Gepost door: Johan van Veen | 1 september 2018

Festival Oude Muziek Utrecht 2018 – vrijdag 31 augustus

De vrijdag begon met een première, althans voor mij: een concert buiten de singels die de binnenstad omgeven. Aan de Prof. Suringarlaan, op de hoek van de H.F. van Riellaan (parallel aan de Kardinaal de Jongweg), staat de Tuindorpkerk. Daarin bevindt zich een 18e-eeuws orgel, dat heel geschikt is voor Franse muziek, ook al is het geen echt Frans instrument. Op donderdagavond had Jean-Luc Ho daar Couperins Messe à l’usage ordinaire des paroisses gespeeld. Daar kon ik helaas niet bij zijn, want ik zat in de Dom bij Gli Angeli Genève. Maar ik was erg nieuwsgierig hoe dat orgel zou klinken, vooral ook omdat ik het gehoord heb voordat het gerestaureerd en in deze kerk geplaatst werd. Op zaterdagmorgen klinkt de andere orgelmis van Couperin en daar hoop ik bij te zijn, maar nu was er al een gelegenheid het orgel te horen in een recital van Benjamin Alard, die een ongewoon programma speelde: orgelwerken van Rameau. De componist begon zijn carrière als organist, maar orgelwerken heeft hij niet nagelaten. Dat is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de praktijk van de improvisatie: omdat van organisten verwacht werd dat ze tijdens de liturgie improviseerden, was er niet veel behoefte aan gedrukte orgelmuziek. Wat ons overgeleverd is, was vooral bedoeld als instructiemateriaal voor organisten, die zelf (nog) niet over zulke vaardigheden beschikten of als een soort van portfolio van componisten om te laten zien wat ze in huis hadden. Uitgaande van het feit dat een aantal dansen in zijn opera’s hun oorsprong vinden in de klavecimbelwerken die Rameau eerder schreef, ging Alard van de – uiteraard onbewijsbare – hypothese uit dat de werken die we van hem kennen, wellicht oorspronkelijk als orgelwerken gediend hebben. Om Rameau’s activiteiten als organist in hun historisch perspectief te plaatsen, begon Alard met een Prélude van Louis Couperin, gevolgd door transcripties van twee instrumentale werken van François Couperin: de sonate La Sultane en een deel uit de eerste suite voor viola da gamba en basso continuo. Het laatste stuk klonk in een typisch Franse registratie, als récit de tierce en taille. Daarna volgden twee van de Pièces de clavecin en concert van Rameau (II en V), gescheiden door een fragment uit de opera Hippolyte et Aricie, in een andere karakteristieke registratie, als récit de cormorne en taille. Deze stukken die je niet bepaald met het orgel associeert, kwamen verrassend goed uit de verf. Dat ligt uiteraard voor een deel aan Alard, die overtuigende transcripties presenteerde, maar ook aan het orgel, dat de klankkleuren heeft om van deze transcripties iets moois te maken. Ik stelde tot mijn genoegen vast, dat het orgel, dat ik uit mijn herinnering van jaren geleden kende, een heel fraai instrument is dat best vaker gebruikt zou mogen worden. Zoveel 18e-eeuwse orgels heeft Utrecht tenslotte niet. Ik ben heel benieuwd naar het concert van zaterdag, wanneer het orgel in liturgische muziek wordt gebruikt.

Rameau was ook de centrale figuur in het klavecimbelrecital in de Lutherse Kerk. Het was niet meer dan logisch dat na vier recitals, die gewijd waren aan de vier boeken met pièces de clavecin van Couperin, nu Rameau aan de beurt was. Overigens werden zijn Nouvelles suites de pièces de clavecin, waaruit Laurent Stewart enkele stukken had geselecteerd, in 1728 uitgegeven, twee jaar vóór Couperins laatste boek. Hierin komen nog wel enkele dansen voor, maar die hebben – net als veel karakterstukken – vaak een dramatisch karakter, onder andere door contrasten tussen de secties in één stuk. Een voorbeeld is de courante, die als tweede klonk. Die contrasten hadden wel iets groter mogen zijn. Stewart staat niet bekend als een heel extraverte speler, dus ik was benieuwd wat hij van dit programma zou maken. Er was niet veel te klagen: stukken als Fanfarinette, La triomphante en Les sauvages kwamen goed uit de verf. Heel mooi was de muzikale conversatie die Rameau portretteert in L’entretien des muses. Net als in het laatste boek van Couperin verwijzen enkele stukken van Rameau naar het theater, zoals L’Égyptienne, waarmee Stewart zijn recital besloot. Er zaten ook een paar bruggetjes in het programma: met L’affligée kwam de familie Couperin, in de persoon van Armand-Louis, nog even om de hoek kijken. Stewart speelde ook enkele werken van Jacques Duphly, daaronder het theatrale La Félix; dat was een bruggetje naar de componisten van het midden van de 18e eeuw, die vooral spectaculaire en technisch veeleisende klavecimbelstukken produceerden, zoals Royer en Balbastre. Dit recital was een mooie afsluiting van een interessante serie.

Het Bourgondische rijk was omvangrijk en ook de Vlaamse stad Brugge behoorde daartoe. Daarom was het een goed idee dat het ensemble ClubMediéval, onder leiding van Thomas Baeté, zich wijdde aan liederen die daar of in de omgeving van Brugge zijn ontstaan en gezongen werden. De teksten zijn in het Nederlands of het Frans en hoewel ze soms de sporen van de kunstmuziek van die tijd dragen, zijn ze meestal minder verfijnd. Het bijzondere van die liederen, waarvan sommige voorkomen in het zogenaamde Gruuthusehandschrift, is dat ze niet in aristocratische kringen, maar onder burgers gezongen werden. Dat komt in zowel teksten als melodieën tot uitdrukking. Een aantal van die liederen werd op min of meer theatrale manier voorgedragen. Het is niet zo eenvoudig om zulke muziek goed uit te voeren. Een heel verfijnde manier van zingen past eigenlijk niet, maar dat betekent niet dat je er met de pet naar kunt gooien. Het goede midden tussen te verfijnd en te volks is niet zo gemakkelijk te vinden. Over het geheel genomen was ik niet zo enthousiast over dit concert. Dat is voor een deel een kwestie van smaak: dit repertoire spreekt me niet aan, ook vanwege sommige teksten. De voordracht kwam, mede door de niet optimale verstaanbaarheid in de Pieterskerk, niet echt tot haar recht; ik denk dat de Geertekerk een betere plek voor dit concert was geweest. Sommige vocale bijdragen waren zonder meer goed, maar bepaalde stukken klonken nogal wankel. Eén van de beste stukken in het concert was het bekende Par maintes foys/der may mit liber zal, een oorspronkelijk door Johannes Vaillant gecomponeerd chanson, dat door Oswald von Wolkenstein werd bewerkt. Ook het afsluitende Ach Vlaendere van Thomas Fabri werd mooi gezongen. Dit concert was zonder meer een zinvolle bijdrage aan het festivalthema; jammer dat het uiteindelijk niet helemaal bevredigde.

Net als Vox Luminis is ook het Britse vocaal ensemble stile antico een vaste gast in het festival. Het zong in de Jacobikerk in de serie gewijd aan de missen van Josquin de Missa Gaudeamus. De delen van de mis werden afgewisseld door andere werken, daaronder het beroemde Ave Maria en het eveneens al eerder gehoorde Salve Regina. Dat betekent niet dat stile antico een soort van liturgisch kader neerzette, zoals Weser-Renaissance Bremen dat wel deed. Want hier werden Kyrie en Gloria gesplitst, terwijl die in de liturgie altijd zonder onderbreking gezongen worden. Met twaalf stemmen was het ensemble ook groter dan zowel Weser-Renaissance als Vox Luminis. Dat leidt vrijwel onvermijdelijk tot een dichter en minder doorzichtig klankbeeld. Ik vond de uitvoeringen soms wat te massief en nu en dan ook te rechtlijnig. Het Ave Maria klonk bij de Cappella Pratensis overtuigender en genuanceerder dan bij stile antico. Dat laat onverlet dat het concert als geheel zeker de moeite waard was. De consistentie in de manier van zingen van het ensemble is bewonderenswaardig; er zijn geen zangers die door een pregnante klank of vibrato uit de toon vallen. De enthousiaste reactie van de toehoorders was dan ook zeker verdiend.

Ik heb al bij enkele concerten gewezen op de wrijving tussen de muziek en de ruimte, waarin die werd uitgevoerd. Dat geldt ook voor het avondconcert: Jordi Savall speelde samen met enkele oude getrouwen onder de naam Hespèrion XXI/Le Concert des Nations de vier werken waarnaar de naam van het ensemble verwijst: Les Nations van François Couperin. Het zijn vier composities die zijn samengesteld uit delen die in verschillende fases van Couperins carrière zijn ontstaan, maar die desondanks een mooie eenheid vormen. Ze beginnen met triosonates die uit de jaren 1690 dateren en Couperins bewondering voor de Italiaanse stijl documenteren. Daaraan heeft hij dansen in de Franse stijl toegevoegd. De instrumentatie wordt aan de uitvoerenden overgelaten. In dit concert klonken drie van de vier stukken in een bezetting van twee violen, traverso, hobo en basso continuo; de baslijn werd uitgewerkt door klavecimbel, viola da gamba, fagot en theorbe. De 3e Ordre: L’Impériale werd door de strijkers alleen uitgevoerd. Waar ik zat, was alles goed te verstaan, maar ik vraag me af of men helemaal bovenin ook alles heeft kunnen horen. Bovendien: dit is kamermuziek, die een intiemere omgeving vraagt. Hertz was een betere optie geweest, maar dan hadden uiteraard veel minder mensen ervan kunnen genieten. En dat was dan weer jammer geweest, want de musici zorgden voor een gloedvolle en kleurrijke interpretatie. Het feit dat Savall altijd met dezelfde mensen werkt, is ongetwijfeld voor een deel verantwoordelijk voor de grote consistentie in de uitvoering. Hij kan blindelings afgaan op Manfredo Kraemer en David Plantier (viool), Marc Hantaï (traverso), Patrick Beaugiraud (hobo), Josep Borràs (fagot) en Rolf Lislevand (theorbe). Alleen klavecinist Marco Vitale leek me relatief nieuw te zijn in dit ensemble. Sommige tempi lagen behoorlijk hoog, maar dat leverde geen enkel probleem op en leidde niet tot onhelderheid in het muzikale verloop. Dit concert was een mooi eerbetoon aan een groot componist en enthousiast verdediger van de vermenging van de Italiaanse en de Franse stijl.

Ik sloot de dag af met het tweede concert van Tasto Solo. Dat ensemble houdt zich vooral bezig met de rol van toetsinstrumenten in de muziek van de renaissance, maar tapte dit keer uit een ander vaatje. Dit keer geen hamer-clavisimbalum, zoals bij het eerste concert, maar wel orgel en organetto. Die speelden echter geen hoofdrol; die was weggelegd voor vijf zangers, daaronder de vaste sopraan van het ensemble, Barbara Zanichelli. Het thema van het concert waren de klaagzangen, die in de renaissance werden aangeheven bij de dood van heersers of componisten. Het programma was opgebouwd rond Margaretha van Oostenrijk, landvoogdes van de Habsburgse Nederlanden, wier leven getekend was door tragedies. De meeste stukken die werden uitgevoerd, bevinden zich in een aan haar opgedragen liedboek, dat deel uitmaakte van haar privébibliotheek. Eén daarvan is de klaagzang, die Josquin Desprez schreef op de dood van Margeretha’s vader, keizer Maximiliaan I (Proch dolor/Pie Jhesu). Het motet Doleo super me van Pierre de La Rue refereert aan de dood van haar broer, Filips de Schone. La Rue schreef ook de muziek voor Pour ung jamais, waarvan de tekst waarschijnlijk van Margaretha zelf stamt. Ook de klaagzang die Josquin schreef op de dood van Ockeghem, Nymphes des bois, ontbrak niet. Het programma eindigde met Cueurs desolez, een indrukwekkend motet, toegeschreven aan La Rue en waarscchijnlijk een ode op Jan van Luxemburg († 1508). Het was een boeiend programma met stukken die beklijven en een indruk geven hoe met de dood van geliefden werd omgegaan. De combinatie van wereldlijke en geestelijke teksten liet nog eens zien dat toentertijd geen waterscheiding tussen die twee bestond. De interpretaties konden over het geheel genomen wel overtuigen, ook dankzij de goede stemmen van de zangers. In Nymphes des bois vond ik het tempo wat te hoog; het laatste deel waarin allerlei componisten worden genoemd, die worden aangespoord te rouwen om de dood van Ockeghem, had wel iets rustiger gezongen kunnen worden. En hoe goed de stemmen ook waren, er zaten wat wankele momenten in de bijdragen van de sopranen; de zangers leken me ook niet echt een ensemble te vormen. Maar de positieve aspecten overwegen en daarom ging ik met een tevreden gevoel huiswaarts.


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: