige keuze. Ook hier was de aanpak te ‘barok’. Al met al een weinig overtuigend concert.

Gepost door: Johan van Veen | 29 augustus 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – vrijdag 28 augustus

Zoals gebruikelijk doe ik op deze plaats verslag van het Festival Oude Muziek. Dit jaar is het festival gewijd aan Engelse muziek. Dat werd wel weer eens tijd, want het is al weer heel wat jaren geleden dat dit repertoire uitgebreid belicht werd. Het zal interessant zijn te zien of er witte plekken in de muziekgeschiedenis worden ingekleurd. Ik heb nog geen tijd gehad het programmaboek te bestuderen, dus daarop kom ik in de loop van de volgende week nog wel terug. Het festival ziet het ook als zijn taak aanzetten te geven voor nieuwe benaderingen op het gebied van de uitvoeringspraktijk. Of die pretentie wordt waargemaakt zal de tijd leren. Een ensemble als de Tallis Scholars is niet bepaald een voorbeeld van een vernieuwing op dit vlak.

Het openingsconcert werd verzorgd door Hespèrion XXI onder leiding van Jordi Savall. Het programma was getiteld ‘De gouden eeuw van de gamba’ en was geheel gewijd aan consortmuziek. Dat is weliswaar geen exclusief Engels genre, maar kwam juist in Engeland tot bijzondere bloei. Was het aanvankelijk muziek voor beroepsmusici, na 1600 kwam het binnen bereik van amateurs. Wellicht ligt daarin het grootste verschil tussen Engeland en het continent. Bovendien betekende de opkomst van de barok dat vooral in Italië de gamba het moest afleggen tegen de cello. In Engeland liet de barok nog een tijd op zich wachten en het was Henry Purcell die de laatste muziek voor gambaconsort componeerde.

De samenstelling van een programma met consortmuziek is niet zo eenvoudig. De reden is niet een gebrek aan kwalitatief goed repertoire, maar de overvloed van materiaal waaruit musici een keus moeten maken. In een programma als dit moesten de verschillende genres aan de orde komen. Eén van de meest karakteristieke vormen is de combinatie van pavan en galliard, en met zo’n danspaar opende het programma. Daarbij kwam direct een naam naar boven die waarschijnlijk alleen experts bekend is: Innocenzio Alberti. Z’n naam is Italiaans en herinnert aan de Italiaanse oorsprong van het gambaconsort dat in Engeland – allereerst aan het hof van Hendrik VIII – werd geïntroduceerd door een groep Italiaanse musici. Een ander belangrijk genre is de In nomine, gebaseerd op het antifoon Gloria tibi trinitas dat John Taverner als cantus firmus in zijn mis van dezelfde naam gebruikte. Talloze In nomines zijn bewaard gebleven en het is opmerkelijk hoe deze in karakter van elkaar kunnen verschillen, zoals het In nomine XII ‘Crye’ van Christopher Tye en de zetting van Orlando Gibbons. Natuurlijk kon John Dowland niet ontbreken, o.a. met de pavan Lachrimae antiquae dat bijna het handelsmerk van deze componist geworden is. Een belangrijke rol in het programma speelde ook Anthony Holborne, die in 1599 de eerste bundel met instrumentale muziek in Engeland liet drukken. Daarin staan dansen van divers karakter die overigens ook in andere bezettingen gespeeld kunnen worden. Een stuk als de pavan The funerals komt dicht in de buurt van de melancholieke stukken van Dowland, maar daar staan dan dansen als The honie-suckle en de galliard The fairie-round tegenover.

Terwijl Italianen in het begin van de 16e eeuw consortmuziek in Engeland invoerden, exporteerden Engelse componisten een eeuw later hun muziek naar het vasteland. Eén naam kan daarbij niet ongenoemd blijven: William Brade. Enkele werken van zijn hand werden uitgevoerd, alle met Duitse titels. Hij was in Noord-Duitsland werkzaam en beïnvloedde Duitse componisten in de eerste helft van de 17e eeuw.

Jordi Savall heeft vele concerten gegeven en meerdere opnamen gemaakt met dit soort repertoire. Daarbij viel altijd zijn dynamische speelstijl op. Die is tegenwoordig vrij gangbaar, maar dat was zo’n 20 jaar geleden wel anders. Consortmuziek was het bijna exclusieve domein van Engelse ensembles die er een gelijkmatigere en dynamisch vlakkere speelstijl op na hielden. Ook nu weer wisten Savall en zijn ensemble te overtuigen met doorleefde en intense interpretaties. De melancholieke stukken werden prachtig vertolkt, met als één van de hoogtepunten de magnifieke Four note pavan van Alfonso Ferrabosco II. Mooi was ook de Paven in C van William Lawes, die gekenmerkt wordt door gedurfde harmonieën. De dansen van met name Holborne kregen flitsende uitvoeringen, waarbij de dansritmes goed uit de verf kwamen. Op die muziek werd waarschijnlijk niet gedanst, maar eigenlijk zou ze zo moeten worden uitgevoerd dat de toehoorder z’n voeten niet stil kan houden. Of dat gelukt is heb ik niet gecontroleerd, maar aan de uitvoerenden zal het niet gelegen hebben.

Een paar kritische kanttekeningen moet ik wel maken. De eerste is dat dit repertoire huismuziek is en als zodanig niet geschikt voor een grote concertzaal. Soms slibde het klankbeeld wat dicht en liet de doorzichtigheid te wensen over. Dat was vooral bij snelle tempi het geval. De relatie tussen muziek en ruimte is een kwestie die eigenlijk ook een onderdeel van de discussie over uitvoeringspraktijk zou moeten zijn, maar helaas meestal vermeden wordt. De tweede kanttekening betreft het gebruik van slagwerk. In meerdere stukken van Holborne laat zich dat wellicht verdedigen, hoewel ik denk dat de meeste ook zonder slagwerk tot hun recht kunnen komen. Maar er waren ook composities waarbij ik me afvroeg of het gebruik van slagwerk daarbij wel te verdedigen is, zoals Dowland’s The King of Denmark’s galliard. Ik ben eigenlijk wel benieuwd of historische bronnen aanwijzingen bevatten voor het gebruik van slagwerk in dit soort repertoire. Ook over het gebruik van de gitaar in Engelse consortmuziek heb ik mijn twijfels.

Het derde punt is dat het programma opgedeeld was in vier blokken en dat binnen elk blok de afzonderlijke stukken elkaar snel opvolgden, zonder noemenswaardige cesuur. Dat heeft als voordeel dat er een bepaalde flow in het programma komt en dat het publiek de mogelijkheid ontnomen wordt die te verstoren door applaus. Maar dat heeft wel tot gevolg dat afzonderlijke werken geen tijd krijgen echt te bezinken. Dat is vooral een nadeel bij de meer introverte en malancholieke werken.

Tot slot: het programma werd voorafgegaan door een onverwacht optreden van The Newcastle Kingsmen, aangekondigd als een groep rapper dancers. Dat was wellicht zinvol omdat het programma enkele stukken bevatte die sterk tegen de volksmuziek aanleunen, zoals Ein Schottisch tanz van William Brade. Anderzijds werkte de akoestiek tegen: de begeleidende uitroepen van één van de leden van het ensemble waren volstrekt onverstaanbaar en dat lag niet aan de Engelse taal. Ze traden ook op in de foyer van TivoliVredenburg en dat was waarschijnlijk een passender entourage.

Die optredens heb ik niet gehoord. Waarschijnlijk ben ik niet de enige die voor dit soort dingen geen antenne heeft. Maar daar hoeft de organisatie zich natuurlijk niets van aan te trekken.

Gepost door: Johan van Veen | 8 september 2014

Festival Oude Muziek Utrecht 2014 – nabeschouwing

Voorafgaand aan het slotconcert, dat ik via NPO Radio 4 beluisterde, deelde festivaldirecteur Xavier Vandamme mee dat het aantal bezoekers opnieuw hoger was dan vorig jaar. Dat verbaasde me enigszins, want ik heb in diverse concerten nogal wat lege plaatsen gezien. De Lutherse kerk was tijdens de serie ‘klaviertijgers’ geen enkele keer helemaal bezet. Bij sommige concerten was het aantal bezoekers zelfs nogal schamel. Er is dus wellicht ruimte voor verdere groei, al moet je betwijfelen of het aantal liefhebbers van oude muziek verder zal toenemen. Ik zie tijdens het reguliere seizoen vooral veel grijze en kale hoofden en relatief weinig mensen van middelbare leeftijd, laat staan jongeren. Daar kunnen allerlei redenen voor zijn, zoals drukke werkzaamheden en – vooral bij jongeren – gebrek aan financiële middelen. Niettemin lijkt het me belangrijk enige zendingsarbeid te verrichten. NPO Radio 4 helpt niet echt mee, want al werden de meeste avondconcerten rechtstreeks uitgezonden, een groot deel van de overige concerten is door de Concertzender opgenomen die in grote delen van Nederland niet of niet optimaal te ontvangen is. En ik heb moeten constateren dat gedurende 2014 het aantal uitzendingen van concerten met oude muziek op Radio 4 sterk is afgenomen. Tijdens de Zomeravondconcerten werd vrijwel geen enkel concert met oude muziek uitgezonden. Daar zou de Organisatie Oude Muziek zich wellicht eens mee bezig kunnen gaan houden.

Voor de verbreiding van de oude muziek zijn gratis toegankelijke concerten van groot belang, juist om diegenen te bereiken die niet zo vertrouwd zijn met oude muziek of diegenen die over weinig financiële middelen beschikken, toch de mogelijkheid te geven daarvan te genieten. Ook de terugkeer van het lunchconcert is verheugend. Daar kwamen vroeger – in het ‘oude’ Muziekcentrum – altijd veel mensen op af. Hoe dat nu was weet ik niet; ik heb er geen enkele kunnen horen, want bij de programmering was geen rekening gehouden met de overlap in tijd. Als een concert om één uur begint, kun je het lunchconcert van half één niet bezoeken. Het zou mooi zijn als daarvoor een oplossing zou worden gezocht. Nieuw waren de concerten om elf uur; ik heb er twee bijgewoond, die beide niet echt goed bezocht werden. Misschien is dit toch iets te vroeg, zeker voor degenen die de avond tevoren naar het concert van half elf zijn geweest. Bovendien wordt het op die manier vrijwel onmogelijk nog eens een fringeconcert te bezoeken, en dat is eigenlijk jammer, want daar valt vaak veel interessants te beleven.

Over het artistieke niveau kan ik kort zijn. Er verschenen enkele zure recensies. Er is niets tegen kritiek, maar die zou wel goed beargumenteerd moeten zijn en zou ook op een wat minder chagrijnige manier geformuleerd kunnen worden. Ik deel de kritiek niet. In mijn dagboek heb ik hier en daar kritische kanttekeningen geplaatst, maar over het geheel ben ik over het niveau, zowel van de muziek als van de uitvoeringen, bijzonder goed te spreken. Het grootste minpunt was, wat mij betreft, het optreden van de Tallis Scholars. Hun populariteit heb ik nooit zo goed kunnen plaatsen. Peter Phillips heeft eens in een interview gezegd dat hij niet geïnteresseerd is in de historische uitvoeringspraktijk. Dan heeft zo’n ensemble op een festival als dit eigenlijk niets te zoeken.

Wat verbetering behoeft is de verlichting. Ik doel met name op de gewoonte de hele zaal te verduisteren. Niet alleen zag ik daarvan lang niet altijd de noodzaak, het meelezen van de teksten in het programmaboek – wat vaak essentieel is om de relatie tussen tekst en muziek of inhoud en vorm te ontdekken – wordt daardoor zo goed als onmogelijk. Waarom worden ze dan afgedrukt?

Een laatste punt betreft de relatie tussen repertoire en ruimte. Dat is een dilemma tussen wat artistiek ideaal en wat financieel haalbaar is. De grote zaal van TivoliVredenburg heeft een uitstekende akoestiek en bijvoorbeeld Caldara’s oratorium San Giovanni Nepomuceno, dat maandag werd uitgevoerd, kwam hier perfect tot z’n recht. Maar de programma’s van het Huelgas Ensemble en de Tallis Scholars en ook de concerten rond Bertali en Biber zouden in een kerk beter uit de verf zijn gekomen. Maar daar staat tegenover dat kerken als de Dom en de Jacobikerk aan minder mensen plaats bieden. De laatste jaren werden dan ook elke avond twee concerten aangeboden. Dat betekent tweemaal huur en tweemaal een vergoeding voor een ensemble. En aangezien de tijden dat het financieel niet op kon, voorbij zijn – mogelijk definitief – is het wellicht onvermijdelijk muziek uit te voeren in een minder ideale ruimte. Daar zullen we dan mee moeten leven.

Volgend jaar staat muziek uit Engeland centraal. Dat kan heel interessant worden. Hopelijk horen we dan ook musici en ensembles die de Engelse renaissancemuziek op een wat andere manier benaderen dan de gevestigde grootheden als de Tallis Scholars en The Sixteen.

« Newer Posts - Older Posts »

Categorieën