Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – vrijdag 30 augustus

De vrijdag begon, zoals gebruikelijk, met kamermuziek in Hertz. Dit keer stond niet de viool, maar de blokfluit centraal. Daarmee keerden we terug naar het eerste ochtendconcert in Hertz, toen Erik Bosgraaf blokfluitconcerten van Alessandro Scarlatti speelde. Dit keer stond Francesco Mancini centraal, die met twee concerten vertegenwoordigd was. Die worden overigens als sonata aangeduid, maar de begrippen concerto en sonata zijn hier uitwisselbaar. Waar bij Scarlatti de blokfluit is ingebed in het ensemble, krijgt ze bij Mancini meer een echte solorol. Ook de bezetting is iets anders: bij Scarlatti spelen in het ensemble alleen twee violen, bij Mancini komt daar nog een altviool bij. Het concert besloot met een sonate in dezelfde bezetting van Domenico Sarri. Daartussen klonken enkele sonates voor blokfluit en basso continuo van Mancini, Leonardo Leo en Pietro Pullj. Terwijl de concerten en sonates van Mancini niet geheel onbekend zijn, danken we de andere stukken vooral aan de onderzoekende geest van Inês d’Avena, die hier met haar ensemble La Cicala (foto) de resultaten van dat onderzoek presenteerde. Ondanks het feit dat in de concerten de blokfluit een echte solist is, waren dit toch uitvoeringen waarin het ensemble als een hechte eenheid optrad. Inês d’Avena produceert een fraaie, vloeiende toon, maar in de interpretatie brengt ze veel spanning door articulatie, variatie in tempo en dynamische accenten. Dat levert ook een heel mooie cadans op, die je gewoon kunt voelen als je luistert. Dit is een echt topensemble, waarnaar je altijd weer met genoegen luistert, of het nu live is of op CD.

In de Lutherse Kerk was het weer klavecimbelmuziek die centraal stond. De Portugese klavecinist Fernando Miguel Jalôto (foto) speelde een programma dat geheel aan Giovanni Salvatore gewijd was. Hij was als organist werkzaam in verschillende Napolitaanse kerken. Het grootste deel van zijn composities voor toetsinstrumenten werd in 1641 uitgegeven. Volgens Jalôto zijn de meeste stukken in eerste instantie voor het orgel bedoeld. Meestal kunnen ze ook op klavecimbel gespeeld worden, met uitzondering van enkele die echt een orgel verlangen en die hier uiteraard niet tot klinken kwamen. Jalôto legde ook uit hoe een ricercare met drie thema’s, fughe genoemd, is opgebouwd. Volgens hem is Salvatore’s muziek vooral intellectueel en interessanter voor de speler dan voor de luisteraar. Niettemin lukte het hem om een boeiend recital af te leveren waarin de verschillende toen gangbare vormen voorbij kwamen. Hij had het programma, dat aan één stuk, zonder onderbrekingen, werd gespeeld, zodanig opgebouwd dat elk blokje verschillende vormen bevatte, bijvoorbeeld ricercare – capriccio – corrente of ricercare – toccata – canzone. Voor veel luisteraars zal dit de eerste kennismaking met Salvatore zijn geweest. Jalôto bleek een uitstekende verdediger van zijn oeuvre, die de verschillende stukken met verve en gestructureerd ten gehore bracht.

Ook het derde concert vond plaats in de Lutherse Kerk. Je zou kunnen zeggen dat het recital van harpiste Mara Galassi (foto) naadloos in de klavierserie paste, want specifiek voor de harp geschreven muziek bestond in die tijd niet. Harpisten speelden meestal muziek die in eerste instantie voor toetsinstrumenten was bedoeld en konden uiteraard ook muziek voor luit spelen. Sommige componisten noemden in de titels van hun verzamelingen overigens de harp specifiek als één van de instrumenten waarop hun muziek gespeeld kon worden. Het is dus geen wonder dat Galassi meerdere stukken speelde van componisten van wie we eerder klaviermuziek hoorden, zoals Antonio Valente, Giovanni de Macque en Ascanio Mayone. Van de laatste speelde ze o.a. de Partite sopra Fidele, die Louise Acabo gisteren op klavecimbel had gespeeld. Waarin de harp zich van het klavecimbel onderscheidt, is de mogelijkheid van dynamische verschillen; dat is één van de aspecten, waarin een uitvoering op harp zich onderscheidt van die op klavecimbel. Voorbeelden van luitmuziek hoorden we aan het begin van het programma, met twee stukken van Fabrizio Dentice. Mara Galassi bespeelde een kopie van de zogenaamde Barberini-harp. Dat is een instrument dat ergens tussen 1605 en 1620 is gebouwd en is voorzien van het familiewapen van de Barberini’s, een machtige Romeinse familie, waartoe ook paus Urbanus VIII (gekozen in 1623) behoorde. Dat is het perfecte instrument om muziek uit deze tijd tot klinken te brengen. Voeg daarbij het meesterschap van Galassi, één van de pioniers van de historische harp, en je hebt een concert dat je tot de hoogtepunten van het festival moet rekenen, zeker als je bedenkt dat de harp – in het reguliere concertseizoen, maar zelfs op het festival – zelden in een solorol hoort.

Het vierde concert bracht me in de Pieterskerk, waar het vocaal ensemble Utopia (foto) een programma met muziek van Giaches de Wert uitvoerde. Dat is een componist, die zoals veel andere in Vlaanderen werd geboren, maar carrière maakte in Italië. Hij is vooral bekend geworden om zijn madrigalen, die vooruit wijzen naar de tijd van Monteverdi in de verbinding van tekst en muziek en het gebruik van harmonie voor expressieve doeleinden. In vergelijking wordt zijn sacrale muziek niet zo vaak uitgevoerd. Daarom was het een goed idee juist dat deel van zijn oeuvre naar voren te halen. Daarin laat zich de invloed van zijn madrigalen overigens meermaals vaststellen. Het programma was opgebouwd rond de Missa Dominicalis, waarvan de delen verspreid over het concert werden uitgevoerd, net zoals dat in de mis gebeurt. Daartussen klonken motetten als pendant voor de liturgische gezangen in de mis. Opvallend in deze vijfstemmige mis is dat het een alternatim-structuur heeft: de verzen worden afwisselend éénstemmig (gregoriaans) en meerstemmig gezongen. Een heel expressief motet is Adesto dolori meo waar Wert gebruik maakt van chromatiek om de tekst tot uitdrukking te brengen. Het programma opende met een stuk in het Italiaans, Padre del ciel, dat behoort tot het genre van het madrigale spirituale, dat vooral in de tijd van de Contra-Reformatie, toen de kerk probeerde de ‘verwereldlijking’ van de religieuze muziek terug te dringen, een middel was om de verworvenheden van de wereldlijke muziek te behouden door die te gebruiken voor geestelijke teksten. Het programma besloot met een Te Deum voor vijf stemmen, waarin in het laatste vers een zesde stem wordt toegevoegd. Ook dit werk is een alternatim-compositie, zoals overigens gebruikelijk was. Utopia bestond in dit concert uit twee sopranen – die meestal in afwisseling zongen – en vier mannenstemmen: alt, tenor, bariton en bas. De gregoriaanse verzen kwamen voor rekening van de bariton Lieven Termont, die deze mooi verstaanbaar voordroeg. Utopia is een uitmuntend ensemble, waarin de stemmen perfect mengen en bij elkaar passen. De ruimte van de Pieterskerk werd gebruikt om de verschillende stukken van elkaar te onderscheiden: de misdelen werden op het koor gezongen, het geestelijk madrigaal juist dicht op het publiek dat in groten getale aanwezig was en het ensemble terecht met een enthousiast applaus beloonde.

In het Napels van de 17e en 18e eeuw zijn kerk en straat niet gescheiden en lopen ‘hogere’ en ‘lagere’ cultuur door elkaar. Dat was het uitgangspunt van het concert van Le Poème Harmonique onder leiding van Vincent Dumestre(foto) in de Jacobikerk. Het was getiteld “Anamorfosi” – volgens de Grote Van Dale is een anamorfose een “vertekende figuur die, in een gebogen spiegel bezien, een goed beeld oplevert”. Het programma begon met twee anonieme laude op Italiaanse tekst; tijdens het eerste stuk liepen de musici zingend en spelend van achteren naar voren door de kerk, als in een processie. Daarop volgende een staalkaart van religieuze en spirituele stukken, daaronder ook enkele contrafacta: werken die van een nieuwe tekst zijn voorzien. Dat was bijvoorbeeld het geval met Monteverdi’s Si dolce è’l tormento, dat hier klonk met de tekst Si dolce è’l martire: “Zo zoet is de kwelling die ik in mijn borst voel, dat Jezus die grote vreugde zal bewaren”. En van Luigi Rossi hoorden we een wereldlijke cantate met een tekst over het lijden van Christus. Het ensemble maakte gebruik van de faux bourdontechniek en improvisaties voor het anonieme Domine ne in furore en ook, als afsluiting van het programma, Gregorio Allegri’s beroemde Miserere. Dat klonk totaal anders dan we het meestal horen, met allerlei aanslibsels, in feite bewerkingen, uit de 18e en 19e eeuw. In deze vorm maakt de etherische esthetiek plaats voor emotionele kracht. Het was een indrukwekkende gebeurtenis – dat is wellicht een betere omschrijving dan ‘concert’. Het ensemble maakte effectief gebruik van de ruimte om een optimale werking te bereiken. De verrichtingen van zangers en instrumentalisten waren van een hoog niveau, zoals we dat van dit ensemble gewend zijn. In dit soort repertoire komen de kwaliteiten van het ensemble het beste uit de verf.

Het laatste concert was gewijd aan wereldlijke cantates van twee componisten uit de 17e eeuw en weer ging het om namen, die de meeste liefhebbers niet eerder gehoord zullen hebben: Antonio Farina (die actief was rond 1675) – niet te verwarren met Carlo Farina – en Cataldo Amadei (1649-1693). Raffaella Milanesi en het Ensemble Odyssee onder leiding van Andrea Friggi openden met Sovra carro stellato van Farina. Dat stuk heet een serenata, maar qua karakter is ze met een cantate vergelijkbaar. Friggi wijst er in de toelichting op dat dit soort stukken waarschijnlijk in de open lucht, tijdens kustfeesten, werden uitgevoerd. Het stuk begint met een instrumentale inleiding en dan volgen twee paren recitatief en aria; het besluit met een recitatief dat overigens aan het slot het karakter van een arioso heeft. Dat is ook het geval in het recitatief dat de tweede cantate van Farina besluit. De structuur van dat stuk is overigens heel anders: na een sinfonia klinken een recitatief en daarna drie aria’s zonder dacapo. We zitten hier in de tijd dat de vorm van de cantate nog niet vastligt; dat deed Alessandro Scarlatti aan het eind van de 17e eeuw. Ook Amodei’s cantate Già col manto dell’ombre, voor solostem en basso continuo, heeft een aparte vorm. Na een recitatief volgt een aria, waarvan de openingsfrasen niet alleen worden herhaald aan het eind, maar ook nog eens aan het slot van het op de aria volgende recitatief. Opvallend was de bezetting: naast twee violen ook twee blokfluiten. Vooral de serenata Farina deed me aan de instrumentale muziek in de opera’s van Cavalli denken. Er werden ook twee sonates van Pietro Marchitelli uitgevoerd; die componist zijn we in het festival al eerder tegengekomen. Hier waren ook weer blokfluiten van de partij, maar die speelden colla parte met de violen. De Sonata I bevat enkele briljante passages voor de violen, en hier zwegen de blokfluiten. Het ensemble, met onder andere de violiste Eva Saladin, die we in de serie vioolrecitals hebben gehoord, en de blokfluitiste Anna Stegmann, leverde een uitstekende prestatie, met levendig en kleurrijk spel. Op de dramatische kwaliteiten van Raffaella Milanesi valt niets af te dingen en in die zin was haar optreden een succes. Maar haar vibratorijke manier van zingen kan ik niet waarderen; het bederft mijn genoegen bij zo’n concert. Niettemin: de ten gehore gebrachte werken waren heel interessant en muzikaal boeiend; van deze componisten zou ik graag meer horen.


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: