Gepost door: Johan van Veen | 25 augustus 2019

Festival Oude Muziek Utrecht 2019 – zaterdag 24 augustus

Om elf uur begon de dag met een concert in Hertz. Erik Bosgraaf (foto) presenteerde hier vijf concerten voor blokfluit en strijkers van Alessandro Scarlatti. Zijn oeuvre bestaat voornamelijk uit vocale muziek; instrumentale werken nemen een relatief bescheiden plaats in. Opvallend daarom dat hij een aantal blokfluitconcerten heeft gecomponeerd. Daarin is de blokfluit overigens meestal één van de instrumenten in het ensemble. Dat kwam in de uitvoeringen van Bosgraaf en zijn collega’s in het ensemble Cordevento, met twee violen, cello, theorbe en klavecimbel, goed tot z’n recht. Bosgraaf hing ook niet de virtuoos uit, wat in deze muziek ook niet zou passen. Z’n spel was zeer fraai, goed gearticuleerd, ook in de snelle delen, en met mooie versieringen. In deze concerten zitten de nodige dramatische elementen, die verraadden dat Scarlatti tot de belangrijkste operacomponisten van zijn tijd behoorde. Dat bleek bijvoorbeeld in het Concerto XXI in a: het derde deel is getiteld veloce en begint inderdaad razendsnel, maar dat duurt maar een paar maten; dan wordt het tempo plotseling traag. Duidelijk later gecomponeerd is het Concerto in a van Nicola Fiorenza, waarin de blokfluit een meer zelfstandige rol speelt. Vooral het tweede deel heeft een dramatisch karakter. Het concert eindigde met wat het bekendste blokfluitconcert van Scarlatti is, dankzij het feit dat Frans Brüggen dit in de beginjaren van de herontdekking van de barok samen met o.a. Gustav Leonhardt en Anner Bijlsma op plaat opnam: het Concerto IX in a. Het kreeg een mooie speelse en creatieve uitvoering en was daarmee een waardig besluit van een mooi optreden.

Niet veel muziekliefhebbers zullen opveren bij de naam Pietro Domenico Paradisi. Hij componeerde toneelmuziek, maar is in onze tijd vooral bekend vanwege zijn klavecimbelsonates. Die staan ergens tussen de barok en de klassieke periode in. Enrico Baiano (foto, met dank aan Christopher Price) is een specialist in de klavecimbelsonates van Domenico Scarlatti en heeft ook een CD met sonates van Paradisi opgenomen. Het is geen wonder dat hij zich met Paridisi bezighoudt, want in diens muziek is de invloed van Scarlatti niet te missen. Tijdens het recital in de Lutherse Kerk kwamen meerdere sonates of sonatedelen voorbij, die je zomaar aan Scarlatti zou toeschrijven, zoals de Sonate V in F. Maar er waren ook stukken die zich duidelijk van Scarlatti verwijderen, zoals de aria uit de Sonate III in F. De Sonate IX in a is een voorbeeld van een stuk dat de geest van de tijd van de zonen van Bach ademt. Baiano speelde dit technisch veeleisende programma uit het hoofd, wat een prestatie genoemd mag worden. Zijn optreden was ook muzikaal een mooie ervaring, want de muziek van Paradisi weet zeker te boeien en dat was ook de verdienste van Baiano, die met sprankelend spel de kwaliteiten van diens sonates overtuigend over het voetlicht wist te brengen.

Johannes Tinctoris (c1435-1511) is waarschijnlijk niet veel bekender dan Paradisi, behalve wellicht bij diegenen die een bijzondere belangstelling voor de muziek van de renaissance hebben. Zij kennen hem waarschijnlijk vrijwel uitsluitend als theoreticus. Zijn theoretische werken schreef hij in Napels, en dat was reden voor Baptiste Romain en programma samen te stellen met muziek van Tinctoris en enkele tijdgenoten, dat hij met zijn ensemble Le Miroir de Musique (foto) ten gehore bracht. Dat ensemble heeft hij opgericht om vooral de rol van strijkinstrumenten, zoals rebec, vedel en viola d’arco in de muziek van de renaissance onder de aandacht te brengen. Zelf speelde hij de twee eerstgenoemde instrumenten, terwijl Elisabeth Rumsey de viola d’arco hanteerde. Uiteraard speelden de instrumenten een belangrijke rol in het programma. Er klonken verschillende instrumentale werken. Dat zijn in die tijd meestal vocale werken die instrumentaal kunnen worden uitgevoerd of in tekstloze versies zijn overgeleverd. Dat was waarschijnlijk de reden dat in deze stukken vaak één of twee stemmen door de zangers van het ensemble gevocaliseerd werden, op de namen van de noten of op één enkele klinker. Met Sabine Lutzenberger, Dina König, Jacob Lawrence en Tim Scott Whiteley stonden Romain vier uitstekende zangers ter beschikking, die de vocale werken op fraaie en stijlvolle wijze uitvoerden. De balans was niet altijd ideaal: Lawrence was soms wat te luid en Lutzenberger was soms te weinig present. Dat doet niets af aan de hoge kwaliteit van dit concert door één van de meest interessante ensembles op het gebied van de pre-barokke muziek, dat door het publiek terecht met een ovationeel applaus werd beloond.

Eén van de aardige dingen van dit festival is de variëteit, die er voor zorgt dat je na een uur muziek uit de renaissance zomaar in een heel andere wereld kunt belanden. Dat was mijn ervaring toen ik vanuit de Pieterskerk naar Hertz toog, waar de Cappella Neapolitana (foto) een programma met meestal komische stukken uit het Napels van de 18e eeuw presenteerde. Een hoofdrol was weggelegd voor tenor Pino de Vittorio, en dan weten kenners wel wat ze kunnen verwachten. Het is een geboren acteur, die zich als zanger zowel in religieus als wereldlijk repertoire laat horen, hoewel naar mijn mening zijn kwaliteiten het beste uit de verf komen in de muziek die in dit concert te horen was. Een echt mooie stem heeft hij niet en z’n manier van zingen, die geworteld is in de volksmuziek, is niet bepaald mijn smaak. Datzelfde geldt voor het repertoire, maar het is wel echt Napels en daarom mochten de aria’s en duetten – meestal uittreksels uit komische opera’s en cantates – in het festival niet ontbreken. En als je dit repertoire uitvoert, dan moet het waarschijnlijk inderdaad op deze manier. Of dat ook geldt voor een relatief laat werk als Pulcinella vendicato van Paisiello (1740-1816) – daar ben ik nog niet zo zeker van. Sopraan Leslie Visco heeft een veel ‘klassiekere’ stem, maar paste zich in manier van zingen en gestiek goed aan De Vittorio aan. Daardoor werd het een heel onderhoudend uur. De musici hadden het duidelijk net zo naar hun zin als het publiek, want het enthousiaste applaus lokte twee toegiften uit.

Voor het festival is de schare van Vrienden van groot belang. Zij ontvangen voor hun steun verschillende voordelen, maar er is ook elk jaar een cadeautje in de vorm van een Vriendenconcert. Daarvoor was ditmaal een ensemble uitgenodigd dat de laatste jaren nogal furore maakt en ook al twee maal in de Zaterdagmatinee optrad. Onder de enthousiaste leiding van Giulio Prandi brachten koor en orkest Ghislieri (foto) twee vocale werken ten gehore, die waarschijnlijk niemand in de grote zaal van TivoliVredenburg eerder gehoord had: het Dixit Dominus van Niccolò Jommelli en de Mis in D van Pergolesi. Jommelli is vooral als operacomponist bekend geworden, alhoewel zijn muziek nog niet echt herontdekt is. Er is alle reden zijn oeuvre nader te exploreren, want zijn zetting van Psalm 110 (109) bleek een fraai werk. In die psalm zitten een paar heel dramatische verzen en het is niet verbazingwekkend dat een operacomponist daar wel weg mee weet. Pergolesi heeft, ondanks zijn vroege dood, een flink oeuvre nagelaten dat maar ten dele bekend is. De Mis in D behoort tot zijn onbekende werken; ze bestaat uit een Kyrie en Gloria. Evenals Jommelli’s Dixit Dominus bestaat het uit een afwisseling van tutti en soli. De aria’s zijn vrijwel uitsluitend voor sopraan en alt; die werden destijds ongetwijfeld door castraten gezongen. Ze zouden in een opera niet misstaan. Helaas waren ze in de uitvoering de zwakke plekken. Francesca Boncompagni en Maria Chiara Gallo maakten indruk door de manier waarop ze de technisch veeleisende aria’s te lijf gingen. Uit stilistisch oogpunt konden ze veel minder overtuigen. Het waren de gebruikelijke tekortkomingen: een vrijwel onafgebroken vibrato, hoge noten met volle kracht gezongen en soms overdreven cadenzen. Er waren te weinig dynamische nuances en van de tekst was te weinig te verstaan. Koor en orkest waren goed op dreef en leverden prima prestaties. Ik vroeg me wel af of Pergolesi niet teveel werd benaderd zoals Jommelli, terwijl deze componisten toch tot verschillende stijlperiodes behoren. Soms werden de tutti in Pergolesi’s mis wel erg stevig aangepakt; het volume lag vaak wel erg hoog. Niettemin: het was een aangename kennismaking met deze twee onbekende werken.

Het concert van Concerto Soave (foto) onder leiding van Jean-Marc Aymes verplaatste degenen die deze werken gehoord hadden, in een totaal andere wereld. We beleefden de moderne wereldpremière van de Markuspassie (Passio secundum Marcum) van Giovanni Maria Trabaci. Het is één van vier passies naar de vier Evangeliën, die van Trabaci bewaard gebleven zijn. Hij is vooral bekend geworden door zijn muziek voor toetsinstrumenten, waarin hij er lustig op los experimenteert. Daarin is hij duidelijk verwant aan Carlo Gesualdo. Zijn religieuze muziek is daarentegen uitgesproken conservatief; hij houdt zich strikt aan de stile antico en slechts nu en dan is er sprake van tekstexpressie. De tekst van de evangelist wordt door drie stemmen gezongen (alt, tenor en bas), terwijl de uitspraken van individuele personen (Jezus, Petrus, Pilatus) door een solostem worden vertolkt. In de turbae wordt het ensemble tot vier stemmen uitgebreid. Trabaci vermijdt ook harmonische experimenten; hij beperkt zich grotendeels tot faux bourdon. Wat mij betreft is deze passie een belangrijke en interessante uitbreiding van het passierepertoire. Ik ben heel benieuwd naar de drie andere passies. Helaas stelde de uitvoering wat teleur. Aanvankelijk mengden de stemmen van alt, tenor en bas niet zo goed, maar dat werd gaandeweg beter. Desondanks was de zang van de drie heren niet optimaal. Hoewel dit een strikt vocaal werk is, vond Aymes het nodig hier en daar (geïmproviseerde?) tussenspelen op orgel in te voegen, soms op nogal onlogische momenten, in een enkel geval in samenspel met een harp. Daardoor werd de dramatische spanning onderbroken. Ook de zin van de incidentele begeleiding van de zangers – op de manier van een basso seguente – ontging me. Ik had naar dit concert uitgekeken en het was zeker interessant, maar muzikaal was het niet wat ik gehoopt had.

Gelukkig eindigde de dag met een hoogtepunt. Zo’n veertig mensen in een halve kring op het podium van de grote zaal van TivoliVredenburg luisterden naar een recital van Guillermo Pérez (foto), die zich heeft gespecialiseerd in het uitvoeren van renaissancemuziek op toetsinstrumenten, met name het organetto. Hij speelde een programma met hoofdzakelijk vocale muziek, van Machaut, Ciconia, Landini en enkele anonieme meesters, alsmede een paar dansen. Het is indrukwekkend met hoeveel virtuositeit hij dit kleine instrument bespeelt en wat hij er uit weet te halen. Het was een buitengewoon boeiend optreden, waarin hij de rol van het organetto in de muziek van de renaissance overtuigend over het voetlicht bracht. De intieme setting was de perfecte ambiance voor dit recital, dat voor mij in elk geval tot de hoogtepunten van dit festival behoort.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: