Gepost door: Johan van Veen | 7 september 2016

Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – nabeschouwing

Het festival zit er weer op voor een jaar. Opnieuw kunnen we van een succesvolle editie spreken. Het thema liet natuurlijk al vermoeden dat we veel moois te horen zouden krijgen. ‘La Serenissima’ – dat slaat niet alleen op de pracht en praal van Venetië en de daar gecomponeerde en uitgevoerde muziek, maar is ook een geschikt label om te kwaliteit van wat dit jaar geboden werd te karakteriseren. Ik hoorde een handvol concerten die me nogal of op z’n minst enigzins teleurstelden maar verreweg de meeste concerten – van de 35 die ik bijwoonde – waren goed, niet weinige zelfs uitmuntend. Daartoe behoren zeker ook de concerten die Stephan MacLeod met zijn ensemble Gli Angeli Genève verzorgde. Hij heeft zijn status als artist in residence volledig waar gemaakt. De andere musicus die deze status verleend werd, Olga Pashenko, heb ik helaas niet kunnen horen.

Het is bewonderenswaardig dat het festival in staat is het bestaande niveau te handhaven. Dat vereist een kritische houding ten aanzien van wat aangeboden wordt en dat moet ook zeker zo blijven. Het feit dat het aantal betalende bezoekers opnieuw is gegroeid, laat zien dat het festival een stevig draagvlak heeft, niet alleen in eigen land maar ook ver daar buiten. Ik neem aan dat aan het genoemde aantal nog degenen moeten worden toegevoegd die de gratis evenementen – daaronder de fringeconcerten – hebben bezocht. Het is mooi dat dat draagvlak z’n vertaling vindt in rust op het subsidievlak. Dan kan de leiding van het festival zich helemaal op het inhoudelijke aspect richten. Een recensie van het hele festival (in het Engels) vindt u hier.

Een paar meer praktische zaken zou ik nog wel willen aansnijden.

Allereerst: het programmaboek. Mooi dat daarin bij veel concerten de teksten zijn afgedrukt. Maar daar heb je heel weinig aan als vervolgens de zaal vrijwel helemaal verduisterd wordt zodat je er geen steek van kunt zien. Dat moet anders, want dit is heel irritant. Hetzelfde geldt voor de nogal vele storende fouten in de teksten. Soms zitten er zetfouten in de oorspronkelijke teksten maar veel vaker staan er soms onjuiste vertalingen naast. Ik heb verschillende keren geconstateerd dat in de vertaling van een psalmtekst regels staan die kennelijk uit een andere tekst komen. Bovendien worden moderne vertalingen gebruikt die niet de vertalingen van de Latijnse teksten zijn – de Vulgaat – maar directe vertalingen uit de originele Bijbeltalen. Dat is natuurlijk wel gemakkelijk maar ze sporen dan niet altijd met de Latijnse originelen waarvan componisten gebruik maken. Het gevolg van het gebruik van standaardvertalingen is ook dat individuele afwijkingen niet verdisconteerd worden. Het concert van de Cappella Romana op vrijdag leverde daarvan een voorbeeld. In de programmatoelichting werd nadrukkelijk gewezen op de Byzantijnse variant van het Credo waarin staat dat de heilige Geest van de Vader uitgaat en niet, zoals in de ‘westerse’ variant, van de Vader en de Zoon. Dat is een belangrijk element in het schisma tussen de kerk van het Oosten en die van het Westen. Maar als vertaling werd gewoon de ‘westerse’ variant gebruikt. Een beetje dom.

In de programma’s miste ik vaak de specificaties. Een aanduiding als ‘sonate’ is toch echt niet voldoende. Het festival moet er bij de deelnemende musici op aandringen meer specifieke informatie over de uitgevoerde muziek te leveren. Ook bronvermeldingen – ooit standaard in het programmaboek – heb ik vaak node gemist.

In de grote zaal van TivoliVredenburg werd boventiteling gebruikt. Helaas functioneerde die niet altijd perfect. Regelmatig leken degenen die het boventitelingsapparaat bedienden helemaal de kluts kwijt te zijn. En aangezien de teksten niet in het programmaboek waren opgenomen, had je helemaal niets om op terug te vallen. Die boventiteling is overigens alleen maar zinvol voor Nederlandssprekenden; de vele buitenlandse bezoekers hebben er niets aan. In het programmaboek zou men misschien toch de teksten moeten opnemen; wellicht zijn die voor de buitenlandse gasten dan toch toegankelijker dan Nederlandse vertalingen. Bovendien is het fijn die later nog eens te kunnen raadplegen, bijvoorbeeld wanneer een opname via de radio wordt uitgezonden.

Ik heb al gewezen op de logistieke problemen. Op donderdag twee opeenvolgende concerten in één gebouw, de Geertekerk, dat was een niet zo slim idee. Dat heb ik niet eerder meegemaakt en de situatie die hierdoor ontstond laat precies zien waarom niet. Het is me een raadsel waarom dat nu ineens wel het geval was. Dat een concert uitloopt is soms onvermijdelijk. Maar wat er rond het verjaardagsconcert van Savall gebeurde is niet acceptabel. Het is niet netjes tegenover de musici van het volgende concert ze zo lang te laten wachten en ze dan maar te laten beginnen voor een halflege zaal. De bezoekers van het concert die later binnenkwamen – ondanks de verzekering dat het late concert niet zonder hen zou beginnen – mogen zich terecht bekocht voelen dat ze de eerste stukken van het programma moesten missen. Ook de slechte planning van het concert van het Collegium 1704 had moeten worden voorkomen. Iedereen kon op z’n klompen aanvoelen dat het gepubliceerde programma veel te lang was.

Tenslotte nog de verstaanbaarheid. Het is soms onvermijdelijk dat musici programmawijzingen aankondigen. Maar het is wel erg vervelend dat zulke mededelingen meestal nauwelijks of niet te verstaan zijn, behalve misschien voor degenen die helemaal vooraan zitten. Daar zou toch eens wat op gevonden moeten worden. Misschien moet standaard een microfoon op alle concertlocaties aanwezig zijn.

Ik keer terug tot de muziek – die is het belangrijkste. Ik heb allerlei stukken gehoord en componisten voorbij horen komen die ik niet of nauwelijks kende. Eén van de ontdekkingen van dit jaar is de vocale muziek van Legrenzi. De presentatie van onbekende muziek is één van de kerndoelen van dit festival. Daardoor neemt het een unieke positie in het muzikale landschap in, hopelijk nog vele jaren.

Advertenties
Gepost door: Johan van Veen | 5 september 2016

Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – zaterdag 3 september

Zaterdag was voor mij de laatste dag van het festival. Mijn programma begon in de Geertekerk met een optreden van blokfluitist Erik Bosgraaf en klavecinist Francesco Corti. In het programma namen twee componisten een centrale plaats in: Dario Castello en Giovanni Bassano. Dit concert demonstreerde de virtuositeit van de instrumentale muziek die in de eerste decennia van de 17e eeuw in Italië werd gecomponeerd en de zin voor experiment van de componisten. Bosgraaf liet zich vooral gaan in de toevoeging van versieringen; daarin kan een speler nauwelijks overdrijven. Helaas hebben sommige spelers de neiging te snelle tempi te nemen maar dat was hier gelukkig niet het geval. Je bleef als luisteraar in ieder geval niet ademloos achter, of het zou moeten zijn in bewondering voor wat destijds aan muziek gecomponeerd werd en voor de virtuositeit en vingervlugheid van Bosgraaf. Het concert liet ook de invloed van deze muziek in Nederland zien, met stukken van Pieter Alewijnsz de Vois – in navolging van Uccellini – en van Jacob van Eyck, die zich liet inspireren door Giulio Caccini’s Amarilli mia bella. Het concert eindigde met Castello’s bekendste sonate, Sonata II a soprano solo. Bosgraafs uitvoering beviel me heel wat beter dan die van Vittorio Ghielmi van gisteren. Tussendoor gaf Francesco Corti nog mooie vertolkingen van twee klavecimbelstukken van Claudio Merulo en Girolamo Cavazzoni.

Gisteren trad de Cappella Romana in de St Willibrordkerk op met liturgische muziek uit Venetië die geworteld is in de Byzantijnse traditie. Vandaag zong het Ensemble Gilles Binchois onder leiding van Dominique Vellard eveneens liturgische muziek, maar nu uit de westerse traditie, wat we gewoonlijk als gregoriaans aanduiden. Meer speciaal richtte het ensemble zich op een manuscript dat in Berlijn wordt bewaard en liturgische muziek uit de San Marco bevat. Het gaat daarbij vooral om zogenaamde tropen; dat zijn toevoegingen van nieuwe teksten aan een bestaande tekst met de bedoeling die geschikt te maken voor een bepaald feest in het kerkelijk jaar. Eén van de vruchten van de historische uitvoeringspraktijk is het besef dat vóór de 20e eeuw, toen de rooms-katholieke liturgie wereldwijd geuniformeerd werd, liturgische gezangen, zowel qua tekst als qua muziek, konden variëren per land en zelfs per regio. Zo bevat dit handschrift gezangen die nergens anders gevonden zijn. Anderzijds zijn er ook gezangen die aan de andere kant van de Alpen ook voorkomen. Interessant is een opmerking in de toelichting: “Dat het manuscript zoveel tropen op het introïtus bevat is veelzeggend: in de basiliek van de doge wilde men de hoogmis met een plechtige ‘ouverture’ beginnen”. Daaruit blijkt dat ook liturgische muziek alles te maken had met politiek en de status van machthebbers. Vellard kondigde enkele weglatingen aan omdat het programma te lang was. Daar was vrijwel niets van te verstaan. Daar moet het festival toch eens een oplossing voor verzinnen. Gelukkig was de tekst in het programmaboek goed te volgen zodat meestal snel bleek wat was weggelaten. Er bleef genoeg moois over; dit interessante en muzikaal boeiende repertoire werd uitstekend gezongen door vijf kraakheldere, de ruimte van de Pieterskerk gemakkelijk vullende stemmen waarbij zelfs de tekst meestal goed te verstaan was. Deze is de ideale ruimte voor dit soort muziek en het publiek beloonde de zangers met een welverdiend langdurig applaus dat nog tot een mooie toegift leidde die ik helaas niet kon identificeren. De aankondiging was weer geheel onverstaanbaar; misschien had Vellard die moeten zingen.

Het is mooi dat Adrian Willaert in dit festival de aandacht krijgt die hij verdient. Dat is één van de voordelen van een festival als dit. In het concertseizoen zul je zijn naam niet vaak op programma’s tegenkomen en ook het aantal CD-opnamen is beperkt. Gisteren hoorde ik het Officium Ensemble, vandaag was het de Cappella Pratensis die in de Jacobikerk op zoek ging naar “Willaerts Vlaamse wortels”, zoals de titel van het programma luidde. Er klonken motetten uit verschillende fasen van Willaerts carrière, die vergeleken werden met werken van componisten van een eerdere generatie: Josquin Desprez en Jean Mouton. Van de laatste klonk het motet Nesciens mater dat ook het Officium Ensemble zong. Een vergelijking ligt voor de hand. Met acht stemmen is de Cappella Pratensis kleiner dan het Portugese ensemble. De zangers zingen vaak – maar niet altijd – rond een standaard met daarop een koorboek. Hoewel Stratton Bull de leiding heeft wordt de interpretatie toch door de zangers samen bepaald: ze luisteren naar elkaar en reageren op elkaar. Het is meer een echt vocaal ensemble terwijl je het Officium Ensemble een (klein) koor zou kunnen noemen. Beide interpretaties bevielen me goed; bij de Cappella Pratensis is de doorzichtigheid groter dankzij de kleinere omvang maar bij de Portugezen geeft het grotere aantal zangers dit stuk wellicht iets meer grandeur. Hoe dan ook, deze twee benaderingen kunnen moeiteloos naast elkaar staan. In de toelichting werd uitgelegd in welk opzicht Willaert zich van Josquin en Mouton onderscheidt. Daarbij gaat het om helderheid, compactheid en complexiteit maar voor de doorsnee-luisteraar is dat, zeker tijdens een concert, slechts in beperkte mate te ervaren. Belangrijker is dat hier de kwaliteit van Willaerts muziek goed uit de verf kwam door de prachtige uitvoeringen van de Cappella Pratensis. Overigens werd een belangrijk deel van het programma op de ‘traditionele’ manier gezongen, niet rond een standaard, maar in een cirkel. De redenen voor het verschil in opstelling tussen de diverse werken is me niet duidelijk geworden.

Voor mij eindigde het festival in de grote zaal van TivoliVredenburg met een concert waarin het Ensemble Correspondances onder leiding van Sébastien Daucé muziek van Marc-Antoine Charpentier in een Italiaanse context plaatste. Van 1665 tot 1669 verbleef Charpentier in Italië en met name in Rome; het heeft een blijvende invloed op zijn compositiestijl nagelaten. Een link naar Venetië was in feite afwezig want voor zover bekend heeft hij die stad nooit bezocht. Het concert eindigde met zijn Messe a 4 choeurs maar dat wijst niet op Venetiaanse invloed want meerkorigheid kwam ook elders voor, zoals in Rome en in Bologna. In feite was het hele programma gebaseerd op speculatie want hoe Charpentier naar Rome en later weer terug naar Frankrijk is gereisd en welke steden hij heeft aangedaan en welke componisten hij heeft leren kennen weten we niet. Dat komt verder niet in mindering op de kwaliteit van de programmering want we hoorden verschillende componisten die vrijwel helemaal onbekend zijn, zoals Orazio Tarditi, Francesco Beretta en Cristoforo Caresana. Daarnaast klonken werken van iets bekendere meesters, zoals Cazzati, Benevoli en Legrenzi en ook van Merula en Cavalli. Vanwege de noodzakelijke ruimtelijke opstelling van het ensemble was het podium vergroot wat betekende dat het aantal zitplaatsen sterk gereduceerd was. Desondanks was de zaal niet helemaal uitverkocht. Ligt dat aan het feit dat dit ensemble wellicht nog niet heel erg bekend is? De afwezigen hebben een prachtig concert gemist, wat mij betreft één van de hoogtepunten van het festival. Het ensemble beschikt over excellente zangers die een hecht ensemble vormen maar wiens leden ook in staat zijn op een uitstekende manier solopartijen te vertolken. Eigenlijk zaten er geen zwakke plekken in en dat is opmerkelijk voor een ensemble dat hier in een flinke omvang aantrad. Ook de instrumentale partijen werden mooi ingevuld. In meerkorige werken ligt de nadruk op monumentaliteit, minder op zaken als tekstexpressie of harmonische experimenten. Die monumentaliteit kwam hier perfect tot uiting. Natuurlijk miste ik hier – om nog één keer terug te komen op mijn opmerking over het openingsconcert – de akoestiek van een kerk. Daarin hoort deze muziek te klinken en daarin komt ze veel beter tot haar recht. Maar het is nu eenmaal zo als het is en Daucé en zijn musici hadden zich goed aan de omstandigheden aangepast. Het concert liet in elk geval ook nog eens horen hoeveel onbekende muzikale schatten nog op ontdekking liggen te wachten. Het is één van de taken van dit festival de uitvoering van zulk repertoire mogelijk te maken en te stimuleren.

Mijn festival had nauwelijks beter kunnen eindigen dan met dit geweldige concert.

Dit was mijn laatste dagboek, maar er volgt nog een slotbeschouwing.

Gepost door: Johan van Veen | 3 september 2016

Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – vrijdag 2 september

De vrijdag begon weer in Hertz met een concert door Il Suonar Parlante onder leiding van Vittorio Ghielmi, gewijd aan Venetiaanse consortmuziek. Twee eerdere concerten lieten al zien dat het consort – dat tegenwoordig bijna exclusief wordt geassocieerd met de Engelse renaissance – in Italië in de 17e eeuw nog steeds een rol speelde. Maar er is weinig muziek die expressis verbis voor zo’n ensemble geschreven is. In het programma dat Il Suonar Parlante uitvoerde, waren alleen twee werken van Giovanni Legrenzi specifiek voor viole da gamba gecomponeerd. Verder klonken klavierwerken van de Gabrieli’s die – zoals Ghielmi schrijft in zijn toelichting – vanwege hun polyfone opbouw ook heel goed met meerdere instrumenten gespeeld kunnen worden. Het was een interessant programma maar de interpretatie kon ik niet erg waarderen. Dat lag vooral aan de wat onaangename toon die Ghielmi zelf op zijn diskantgamba voortbracht. Wat een verschil met het excellente ensemble L’Achéron afgelopen woensdag! Heel vreemd was ook dat Ghielmi zijn diskantgamba gebruikte als soloinstrument in Castello’s Sonata seconda a soprano solo wat meestal op viool wordt gespeeld. Ik vond de diskantgamba geen geschikt instrument voor dit stuk en ik betwijfel ook of dit instrument destijds solistisch werd gebruikt. Heel interessant en qua uitvoering beste onderdeel van het concert was een intavolatie van stukken uit Monteverdi’s L’Orfeo, fraai gespeeld door Margret Köll op harp en Luca Pianca op luit.

Evenals vorig jaar zorgde Luca Guglielmi voor een programmatisch bijzonder interessant concert in de Lutherse Kerk. Er klonken werken van drie componisten die in Venetië geboren zijn en/of daar hun opleiding hebben ontvangen. Het programma opende met twee sonates van Giovanni Benedetto Platti die de langste tijd van zijn leven in Duitsland werkte. De laatste jaren neemt de belangstelling voor zijn oeuvre toe wat niet in de laatste plaats te maken heeft met het groeiende besef dat hij een belangrijke schakel is tussen de barok en de klassieke periode. In zijn klavierwerken is dat duidelijk te merken en dat werd door Guglielmi onderstreept door een fortepiano als instrument te kiezen. Hij bespeelde een kopie van het eerste instrument van die aard, ontwikkeld door Bartolomeo Cristofori. Verschillende Italiaanse componisten toonden al snel belangstelling voor Cristofori’s uitvinding en er wordt gesuggereerd dat Platti een rol gespeeld kan hebben bij de verbreiding van dit type instrument naar Duitsland. In elk geval klonken deze sonates op dit instrument bijzonder overtuigend, zeker ook door het doorleefde en geëngageerde spel van Guglielmi. Daarna klonken twee sonates en een divertimento van Galuppi. Zijn klavierwerken waren bijzonder geliefd en vonden hun weg door heel Europa. Eerder liet Francesco Corti al een keuze horen op het klavecimbel. Het was heel interessant zijn sonates nu eens op fortepiano te horen. Een specifiek instrument lijkt Galuppi niet in gedachten gehad te hebben. Dat de fortepiano op z’n minst in beeld was wordt gesuggereerd door de dynamische tekens in het Divertimento in A, die de vorm heeft van een suite. Guglielmi besloot zijn concert met de onbekendste van de drie componisten, Andrea Lucchesi, die evenals Platti in Duitsland werkte. Zijn Sonate in D, op. 1,6 was wellicht de meest klassieke van de gespeelde werken. In zijn programmatoelichting noteerde Guglielmi allerlei elementen die vooruitwijzen naar Haydn en Mozart. Niet alleen was dit concert programmatisch interessant, het was ook mooi een kopie van een Cristofori te horen. Guglielmi zorgde voor een uitstekend concert met overtuigende interpretaties, gebaseerd op een puntgave techniek en een complete beheersing van het instrument.

Buitengewoon intrigerend was het concert van de Cappella Romana in de St Willibrordkerk. Onder leiding van Alexander Lingas klonk hier liturgisch repertoire “op het kruispunt van oost en west”, zoals de titel van het concert luidde. Venetië was vele eeuwen politiek en economisch één van de belangrijkste centra van Europa en dat leidde tot een veelheid aan betrekkingen, ook met het oosten en de daar dominante Byzantijnse cultuur. Maar als gevolg van politieke ontwikkelingen vestigden zich ook inwoners van oostelijke streken in Venetië, daaronder Grieken die hun eigen variant van het christelijk geloof en de daarbij behorende liturgie meebrachten. In het programma hoorden we liturgische gezangen in het Latijn en in het Byzantijnse Grieks dat qua uitspraak meer verwantschap met het moderne dan met het klassieke Grieks laat zien. Dat maakte het volgen van de teksten soms wat lastig. Het programma was opgedeeld in vier hoofdstukken: Kruisiging en kruisafneming, Wederopstanding, Eucharistiegezangen en Hymnes voor de Moeder van God. Daarin kwamen zowel de overeenkomsten als de verschillen tot uitdrukking. Opvallend in de Byzantijnse gezangen zijn de lange melisma’s waardoor een stuk met een niet al te lange tekst toch nogal wat tijd in beslag neemt. Het laatste stuk van het programma bevatte een passage met een vocalise op “terererere”; deze betekenisloze lettergrepen worden aangeduid met de term teretismata en komen sinds de 14e eeuw voor in Byzantijnse manuscripten. Zo’n passage kan eigenlijk naar believen worden uitgebreid of ingekort. Dit repertoire is bijzonder fascinerend en grotendeels onbekend. De Cappella Romana heeft zich hierin gespecialiseerd en bracht recent een CD uit met liturgische muziek van Cyprus. De zangwijze doet enigszins denken aan die van koren in de Russisch-orthodoxe traditie, met een belangrijke rol voor de lagere stemmen. In dit concert zongen ook vrouwen mee maar hun rol was verhoudingsgewijs bescheiden. De akoestiek van de St Willibrordkerk is perfect voor dit repertoire. De uitvoering van Cappella Romana was buitengewoon indrukwekkend. Wie zich verder wil oriënteren kan de website van het ensemble meer interessante producties vinden.

Vorig jaar maakte het Portugese Officium Ensemble zijn debuut in het festival. Het programma was toen niet erg avontuurlijk maar de manier van zingen beviel mij zeer en ik was niet de enige die het ensemble graag nog eens zou willen horen. Tot m’n genoegen maakte het ensemble dus dit jaar opnieuw zijn opwachting en zong in een volle Pieterskerk een programma rond de Missa Quaeramus cum pastoribus van Adrian Willaert. Het programma werd geopend met het motet van Jean Mouton waarop Willaert zijn mis heeft gebaseerd. Verder hoorden we enkele motetten van Cipriano de Rore die gekenmerkt worden door het gebruik van de canontechniek. Dat was vrij gebruikelijk in de 16e eeuw en lijkt een soort intellectueel spel maar in feite leidt het tot een ingenieus polyfoon weefsel dat aan de desbetreffende werken een hoge mate van sonoriteit verleent. Intrigerend was Nesciens mater van Mouton waarin de dubbelkorigheid op een bijzondere manier wordt aangewend. Het koor stond niet in twee groepen aan beide zijden van het podium – zoals in Andrea Gabrieli’s O Domine Jesu Christe dat het concert afsloot – maar achter elkaar, het ene voor in het schip, het andere op de trappen naar het koor. Dat gaf een heel speciaal effect waarin Moutons gebruik van de dubbelkorigheid goed tot z’n recht kwam. Opvallend was het gebruik van de dynamiek: dirigent Pedro Teixeira was niet bang om soms flinke dynamische contrasten aan te brengen maar hij maakte daarbij duidelijk verschil tussen de traditionele polyfonie en de twee motetten van Monteverdi – Adoramus te Christe en Cantate Domino – waarin de componist de stile antico combineert met elementen van de moderne stijl van de vroege 17e eeuw, bijvoorbeeld in de behandeling van de tekst. Hier werd de dynamiek op een meer barokke manier toegepast, bijvoorbeeld door elementen uit de tekst te beklemtonen door een forte. Hier werd ook veel meer gedeclameerd terwijl in de oudere composities het legato overheerste. De kwaliteiten van dit ensemble kwamen in dit programma mooi naar voren. De klank beviel me veel beter dan die van Cantica Symphonia afgelopen woensdag. De positieve indrukken van vorig jaar werden volledig bevestigd.

Ik had besloten het verjaardagsfeestje voor Jordi Savall aan me voorbij te laten gaan. Maar zo gemakkelijk ging dat niet. Want dat feestje liep nogal uit de hand. Ik had in de loop van de middag een mailtje van de organisatie ontvangen dat het wat langer zou duren. Het concert van half elf zou daarom om elf uur beginnen. Toen ik arriveerde zat er maar weinig publiek in de zaal. Dat leek me merkwaardig. Tenslotte zou dit het enige concert in het festival zijn dat geheel aan Monteverdi was gewijd: Cantar Lontano zou, onder leiding van Marco Mencoboni, o.a. de Combattimento di Tancredi e Clorinda uitvoeren. Na een kwartier wachten werd het publiek wat onrustig. Sommigen begonnen te applaudisseren: ze wilden wel eens wat zien en horen. Dat helpt natuurlijk niet en is ook weinig respectvol tegenover de musici die ook met een onverwachte situatie werden geconfronteerd. Na twintig minuten begonnen ze dan toch maar met hun concert voor een half lege zaal. Een kwartier later, nadat de eerste twee stukken waren uitgevoerd, volgde een invasie van bezoekers van Savalls feestje die merkten dat het concert al begonnen was, ondanks de mededeling dat op hen gewacht zou worden. Dit had niet mogen gebeuren. Maar de laatkomers waren in elk geval op tijd om een geweldige uitvoering van de Combattimento mee te maken. Tenor Luca Dordolo droeg het verhaal voor als een acteur, met spaarzame maar effectieve gebaren en een geweldige stembeheersing. Zelden werd het verhaal zo direct aan de luisteraar meegedeeld. Uiteraard speelde ook de ruimte – die een vrij direct contact tussen artiesten en publiek mogelijk maakt – hierbij een rol. De instrumentale partijen werden op een theatrale manier ingevuld. Het concert werd besloten met nog twee madrigalen die door het hele ensemble uitstekend werden vertolkt.

Er was nog een concert, dat oorspronkelijk om middernacht had moeten beginnen. Dat werd dus nogal wat later maar de geduldige muziekliefhebber werd rijkelijk beloond door sopraan Roberta Mameli en luitist Eduardo Egüez die een programma met luitliederen van Francesco Bosnacio uitvoerden. Bosnacio is niet de componist van deze liederen maar hij gaf enkele bundels uit waarin hij frottole van o.a. Tromboncino en Cara reduceerde tot liederen voor zangstem en luit. Daarmee is het intiem repertoire dat in de huiskamer tot klinken moet komen. Dankzij het kleine aantal luisteraars en de aanpak van de beide artiesten werd Hertz tot een intieme huiskamer omgetoverd. De fijnzinnige en communicatieve interpretatie zorgden ervoor dat de luisteraar met een tevreden gevoel huiswaarts kon gaan.

Gepost door: Johan van Veen | 2 september 2016

Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – donderdag 1 september

Op de eerste zaterdag van het festival speelde het Ensemble Masques enkele sonates uit het opus 2 van Tomaso Albinoni. De donderdag begon om 11 uur met een concert dat eveneens aan Albinoni gewijd was, met sonates voor viool en bc uit zijn opus 6, gepubliceerd in Amsterdam rond 1712 onder de titel Trattenimenti armonici per camera. Dit concert vond plaats in de aula van het Academiegebouw, een plek die de laatste jaren helaas niet meer zo vaak voor festivalconcerten wordt gebruikt. Voor een programma als dit is het echter heel geschikt. Violiste Leila Schayegh en klavecinist Jörg Halubek demonstreerden niet alleen de vioolkunst van Albinoni, maar ook diens invloed op Johann Sebastian Bach. Het concert opende met de mooie Sonate nr 7 in D. Schayegh is een heel begaafde violiste; haar techniek is smetteloos en ze speelt met een grote intensiteit en betrokkenheid. Ik noteerde ook dat Halubek de basso continuopartij op een bijna concertante manier uitwerkte, vooral in de langzame delen als ware het een concertante partij, zoals in de sonates voor klavecimbel en viool van Bach. De eerste van die sonates (BWV 1014) besloot het concert en daarvoor klonk de Sonate nr 6 in a van Albinoni waarin Schayegh in plaats van Italiaanse versieringen ervoor koos versieringen te spelen in de stijl van Bach. Voorafgaand demonstreerde ze kort de verschillen, wat heel instructief was. Op deze manier kregen de beide sonates ook een eigen profiel. Bachs sonate werd prachtig gespeeld; Schayegh realiseerde zich dat zij daarin de ‘tweede viool’ speelt. Dat was nog duidelijker geworden als ze zich achter het klavecimbel had opgesteld. Eerder gaf Halubek een mooie vertolking van Bachs Preludium en fuga over een thema van Albinoni (BWV 951) waarin hij me ook wat eigen improvisaties leek te verwerken.

Voor het tweede concert begaf ik me naar de Lutherse Kerk voor weer een aflevering in de klavierserie. Dit keer speelde Javier Núñez een programma waarin Giovanni Picchi centraal stond. Die was al eerder te horen geweest in het concert van Rinaldo Alessandrini. In zijn aanpak hoorde ik die van zijn leraar Ton Koopman terug. Núñez was iets terughoudender; evenals Alessandrini speelde hij Picchi’s Toccata, voor mijn gevoel iets langzamer en wellicht iets minder vrij. Dat is geen kritiek; er zijn verschillende wegen die naar Venetië leiden. Núñez maakte er een bijzonder boeiend geheel van; de ritmiek in de dansen van Picchi was uitstekend waardoor je ze als luisteraar ook echt als dansen ervoer. Heel interessant was de confrontatie met stukken van vertegenwoordigers van de Napolitaanse school: Giovanni Maria Trabaci, Giovanni de Macque en Ascanio Mayone. Zij vallen vooral op door harmonische experimenten; de Macque was enige tijd in dienst van de familie Gesualdo. Er is een onmiskenbaar verband tussen de klaviermuziek van de Napolitaanse school en Gesualdo’s madrigalen. In dit concert was het vooral in Trabaci’s Consonanze stravaganti dat we ongewone harmonische patronen konden horen. Núñez eindigde met een mooie interpretatie van Follia van Storace; zijn aanpak beviel me beter dan die van Carole Cerasi in haar concert van woensdag. Núñez’ optreden was zonder meer een van de hoogtepunten in de klavierserie.

Aan het eind van de middag kon de festivalbezoeker kiezen uit twee concerten: Psalmen van Marcello – uit dezelfde bundel waaruit Václav Luks afgelopen maandag drie werken had geselecteerd – door het Nederlands Kamerkoor onder leiding van Richard Egarr en motetten van Galuppi, door Francesca Boncompagni en Les Musiciens du Louvre onder leiding van Francesco Corti. Voor dat laatste concert had ik een kaart gereserveerd, ook al omdat ik in een eerdere editie van dit festival enkele werken van Galuppi had gehoord die mij goed waren bevallen. Maar al snel betreurde ik dat ik deze keuze gemaakt had. Twee motetten – liturgisch gezien antifonen – stonden op het programma: Ave regina coelorum en Alma redemptoris mater. Ze hebben de vorm die we ook van Vivaldi kennen: een afwisseling van recitatieven en aria’s. Qua karakter waan je je met deze stukken in de opera. Ze stammen uit de jaren 1770 en de klassieke stijl hoor je er al in doorsijpelen. Van de sopraan wordt een grote tessituur verwacht; er zitten in de aria’s een paar noten waarvoor ze het hoogste register van haar stem moet opzoeken. In deze tijd kwam ook het zingen van staccato in de mode dat je in de opera van de klassieke periode vaak hoort; ook in deze motetten zitten zulke passages. Ik vind zulke muziek nogal problematisch, zoals veel religieuze muziek uit de tweede helft van de 18e eeuw die vaak een soort van vervreemding oproept. Ik had niets dan bewondering voor de technische vaardigheden van Francesca Boncompagni die zich met bravoure door de veeleisende vocale partijen heensloeg en door het publiek met ovationeel applaus werd beloond. Maar uit stilistisch oogpunt waren haar interpretaties allesbehalve overtuigend. Van de tekst was te weinig te verstaan en haar gezang werd door een groot en constant vibrato ontsierd. Daar lijken veel liefhebbers van oude muziek tegenwoordig geen probleem mee te hebben, maar ik vind het nog steeds erg lelijk en vanuit historisch oogpunt onverdedigbaar. Als er iets is waaraan de historische uitvoeringspraktijk behoefte heeft is het aan een hernieuwde bezinning op een ‘authentieke’ stijl van zingen, vooral in het meer dramatische repertoire. Het concert eindigde met een bekend motet van Vivaldi, Nulla in mundo pax sincera. Het is een prachtig stuk maar ik kon er hier niet erg van genieten. Geef mij dan maar good old Emma Kirkby, die van dit motet ooit een geweldig mooie opname maakte. Overigens werd ook nog één van de concerti a quattro van Galuppi gespeeld; dat was helaas precies hetzelfde als het Collegium Marianum gisteren speelde. Het concert zou openen met één van de andere concerti van deze serie maar vanwege de tijd werd dat geschrapt. Het concert begon namelijk te laat omdat om 15.00 uur ook al een concert in de Geertekerk had plaatsgevonden en het blijkbaar veel tijd kostte om de ruimte voor het tweede concert aan te passen. Ik heb nooit eerder meegemaakt dat twee concerten direct na elkaar in dezelfde ruimte plaatsvonden en in dit geval bleek waarom dat ook geen goed idee is.

Mijn teleurstelling over dit concert werd ’s avonds weggespoeld door Vox Luminis en het Capriccio Stragante Renaissance Orchestra onder leiding van Skip Sempé. “De wereld van Monteverdi” was de titel van het concert. Hier hoorden we vocale en instrumentale muziek uit de tijd van Monteverdi, van o.a. Mainerio, Guami, Malvezzi en Vecchi. Daarnaast klonken enkele stukken van Monteverdi zelf en werken van een eerdere generatie (Andrea Gabrieli) en een latere (Heinrich Schütz). Het was een geweldige avond, met een briljant zingend Vox Luminis – o.a. twee duetten, prachtig gezongen door Zsuzsi Tóth en Sara Jäggi respectievelijk Philippe Froeliger en Robert Buckland – en een even briljant spelend renaissanceorkest. Over de bezetting van sommige stukken kun je je twijfels hebben. Het is de vraag of de dansen van bv. Mainerio met zoveel instrumenten moeten worden gespeeld en ook over de keuze van de instrumenten zijn wel wat kritische noten te kraken. Het is twijfelachtig of een compleet ensemble van twaalf stemmen moet aantreden voor madrigalen. James Bowman nam ooit Vecchi’s So ben mi ch’ha bon tempo op zijn debuutplaat op, begeleid door enkele gamba’s; twaalf stemmen is wat overdreven. Ik vond het ook wat merkwaardig dat alleen de eerste strofe werd gezongen; het kreeg daardoor de status van een tussendoortje. Maar er waren ook enkele geweldig gezongen stukken uit de Selva morale e spirituale von Monteverdi: Confitebor III, Dixit Dominus II en Beatus vir. Als tweede toegift kregen we van hem ook nog het Deus in adiutorium uit de Vespers. Dat volgde op het langdurige applaus waarmee de musici werden beloond die het concert besloten met Schütz’s Alleluia, Lobe den Herren. Deze indrukwekkende vertolking deed me hopen dat Vox Luminis zich nog eens over deze componist gaat ontfermen en het niet laat bij de prachtige opname van de Musicalische Exequien (Ricercar, 2011). Dankzij dit concert ging ik met een tevreden gevoel naar huis.

Gepost door: Johan van Veen | 1 september 2016

Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – woensdag 31 augustus

In tegenstelling tot gisteren een vol programma. De dag opende met een concert in Hertz door het Tsjechische ensemble Collegium Marianum onder leiding van Jana Semerádová, die ook de traverso bespeelde in drie soloconcerten van Galuppi, Jiránek en Vivaldi. Galuppi is een componist op de grens van barok en de vroege klassieke stijl. Dat kwam direct tot uiting in het Fluitconcert in D. Het is een compact stuk dat zich duidelijk onderscheidt van het idioom van Galuppi’s grote voorganger in Venetië, Vivaldi. Ook het daarna gespeelde Concerto a quattro in c wijst nieuwe wegen, in de richting van het strijkkwartet. Vivaldi’s invloed is onmiskenbaar in het Fluitconcert in D van de Boheemse componist Jiránek, die de laatste jaren nogal in de belangstelling staat. Er is zelfs een heuse catalogus van zijn oeuvre. Door zijn broodheer werd hij naar Italië gestuurd en mogelijk heeft hij les gehad van Vivaldi. Interessant was het Vioolconcert in D dat zowel aan Vivaldi als aan Jiránek wordt toegeschreven. Het is een heel mooi en nogal virtuoos stuk dat door één van de leden van het ensemble – helaas niet met name genoemd – met élan werd voorgedragen. Vivaldi was de hekkesluiter met één van zijn beschrijvende concerten, getiteld La notte. Jana Semerádová zorgde voor een heel beeldende interpretatie, met Kim Stockx op fagot. Ik kende dit ensemble van enkele uitstekende CDs en het was een genoegen deze musici live aan het werk te horen en te zien. Ze moeten maar snel weer terug komen in Nederland.

In de Lutherse Kerk speelde Carole Cerasi een opvallend programma: hier werd de Italiaanse componist Bernardo Storace tegenover de Franse Jean-Henry d’Anglebert gesteld. Ze hebben gemeen dat we van hen uitsluitend muziek voor toetsinstrumenten kennen. Van Storace weten we vrijwel niets; de enige gegevens zijn ontleend aan de titelpagina van zijn enige bundel met klaviermuziek. Overigens was hij op Sicilië werkzaam; de enige connectie met Venetië is dat de genoemde bundel daar is uitgegeven. Maar Carole Cerasi schrijft in haar toelichting dat zijn muziek stilistisch nauw aansluit bij de Noorditaliaanse stijl. Dat zal dan wel de reden zijn dat hij in dit festival aan het woord komt. Cerasi speelde twee klavecimbels: een Italiaans en een Frans instrument. Ze begon op het eerstgenoemde klavecimbel met de Ballo della battaglia dat ze nogal voortvarend aanpakte; dat is op zichzelf goed maar soms leidde het hoge tempo tot een wat onheldere articulatie. Een paar cesuren hier en daar hadden niet misstaan. Dat was beter in de overige werken, o.a. Romanesca en Aria sopra la Spagnoletta. Daarna speelde ze drie stukken van D’Anglebert op het Franse klavecimbel: een prélude, Tombeau de Mr de Chambonnières – waarschijnlijk zijn leraar – en een chaconne rondeau. Daarna volgden enkele stukken van Storace die ze tot mijn verbazing op hetzelfde klavecimbel speelde. Dat klonk helemaal niet slecht, afgezien van een passage uit het Balletto waarin de gekozen registratie kraaievals bleek. Dat leek me niet de bedoeling; ook al eerder had ik de indruk dat iets met het instrument niet helemaal snor zat. Voor het overige was daarvan weinig te merken. Na weer drie stukken van D’Anglebert besloot Cerasi haar recital met de briljante Ciaccona van Storace. Eerlijk gezegd is mij de raison d’être van dit concert niet helemaal duidelijk geworden maar de confrontatie van twee stijlen is zeker interessant en Cerasi is een uitstekend en bevlogen musicus die er een boeiend geheel van maakte.

Cerasi suggereert in haar toelichting dat Storace zijn klavecimbelwerken in Venetië liet uitgeven omdat het een centrum van muziekdrukkunst was. Datzelfde gegeven lag ook ten grondslag aan het concert van Les Flamboyants onder leiding van Michael Form in Leeuwenbergh. Het programma bestond uit stukken die zijn opgenomen in de eerste gedrukte uitgave met polyfone muziek die in 1501 van de pers van Ottaviano Petrucci kwam, onder de titel Odhecaton. De bundel bestaat vrijwel uitsluitend uit Franse chansons waarvan de tekst echter alleen wordt aangeduid, niet afgedrukt. Daaruit kan de conclusie getrokken worden dat deze verzameling bedoeld was voor instrumentale uitvoering. Daarmee is het dan ook de eerste uitgave met muziek voor een ensemble van instrumenten. Bovendien worden de meeste stukken niet in de originele vorm aangeboden maar met versieringen of zelfs toegevoegde stemmen. Om toch de connectie met de vocale originelen te behouden werd een aantal stukken uit andere bronnen gezongen door Els Janssens-Vanmunster. Haar stem is daarvoor heel geschikt maar soms vond ik de voordracht iets te rechtlijnig; wat meer dynamische variatie zou welkom zijn geweest. Enkele van de bekendste ‘schlagers’ van de renaissance kwamen voorbij, zoals L’homme armé, De tous bien playne en J’ay pris amours. Onder de componisten die hun opwachting maakten waren Josquin, Obrecht, Busnoys en de tegenwoordig wat minder bekende Jean Japart. Dit concert was eigenlijk een staalkaart van wat toen overal in Europa gespeeld werd en liet zien hoe men met algemeen bekend materiaal – dat in manuscript circuleerde – omging. De leden van Les Flamboyants – op blokfluit, gamba’s, luit en harp – droegen dit repertoire levendig en met technisch raffinement voor.

De namen van de Gabrieli’s zijn onverbrekelijk verbonden met Venetië. Maar het beeld van hun oeuvre is wat eenzijdig. De aandacht gaat vooral naar de meerkorige vocale werken uit. Giovanni is ook aanzienlijk bekender dan zijn oom Andrea. De laatste stond centraal in een concert van Cantica Symphonia onder leiding van Giuseppe Maletto. Het grootste deel van de motetten in het programma is te vinden in een bundel die in 1565 in Venetië werd uitgegeven. Maar Maletto schrijft in zijn toelichting dat het hier om vroege werken gaat die ontstonden toen Andrea werkzaam was aan het hof in München, waar Lassus kapelmeester was. Alle motetten zijn voor vijf stemmen maar in de uitvoering door Cantica Symphonia varieerde het aantal zangers per motet. Soms traden alle twaalf zangers aan, dan weer werden motetten met één zanger per stem uitgevoerd. Die kwamen ook het beste uit de verf, zeker de aan Maria gewijde motetten die meestal een intiem en devoot karakter dragen. In de groter bezette stukken viel de uitvoering me wat tegen. Ik heb er geen problemen mee wanneer er luid gezongen wordt; sommige stukken vragen daar om of geven daar op z’n minst aanleiding toe, zoals Cantate Domino canticum novum waarmee het programma opende. Maar dat is geen reden een wat ruwe klank te produceren. De stemmen mengden niet optimaal en dat was deels te wijten aan één of twee zangers die een nogal scherpe klank produceerden. Niet elk ensemble hoeft dezelfde zoetgevooisde klank voort te brengen die kenmerkend is voor bijvoorbeeld Cinquecento maar hier vond ik – in elk geval in de volle bezetting van het ensemble – de klank te ongepolijst. Dat laat onverlet dat het over een aantal uitstekende stemmen beschikt; die kwamen dus vooral in de kleinere bezettingen aan het woord.

Cavalli is behoorlijk goed vertegenwoordigd in dit festival. In eerdere concerten is zijn activiteit als operacomponist belicht, het was in het avondconcert de taak van Concerto Palatino, onder leiding van Bruce Dickey, de geestelijke muziek van zijn pen te belichten. Die is ondergewaardeerd: het is veelzeggend dat in een Engels boek over Cavalli dit deel van zijn oeuvre er nogal bekaaid afkomt. Jaren geleden nam Concerto Palatino al eens Vespermuziek uit de verzameling Musiche sacre van 1656 op (Harmonia mundi, 1995). Het is dus bekend terrein voor Dickey en zijn ensemble al is de bezetting van Concerto Palatino een andere dan destijds. Het is een schitterende opname die de kwaliteiten van Cavalli’s muziek goed over het voetlicht brengt. Dat gebeurde ook tijdens het concert, want ook deze bezetting mocht er zijn, met zulke gerenommeerde zangers als Monica Piccinini, Sabine Lutzenberger, Marcel Beekman, David Munderloh, Charles Daniels, Jan Van Elsacker, Harry van der Kamp en Tim Scott Whiteley. Dan kan er weinig misgaan. Heel mooi is de variatie in karakter en bezetting tussen de verschillende delen: vier psalmen en het Magnificat. Zowel in de soli als de tutti konden de zangers overtuigen. Het ensemble slaagde erin de voor deze muziek eigenlijk niet zo geschikte ruimte naar zijn hand te zetten. Het podium bood in elk geval de mogelijkheid van een ruimtelijke opstelling. Tussen de vocale delen klonken de vier canzona’s en de twee sonates die in dezelfde bundel te vinden zijn. Die zijn waarschijnlijk bedoeld als substituut voor de antifonen. Daarmee kreeg deze uitvoering dan toch het karakter van een echte Vesper (ook al ontbraken enkele delen alsmede gregoriaanse gezangen). Dat werd doorbroken door het applaus tussen de afzonderlijke stukken wat ik als storend ervoer. De musici negeerden het aanvankelijk maar gaven uiteindelijk er toch maar aan toe. Dat hadden ze beter niet kunnen doen. Het publiek moet soms worden opgevoed. Rest me nog toe te voegen dat het spel van de instrumentalisten buitengewoon indrukwekkend was.

In het concert door Capriccio Stravagante van maandag hoorden we al muziek die op verschillende wijzen kan worden uitgevoerd: met instrumenten en bc maar ook als consortmuziek. Laatstgenoemde uitvoeringswijze stond centraal in het concert van het Franse gambaconsort L’Achéron in Hertz. Daarin werd nog eens onderstreept dat het gambaconsort nog wel degelijk bestond in Italië, ondanks de dominantie van de concertante stijl met briljante partijen voor soloinstrumenten. We hoorden het gambaconsort in twee rollen. Allereerst klonken instrumentale werken: vier korte stukken en een sonata van Biagio Marini alsmede de Sonata quarta van Legrenzi. Daarnaast trad het op als ondersteuning van de zangers van Vox Luminis in een Salve Regina van Sances – van wie we eerder “amoureuze dialogen” hoorden (Scherzi musicali, zaterdag) – en een uitgebreide zetting van het Dies irae van Legrenzi. Dat werk voor acht stemmen bevat ook een aantal passages voor één of meerdere solostemmen. Het is een prachtig stuk dat een kant van Legrenzi laat zien die nauwelijks bekend is; wat mij betreft is zijn vocale muziek één van de ontdekkingen van dit festival. De samenwerking van beide ensembles was excellent: ze opereren op dezelfde golflengte en creëerden de perfecte belans tussen stemmen en instrumenten. De expressie in dit werk kwam optimaal tot haar recht. Het schijnt dat beide ensembles ook in de toekomst blijven samenwerken. Dat is goed nieuws voor de muziekliefhebbers maar vooral voor de muziek die ze onder handen gaan nemen.

Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2016

Dagboek Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – dinsdag 30 augustus

Op dinsdag stond er voor mij niet veel op het programma: slechts drie concerten. Het eerste was in de Lutherse Kerk, waar Francesco Corti zich wijdde aan klaviermuziek van Baldassare Galuppi. In zijn programmatoelichting bij zijn concert van maandag schreef Rinaldo Alessandrini dat na het midden van de 17e eeuw nauwelijks nog Italiaanse componisten zich met overgave op klaviermuziek stortten. Je zou Galuppi een uitzondering kunnen noemen, ook al is hij in de eerste plaats bekend geworden door zijn vocale muziek. Hij heeft niettemin een groot aantal sonates en andere werken voor een toetsinstrument geschreven, die – getuige de verbreiding in manuscript over heel Europa – met veel enthousiasme ontvangen werden. Het lijkt erop dat ze in onze tijd inmiddels ook worden ontdekt, want de laatste paar jaar heb ik diverse recensie-exemplaren van CDs met zijn klaviermuziek ontvangen. Ik heb kunnen vaststellen dat ze veel beter is dan men wellicht geneigd is te denken. De klaviermuziek uit het midden van de 18e eeuw – met uitzondering van Duitse componisten als Wilhelm Friedemann en Carl Philipp Emanuel Bach – wordt vaak geassocieerd met eenvoud, om niet te zeggen simplisme, de dominantie van de rechterhand en frequent gebruik van de Albertibas en trommelbassen, kortom: muziek die het ene oor in en het andere uit gaat. Zulke muziek is er wel maar Galuppi’s sonates zijn van betere kwaliteit. Hoewel voor amateurs geschreven zijn sommige allerminst eenvoudig. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Sonate in A waarmee Corti zijn recital besloot. Vooral het laatste deel (allegro assai) is veeleisend en laat de invloed van Domenico Scarlatti zien, onder andere in de toepassing van de techniek van het kruisen van de handen. Ook in de twee sonates waarmee Corti begon, in F resp. in c, is de invloed van Scarlatti onmiskenbaar aanwezig. Het was dan ook zinvol dat Corti twee sonates van laatstgenoemde in zijn programma had opgenomen. Interessant was ook de confrontatie met Johann Adolf Hasse, ook iemand die vrijwel uitsluitend door zijn vocale muziek bekendheid geniet. Ook hij heeft een (bescheiden) aantal klavierwerken nagelaten, die zelden gespeeld worden. Deze laten enige invloed van de Franse klavecimbelschool zien. In de Sonate in d, op. 7,5 was dat vooral in het langzame deel te horen. Corti hield een overtuigend en welsprekend pleidooi voor deze vergeten en nog niet op waarde geschatte klaviermuziek. Het klavieroeuvre van Galuppi is aan herwaardering toe en Corti liet zien hoe goed deze muziek – of in elk geval een deel ervan – kan klinken wanneer ze met stijlgevoel gespeeld wordt.

Mijn tweede concert was het avondconcert in de grote zaal van TivoliVredenburg. Onder de titel “L’amore innamorato” werden aria’s en instrumentale stukken uit verschillende opera’s van Cavalli uitgevoerd door vier zangers en het ensemble L’Arpeggiata, onder leiding van Christina Pluhar. Ik ging daar met enige scepsis heen want de weerzinwekkende uitvoering van Purcell’s Dido and Aeneas door Pluhar in het festival van vorig jaar staat me nog levendig voor de geest. Maar ze gedroeg zich keurig; dat sommige teksten in de door Cavalli getoonzette libretti ook nogal weerzinwekkend zijn is haar fout niet (ook al vermoed ik dat ze die wel kan waarderen). De uitvoering was concertant, al maakten de zangers gebruik van gestiek en bewogen ze zich in een paar aria’s of korte scènes wel over het podium. Sopraan Nuria Rial maakte muzikaal de meeste indruk, ook al omdat ze de meer intieme aria’s zong; die passen het beste bij haar stem en – voorzover ik dat kan beoordelen – haar persoonlijkheid. Mezzosopraan Giuseppina Bridelli bleek uit een wat ander hout gesneden: ze zong de meest dramatische stukken en dat ging haar uitstekend af. Ze heeft een heel theatrale aanpak die hier voortreffelijk werkte. Stilistisch was ze minder overtuigend, vooral door het soms te grote vibrato. De beide alto’s, Vincenzo Capezzuto en Jakub Józef Orlínski, hadden een mooi aandeel in het programma, maar speelden een bescheiden rol. De laatste heeft een mooie stem maar aan het wat muizige geluid van eerstgenoemde moet je wel wennen. Dit programma onderstreepte nog eens de grote muzikale kwaliteit van Cavalli’s opera’s en het is verheugend dat die de laatste jaren vaker worden uitgevoerd. De soms dubieuze teksten moet je dan maar op de koop toenemen.

Ik sloot de dag af in Hertz met het laatste concert van Gli Angeli Genève dat dit keer gewijd was aan duetten voor twee bassen, afgewisseld met enkele werken voor solostem en instrumentale stukken. In de Italiaanse barok wordt de vocale muziek gedomineerd door hoge stemmen, sopraan en alt. Bassen spelen in de opera een ondergeschikte rol en ook in andere genres wordt hun relatief weinig virtuoze muziek toebedeeld. Het is wellicht aan Rosenmüllers Duitse oorsprong toe te schrijven dat zich in zijn oeuvre verschillende virtuoze geestelijke concerten voor één of twee bassen bevinden. Op het programma stonden twee bijzonder dramatische stukken, Estote fortes in bello (Wees sterk in de oorlog) en Congregati sunt (“Onze vijanden hebben zich verzameld en pochen op hun kracht”) die Rosenmüller op de manier van een battaglia behandelt, met de daarbij behorende ritmes en accenten in de vocale en zeker ook de instrumentale partijen. Veel Duitse componisten werden door de Italiaanse stijl beïnvloed. Dat geldt ook voor Franz Tunder, zoals blijkt uit het geestelijk concert Herr, nun lässest du deinen Diener. Geheel anders van karakter is Erbarm dich mein, o Herre Gott van Heinrich Schütz, een aria voor solostem en strijkers die een bewerking is van een koraalmelodie. Dit stuk is overigens niet specifiek voor bas; de enige moderne uitgave die ik kon raadplegen geeft de solopartij aan een sopraan. Interessant is Laetatus sum van Biber, die vooral door zijn vioolmuziek bekend is. Hij was een virtuoos op dat instrument en er kan weinig twijfel over bestaan dat hij de vioolsolo in dit stuk die in feite de derde ‘stem’ is, voor zichzelf gecomponeerd heeft. Het ensemble werd enigszins gehandicapt doordat de tweede bas, Benoît Arnould, getroffen was door een keelontsteking. Uiteindelijk was daarvan niet echt veel te merken, althans niet voor het publiek. Hij sloeg zich er met bravoure doorheen. Gevolg was wel dat de solostukken die oorspronkelijk wel over beide solisten verdeeld zullen zijn geweest, allemaal door Stephan MacLeod gezongen werden. Ondanks deze tegenslag was het een bijzonder mooi concert, met indrukwekkende muziek die op uitstekende wijze werd uitgevoerd door de zangers en instrumentalisten van Gli Angeli Genève. Het was een mooi besluit van de dag en een mooi afscheid van het ensemble dat op dit festival een uitstekende indruk heeft gemaakt. MacLeod heeft zijn status als artist in residence zonder meer waar gemaakt.

Gepost door: Johan van Veen | 30 augustus 2016

Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – maandag 29 augustus

De tweede week begint voor mij op maandag met een concert in Hertz door Capriccio Stravagante onder leiding van Skip Sempé. Het programma documenteert de ontwikkeling van de instrumentale muziek in de eerste decennia van de 17e eeuw. Kenmerkend is het naast elkaar bestaan van verschillende vormen. Dat komt ook in de bezetting tot uitdrukking. Er werden nog stukken geschreven waarin alle partijen gelijkwaardig zijn; deze werden door vier blokfluiten uitgevoerd. Sommige stukken zijn op verschillende manieren en met verschillende instrumenten uitvoerbaar: enkele daarvan werden hier met blokfluiten en bc gespeeld maar kunnen ook door strijkers of door een combinatie van strijk- en blaasinstrumenten uitgevoerd worden. Daarnaast – en dat was het hoofdbestand van het programma – zijn er werken die vanuit de viool gedacht zijn. Daartoe behoren o.a. de stukken van Biagio Marini, Salomone Rossi en Johann Rosenmüller. Dit concert maakte op overtuigende wijze duidelijk hoe traditie en vernieuwing in de eerste decennia van de 17e eeuw in Italië naast elkaar stonden en elkaar deels ook overlapten. Helaas werd het programma in een andere en niet nader gespecificeerde volgorde dan in het programmaboek vermeld uitgevoerd wat het lastig maakte de verschillende stukken te identificeren. Dat mocht de pret verder niet drukken want de uitvoeringen van alle deelnemende musici waren uitstekend.

Mijn tweede concert bracht me naar de Lutherse Kerk, voor weer een aflevering in de serie met klaviermuziek. Dit keer speelde Rinaldo Alessandrini een programma rond de twee Gabrieli’s, die vooral vanwege hun vocale muziek – en in het geval van Giovanni ook muziek voor een instrumentaal ensemble – bekend zijn maar veel minder als componisten van muziek voor toetsinstrumenten. Het is veelzeggend dat in de Engelse muziekencyclopedie New Grove vrijwel geen aandacht wordt besteed aan Giovanni’s klavierwerken. In zijn toelichting schreef Alessandrini dat het grootste deel van dit repertoire zowel op orgel als op klavecimbel gespeeld kan worden maar dat de eigenaardigheden van deze instrumenten leidt tot verschillen in de interpretatie, bijvoorbeeld op het vlak van de articulatie. Zijn programma maakte duidelijk dat zowel Andrea als Giovanni substantiële werken voor toetsinstrumenten componeerden die tot de hoogtepunten van de vroege Italiaanse klaviermuziek gerekend kunnen worden. De toen bekende vormen van canzon en ricercare – beide door het contrapunt gedomineerd – kwamen voorbij. Daarnaast klonk een andere toenmaals populaire vorm: de bewerking van vocale muziek, in dit geval Andrea’s bewerking van Cipriano de Rore’s beroemde madrigaal Ancor che col partire. Tot de briljantste klaviermuziek behoorde de pass’è mezzo; een welsprekend voorbeeld stond aan het begin van het programma: Pass’è mezzo moderno in sei modi e il suo saltarello in quattro modi van Marco Facoli. Alessandrini gaf hiervan een gloedvolle vertolking, die helaas nu en dan door misslagen werd ontsierd. Gelukkig was dat geen omen voor de rest van het programma. Nu en dan had zijn spel ritmisch iets scherper gekund, in elk geval in de werken van de Gabrieli’s. Hij sloot zijn programma af met muziek van één van de merkwaardigste klaviercomponisten van de 17e eeuw: Giovanni Picchi. In de dansen kwam de ritmiek niets tekort en het concert werd afgesloten met een excellente vertolking van Picchi’s enige Toccata.

Jaren geleden hoorde ik in de Willibrordkerk een optreden van het Amerikaanse blazersensemble Les haulz et les bas. Dat was een indrukwekkende gebeurtenis, dus een tweede kans dit ensemble in dezelfde kerk te horen, liet ik niet lopen. Het bezit van een blazersensemble was in de renaissance en de barok een prestigekwestie. Elk zichzelf respecterend hof van een keizer of een koning had zo’n ensemble en vele steden eveneens. De rol van blazersensembles in bijvoorbeeld Duitsland (Stadtpfeifer) is bekend. Ook Venetië kon niet zonder en Les haulz et les bas hadden een programma samengesteld aan de hand van twee handschriften uit de 15e eeuw die een inzicht geven in het repertoire dat toen gespeeld werd en ook de instrumenten die daarvoor gebruikt werden. Hier waren dat schalmei, pommer, schuiftrompet en trombone; in een enkel geval werd ook slagwerk ingezet. Een aantal stukken klonk in verschillende versies; spectaculair waren vooral de zesstemmige bewerkingen – bijvoorbeeld van Josquins beroemdste motet, Ave Maria, in de tweede helft van het programma. Hoe internationaal de muziek was die toen in Venetië werd gespeeld, bleek uit de stukken van Busnoys, Dunstable (in een bewerking van Bedyngham) en Obrecht. In de eerste helft klonk een aantal anonieme stukken, sommige in een bewerking van Ian Harrison, de leider van het ensemble, die nu en dan in verdienstelijk Nederlands een toelichting gaf. De uitvoeringen waren spectaculair en niet alleen vanwege de curieuze instrumenten. Deze musici zijn echte performers die weten hoe je zulke muziek moet presenteren. Het is bewonderenswaardig hoe ze hun veeleisende instrumenten beheersen. Tegelijk was ook duidelijk dat het vrijwel onmogelijk is ze altijd zuiver te bespelen. Het is niet zonder reden dat men in latere tijd steeds probeerde die intonatieproblemen door technische aanpassingen te verbeteren. Hopelijk horen we dit geweldige ensemble in een volgende editie van het festival weer.

Het contrast met het volgende concert kon nauwelijks groter zijn. In de Pieterskerk klonk weer muziek uit de renaissance, maar nu zorgden Adriaen Willaert en het ensemble Cinquecento voor een haast serene rust. Willaert is één van de grote meesters van de renaissance maar zijn muziek wordt niet vaak uitgevoerd en ook het aantal aan zijn oeuvre gewijde CD-opnamen is beperkt. Met de Venetiaanse meerkorigheid zijn de namen van de beide Gabrieli’s verbonden, maar het is Willaert die de grondslag voor deze praktijk legde. In dit concert hoorden we daar niets van: in plaats van meerkorige werken klonken delen uit zijn Missa Mente tota, dat gebaseerd is op een motet van Josquin Desprez. Helaas werd het Credo uit de mis niet uitgevoerd. In plaats daarvan kregen we enkele gregoriaanse gezangen te horen; in de toelichting werd geen verbinding gelegd met de meerstemmige werken, maar die zat waarschijnlijk daarin dat ze betrekking hebben op Maria en dat is ook het thema van Josquins motet dat eindigt met een drievoudig gebed tot de ‘heilige Maria’. Ook dat motet werd gezongen, alsmede twee motetten van Willaert en een treurzang op de dood van de componist – op een Italiaanse tekst waarin ook wordt verwezen naar de dichters Vergilius en Dante – van de hand van zijn neef Alvise. Tekstexpressie is beperkt in dit repertoire maar hier en daar hoor je dat de tekst in de muziek uitgebeeld wordt, bijvoorbeeld de woorden “terribilis et fortis” (geducht en sterk) in het motet Creator omnium Deus. Cinquecento zorgde voor een fraaie en uitgebalanceerde interpretatie: de stemmen mengden perfect en de balans tussen de stemgroepen was ideaal. Dankzij het soepele en heel natuurlijke legato van de zangers kregen deze uitvoeringen een prachtige flow: dat kan saai worden maar was dat niet dankzij de schitterende muziek van Willaert en de genuanceerde interpretatie met zorgvuldig gedoseerde dynamische schakeringen.

Enkele jaren geleden was Václav Luks één van de artists in residence van het festival. Ook via andere concerten en CD-opnamen trekt hij met zijn ensemble Collegium 1704 en bijbehorend Collegium Vocale de aandacht. Alle reden dus naar TivoliVredenburg te gaan om in de grote zaal een programma met muziek van Albinoni, Benedetto Marcello, Giovanni Legrenzi en Antonio Lotti te beluisteren. Toen ik een blik in het programma wierp kwam me dat zeer ambitieus voor. Volgens de toelichting in het programmaboek was Marcello’s Arianna abbandonata een “lijvige cantate”; daarnaast stonden drie psalmen uit zijn bundel Estro poetico-armonico op het programma. Nu staan daar wel een paar kortere stukken in maar de meeste zijn toch aardig omvangrijk. En dan zouden na de pauze nog twee vesperpsalmen en een Magnificat van Legrenzi moeten klinken alsmede de Missa Vide Domine laborem, een missa brevis van Lotti. Dat leek me wat veel en dat was het ook. De pauze kwam pas tegen half tien. De consequentie was dat van Legrenzi slechts één psalm klonk en van Lotti alleen het Gloria uit de mis. Een merkwaardige en ongelukkige gang van zaken: Luks zal toch zelf wel weten hoe lang elk stuk duurt en het festival zal hem toch wel verteld hebben hoeveel tijd hem was toegemeten? Die mis van Lotti had ik wel graag helemaal gehoord want het Gloria is een prachtig werk. Heel expressief is bijvoorbeeld “et in terra pax” en dan moet ik nog de wonderschone sopraansolo ‘Domine Deus’ noemen, met een obligate vioolpartij, uitzonderlijk mooi gezongen door Silvia Frigato. Dit werk bevestigt dat Lotti’s muziek bijzonder expressief van karakter is, zoals we ook weten van zijn verschillende zettingen van het Crucifixus, eigenlijk de enige werken van hem die redelijk bekend zijn. Legrenzi kennen we vooral als componist van instrumentale muziek, maar ook in vocaal repertoire staat hij zijn mannetje, zoals uit Laudate pueri bleek, in de bezetting van twee sopranen, bas en bc. Het concert opende met de Sinfonia in g van Albinoni en dan volgde Marcello’s al genoemde cantate. Die bestaat uit twee recitatieven en twee aria’s. Het is een bijzonder dramatisch werk waarin de aria’s meer zijn dan vehikels om de zangeres de gelegenheid te geven haar talenten te etaleren. Silvia Frigato gaf een zeer indringende vertolking waarin de heftige gevoelens van Arianna volledig tot hun recht kwamen. Deze cantate is een opera in zakformaat en dat kwam hier goed uit de verf. De psalmen van Marcello zijn heel eigenaardige stukken, ook qua idioom. Het slot van Psalm 10 (Mentre io tutta ripongo) is unisono en doet me denken aan volksmuziek of de muziek van de laat-18e-eeuwse Amerikaanse componist William Billings. Marcello zet in de bundel Estro poetico-armonico 50 psalmen op muziek op een parafrase in het Italiaans van de dichter Girolamo Ascanio Giustiniani. In de toelichting werd gesproken over psalmzettingen voor “gemengd koor” maar dat is twijfelachtig. Alleen al het feit dat een aantal is geschreven voor drie stemmen suggereert een uitvoering met solostemmen. Luks zette zijn hele koor in, drie zangers per stem, waaruit nu en dan één zanger een bepaalde passage met een specifiek solistisch karakter zong. Zoals ik al zei, idiomatisch is dit eigenaardige muziek die in weinig lijkt op wat toen gecomponeerd werd. Ook van een splitsing tussen recitatief en aria is geen sprake, ook al zijn beide elementen wel aanwezig. Ik heb sommige psalmen uit deze bundel op CD gehoord en ook nu vond ik ze heel boeiend. Ook al heb ik mijn twijfels over de bezetting, aan de uitvoering als zodanig mankeerde niets. Ondanks de ongelukkige tijdsplanning was dit een bijzonder memorabel concert.

Gepost door: Johan van Veen | 29 augustus 2016

Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – zaterdag 27 augustus

Eén van de aardige kanten van het festival is de aandacht voor weinig of zelfs geheel onbekende muziek. Nu is Tomaso Albinoni geen onbekende naam maar toch zul je die zelden op concertprogramma’s tegenkomen. Ik heb het genoegen gehad de laatste paar jaar enkele CDs met kamermuziek van Albinoni te kunnen recenseren. Daarbij ging het steeds om solosonates. Het Ensemble Masques speelde tijdens een concert in Hertz een aantal sonates uit Albinoni’s opus 2, in de bezetting van twee violen, twee altviolen en bc. Luisterend naar dit concert vroeg ik me af waarom deze stukken zo zelden uitgevoerd worden. Wellicht zijn ze niet spectaculair genoeg – Albinoni is geen Vivaldi. Maar juist omdat hij een eigen geluid heeft zou hij meer aandacht verdienen. In de toelichting werd gesteld dat Albinoni “emotioneel redelijk op de vlakte” blijft. Dat mag zo zijn maar aan expressie ontbreekt het bepaald niet, zoals vooral de langzame delen laten zien, bijvoorbeeld het adagio van de Sonata VI die het programma opende. Contrapunt speelt een belangrijke rol in Albinoni’s oeuvre en dat kwam tot uiting in de verschillende fugatische delen. Daarin lieten de spelers hun kwaliteiten in het ensemblespel horen. Dit concert was een overtuigend pleidooi voor een relatief ‘vergeten’ componist. Dat was ooit anders: dat beroemd/beruchte ‘adagio voor orgel en strijkers’, zoals het meestal werd genoemd, was een hit in de dagen van de traditionele uitvoeringspraktijk maar is in de ban gedaan door de historische uitvoeringspraktijk aangezien het in feite om een nieuw werk van Remo Giazotto gaat. Het zou gebaseerd zijn op een thema van Albinoni maar dat moet betwijfeld worden. Het werd – misschien als een gimmick – tijdens dit concert gespeeld. Vooral een uitvoering met oude instrumenten onthult hoe weinig dit stuk met Albinoni te maken heeft of zelfs met oude muziek. Het is een voorbeeld van de ouderwetse romantische visie op de barok. De tijd dat die visie domineerde, ligt gelukkig ver achter ons.

Zoals elk jaar is er ook nu weer een serie met recitals op toetsinstrumenten in de ideale ruimte van de Lutherse Kerk. Marco Mencoboni beet het spits af met een interessant programma met klaviermuziek uit Venetië op de grens van renaissance en barok. Het programma opende met enkele anonieme dansen zoals die typerend zijn voor de renaissance. Marco Antonio Cavazzoni en zijn zoon Gerolamo waren vertegenwoordigd met respectievelijk een bewerking van een chanson – de componist daarvan werd niet vermeld – en een ricercare, één van de belangrijkste vormen van klaviermuziek rond 1600. Het grootste deel van het programma was gewijd aan Claudio Merulo die een sleutelrol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de muziek voor toetsinstrumenten. Ook van hem klonk een chansonbewerking – Lassus’ Susanne un jour – alsmede een ricercare, een canzona – de laatste een vorm gebaseerd op vocale muziek – en twee toccata’s, die hun oorsprong vinden in improvisaties. De twee toccata’s lieten de ontwikkeling binnen het oeuvre van Merulo zien: de Toccata I del primo tono is nog relatief eenvoudig, maar de Toccata I dell’undecimo detto quinto tono is een uitgebreid en virtuoos stuk dat al in de richting van Frescobaldi wijst. Eén van diens toccata’s speelde Mencoboni als toegift waarmee hij een bijzonder boeiend recital afsloot. Zijn helder gearticuleerde spel liet de polyfonie in het gekozen repertoire mooi uitkomen maar ook de dramatische aspecten, bijvoorbeeld in de laatstgenoemde toccata, kwamen goed tot hun recht.

Mijn derde concert was het optreden van Scherzi Musicali onder leiding van Nicholas Achten in Leeuwenbergh. Het hele concert was gewijd aan ‘amoureuze dialogen’ van Giovanni Felice Sances, die vooral bekend is van zijn zetting van het Stabat mater. De teksten in dit concert waren heel wat minder verheven. Binnen het thema was er veel variatie, ook in de vormen. Het eerste stuk, Chi nel regno almo d’Amore, is strofisch van opbouw terwijl het daarna uitgevoerde Pietosi, allontanatevi bestaat uit twee recitativische passages, gevolgd door aria’s. Er waren enkele stukken voor solostem maar de meeste waren voor twee of drie stemmen. Daarbij gaat het niet in alle gevallen om dialogen. L’infortunio d’Angelica, Lilla bell’e crudele en Tirsi morir volea zijn echte dialogen tussen verschillende karakters. In het eerstgenoemde is één van de rollen die van de testo, de verteller zoals we die in Monteverdi’s Combattimento di Tancredi e Clorinda vinden. Het stuk heeft ook een paar passages die als coro betiteld worden en voor drie stemmen zijn gezet. In het laatstgenoemde stuk treedt ook een soort van testo op, maar dan met de naam Festauro. Deze rollen werden door Achten zelf gezongen, een multitalent: bariton en bespeler van harp, virginaal en theorbe. Zijn manier van zingen doet aan die van Marco Beasley denken: vrij licht en heel wendbaar, met gemakkelijke en natuurlijke versieringen. Als verteller voldeed hij maar het is de vraag of zijn partij soms niet wat meer gewicht had moeten hebben. Als geheel was het een mooi concert dat de kwaliteiten van Sances overtuigend over het voetlicht bracht. Sopraan Deborah Cachet had wat meer nuance in haar interpretaties kunnen brengen; het was allemaal een beetje te luid en te rechtlijnig. Binnen het ensemble was de balans niet altijd optimaal, zeker ook doordat tenor Jean-François Novelli wat weinig presentie had en een beetje bleek uit de hoek kwam. Van dit programma was meer te maken geweest. Het instrumentale aandeel was uitstekend.

Om vijf uur waren er twee concerten waaruit het moeilijk kiezen was: La Colombina wijdde in de Pieterskerk een programma aan Adriaan Willaert terwijl in de Geertekerk Gli Angeli Genève nog eens Rosenmüller in de schijnwerpers zette. Ik had voor laatstgenoemd concert gekozen en daar had ik geen spijt van, al hoorde ik later dat La Colombina’s concert voortreffelijk was. We hoorden in de Geertekerk kleiner bezette werken van Rosenmüller, daaronder een vesperpsalm, een zetting van Confitebor tibi Dominum, een Magnificat en een sonate. Opnieuw raakte ik onder de indruk van de verbeeldingskracht van Rosenmüller: de verbinding van tekst en muziek, het uitlichten van bijzonder betekenisvolle passages, het gebruik van harmonie ten behoeve van de expressie en de effectieve inzet van instrumenten en dan nog de afwisseling in de vocale bezetting. Vooral Alexandra Lewandowska, Alex Potter en Thomas Hobbs hadden een paar prachtige solopassages die ze op indrukwekkende wijze ten gehore brachten. Naast een zetting van Nisi Dominus van Rosenmüller hoorden we ook een zetting van Giovanni Antonio Rigatti, een weinig bekende componist die – als we op het hier uitgevoerde werk mogen afgaan – veel meer aandacht zou moeten krijgen, want dit was een buitengewoon expressief en indringend stuk dat door het ensemble briljant werd uitgevoerd.

Het komt niet zo vaak voor dat een musicus met stormachtig applaus wordt begroet nog voordat hij een noot gezongen of gespeeld heeft. Maar precies dat overkwam Philippe Jaroussky, die in de grote zaal van TivoliVredenburg, samen met zijn ensemble Artaserse, een programma rond opera’s van Cavalli ten gehore bracht. Naast muziek van Cavalli zelf klonken stukken uit opera’s van Pietro Antonio Cesti, Luigi Rossi, Giovanni Legrenzi en Agostino Steffani. Er was veel afwisseling in het karakter van de diverse aria’s. Er waren lamento’s – het magnifieke ‘Lasciate averno’ uit Luigi Rossi’s L’Orfeo en het prachtige Lamento di Polemone van Cesti – maar ook woedearia’s en wat meer ironische stukken. In deze tijd maakt een humoristische verhaallijn nog deel uit van de opera. Zo’n programma kan heel verbrokkeld werken wanneer elk stukje afzonderlijk wordt gepresenteerd en wordt gevolgd door applaus. Jaroussky wilde dat vermijden en de verschillende aria’s werden aaneengesmeed door instrumentale stukken of korte overgangspassages. Nadeel is wel dat afzonderlijke stukken niet de kans krijgen echt te bezinken en vooral bij de lamento’s vond ik dat een nadeel. Maar dat is de prijs die je betaalt wanneer fragmenten uit opera’s worden uitgevoerd. Jaroussky maakte zijn reputatie volledig waar. Elke aria kreeg een indringende en geëngageerde interpretatie. De intiemere en droevige aria’s kwamen het best uit de verf. Jaroussky heeft van nature geen heel grote stem maar wel veel nuance en kleur en die eigenschappen komen juist in zulke aria’s van pas. In die aria’s waarin de protagonist lucht geeft aan zijn woede was hij minder overtuigend. Ik had het gevoel dat hij zich in luide passages iets moest forceren en dan klonk z’n stem niet altijd mooi en sloop er ook een te groot vibrato in. Dat neemt niet weg dat dit concert ongetwijfeld als één van de hoogtepunten de geschiedenis van het festival zal ingaan. Het belangrijkste is dat hier de kwaliteit van de 17e-eeuwse Italiaanse opera – die, met uitzondering van Monteverdi en inmiddels ook Cavalli, nauwelijks bekend is – hier in volle omvang werd gedemonstreerd. Complimenten ook aan het instrumentale ensemble dat met Jaroussky een hechte eenheid vormde. Het enthousiasme van het publiek kende geen grenzen en drong Jaroussky tot drie toegiften. De eerste was Monteverdi’s Si dolce è’l tormento, prachtig subtiel gezongen en gespeeld, met mooie en inventieve versieringen. Misschien had Jaroussky het toen voor gezien moeten houden. De aria ‘Vi ricorda, o boschi ombrosi’ uit Monteverdi’s L’Orfeo werd heel mooi gezongen maar de herhaling van Steffani’s aria ciaccona ‘Gelosia, lasciami in pace’ (uit Alarico) was een beetje karikaturaal.

Mijn dag eindigde in Hertz waar Laurent Stewart en zijn Ensemble #Baroques een programma presenteerden onder de titel “Chiaroscuro: licht en donker in Venetië”. De hoofdrol speelde Barbara Strozzi, de zangeres en componiste die in haar tijd in beide hoedanigheden furore maakte. In haar cantates en aria’s gaat het er vaak heftig aan toe, zowel in emotioneel als in dramatisch opzicht. Dat stelt hoge eisen aan de zangeres die deze stukken uitvoert. Mezzosopraan Dagmar Saskova voldeed in elk opzicht. Ze beschikt over een krachtige, kleurrijke en soepele stem waarmee ze alle hoeken en gaten van Strozzi’s aria’s verkende, bijvoorbeeld in het korte Tradimento maar ook in de dramatische scène Su’l Rodano severo. Niet minder indrukwekkend waren de stukken van andere componisten, met name Nicolò Fontei, o.a. zijn Pianto d’Erinna waaruit een fragment klonk. De vocale werken werden afgewisseld met instrumentale stukken van Legrenzi en Rosenmüller, mooi gespeeld door de violisten van het ensemble Odile Édouard en Benjamin Chénier. Het was een mooie afsluiting van de zaterdag en daarmee van de eerste week van het festival.

Gepost door: Johan van Veen | 27 augustus 2016

Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – vrijdag 26 augustus

Het is weer tijd voor het Festival Oude Muziek Utrecht. Dat is niet alleen een jaarlijks terugkerend feest voor de muziekliefhebber, het is voor velen ook een soort reünie, zoals me opviel toen ik ongeveer half acht mijn plaats in de grote zaal van TivoliVredenburg innam. In toenemend tempo vulden mensen de zaal, die vaak begroet werden door bezoekers die ze wellicht sinds de vorige editie niet gezien hebben. Dat geldt zeker voor de vele bezoekers uit het buitenland. Hun aanwezigheid onderstreept het belang van het festival dat zich altijd weer onderscheidt door een constante kwaliteit maar ook door een avontuurlijke programmering.

Dat is zeker het geval met het programma van dit jaar dat onder de titel ‘La Serenissima’ zich concentreert op de muziek die gecomponeerd werd in Venetië van de middeleeuwen tot de late 18e eeuw of daarmee op een bepaalde manier geassocieerd kan worden. Dat levert onvermijdelijk spannende concerten op want Venetië was één van de grote muziekcentra van Europa waar vaak ook duchtig geëxperimenteerd werd. De stad trok musici en componisten van over heel Europa aan. Een voorbeeld daarvan is Johann Rosenmüller aan wie het openingsconcert gewijd was.

Zijn muziek is sterk Italiaans van karakter. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat hij hier lange tijd werkte maar Italiaanse invloeden zitten ook al in de muziek die hij in zijn Duitse tijd componeerde. De Italiaanse stijl zat hem blijkbaar in het bloed, net als dat het geval was met Händel. Met zijn ensemble Gli Angeli Genève bracht Stephan MacLeod, één van de artists in residence van dit jaar, een programma onder de titel ‘San Marco Vespers’. Die titel moet met een korreltje zout genomen worden, want het staat bepaald niet vast dat de muziek die Rosenmüller in Venetië schreef, daar werd uitgevoerd. Het is heel goed mogelijk dat de werken die tijdens het concert klonken, in Duitsland werden uitgevoerd waar zijn muziek op grote belangstelling kon rekenen. Voor de uitvoeringspraktijk heeft dat waarschijnlijk weinig consequenties want in Duitsland werd alles wat uit Italië kwam driftig gekopieerd, dus ook het gebruik van zinken en trombones, niet alleen als ondersteuning van de zangers maar ook in zelfstandige instrumentale partijen. Denk hier ook aan de muziek van Heinrich Schütz.

Overigens heeft Rosenmüller geen Vespers gecomponeerd, zoals Monteverdi. MacLeod had vijf werken uitgezocht die deel uitmaken van de vesperliturgie maar niet als eenheid bedoeld zijn. We hoorden vier psalmen – Dixit Dominus, Laudate pueri Dominum, Laetatus sum en Lauda Jerusalem – en een Magnificat. Er was ook geen sprake van een soort liturgische reconstructie: ze werden ook als zelfstandige stukken uitgevoerd, steeds gevolgd door applaus. Dat vind ik meestal nogal storend maar in dit geval was dat minder een probleem. Ik zou het wel storend hebben gevonden als dit programma in een kerk was uitgevoerd. Dat zou ook een veel betere plek zijn geweest. Dit is een kwestie die steeds weer terugkeert in dit festival. Dat was het geval toen het oude Muziekcentrum nog voor de avondconcerten werd gebruikt en is het nu weer, na de opening van TivoliVredenburg. In die zin is het festival – en de oude muziek in het algemeen – het slachtoffer van zijn eigen succes. Een programma als dit komt in een kerk als de Jacobikerk veel beter tot zijn recht. Dat zal ook bij komende concerten het geval zijn maar ik ga daar niet steeds weer een punt van maken.

Het gevolg is wel dat individuele stemmen in solopassages niet altijd optimaal over het voetlicht kwamen. Gelukkig stond daar veel tegenover. Gli Angeli Genève is een uitstekend ensemble in een variabele bezetting en bestond in dit concert uit acht voortreffelijke zangers die hun individuele kwaliteiten in dienst stelden van het geheel. De stemmen mengden perfect en ook de balans tussen stemmen en instrumenten was bevredigend. Die laatsten maakten veel indruk, zeker de spelers van de zinken en trombones en niet te vergeten trompettist Alain De Rudder in Lauda Jerusalem. In vergelijking klonken de strijkers soms wat mat. Het concert was bovenal een indrukwekkende demonstratie van de kwaliteit van Rosenmüllers muziek, die niet alleen effectief de instrumenten inzet maar ook een meester is in de verbinding van tekst en muziek. Ook de dramatische elementen in de tekst worden volledig uitgebuit, zoals in Dixit Dominus. Rosenmüller komt nog verschillende keren terug in het programma en dat is iets om naar uit te kijken.

Het festival beloofde op voorhand bijzonder interessant te worden. Het begon in elk geval met een voltreffer. De lat werd direct hoog gelegd. Laten we hopen dat de komende dagen net zo veel moois te horen is en de uitvoeringen op hetzelfde hoge niveau staan als tijdens het openingsconcert.

Gepost door: Johan van Veen | 6 september 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – nabeschouwing

Het is tijd voor een nabeschouwing. Ik heb nog even die van vorig jaar doorgelezen en het trof me dat ik een aantal opmerkingen vrijwel ongewijzigd kan herhalen. Opnieuw is het aantal bezoekers gegroeid, maar nog steeds zijn er lege plaatsen, zeker bij de klavecimbelrecitals en de concerten van half elf ’s avonds. Er zijn in het festival wel jongere bezoekers te signaleren, maar het zou me niet verbazen wanneer dat grotendeels muziekstudenten zijn, ook uit het buitenland. In concerten tijdens het reguliere seizoen zie ik die niet. Ook mijn opmerkingen over de relatief geringe betrokkenheid van Radio 4 kan ik herhalen. Enkele concerten zijn rechtstreeks uitgezonden (helaas vaak in nogal belabberde geluidskwaliteit), maar opnamen voor een later tijdstip heeft men geheel aan de Concertzender overgelaten. En die is nog steeds niet overal via de kabel te ontvangen, ook niet hier in Utrecht waar de zender nota bene zijn burelen heeft. Ik heb al eens gewezen op de soms wat problematische relatie tussen muziek en ruimte; dat hoef ik niet te herhalen.

Ook de kwestie van de boventiteling in de grote zaal van TivoliVredenburg heb ik al aangesneden. Ik wil nog wel opmerken dat de vertalingen soms wel wat merkwaardig waren, voorzover je dat kunt zeggen zonder de originele tekst gezien te hebben. Het lijkt me gewoon een misser om “race” als “ras” te vertalen. Dat betekent het wel, maar in de context van de uitgevoerde werken betekent het “geslacht” in de zin van “familie”. Daar hoef je geen Engels voor gestudeerd te hebben.

Over het geheel genomen denk ik dat dit een kwalitatief heel goede aflevering van het festival was. Het thema was goed gekozen en grotendeels goed uitgewerkt. De belangrijkste genres waren vertegenwoordigd. Natuurlijk kun je altijd van mening verschillen over wat wel en niet geprogrammeerd was. In de programma’s met consortmuziek heb ik bijvoorbeeld Christopher Tye gemist; zijn consortmuziek is heel belangrijk en van hoge kwaliteit. Het ensemble Spirit of Gambo heeft recent een prachtige CD met het grootste deel van dat repertoire uitgebracht en dat zou een mooie bijdrage aan het festival zijn geweest.

Het is jammer dat de meeste zangers zich bij het uitvoeren van luitliederen tot Dowland beperken. Er waren veel meer goede componisten van zulke liederen, maar die zijn vrijwel niet aan de orde geweest. Ik noem hier in het bijzonder Henry Lawes, van wie een groot aantal liederen – waarschijnlijk grotendeels voor het theater gecomponeerd – overgeleverd zijn, die je nooit hoort en nauwelijks op CD verkrijgbaar zijn. Ook enkele componisten heb ik gemist, bijvoorbeeld John Ward of, uit later tijd, Pelham Humfrey, een uiterst interessante componist. En Dowland heeft meer gecomponeerd dan wereldlijke en instrumentale muziek. Er zijn ook psalmen, wonderlijk genoeg op melodieën uit het Geneefse psalter. Uit de 17e eeuw zijn ook veel geestelijke liederen voor huiselijk gebruik overgeleverd, o.a. van de hand van de gebroeders Lawes. Opnieuw: dat deel van het repertoire is nauwelijks bekend en dat blijft ook na dit festival zo. Tenslotte: veel Purcell is mooi, maar helaas zijn wel erg veel bekende werken uitgevoerd. Hij heeft nogal wat liederen gecomponeerd – en dan niet de tegenwoordig meestal uitgevoerde liederen uit zijn toneelmuziek – maar die hoor je vrijwel nooit. Zelfs een groot deel van zijn anthems is onbekend en dat geldt in nog sterkere mate voor die van zijn collega Blow.

Zo blijft er altijd wat te wensen over. Misschien iets voor een volgend ‘Engels’ festival.

Mijn kritiek op Christina Pluhars capriolen in Purcells Dido and Aeneas ga ik niet herhalen. Mijn opmerkingen in de vorige aflevering zijn duidelijk genoeg. Ik constateer met genoegen dat Jan Nuchelmans die kritiek in de kern deelt, al laat hij zich in het openbaar – op Radio 4 – wat diplomatieker uit. Hij wijst terecht op de verantwoordelijkheid van het festival ten aanzien van de oude muziek. Ik onderstreep ook graag zijn visie dat een historisch verantwoorde uitvoering zich niet tot de instrumenten beperkt. Die moet een Gesamtkunstwerk zijn – de term is van de NPO-omroeper – en dat zou mijns inziens betekenen dat consequenter gestreefd wordt naar de correcte stemming in renaissancemuziek en een meer historische uitspraak van teksten. Ik hoor nog teveel een moderne uitspraak van het Engels, terwijl echt wel het één en ander bekend is over de uitspraak in vroeger tijden. En misschien kan men ook eens de kwestie van dat vervelende vibrato aan de orde stellen. Vox Luminis is een prachtig voorbeeld van een ensemble dat laat horen dat vibrato helemaal niet nodig is om tot expressieve interpretaties te komen.

De beslissing dit ensemble tot artist in residence te bombarderen was een gouden greep. Het heeft zijn status volledig waargemaakt en moet als één van de beste vocale ensembles in de wereld van de oude muziek worden beschouwd. Hopelijk is het volgend jaar weer van de partij.

Dan staat Venetië centraal en daarbij wordt de schijnwerper speciaal gericht op Adrian Willaert. Ik kijk er nu al naar uit.

« Newer Posts - Older Posts »

Categorieën