Gepost door: Johan van Veen | 30 augustus 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – donderdag 29 augustus

De donderdag begon, zoals gebruikelijk, met een concert van kamermuziek in Hertz. Dit keer stonden sonates voor viool en basso continuo van Nicola Porpora op het programma. Porpora was vrijwel uitsluitend als componist van vocale muziek bekend. Hij wilde bewijzen dat hij ook op instrumentaal gebied zijn mannetje stond. Daarom liet hij in 1754 in Wenen een bundel met twaalf vioolsonates drukken. Die hadden niet het succes waarop hij had gehoopt. Het zijn opmerkelijke stukken, want zeker de eerste zes zijn buitengewoon virtuoos en bevatten veel passages met dubbelgrepen. Dat is iets wat je niet direct verwacht van een componist, die zelf geen professioneel violist was. In dit concert klonken drie sonates uit deze bundel, de nummers 5 en 6 uit de eerste helft en de laatste uit de tweede. Die tweede helft laat de invloed van de galante stijl zien, maar ze zijn niet heel veel minder virtuoos dan de eerste zes. Over de kwaliteit van de muziek kun je verschillend denken. Ik moest soms denken aan de versieringen die de castraat Farinelli – leerling van Porpora – in de door hem gezongen aria’s aanbracht, waarvan Ann Hallenberg er dinsdag twee liet horen. De virtuositeit in sommige delen van de sonates is zo extreem dat je vraagtekens mag zetten bij de muzikale kwaliteit. Is dit virtuositeit omwille van de virtuositeit? Het is indrukwekkend om te horen, maar een drietal sonates in een concert is wel genoeg. Gelukkig werden ze onderbroken door andere stukken. Eén daarvan was een aan – wellicht ten onrechte – aan Händel toegeschreven sonate. Het andere stuk was een curieus werk: een bewerking voor viool zonder begeleiding van een deel uit Pergolesi’s Stabat mater van de hand van Johan Helmich Roman. Niets dan lof overigens voor de uitvoering van deze werken door het ensemble Ludus Instrumentalis, bestaande uit Evgeny Sviridov (viool), Davit Melkonyan (cello) en Stanislav Gres (klavecimbel) (foto). Sviridovs interpretatie was technisch boven alle twijfel verheven en ook muzikaal van het hoogste niveau. Zijn collega’s deden in niets voor hem onder. Opnieuw liet in dit concert een jonge violist zijn grote beheersing van de barokviool en de barokke speeltechniek zien. Op dat gebied hebben we echt niets te klagen.

Een nog jongere musicus was in de klavecimbelserie te horen. Louise Acabo (foto, met dank aan Christopher Price) was pas 19 jaar, toen ze in 2018 het klavecimbelconcours van Rouen won. Ze mocht zich in het festival presenteren met een recital gewijd aan Ascanio Mayone, één van de belangrijkste klaviercomponisten van Napels rond 1600 en één van degenen die experimenteerden met vormen en harmonie. Dat laatste maakt het nodig een klavecimbel te gebruiken dat meer toetsen heeft dan tegenwoordig gebruikelijk, omdat destijds noten, die tegenwoordig identiek zijn, gesplitst werden. Overigens had het instrument dat in dit recital werd bespeeld ‘slechts’ 14 toetsen per octaaf in plaats van 19. We hoorden verschillende vormen: toccata’s, canzona’s en partite (de energiek voorgedragen Partite sopra Fedele) en verschillende bewerkingen van vocale stukken. Heel interessant was de opeenvolging van twee van zulke bewerkingen van het chanson Pis ne me peult venir vanAntonio de Cabezón en Antonio Valente. Van Mayone klonk een bewerking van het madrigaal Ancidetemi pur van Jacques Arcadelt. In de Ricercar sopra il canto fermo di Costantio Festa wist Acabo de polyfonie door haar heldere spel goed over het voetlicht te brengen. Ook in de toccata’s wist ze de goede toon te treffen en een echt muzikaal betoog neer te zetten. Haar succes bij het genoemde klavecimbelconcours kan niet verbazen.

Muziek van een heel andere categorie klonk bij Camerata Trajectina (foto) in Hertz. Aanknopend bij een gewoonte in de 17e en 18e eeuw, dat jonge aristocraten een grand tour door Europa maakten, was een programma geconstrueerd rond de grand tour die Nicolaas Heinsius, een student filologie in Leiden, van 1646 tot 1648 ondernam. Daarbij deed hij Florence, Rome en tenslotte Napels aan. De muziekstukken werden verbonden door brieffragmenten die Heinsius in de mond waren gelegd door Jibbe Willems. Naast Nederlandse stukken van o.a. Cornelis Schuyt en Sweelinck, werd Italiaanse muziek uitgevoerd, van o.a. Caccini, Giovanni Ferretti en Stefano Felis. Sommige van deze stukken werden voorgedragen met een Nederlandse tekst uit de 17e eeuw, o.a. van Joannes Stalpart van der Wiele. Het was zeker een onderhoudend concert, maar de muzikale kwaliteit was wisselend, zoals eigenlijk altijd bij Camerata Trajectina, dat zich nooit helemaal kan bevrijden van ‘muziek tussen de schuifdeuren’. De concerten van dit ensemble lijden ook altijd aan het euvel dat het allemaal toch vooral wel een beetje ‘leuk’ moet zijn. De samenzang van de vocalisten was niet optimaal, vooral door Hieke Meppelink, die er een licht maar duidelijk hoorbaar vibrato op na houdt.

Opera speelde in het Napels van de 18e eeuw een buitengewoon grote rol. Vrijwel elke componist van naam componeerde opera’s; de in vorige weblogs al genoemde Francesco Durante was één van de weinige uitzonderingen. Maar tegenwoordig zijn de meeste van die componisten nauwelijks bekend en hun opera’s zijn vergeten. Het is dus een goede ontwikkeling dat er musici zijn die proberen dat repertoire weer tot leven te wekken. Andrea Buccarella, leider van het Abchordis Ensemble (foto), is er één van. Een paar jaar geleden recenseerde ik een CD van dit ensemble met muziek voor de Goede Week, waarop ook een werk van Gennaro Manna (1715-1779) te vinden is. Ik betwijfel of ik ooit eerder opera-aria’s van hem heb gehoord. Dat kon ik nu in elk geval goedmaken door dit concert, waarop vier aria’s uit verschillende opera’s, twee ervan met het inleidende recitatief, werden uitgevoerd. Het bleek dat Manna zich gemakkelijk met de bekendere componisten van zijn tijd kan meten. Niet alleen in dramatisch opzicht, maar ook muzikaal zijn die aria’s van prima kwaliteit, vocaal en instrumentaal. Dat kwam in het concert goed uit de verf. Over dramatisch talent beschikt de sopraan Marie Lys zeker en ze haalde alles uit de kast om de gevoelens van de persoon, die in een aria aan het woord is, tot uitdrukking te brengen. Helaas gebeurde dat op een manier die vanuit historisch oogpunt onverdedigbaar is. Het zijn eigenlijk de standaardproblemen, die zich steeds weer voordoen bij moderne uitvoeringen van vocale muziek van de 18e eeuw: een groot en continu vibrato, extreme cadenzen, waarin de normale omvang van de partij ver wordt overschreden, en het fortissimo zingen van de hoogste noten. Ik vind dit eigenlijk onverdraaglijk en hoezeer ik de pogingen, barokopera’s weer tot leven te wekken kan waarderen, ik snak ernaar dat men nu eens serieus werk maakt van een echt historisch verantwoorde interpretatie op het vlak van vocale techniek. Overigens was het orkest uitstekend, zoals ook bleek in twee delen uit Durantes Concerto per quartetto No. 2 en een sonate van de eveneens weinig bekende Aniello Santangelo.

Voor het avondconcert toog ik niet naar TivoliVredenburg, maar naar de Stadsschouwburg. Daar werd een oratorium van Alessandro Scarlatti uitgevoerd: Agar e Ismaele (foto). Direct bij al bij het begin vroeg ik me af waarom deze uitvoering in de Stadsschouwburg plaatsvond. Want het was inderdaad een uitvoering, geen opvoering. Er was geen enscenering, de zangers droegen geen kostuums, maar kleding die ze ook op het podium van welke concertzaal dan ook hadden kunnen dragen, er was nauwelijks echte beweging op het toneel en de zangers droegen hun partij voor met de muziek voor hun neus. Op verschillende momenten werden fragmenten uit het bijbelverhaal (uit het eerste bijbelboek, Genesis) voorgedragen. Dat is tegenwoordig kennelijk nodig, aangezien steeds meer mensen de bijbelse geschiedenissen helaas niet meer kennen. Dat was in Scarlatti’s tijd uiteraard anders; wat in het oratorium niet verteld wordt, vulde men uit de eigen kennis aan. Opvallend was verder dat aan het oratorium van de hand van Scarlatti muziek uit de Arabische traditie werd toegevoegd. De regisseur, Thomas Höft, schrijft in de programmatoelichting dat in de Koran het verhaal van Abraham, Sara, Hagar en Ismael een vervolg heeft. “Om onduidelijke redenen vertelt Scarlatti niet het vervolg van het verhaal.” Dat is een merkwaardige uitspraak, die suggereert dat Höft de bedoeling van oratoria in de Italiaanse barok niet begrijpt. Een oratorium was bedoeld om de gelovigen de waarheid van het christelijk geloof in te prenten. Wanneer daarvoor een bijbelse stof werd gebruikt, beperkte de librettist – want die was verantwoordelijk voor de manier waarop het verhaal wordt verteld – zich tot wat in de Bijbel vermeld wordt, ook al werd daarmee in de praktijk nogal vrij omgegaan. De Koran werd uiteraard niet als bron gebruikt, want niet als waarheid erkend. Het is ook maar helemaal de vraag of de librettist het verhaal in de Koran überhaupt kende. Gelukkig werd de Arabische muziek na de afsluiting van het oratorium – in de vorm van een aria met moraal van de engel – gespeeld en niet in het oratorium ingevoegd. De uitvoering was in grote lijnen wel geslaagd. Het was mooi Claire Lefilliâtre weer eens te horen, en dan in zo’n goede vorm; ze zong de rol van Sara, en aan het eind die van de engel. De rol van Abraham werd overtuigend vertolkt door Jochen Kupfer (bariton). De sopranist Doron Schleifer zette de rol van Ismael op een mooie, heel kwetsbare manier neer. De rol van Hagar kwam goed uit de verf in de vertolking van Franziska Gottwald; stilistisch was ze minder overtuigend. Het ensemble Neue Hofkapelle Graz speelde de instrumentale partijen heel mooi. Desondanks verliet ik de Stadsschouwburg met gemengde gevoelens. Ik ben geen voorstander van het ensceneren van oratoria, die daarvoor nooit bedoeld zijn. Maar als je dan zo’n werk in een schouwburg wilt uitvoeren, maak er dan iets van. Voor een wat in wezen concertante uitvoering is, hoef je niet naar de schouwburg. In de grote zaal van TivoliVredenburg is dan het geluid ook nog eens beter.

De dag eindigde in de Dom; daar was ik dit festival nog niet geweest. Op het programma stond opnieuw een werk dat ik niet kende: het Requiem in Es uit 1756 van Niccolò Jommelli. Het is een groot en groots werk voor solisten, koor en orkest waarin Jommelli weliswaar verraadt dat hij het één en ander wist van opera, maar dat toch eigenlijk heel ‘klassiek’ is. Jommelli slaat hier een brug van het traditionele contrapunt naar de idealen van de klassieke stijl en weet die beide elementen moeiteloos te verweven. Het was wat mij betreft één van de ontdekkingen van dit festival. Dit Requiem zou in de concertzalen vaker te horen moeten zijn; dan horen we weer eens wat anders dan altijd maar weer het Requiem van Mozart. Vox Luminis had dit keer de krachten gebundeld met het barokorkest Il Gardellino (foto); het geheel werd deskundig en met verve geleid door Peter Van Heyghen. Vox Luminis is een solistenensemble; elk lid is in staat ook veeleisende solopartijen te zingen. Dat bleek hier ook; de solopassages zijn meestal kort, maar zeker niet simpel en die kwamen hier perfect uit de verf. Desondanks is het ensemble in staat een echte eenheid te blijven; in de tutti loopt niemand uit de pas. Die waren vol contrasten in kleur en dynamiek. Kortom, het was een vrijwel ideale uitvoering. Helaas werd het aangekondigde Miserere niet uitgevoerd. Misschien iets voor een hopelijk komende CD-opname?

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: