Gepost door: Johan van Veen | 20 juli 2019

Henry Purcell: man van het theater

Er zijn goede redenen voor de stelling dat Henry Purcell geboren was voor het theater. Weliswaar heeft hij maar één echte opera nagelaten (Dido and Aeneas), maar zijn hele werk is doortrokken van theatrale elementen. Een belangrijk onderdeel van zijn oeuvre zijn de zogenaamde semi-opera’s. Zulke werken zijn een combinatie van gesproken tekst, dansen en instrumentale en vocale muziek. Tegenwoordig worden ze zelden compleet uitgevoerd. Meestal wordt de gesproken tekst helemaal weggelaten of er worden teksten voorgedragen die de loop van het verhaal verduidelijken. Bij CD-opnamen wordt daarvan meestal afgezien; het bijbehorende boekje biedt meestal een samenvatting van het verhaal.

Recent verschenen opnamen van de twee bekendste semi-opera’s van Purcell, The Fairy Queen en King Arthur. De eerstgenoemde is gebaseerd op het toneelstuk A Midsummer Night’s Dream van William Shakespeare. De auteur van het libretto is onbekend; de premiere vond plaats in 1692. Bij Glossa verscheen een uitvoering van dit werk door een Frans ensemble, Les Nouveaux Caractères, onder leiding van Sébastien d’Hérin. Het vocale ensemble is een mengeling van Engelse en Franse zangers. De laatste beschikken over een opmerkelijk goede uitspraak van het Engels. Samen zingen ze ook de koorgedeelten en dat zou weleens in overeenstemming kunnen zijn met de praktijk in Purcells tijd.

Purcell verlangde voor dit werk een instrumentaal ensemble van strijkers, twee blokfluiten, twee hobo’s, twee trompetten, pauken en basso continuo. Helaas vond d’Hérin dat niet genoeg. Hij voegde een zink en een harp toe. In zijn ensemble, dat trouwens aan de grote kant is, vinden we twee cello’s, een contrabas en een regaal. Het gebruik van cello’s is hoogst discutabel, want de cello was in Purcells tijd in Engeland nog niet gangbaar. Een contrabas heeft Purcell in zijn werken nooit gebruikt. En wat een regaal in dit werk te zoeken heeft, is me een raadsel. Het gebruik van dit instrument zorgt voor een zeer onbevredigende uitvoering van de ‘Dance of the Followers of the Night’ (acte 2). De zink speelt de obligate vioolpartij in ‘The Plaint’ (O let me weep) in acte 5. Dat heeft een desastreus effect, omdat het introverte karakter van dit lied grotendeels teniet wordt gedaan. De balans met de sopraan is helemaal zoek: de zink trekt alle aandacht naar zich toe. Overigens wordt dit lied ook naar de filistijnen geholpen door het grote vibrato van Caroline Mutel. Nog erger zijn haar escapades in ‘Hark! The echoing air’; hier voegt ze extravagante versieringen toe als in een slechte uitvoering van een opera van Händel.

De prestaties van de zangers zijn teleurstellend. Eigenlijk kan alleen Anders Dahlin stilistisch overtuigen. Ook Samuel Boden maakt een relatief goede indruk. Bij de overige zangers wordt er lustig op los gevibreerd. Uiteraard heeft dat ook een negatief effect op de ensembles. D’Hérin zet te vaak slagwerk in. Dat de ‘First Music’, die het werk opent, wordt ingeleid door een paukensolo is al een slecht voorteken. Maar ook in de chaconne ‘The Dance for the Chinese Man and Woman’ – dat hier overigens het werk afsluit, terwijl Purcell het vóór het koor ‘They shall be as happy’ plaatste – is het prominent aanwezig.

Kortom, een heel teleurstellende productie. Dan is de opname van King Arthur door Vox Luminis balsem voor de oren. Deze semi-opera gaat over een bekende figuur, die weliswaar historisch is, maar om wie een heel web van fabels is geweven. Het libretto is van de hand van John Dryden en gaat over de strijd tussen Arthur en de Saksen. Hij komt trouwens zelf niet aan het woord, evenmin als de andere hoofdfiguren in het verhaal, want het zijn allemaal gesproken rollen.

Er zijn een paar overeenkomsten tussen de beide opnamen. Het aantal zangers is ongeveer gelijk (12 resp. 13) en ook bij Vox Luminis zingen de solisten samen de koorgedeelten. Maar dat is het dan wel. Het instrumentaal ensemble in King Arthur is veel kleiner: naast blokfluiten, hobo’s, fagot, trompetten en pauken horen we strijkers in enkelvoudige bezetting. Geen cello’s en contrabas, wel een basviool, wat veel meer in overeenstemming is met de praktijk in Purcells tijd. Het slagwerk speelt een veel geringere rol dan in The Fairy Queen.

Ook op vocaal gebied steekt deze opname met kop en schouders boven de Glossa-produktie uit. Dit is een ensemble van volledig op elkaar ingespeelde zangers, die artistiek op één lijn zitten. Ik heb Vox Luminis tweemaal met dit werk gehoord. De eerste keer betrof het een concertante uitvoering tijdens het Festival Oude Muziek Utrecht in 2015, de tweede keer een semi-scènische uitvoering tijdens de Purcell-dag in Utrecht in 2018. Hoewel ik niet de indruk had dat de zangers geboren toneelspelers zijn, was dat een heel geanimeerde en overtuigende uitvoering. De ervaring van meerdere uitvoeringen gedurende een aantal jaren heeft ongetwijfeld een positief effect gehad op de CD-opname die nu is verschenen.

Gezien het algemene niveau van de uitvoering is het niet zo zinvol hoogtepunten te noemen. Niettemin, een paar heel mooie momenten wil ik toch vermelden. In acte 1 maakt Robert Buckland indruk in de rol van The British Warrior. ‘Hither, this way’ (acte 2) wordt excellent gezongen door Caroline Weynants. Olivier Berten zorgt voor een subtiele interpretatie van ‘How blest are shepherds’ (acte 2). Zsuzsi Tóth en Stefanie True zijn een perfect duo in ‘Shepherd, shepherd, leave decoying’ (acte 2). Eerstgenoemde is op haar best in ‘Fairest Isle’ (acte 5). Sebastian Myrus zet een heel goede Frozen Genius neer. Hier had het staccato iets scherper kunnen zijn. De enige teleurstellende bijdrage komt van Sophie Junker, die wat teveel vibrato gebruikt in de rol van Cupid; ze doet het beter in de partij van Honour in acte 5.

Er wordt hier excellent gezongen en gespeeld. Dit is de beste opname van King Arthur, die ik ken. Het zou mooi zijn als Vox Luminis zich ook over andere theatermuziek van Purcell zou ontfermen. The Fairy Queen wellicht?

Purcell: The Fairy Queen (Z 629)
Caroline Mutel, Virginie Pochon, Hjördis Thébault (sopraan), Caitlin Hulcup (mezzosopraan), Christophe Baska (alto), Samuel Boden, Anders Dahlin, Julien Picard (tenor), Guillaume Andrieux, Kevin Greenlaw (bariton), Ronan Nédélec (bas-bariton), Frédéric Caton (bas), Les Nouveaux Caractères/Sébastien d’Hérin
opname: 2016, Théâtre Laurent Terzieff – Ensatt, Lyon
Glossa GCD 922702 (2 CDs) (2.03’52”)

Purcell: King Arthur (Z 628)
Vox Luminis/Lionel Meunier
opname: 2018, AMUZ, Antwerpen
Alpha 430 (2 CDs) (1.37’59”)


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: