Gepost door: Johan van Veen | 18 december 2018

Händel van klein tot groot

Elk jaar organiseert de Organisatie Oude Muziek in Utrecht en Amsterdam een dag, die gewijd is aan één componist. Dit jaar waren er zelfs twee zulke dagen: in februari j.l. werd een Purcelldag georganiseerd en afgelopen weekeinde stond Georg Friedrich Händel centraal. Dat de dag van het begin van het volgend jaar naar het einde van dit jaar was verplaatst is wellicht eenmalig. De reden zou kunnen zijn dat men Händels beroemdste oratorium Messiah centraal wilde zetten. En dat werk wordt tegenwoordig in de Adventstijd uitgevoerd.

Juist de Organisatie Oude Muziek, die zich baseert op de historische uitvoeringspraktijk, had de gelegenheid te baat kunnen nemen Händels eigen uitvoeringspraktijk in ere te herstellen. Want hij voerde Messiah nooit in de Advent uit, maar altijd in de vastentijd, ter voorbereiding op Goede Vrijdag en Pasen. Dat zou best eens te maken kunnen hebben met zijn lutherse achtergrond, want in de theologie van Luther staat het kruis centraal.

Ook praktisch gezien was december wellicht niet zo handig, want dan worden overal Kerstconcerten gegeven. Het is wel ironisch dat op de avond dat in Utrecht Händels Messiah werd uitgevoerd, het ensemble InAlto in Almere een concert met muziek voor Advent en Kerst gaf, nota bene ook door de Organisatie Oude Muziek georganiseerd.

Ik zal binnenkort een uitgebreidere recensie van deze Händeldag op mijn site zetten (in het Engels). Daarom hier wat beknopter een paar observaties. Ik begin maar gelijk met Messiah. Daarbij moet ik direct even wijzen op drie incidenten, of eigenlijk: één incident dat driemaal plaatsvond. Het alarmsysteem in TivoliVredenburg was van slag. Terwijl sopraan Stefanie True in het tweede deel haar aria zong, ging het alarm af en het licht aan. Ze keek even verstoord om, maar zong dapper door. Even later gebeurde hetzelfde, net nadat het koor had ingezet. Dirigent Johannes Leertouwer tikte af en spoedde zich naar beneden om te kijken wat er eigenlijk aan de hand was. Niet veel, kennelijk, behalve dat na de tweede pauze, in het derde deel, het opnieuw mis ging, en – och arme – weer terwijl Stefanie True aan het zingen was. Ze ging onverstoorbaar door. Dat verdient wel een pluim. Maar geen pluim voor TivoliVredenburg. Het is uiteraard een blamage dat zoiets tijdens een concert kan gebeuren.

Over de uitvoering zelf vallen positieve en negatieve dingen te zeggen. Om met de eerste te beginnen: de al genoemde Stefanie True zong over het algemeen heel goed, beter dan ik verwacht had, omdat ze zich nogal eens schuldig maakt aan een overdaad aan vibrato. Dat viel nu heel erg mee. De sopraanaria’s kwamen heel goed uit de verf. Alto David Allsopp heeft een mooie stem, maar die is niet erg krachtig. Hij kwam soms maar moeilijk boven het orkest uit. Maar met de aria ‘He was despised’ – dat qua status te vergelijken is met ‘Erbarme dich’ uit Bachs Matthäus-Passion – zorgde hij voor een hoogtepunt, wellicht zelfs hèt hoogtepunt van de avond. Een mooi contrast tussen het A en B gedeelte, en daarna in het dacapo van het A gedeelte deed hij er een klein schepje bovenop. Ook zijn versieringen waren erg stijlvol en effectief. Wat de solisten betreft hebben we het dan wel gehad. Over tenor Nick Pritchard heb ik niet veel positiefs te melden. Z’n stem vind ik bepaald niet fraai en heel erg subtiel was z’n voordracht niet. En dan dat voortdurende akelige vibrato. Daaraan maakte ook bas William Gaunt zich schuldig. Ik vind het bijzonder irritant, maar – veel belangrijker – het is historisch onverdedigbaar. In de aria ‘The trumpet shall sound’ was dat instrument wel erg nadrukkelijk aanwezig. Het overstemde soms bijna de bas, al ligt dat wellicht ook aan de plaats waar ik zat.

Koor en orkest van de Nieuwe Philharmonie Utrecht waren uitstekend. De koren kwamen heel goed tot hun recht. Het beroemde ‘Hallelujah’-koor klonk uitbundig, maar Leertouwer hield het wel strak in de hand, zodat het niet over the top was, wat je nog wel eens hoort. Jammer wel dat in het tweede deel een stuk werd overgeslagen. Dat zal wel vanwege de lengte zijn geweest, maar ik begrijp niet waarom er tussen het tweede en het derde deel een pauze zat. Het laatste deel is iets meer dan dertig minuten. Met die pauze werden zo’n 25 minuten verspild. Jammer ook dat niet voor één bepaalde versie van Messiah werd gekozen. Tegenwoordig wordt meestal een soort mix van verschillende versies uitgevoerd, maar met historische uitvoeringspraktijk heeft dat niet zoveel van doen.

Eerder die dag klonken twee Italiaanse cantates, een genre waarmee Händel zich al kort na zijn aankomst in Italië ging bezighouden. De door Alessandro Scarlatti ontwikkelde vorm was het meest gangbaar: twee aria’s, elk voorafgegaan door een recitatief, voor solostem – meestal sopraan, soms alt – en basso continuo. Maar Händel componeerde ook langere cantates en in een wat grotere bezetting. Meer dan de kamercantates zijn dit een soort mini-opera’s. Geen wonder dus dat Fabio Bonizzoni, die met zijn ensemble La Risonanza een groot deel van Händels cantates op CD heeft gezet, de sopraan Raffaella Milanesi had uitgenodigd om Notte placide e cheta en Tra le fiamme te zingen, twee dramatische cantates, waarin de zangeres zich als een vis in het water voelde. Ze zijn niet voor het theater geschreven, maar werden waarschijnlijk wel in een niet al te kleine ruimte uitgevoerd, wellicht vergelijkbaar met de Hertz-zaal in TivoliVredenburg. Die heeft precies de goede akoestiek voor deze muziek. In beide gevallen is er iets bijzonders in de instrumentale bezetting. De eerstgenoemde cantate heeft een aria met een obligate cellopartij. Bovendien zijn enkele recitatieven begeleid (recitativi accompagnati). De tweede cantate is qua bezetting echt ongewoon: naast de strijkers spelen in de openingsaria, die aan het eind van de cantate wordt herhaald, ook twee blokfluiten. In een andere aria worden de strijkers aangevuld met een hobo. En dan is er nog een viola da gamba, die door het hele werk heen een opvallende rol speelt. Dat is des te merkwaardiger, omdat aan het begin van de 18e eeuw de gamba in Italië geen rol van betekenis meer speelde. Het ensemble maakte er een mooi geheel van en de instrumentalisten gaven de soliste prima partij. Raffaella Milanesi kroop in de huid van de personen die in de cantates aan het woord kwamen. De versieringen waren niet overdreven, zoals dat in sommige uitvoeringen van dramatische Italiaanse muziek wel gebeurt. Helaas bezondigde ook Milanesi zich aan te veel en een te groot vibrato. Het zou te wensen zijn wanneer uitvoerende musici en publiek eens wat minder tolerant zouden zijn ten aanzien van deze slechte gewoonte.

Het eerste concert dat ik bijwoonde, was van geheel andere aard: één blokfluit en één klavecimbel speelden in sonates van Händel en tijdgenoten. Inês d’Avena heeft met haar ensemble La Cicala enkele prachtige CDs gemaakt met muziek die in Napels werd gecomponeerd. Dus ik had hoge verwachtingen van dit concert, en ik werd niet teleurgesteld. Händel en de blokfluit is wel een gecompliceerde geschiedenis, want weinig scrupuleuze uitgevers, zoals John Walsh, maakten van Händels populariteit misbruik door sonates uit te geven voor de toen vooral door amateurs veel bespeelde blokfluit, ook al waren die stukken voor andere instrumenten bestemd. Het heeft de muziekwetenschap de nodige hoofdbrekens gekost om vast te stellen wat echt voor blokfluit bedoeld is. Op dit concert klonken twee sonates die elke blokfluitliefhebber kent. Inês d’Avena, dit keer slechts begeleid door Claudio Ribeiro, speelde ze heel mooi. De langzame delen werden subtiel voorgedragen, de snelle heel levendig. De contrasten tussen beide kwamen goed uit de verf, maar Inês hoedde zich voor de overdrijving, waaraan sommige van haar collega’s zich nog wel eens schuldig maken (nee, ik noem geen namen). Datzelfde geldt voor de versieringen: daarmee was ze zeker niet zuinig, maar ook hier bleef alles binnen de perken. Eén van de aardige dingen van deze blokfluitiste is dat ze voortdurend op zoek is naar onbekende stukken. Die staan op de CDs waarnaar ik zoëven verwees, maar ook tijdens het concert klonken onbekende werken. Eén daarvan was een sonate van Corelli (opgenomen in de appendix van zijn oeuvre en daarmee dus per definitie een wat obscuur stuk) in een transpositie voor blokfluit. Er was nog een trouvaille: een anoniem overgeleverde sonate die zich in een Venetiaans archief bevindt en die qua stijl aan Händel doet denken. En dan was er tot slot nog een mooie en verrassende sonate van Francesco Mancini. Tussendoor herinnerde Claudio Ribeiro door middel van een sonate van Domenico Scarlatti nog even aan de beroemde competitie tussen hem en Händel in Rome. Het was een uurtje kamermuziek op het hoogst denkbare niveau en voor mij het hoogtepunt van de Händeldag.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: