Gepost door: Johan van Veen | 28 augustus 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – dinsdag 27 augustus

Toen ik las dat in het festival van 2020 de violiste Eva Saladin (foto) één van de artists in residence zou zijn, vroeg ik me af wat daarvan de reden was. Ik kon me niet herinneren haar eerder gehoord te hebben. Na het concert van vanmorgen begrijp ik waarom men haar daarvoor heeft uitgekozen. Niet alleen was het een concert van hoog niveau, zowel technisch als muzikaal, ook haar stijl van spelen past bij wat volgend jaar het overkoepelende thema zal zijn: ‘Ars Rhetorica’. Eva Saladin gaf in haar concert een visitekaartje af door haar retorische en sprekende manier van spelen. Bovendien heeft ze aandacht voor de verschillende uitvoeringspraktijken die in de 17e en 18e eeuw gangbaar waren. Dat betreft bijvoorbeeld de houding van de viool: tegen de kin geklemd of los tegen de schouder, met allerlei variaties daartussen. In een heldere toelichting tijdens haar optreden legde ze uit dat destijds verschillende manieren van spelen naast elkaar bestonden. Er is dus niet zoiets als de ‘goede’ of de ‘foute’ manier. Ook in de bezetting van de basso continuo was er variatie: in een in manuscript overgeleverde sonate van Gian Carlo Cailò werd alleen het klavecimbel ingezet, terwijl in de Sonate in g, op. 2,3 van Michele Mascitti alleen de cello de baspsrtij speelde. Dat was een destijds gangbare praktijk, die tegenwoordig nog zelden wordt toegepast. Saladin en haar collega’s, Daniel Rosin (cello) en Johannes Keller (klavecimbel), hadden een interessant programma samengesteld met muziek van componisten die zelf violist waren, wat betekent dat hun composities de mogelijkheden van de viool uitbuiten en technisch veeleisend zijn. Dat geldt zeker voor Giovanni Antonio Piani en Nicola Matteis, twee componisten die uit Napels afkomstig waren, maar hun carrière elders maakten. Mascitti werd in de buurt van Napels geboren, ontving daar zijn opleiding, maar verhuisde naar Parijs, waar hij zich als musicus en als mens geliefd maakte. Het leidde ertoe dat hem het staatsburgerschap werd verleend. Zijn muziek is overigens volstrekt Italiaans, zoals ook uit de twee tijdens dit concert uitgevoerde sonates bleek. Hoogtepunten van het concert – zo daarvan al sprake is, wanneer alles van zulke kwaliteit is en zo goed wordt uitgevoerd – waren twee stukken voor viool zonder begeleiding van Matteis, Passaggio rotto en Fantasia, beide briljant gespeeld door Eva Saladin, en de sarabanda uit Piani’s Sonate in c, op. 1,7. Er is alle reden naar de concerten van Eva Saladin in het volgende festival uit te kijken.

Zij staat aan het begin van een hopelijk mooie carrière. Dat is ook het geval met de jonge Italiaanse klavecinist Cristiano Gaudio (foto), die de eer te beurt viel een recital in de klavierserie in de Lutherse Kerk te verzorgen. Hij speelde een programma met zes sonates en twee toccata’s van Francesco Durante, afgewisseld met een toccata van Alessandro Scarlatti. Durante gold als een nogal conservatief componist, in wiens oeuvre het contrapunt, dat in zijn tijd steeds meer als – met een hedendaagse dooddoener – ‘niet meer van deze tijd’ werd beschouwd, een belangrijke rol speelt. Dat geldt ook voor zijn klavecimbelsonates, die uit twee delen bestaan. Het eerste is steeds een fuga, waarin Durante zijn voorkeur voor en bedrevenheid in het contrapunt demonstreert. Maar het tweede deel is een divertimento, en daarmee slaat hij een brug naar zijn eigen tijd, want het divertimento was één van de geliefdste vormen van de galante stijl. Gaudio’s technische beheersing was indrukwekkend, want deze sonates zijn alles behalve eenvoudig. Ze vereisen vingervlugheid, maar ook inzicht in de retorische opbouw. Gaudio beschikte over beide eigenschappen en dat resulteerde in een heel boeiend recital, waarin Durante als klavecimbelcomponist op de kaart werd gezet. Gaudio werd terecht met een langdurig applaus beloond, wat een toegift in de vorm van een sonate van Domenico Scarlatti uitlokte.

Het concert van drie uur in de Pieterskerk is meestal aan muziek uit de middeleeuwen of renaissance gewijd. Dit keer was het Ensemble Leones (foto) aan de beurt een aspect van het muziekleven in Napels in de middeleeuwen te belichten. Daarbij was in dit geval de connectie tussen de muziek en Napels wel erg dun. Het hele programma was gewijd aan Adam de la Halle (1245/50-1285/88), die weliswaar in de late jaren 1270 in Napels verbleef, maar die het grootste deel van zijn oeuvre in Parijs componeerde. Maar daarom niet getreurd: onder leiding van Marc Lewon voerde het ensemble een heel interessant programma uit van een componist, van wie je zelden iets hoort en die eigenlijk alleen bekend is door zijn muzikale spel Jeu de Robin et de Marion. Het programma begon met het overgebleven fragment van het epische gedicht Le Roi de Secile, met sobere gebaren voorgedragen door de tenor Giovanni Cantarini. Heel interessant waren ook de fragmenten uit een dialoog tussen Adan en Jehan, het resultaat van een literaire wedstrijd door leden van de Puy d’Arras, een soort literaire vereniging. Daarnaast klonken rondeaus en chansons alsmede enkele estampies. Helaas werden de stukken deels in een iets andere volgorde uitgevoerd dan in het programmaboek stond, wat enige verwarring veroorzaakte. Dat mocht de pret niet drukken, want we kregen een prachtig muzikaal portret van Adam de la Halle, wiens werk meer aandacht verdient. Els Janssens-Vanmunster speelde, als vanouds, een hoofdrol; ze weet altijd weer de juiste toon te treffen in elk stuk dat ze onder handen heeft. Ze vond gelijkwaardige partners in Cantarini en de sopraan Miriam Trevisan. Dat Marc Lewon, die verschillende strijk- en tokkelinstrumenten bespeelde, ook een goede stem heeft, wisten we al, maar hier bleek dat ook Mara Winter, die de middeleeuwse fluit bespeelde, wat dat betreft van wanten weet. Ook hier weer een enthousiast publiek en de onvermijdelijke toegift. Maar wie zou daarover klagen?

Het koor en orkest Ghislieri hadden we zaterdag gehoord in een programma met groot bezette werken voor solisten, koor en orkest van Jommelli en Pergolesi. In de Geertekerk kwam alleen het koor (foto) aan het woord, dit keer met begeleiding van slechts het orgel, bespeeld door Maria Cecilia Farina. Op het programma stonden de Missa quatuor vocum van Alessandro Scarlatti, die in de wandeling de Messa di Madrid wordt genoemd, omdat het werk zich in de koninklijke bibliotheek van Spanje bevindt. Het is een werk voor vier stemmen zonder begeleiding; hier speelde het orgel een basso seguente. Het was in Scarlatti’s tijd gebruikelijk dat muziek voor de liturgie in de stijl van Palestrina werd gecomponeerd en dat is ook hier het geval. De liturgische functie van de mis werd in dit concert onderstreept door het invoegen van gregoriaanse gezangen, genomen uit de liturgie voor Witte Donderdag. Het Benedictus werd voorafgegaan door Domenico Scarlatti’s Sonate in d (K 52), waarin volgens de programmatoelichting “retorische verwijzingen naar het lijden en sterven van Christus” te vinden zijn. Het is één van mijn favoriete sonates; ik heb me vaak afgevraagd hoe die op orgel zou klinken. Dit concert gaf het antwoord: perfect. Het tweede werk op het programma is ook gerelateerd aan de tijd voor Pasen: de boetpsalmen werden vooral tijdens de vasten en dan met name tijdens de Goede Week gezongen. Hier hoorden we Psalm 50 (51), Miserere mei Deus, van Niccolò Jommelli. Ook hij neemt de stile antico als uitgangspunt, maar voegt er nogal wat dramatische elementen aan toe. Jommelli was niet voor niets één van de beroemdste operacomponisten van zijn tijd. Direct bij de eerste frase gebruikt hij al de harmonie om de tekst tot uitdrukking te brengen. Heel dramatisch is de herhaling van “libera me” door het gehele ensemble. Hier en daar zitten enkele solopassages die in een opera niet zouden misstaan. Ik was door de uitvoering van beide werken meer overtuigd dan in Pergolesi vorige week zaterdag. Hier werd een duidelijker verschil gemaakt tussen de twee componisten, die tot verschillende stijlperiodes behoren. Het Ghislieri koor is een uitstekend ensemble, en Prandi dirigeerde hier wat rustiger dan zaterdag, toen hij wel erg wild gebaarde.

Het avondconcert in de grote zaal van TivoliVredenburg was gewijd aan Farinelli, één van de grootste castraten van zijn tijd. Uitgangspunt van het concert door Ann Hallenberg (mezzosopraan) en het ensemble Stile Galante onder leiding van Stefano Aresi (foto) is een bundel met tien aria’s die Farinelli regelmatig zong en die hij cadeau deed aan keizerin Maria Theresa in Wenen. Deze bron is vooral interessant, omdat Farinelli bij twee aria’s z’n eigen versieringen en cadenzen heeft toegevoegd. Die twee aria’s klonken tijdens dit concert: Quell’usignolo uit Merope van Geminiano Giacomelli en Son qual nave ch’agitata uit Mitridate van Giovanni Antonio Giay. Wie die versieringen hoort, begrijpt de kritiek van iemand als Benedetto Marcello en later Christoph Willibald von Gluck. De edele kunst van het ornamenteren was volledig uit de hand gelopen. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen dat dit soort vocale capriolen grote opwinding en bewondering van de operaliefhebbers van die tijd uitlokten. Voor de moderne zanger zijn de virtuoze coloraturen en eindeloze kettingen van trillers buitengewoon inspannend. Dat verklaart wellicht waarom Ann Hallenberg slechts vier aria’s zong. Je moet bewondering hebben voor de manier waarop de dat deed. Er zullen weinig zangers zijn die haar daarin kunnen evenaren. Ze is bovendien een gevierd operazangeres vanwege haar theatrale kwaliteiten. Met echte barokke zangkunst heeft het echter weinig te maken. Haar vrijwel constante vibrato, het forte zingen van de topnoten en het feit dat de tekst niet in het middelpunt staat zijn tekenen van de tegenwoordig helaas dominante, ‘moderne’ benadering van de vocale muziek van de barok. Het zou interessant geweest zijn wanneer de musici en met name Hallenberg consequent gestreefd hadden naar een herleving van de zangstijl van Farinelli’s tijd. Er klonken ook enkele instrumentale werken: het Concert in G voor cello van Porpora en een vioolsonate van José Herrando, waarin de geluiden van het voorjaar worden geïmiteerd, zoals de nachtegaal en de koekoek en de naderende storm. Deze werken werden uitstekend vertolkt door Agnieska Oszanca (cello) respectievelijk Isabella Bison (viool). Stile Galante bewees zijn kwaliteiten hier en in de aria’s.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: