Gepost door: Johan van Veen | 29 augustus 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – woensdag 28 augustus

We zijn gewend te spreken over de barok, op grond van een overeenkomst in stijlkenmerken van de muziek die toen gecomponeerd werd. Binnen dat kader bestaat echter nogal wat variatie en die is vaak gerelateerd aan een bepaalde regio of zelfs stad. Daarom is het heel zinvol het festival aan een bepaald land of een bepaalde stad te wijden, zoals dit jaar aan Napels. Het biedt de mogelijkheid juist die aspecten van een stijlperiode te belichten die voor die stad of dat land karakteristiek zijn. Voorbeelden daarvan leverde het concert van het Ensemble Aurora onder leiding van Enrico Gatti (foto). Sonates voor viool en basso continuo en triosonates behoren tot de meest gangbare genres van de barok. Maar sonates en concerti – die termen zijn vaak uitwisselbaar – voor drie en vier violen en basso continuo zijn vrij zeldzaam en lijken een Napolitaanse eigenaardigheid te zijn. Net als bij de twee vorige ochtendconcerten kwamen we Giovanni Carlo Cailò tegen; nog even en hij wordt zowaar een beroemdheid. De sonate voor drie violen die we van hem hoorden, kan overigens in Rome zijn ontstaan, wat de bewering dat het hier om een typisch Napolitaans genre gaat, dan weer enigszins nuanceert. Het zou best eens het vroegste voorbeeld van zo’n bezetting kunnen zijn. Van Pietro Marchitelli (1643-1729) hoorden we twee sonates, voor twee resp. drie violen. Van de eerste is me vooral het laatste deel bijgebleven, in de tweede viel de snelle afwisseling tussen forte en piano in het tweede adagio op. Het programma begon met een concerto voor drie violen van Nicola Fiorenza, dat eindigde met een presto waarin de violen non legato spelen. Aan het eind klonk een concerto voor vier violen van Leonardo Leo. In de beide langzame delen zet de componist twee paren violen tegenover elkaar, die met elkaar in dialoog gaan. Enrico Gatti is een oudgediende als het gaat om het bespelen van de barokviool, maar hij kan zich nog steeds met gemak met spelers van de jongere generatie meten. Drie daarvan had hij om zich heen verzameld. Ook oudgedienden zijn de cellist Gaetano Nasillo en klavecinist Guido Morini. Tesamen leverden ze een boeiend concert af, waarin de kwaliteiten van de stukken goed uit de verf kwamen. Hooguit had ik nu en dan graag wat sterkere dynamische contrasten gehoord.

In verschillende concerten was al klavecimbelmuziek van Alessandro Scarlatti te horen. Dat is een nauwelijks bekend onderdeel van zijn oeuvre. Ook op CD is zijn klavecimbelwerk niet erg goed vertegenwoordigd. Het was dus een goed idee hem een heel recital te wijden. Bart Naessens (foto), die we al eerder hoorden als leider van het ensemble Capriola di Gioia, speelde vier toccata’s, waarvan vooral de laatste, de Toccata VII, opviel door haar proporties. Ze bestaat uit zes delen waarvan het laatste een serie van niet minder dan 29 variaties over de bekende ostinaatbas La Folia is. Het is een briljant werk en het is begrijpelijk dat juist dit stuk nog enige bekendheid geniet. Maar ook de andere stukken die Naessens speelde, zijn de moeite waard en verdienen meer aandacht. Naessens toonde zich een competente speler, die het echter niet lukte voldoende structuur in de werken aan te brengen. Wanneer een stuk zoveel noten bevat als Scarlatti’s toccata’s, is het de taak van de interpreet hiervan een verhaal te maken. Daarvan was geen sprake. Het verschil met Cristiano Gaudio, die gisteren de sonates van Francesco Durante op een heel retorische manier tot klinken bracht, was evident. Ik had graag een wat meer sprekende voordracht gehoord, met komma’s en punten, en echt ademend klavecimbelspel. Daaraan ontbrak het helaas.

Eén van de aardige dingen van het festival is dat je, naast onbekende componisten, ook ensembles hoort die je nog niet kende. Dat was het geval met Acronym (foto), dat om drie uur in de Pieterskerk z’n opwachting maakte. Kennissen hadden me verteld dat dit een geweldig ensemble is. Het concert gehoord hebbend, kan ik dat alleen maar onderstrepen. Het was een mooi programma, zij het enigszins speculatief. Centraal stond Giovanni Valentini, die nooit in Napels is geweest en vooral ten noorden van de Alpen heeft gewerkt. Volgens de toelichting in het programmaboek werd hij beïnvloed door “de harmonische experimenten die worden geassocieerd met Napolitaanse componisten zoals Gesualdo, Trabaci en De Macque”. Dat is natuurlijk best mogelijk, maar nauwelijks te bewijzen. En Napels was niet de enige plek waar harmonische experimenten plaatsvonden. Het meest merkwaardige stuk van het concert was Valentini’s Sonata a 5 in g, dat soms wel atonaal lijkt. De meest merkwaardig harmonieën volgen elkaar op. Over experimenten gesproken. De andere sonates van zijn hand zijn wat ‘conventioneler’; de bezetting is vaak aan de grote kant, wat de voorkeur van het keizerlijke hof in Wenen weerspiegelt, waar hij het grootste deel van zijn leven gewerkt heeft. Dat was ook de reden dat andere componisten die daar werkzaam waren, aan het woord kwamen, zoals Antonio Bertali en Samuel Capricornus (slechts één jaar: 1649). Het programma eindigde met de Sonata jucunda a 6 van de hand van òf Biber òf Schmelzer. Om de gesuggereerde verbinding met Napels te beklemtonen werden enkele stukken van Gesualdo, Trabaci en De Macque uitgevoerd. Die zijn weliswaar in eerste instantie bedoeld voor een akkoordinstrument (klavecimbel, orgel of harp), maar werden hier instrumentaal uitgevoerd, met uitzondering van De Macque’s Canzon francese del Principe, dat door Elliott Figg op klavecimbel werd gespeeld. Het ensemble maakte indruk door perfect en energiek samenspel alsmede mooie solo’s van diverse leden. De interpretatie was ook dynamisch gedifferentieerd, wat vooral voor dit repertoire heel belangrijk is. De combinatie van de muziek en de uitvoering leidde tot een stormachtig applaus, dat geheel verdiend was. Dit ensemble moeten we dus vaker horen. Wellicht volgend jaar al? Tenslotte is het thema dan ‘Ars Rhetorica’, en retorisch was het spel van Acronym zeker.

Datzelfde kan gezegd worden van Holland Baroque (foto) dat zich over vijf van de Concerti per quartetto van Francesco Durante ontfermde. De bezetting is twee violen, altviool, cello en basso continuo. Dat impliceert niet dat het hier om kamermuziek gaat, hoewel het zeker interessant zou zijn ze eens in solistische bezetting te horen. Holland Baroque trad hier met zeven violen, twee altviolen, cello, contrabas en twee klavecimbels aan. Durante had een uitgesproken voorkeur voor contrapunt en daarmee was hij enigszins ouderwets in zijn tijd, waarin de galante stijl doorbrak, die melodie de eerste plaats toekende. Maar dat wil niet zeggen dat Durantes concerten voorspelbaar zijn. Het aantal delen en de volgorde daarvan varieert per concert. Ook de titels van sommige delen verraden al een onafhankelijke geest, zoals Ricercar del quarto tono (nr 4) en largo staccato – canone amabili (nr 3). Het laatste concert is het meest merkwaardige, ook in harmonisch opzicht. Het heeft niet voor niets de bijnaam La Pazza, wat letterlijk ‘de gek’ of ‘de idioot’ betekent. Ook elders word je als luisteraar voortdurend verrast. Holland Baroque wist wel weg met de eigenaardigheden van Durantes concerten. Het spel van het ensemble was energiek, dynamisch en gedifferentieerd. Het was mooi Holland Baroque weer eens in echte barokmuziek te horen. De laatste jaren heb ik geen concerten van het ensemble gehoord, doordat het zich op dwaalwegen begaf met allerlei cross-over onzin. Welkom terug in de echte barok!

Het avondconcert was dit keer weer eens ouderwets lang, met een pauze. Op het programma liturgische muziek, die je niet direct in de grote zaal van TivoliVredenburg verwacht. Met zijn ensemble Cantar Lontano (foto) voerde Marco Mencoboni, artist in residence, muziek van Diego Ortiz uit, een componist die veel oude-muziekliefhebbers vooral vanwege zijn recercadas uit het leerwerk Trattado de glosas zullen kennen. In 1565 verscheen in Venetië zijn enige bundel met liturgische muziek en daaruit had Mencoboni een Vesper samengesteld. Ortiz’ sacrale muziek mag onbekend zijn, ze is zeker de moeite waard. Dat kwam in de uitvoering helaas niet helemaal uit de verf. Dat heeft voor een deel te maken met het feit dat de zaal niet echt geschikt is voor dit repertoire. Ons werd een ‘Vesper in surround sound’ beloofd, en inderdaad maakte Mencoboni optimaal gebruik van de ruimtelijkheid van de zaal door zangers en spelers op verschillende plaatsen – op het podium, maar ook op hoger gelegen plekken, bij de ingangen – op te stellen. Maar deze muziek heeft een ruimere akoestiek nodig; die van de grote zaal is te droog. Daardoor ging het effect dat dit soort muziek kan hebben, voor een deel verloren. Het leidde er ook toe dat het geheel nogal verbrokkeld was. Mencoboni maakte het nog erger door binnen één stuk de bezetting en de grootte van het aantal zangers en instrumentalisten te variëren. Met de uitvoering zelf was verder weinig mis, ook al waren sommige blazers hier en daar niet helemaal zuiver en was sopranist Alessandro Carmignani – hier als contratenor aangeduid – te domiant aanwezig, zoals bijna altijd. Mencoboni heeft deze muziek op CD opgenomen en ik zou adviseren daarnaar op zoek te gaan, als men de kwaliteiten van Ortiz als componist van religieuze muziek wil leren kennen.

\

De dag eindigde met een aangename verrassing. In de Pieterskerk bracht het ensemble Theatro del Cervelli onder leiding van Andrés Locatelli (foto) een programma met de titel ‘Devotie in Napels’. We hoorden motetten en laude uit de jaren 1630. Bij de laatste gaat het om relatief eenvoudige gezangen in de volkstaal, die zijn geschreven in de stile antico en hier werden voorgedragen door drie of vier zangers, a capella of met begeleiding van instrumenten (blokfluit, theorbe, orgel). De overige stukken zijn produkten van de toen gangbare monodische stijl, waarin de stemmen worden ondersteun door een basso continuo, en waarin solistische passages voorkomen, die door de zangers van versieringen moeten worden voorzien. Dat deden de zangers van het ensemble met overgave en op een stilistisch overtuigende manier. De verrichtingen van Esther Labourdette, Jacopo Facchini, Akinobu Ono en Marco Saccardin waren bewonderenswaardig. Ook als ensemble maakten ze, samen met de instrumentalisten, veel indruk in motetten van Giovanni Domenico Montella, Carlo Pedata en anonieme componisten. Deze stukken waren zonder uitzondering van grote kwaliteit. De vocale werken werden onderbroken door instrumentale stukken van Trabaci en Falconieri. Heel fraai was Marta Graziolino op harp in Trabaci’s Partite artifiiose. Ik kende dit ensemble en deze musici niet, maar hoop meer van ze te horen, want deze kennismaking smaakte naar meer.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: