Gepost door: Johan van Veen | 27 augustus 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – maandag 26 augustus

De ochtendconcerten om elf uur in Hertz zijn gereserveerd voor kamermuziek en in dit festival betekent dat meestal muziek voor viool. Zo was het ook deze morgen. In 2016 richtte Josef Zák het Ensemble Castelkorn (foto) op; in 2018 verscheen de eerste CD. Die heb ik nog niet gehoord, dus dit concert was de eerste kennismaking. Die was zonder meer positief, alleen al vanwege het feit dat twee componisten op het programma stonden, die je niet alle dagen hoort. Terwijl Nicola Matteis niet geheel onbekend is en zijn muziek ook op CD is opgenomen, had ik van Giovanni Antonio Guido nog nooit gehoord. Beide zijn met Napels verbonden: Matteis werd er geboren, Guido studeerde er. Om en om klonken drie suites van Matteis en twee sonates van Guido. Matteis’ suites zijn los van vorm en hebben geen vaste structuur. De titels van sommige delen roepen vraagtekens op, zoals ‘malinconia’. Matteis was een echte virtuoos, iets wat in Engeland in de tweede helft van de 17e eeuw een nieuw fenomeen was. De suites zitten vol contrasten in karakter en tempo. In de Suite in G bijvoorbeeld wordt een aria burlesca gevolgd door een aria grave. Veel stukken zijn technisch veeleisend en meerdere delen bevatten passages met dubbelgrepen. Maar ze zijn zeker niet verstoken van expressie, zoals de sarabanda con affetto uit de Suite in e. Deze kwaliteiten kwamen in de uitvoering van het ensemble uitstekend uit de verf. Guido’s twee sonates die tijdens het concert gespeeld werden, bleken heel mooie stukken, met briljante snellen delen en zangerige langzame delen. Záks spel was ook hier uitstekend en ik moet zeker ook het aandeel van de basso-continuosectie met ere noemen. Heel fraai was het aanstekelijke ritme van de bas in het eerste allegro van Guido’s Sonate in F. Guido’s sonates zou ik wel op CD willen hebben.

De concerten om één uur in de middag zijn traditioneel gewijd aan muziek voor toetsinstrumenten en vinden in de regel in de Lutherse Kerk plaats. Daar nam deze middag Jean-Marc Aymes (foto) achter het klavecimbel plaats om de muziek van Giovanni de Macque uit te voeren. Dat is niet heel omvangrijk en tijdens dit recital kregen we het grootste deel van zijn klavieroeuvre te horen. De belangrijkste vormen van de tijd waren vertegenwoordigd: capriccio, canzona, toccata en partite. Het was aardig dat Aymes tijd nam om de toehoorders uit te leggen hoe De Macque een stuk opbouwt. Dat deed hij aan de hand van het Capriccio sopra tre soggetti, waarbij hij demonstreerde hoe de componist de drie thema’s gebruikt en uitwerkt en zo aan elkaar verbindt dat harmonische wrijvingen ontstaan. De Macque was één van de Napolitaanse componisten in zijn tijd, die nogal experimenteerden met harmonieën en stemmingen. Een stuk als Durezze, e ligature wordt gedomineerd door dissonanten en zou wellicht beter uit de verf komen op een orgel. Aymes’ recital was heel boeiend door de goede afwisseling van verschillende vormen en uiteraard de kwaliteit van De Macques muziek, die onder de handen van Aymes volledig tot haar recht kwam.

In de Pieterskerk maakte het ensemble Tasto Solo (foto) zijn opwachting met een interessant programma rond een intrigerende persoon: Anna Inglese, een Engelse zangeres die carrière maakte in Italië. In 1471 arriveerde ze in Napels – reden genoeg om dit programma in het festival te presenteren. Aanvankelijk zouden we muziek van o.a. Busnoys, Tinctorisen Dufay alsmede van onbekend gebleven componisten horen, stukken die zijn genomen uit in Milaan circulerende manuscripten. Maar verder onderzoek leidde tot zoveel informatie over Anna Inglese dat het programma drastisch gewijzigd werd. Nu stond een Engelse componist, Walter Frye, centraal en we hoorden ook een stuk van Tinctoris op een Engelse tekst. Doordat het programma gewijzigd werd, toen het programmaboek al gedrukt was, moesten we raden naar de oorsprong van de uitgevoerde werken. Ik zou graag willen weten hoe een stuk van Tinctoris aan z’n Engelse tekst komt. Maar wellicht wordt dat onthuld in een CD-opname. Het is te hopen dat die er komt, want niet alleen is het onderwerp intrigerend, het concert was – zoals we eigenlijk van Tasto Solo gewend zijn – van een hoog niveau. Daartoe droeg in niet geringe mate sopraan Anne-Kathryn Olsen bij, die als het ware in de schoenen van Anna Inglese ging staan. Ze beschikt over een prachtige en voor deze muziek ideale stem. Die mengde ook optimaal met de drie instrumenten: organetto (bespeeld door Guillermo Pérez, de leider van het ensemble), harp (Bérengère Sardin) en luit (Bor Zuljan).

In Hertz klonk vervolgens een heel ander programma. Hoofdpersoon was Nicola Porpora, een in zijn tijd beroemd componist, maar tegenwoordig vooral bekend als de zangleraar van diverse castraten, zoals Farinelli. De laatste tijd wordt zijn muziek weer herontdekt en het was een goed idee hem in het zonnetje te zetten. Dat deed het ensemble Capriola di Gioia onder leiding van Bart Naessens, met de sopraan Amaryllis Dieltiens als soliste (foto). Porpora werd hier gecombineerd met Händel. Daar zijn goede redenen voor: Porpora werkte enkele jaren in Londen, waar hij werd ingehaald als rivaal van Handel. Of er echt sprake was van rivaliteit is zeer de vraag. Er zijn redenen aan te nemen dat ze op goede voet met elkaar stonden. Het programma was samengesteld uit opera-aria’s van beide componisten en twee cantates van Porpora, onderbroken door een sonate voor viool en basso continuo. Die variatie is aardig, maar was ook een probleem. Want terwijl het bij de cantates om vocale kamermuziek gaat, verlangen de opera-aria’s een groter orkest dan een ensemble met traverso, twee violen en altviool. Ook is Hertz voor zulk repertoire niet geschikt; daarvoor is een grotere ruimte nodig. Amaryllis Dieltiens is niet bepaald een operazangeres: ze deed haar best, maar echt overtuigend was het niet. Ze forceerde zichzelf, wat tot een overmatig vibrato leidde. De cadenzen waren soms ook over the top. In de cantates deed ze het beter, ook op het vlak van de tekstbehandeling. Dat alle dacapo’s werden weggelaten, behalve in de laatste aria, moet ook als minpunt worden genoteerd: dat kan echt niet. Het instrumentaal ensemble was uitstekend.

Voor oudere muziekliefhebbers zal het avondconcert door La Capella Reial de Catalunya en Hespèrion XXI onder leiding van Jordi Savall (foto) in veel opzichten een feest der herkenning zijn geweest. Savall speelde kort na de oprichting van zijn destijds Hespèrion XX geheten ensemble vaak de muziek die ook tijdens dit concert klonk. Dan gaat het om chansons, villancico’s en villanella’s, die in diverse liedboeken te vinden zijn, zoals het Cancionero de Montecassino. Dat is grotendeels Spaans repertoire, maar gezien de nauwe banden tussen Napels en Spanje gedurende meer dan twee eeuwen past dat helemaal binnen het thema van het festival. Je kunt het aan Savall overlaten om uit het omvangrijke repertoire een afwisselend programma samen te stellen. In het ensemble zitten ook veel oudgedienden, zoals Jean-Pierre Canihac (zink), Sergi Casademunt en Lorenz Duftschmid (viola da gamba) en Andrew Lawrence-King (harp). Naast anonieme stukken klonken werken van o.a. Cornago, Ghizeghem, De la Torre, Del Encina, Cabezón en Willaert. Het programma werd met veel schwung ten gehore gebracht, in een afwisseling van instrumentale en vocale stukken. Het ensemble bestaat uit echte virtuozen, die alles uit hun instrument halen. Savall houdt de touwtjes stevig in handen, zodat niemand uit de bocht vloog. Zoals altijd kan Savall vertrouwen op een uitstekende groep zangers, met ook daarin enkele vertrouwde namen, zoals David Sagastume (alto), Furio Zanasi (bariton) en Daniele Carnovich (bas). Fraai waren ook de twee sopranen, Lucía Martín-Cartón en Adriana Fernández. Het was een bijzonder onderhoudende avond.

Wie iets bijzonders wilde horen, moest maandagavond laat in de Pieterskerk zijn. De naam Leonardo Leo doet bij de meeste muziekliefhebbers waarschijnlijk geen belletje rinkelen, of het moest zijn dat men diens celloconcerten heeft gehoord, gespeeld door wijlen Anner Bijlsma. Leo was in de eerste plaats een beroemd operacomponist. Hier hoorden we hem als componist van sacrale muziek, en wel van Responsoria voor de goede week. Die werden in de renaissance vaak op muziek gezet, o.a. door Victoria en Gesualdo. Van een operacomponist als Leo mag men dramatische zettingen verwachten, en dat zijn ze ook, ondanks de bescheiden bezetting voor vier stemmen en basso continuo. Leo besteedde veel aandacht aan de relatie tussen tekst en muziek. Helaas was dat in dit concert voor de toehoorders niet goed te volgen, aangezien de kerk geheel verduisterd was, op kaarsen en een enkele lamp rond de zangers na. Maar wie de inhoud van de teksten min of meer kent, zal toch wel geraakt zijn door de manier waarop Leo die muzikaal vertaalt. Dat kwam in de uitvoering door Nova Ars Cantandi, onder leiding van Giovanni Acciai (foto), heel goed tot uitdrukking. De zangers waren perfect op elkaar ingespeeld, ook al was sopranist Alessandro Carmagnani nogal eens iets te dominant. Zijn nogal penetrante stemgeluid is niet ieders cup of tea. Het ensemble schuwde soms sterke dynamische contrasten niet. Deze Responsoria lijken me een belangrijke aanwinst voor het passierepertoire. Overigens zijn deze, in dezelfde uitvoering, kort geleden op CD verschenen (Archiv).


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: