Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2018

Festival Oude Muziek Utrecht 2018 – donderdag 30 augustus

Het eerste concert van vandaag was niet, zoals gebruikelijk, in Hertz, maar in Gasthuis Leeuwenbergh, vroeger bekend als de Leeuwenberghkerk en regelmatig gebruikt voor concerten. De laatste jaren wordt het nog maar sporadisch in het festivalprogramma opgenomen. Jammer eigenlijk, want voor oude muziek is het een mooie ruimte. Dat bleek ook nu, tijdens het concert van het ensemble Doulce Mémoire onder leiding van Denis Raisin Dadre. Het programma was origineel: centraal stond één van de bekendste liederen van de renaissance, De tous bien playne. Die populariteit blijkt uit het grote aantal bewerkingen van verschillende soorten en maten, die vooral in de tweede helft van de 15e en de eerste helft van de 16e eeuw ontstonden. Het programma bood niet alleen een staalkaart van de componisten die zich ermee bezig hielden (Josquin, Agricola, Tinctoris en de mij onbekende Crispin van Stappen), maar ook van de verschillende manieren waarop zo’n lied bewerkt kon worden. Het programma opende met de originele compositie van Hayne van Ghizeghem, die in dienst was van Karel de Stoute (1433-1477), hertog van Bourgondië. Daarmee is direct de link naar het festivalthema gelegd. Eén van de manieren waarop een lied bewerkt kon worden was er een tweede lied doorheen weven. Dat deed een anonieme componist, wiens stuk J’ay pris amour/De tous bien playne het programma besloot. Dat was de reden dat we in het tweede deel van het programma ook een aantal bewerkingen van het tweede lied in dat stuk hoorden, onder andere van Busnoys en Japart. Opmerkelijk was het stuk van de al genoemde Van Stappen, waarin De tous bien playne werd gecombineerd met een geestelijke tekst, of in elk geval de incipit van zo’n tekst: Beati pacifici. Deze werd gezongen door de alto Paulin Bündgen, die in andere stukken de genoemde liederen zong. De instrumentale en de vocaal/instrumentale versies werden mooi afgewisseld. Bündgen heeft precies de goede stem voor dit repertoire en zong de liederen terecht zonder opsmuk of uitgebreide versieringen. Die laatste kwamen voor rekening van de instrumentalisten: drie op viola da gamba en drie, onder wie de leider Raisin-Dadre, op blaasinstrumenten: blokfluit (in verschillende stemmingen), pommer en dulciaan. Het was een interessant en mooi gespeeld programma. Enig nadeel van zo’n programma: vooral J’ay pris amour is een echte oorwurm, die je niet zo makkelijk kwijtraakt.

Maar die werd dan toch eventjes het zwijgen opgelegd door Christophe Rousset of, beter gezegd, François Couperin, wiens vierde boek met pièces de clavecin het onderwerp was van diens recital in de Lutherse Kerk. Rousset heeft in vorige edities wel met zijn ensemble Les Talens Lyriques opgetreden, maar al heel lang niet als klavecinist in een solorecital. Dat was dus iets om naar uit te kijken en dat hadden veel mensen gedaan, blijkens het grote aantal bezoekers. Ze kregen waarop ze ongetwijfeld hoopten: technisch superieur spel en een doordringende interpretatie van de stukken die Rousset had geselecteerd uit drie van de in totaal acht Ordres uit dit boek. Daarin staat nog maar een handjevol dansen; vrijwel alle stukken zijn karakterstukken, die vaak met theater te maken hebben. Vaak wordt de nadruk gelegd op de intimiteit van Couperin’s muziek, en dat is terecht, maar dat betekent niet dat Couperin een in zichzelf gekeerde poëet was die zich verre hield van het muziektheater, dat in het Frankrijk van Lodewijk XIV zo’n belangrijke plaats innam. De musicoloog Peter Holman heeft gesuggereerd dat Couperins Concert dans le goût théatral oorspronkelijk een acte de ballet moet zijn geweest; het inspireerde Skip Sempé tot een divertissement, waarin dit werk wordt gecombineerd met zijn liederen (gisteren uitgevoerd in Hertz). Dat maakt de invloed van het theater in het laatste klavecimbelboek wat meer begrijpelijk. Dat betekent overigens niet dat we hier alleen maar heel dramatische en extraverte stukken aantreffen; dat maakte Rousset wel duidelijk in zijn recital. Bijvoorbeeld in het heel subtiele L’épineuse en het bijna electriserende La convalescente (beide uit de 26e Ordre). En echt dramatisch stuk is La muse victorieuse, met veel aplomb door Rousset voorgedragen. Het werd gevolgd door het intieme Les ombres errantes, dat dit superieure recital besloot. Het was een waardig slot van een interessante en boeiende reis door Couperins vier klavecimbelboeken. Dat zijn klavecimbelwerken saai zouden zijn, zoals ik eens ergens las, werd in deze serie overtuigend gelogenstraft.

Om drie uur gaf een ensemble acte de présence dat zich al herhaaldelijk in het festival heeft laten horen evenals in het reguliere concertseizoen. Dat is begrijpelijk, want Tasto Solo, onder leiding van Guillermo Pérez, is één van de interessantste ensembles voor muziek uit de renaissance. Dat heeft voor een belangrijk deel te maken met wat het als zijn hoofdtaak beschouwt: de belichting van de rol van toetsinstrumenten in het repertoire van de 14e tot de 16e eeuw. Een speciale rol is daarbij weggelegd voor het hamer-clavisimbalum, dat door David Catalunya wordt bespeeld. Dat is, naar wordt aangenomen, het instrument dat bedoeld wordt met de in de renaissance vaak gebruikte term eschiquier. Vandaar de titel van het gespeelde programma: ‘Le chant de leschiquier’. Uiteraard stond Bourgondië centraal: naast anonieme stukken klonken composities van Dufay, Binchois en Bruolo, alsmede van twee componisten uit Engeland die de eerste generatie van Franco-Vlaamse componisten beïnvloedden: Bedyngham en Dunstaple. Instrumentale muziek was in verschillende concerten te horen, maar dan meestal gespeeld op blokfluiten, vedels, gamba’s of tokkelinstrumenten. Organetto en hamer-clavisimbalum vertegenwoordigen een aparte klankwereld en werpen licht op het belang van toetsinstrumenten, zoals dat uit bijvoorbeeld het Buxheimer Orgelbuch naar voren komt. Deze instrumenten, alsmede vedel en luit, klonken ook samen met de sopraan Barbara Zanichelli, die de vocale stukken met heldere en doordringende stem voordroeg. Met haar beschikt het ensemble over de ideale stem voor dit repertoire. Heel mooi om ook weer eens dat prachtige Se la face ay pale van Dufay te horen. Vrijdagavond laat treedt het ensemble nog een keer op. Daar kijk ik al naar uit.

Zoals altijd was het concert van vijf uur in de Jacobikerk gewijd aan Josquin Desprez. Maar dit keer klonk geen mis. Het programma dat door de Cappella Pratensis, onder leiding van Stratton Bull, werd uitgevoerd, was in feite een vervolg op het concert van Doulce Mémoire. Of ze door het festival bewust op één dag waren gepland, weet ik niet, maar het kwam wel mooi uit. De titel van het concert was ‘Josquin Desprez: het imitatiespel’. In de eerste helft klonken wereldlijke stukken die door Josquin waren bewerkt en daarna stukken van Josquin zelf die door andere componisten onder handen waren genomen. Het concert begon met twee chansons van Ockeghem (D’ung aultre amer) en Ghizeghem (De tous bien playne); dat laatste was dus weer een link met het concert van Doulce Mémoire. Deze twee chansons werden door Josquin verwerkt in zijn motet voor Pasen Victimae paschali laudes. Vervolgens klonk één van de beroemdste liederen van de renaissance, Fortuna desperata, toegeschreven aan Busnoys; Josquin gebruikte het als uitgangspunt voor zijn Missa Fortuna desperata, waaruit het Kyrie klonk. Daarna een voorbeeld van een bewerking van een wereldlijk lied: Josquin breidde het aantal stemmen van Ockeghems Petite camusette uit van vier naar zes en schrapte de tweede door Ockeghem gebruikte tekst. Josquins eigen Faulte d’argent werd door Adrian Willaert bewerkt, en het hem toegeschreven Mille regretz door Nicolas Gombert. Het programma werd besloten met Josquins motet Praeter rerum seriem en Cipriano de Rore’s Missa Praeter rerum seriem, waaruit het Agnus Dei gezongen werd. We kennen de Cappella Pratensis in de eerste plaats als ensemble voor sacrale muziek, maar de laatste jaren wordt ook steeds vaker wereldlijke muziek ten gehore gebracht. Het programma liet zien hoe het ensemble daarmee omgaat. Want het zingen rond een koorboek, zoals dat in liturgische muziek gebeurt, is bij chansons natuurlijk niet aan de orde. Die werden dan ook op de ‘conventionele’ manier uitgevoerd: de zangers stonden naast elkaar op het podium. Voor de sacrale werken schaarden ze zich dan om het koorboek. In beide genres excelleerden de in totaal acht zangers; de wereldlijke stukken werden terecht met één zanger per stem uitgevoerd. De balans binnen het ensemble is goed, maar de alto Andrew Hallock was wel duidelijk aanwezig – soms iets te duidelijk. Het is vrijwel onvermijdelijk bij een zanger met zo’n hoge en vèrdragende stem – overigens een heel fraaie stem met een grote hoogte.

Het kan bijna geen toeval zijn dat het avondconcert een link bevatte met dit concert: Gli Angeli Genève, onder leiding van Stephan MacLeod, begon zijn concert in de Dom met Josquins motet Praeter rerum seriem. Het werd gevolgd door met motet Miserere mei Deus, een zetting van één van de zeven boetepsalmen. Daarna klonk de ‘mis van de dag’, de Missa Malheur me bat, ook weer een parodiemis waarvoor Josquin teruggreep op een toen populair chanson, waarvan de componist onbekend is. Hoewel ik alles goed kon verstaan, zat ik te ver weg om de uitvoering goed te kunnen beoordelen. De negen zangers (sopraan, twee mezzosopranen, twee haute-contres, twee tenoren, bariton en twee bassen) traden als een hecht ensemble op, hoewel ze – voor zover mij bekend – niet regelmatig in deze samenstelling zingen. Vooral de haute-contre Samuel Boden en de tenor Andrew Tortise waren verrassend, omdat ik die vooral uit later repertoire ken. Blijkbaar kunnen ze ook met deze oudere muziek overweg. Waar ik bij Tortise in zijn rol als solist nog wel eens een teveel aan vibrato vaststelde, heb ik nu niets gehoord wat de samenklank verstoorde. De ruimte van de tot de nok gevulde Domkerk was geen probleem. De zangers hoefden zich niet te forceren om tot in alle uithoeken verstaanbaar te zijn; dat gaat in zo’n ruimte bijna vanzelf.

Dat is ook het geval in de Pieterskerk, waar mijn dag eindigde met een optreden van het Ricercar Consort onder leiding van Philippe Pierlot. Dat bestond voor deze gelegenheid uit slechts vier musici: de sopranen Hanna Bayodi en Ana Quintans, Pierlot op viola da gamba en François Guerrier op klavecimbel en orgel. De hoofdmoot van het programma werd gevormd door de drie Leçons de Ténèbres van François Couperin. Elk van die leçons werd ingeleid door een passend instrumentaal werk: respectievelijk een prélude voor gamba solo van Marin Marais, L’âme en peine, een klavecimbelstuk uit Couperins 13e Ordre en Marais’ Plainte voor gamba en basso continuo. Dat je in deze kerk niet luid hoeft te zingen, hadden de beide sopranen niet helemaal in de gaten. Ze zongen soms behoorlijk luid en helaas sloop op zulke momenten enig vibrato in hun voordracht, wat het geheel enigszins ontsierde. Dat is vooral daarom betreurenswaardig, omdat er heel veel te genieten was: de beide dames beschikken over heel fraaie stemmen die in de Troisième Leçon heel mooi samenvloeiden. Het slot van de eerste sectie van die leçon levert altijd een spannend moment op door de manier waarop Couperin hier de harmonie voor expressieve doeleinden gebruikt; dat miste z’n effect ook nu niet. Ook de behandeling van de tekst liet niets te wensen over: een mooi legato waar dat nodig is – zoals in de vocalises op de Hebreeuwse letters – als declamatorisch in de passages met het karakter van een recitatief. Dat Philippe Pierlot zijn solo’s prachtig speelde, hoeft geen betoog. Ondanks enkele kritische kanttekeningen was dit een memorabel concert en een mooi besluit van de dag.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: