Gepost door: Johan van Veen | 30 augustus 2018

Festival Oude Muziek Utrecht 2018 – woensdag 29 augustus

Afgelopen maandag heb ik met veel genoegen het concert van Ensemble Sollazzo in de Pieterskerk bijgewoond. Ik had het ensemble al eerder gehoord en er een uitstekende indruk van gekregen. Dus ik had ook een kaart gereserveerd voor het tweede concert; daarmee begon de woensdag in Hertz. Ook dit keer was het een bijzonder programma: de musici brachten een eerbetoon aan twee blinde vedelspelers, Jehan Ferrandes en Jehan de Cordoval, die grote indruk maakten op Dufay en Binchois. Hun ontmoeting in 1434 werd beschreven door Martin le Franc in Le champion des dames. Dat boek vormde gisteren het uitgangspunt van het concert van Servir Antico – een opmerkelijke link tussen de twee concerten. Ferrandes had twee zonen, die eveneens blind waren maar ook even muzikaal getalenteerd als hun vader. Op het programma stonden werken van componisten die met de vader dan wel de twee zoons in contact hebben gestaan. Geopend werd met Dufay’s prachtige klaaglied over de val van Constantinopel, O tres piteulx. Verder klonken enkele anonieme stukken uit de Cyprus Codex respectievelijk het Bayeux Chansonnier. De al genoemde Binchois was met zijn chanson Triste plaisir vertegenwoordigd. Dat werd vorige week zaterdag ook uitgevoerd door Graindelavoix. Hoewel je een puur vocale uitvoering, zoals van dat ensemble, niet echt kunt vergelijken met een uitvoering door één zangstem en twee vedels, stelde ik toch vast dat de versie van het Sollazzo Ensemble mij veel meer overtuigde; er werd vooral veel beter gezongen dan door Graindelavoix. Eén van de hoogtepunten was het bekende Vergine bella van Dufay, prachtig gezongen door Yukie Sato, waarbij zich later Perrine Devillers voegde. Alexander Agricola schreef een instrumentaal stuk, opgedragen aan de vedelspelende broers, dat hier werd uitgevoerd met een geestelijke tekst, Ave ancilla. Het concert besloot met een humoristisch chanson van Loyset Compère, Le grant désir me tient, op min of meer theatrale wijze voorgedragen door de twee zangeressen en de tenor Vivien Simon. Opnieuw bewees het Sollazzo Ensemble één van de interessantste en muzikaal overtuigendste ensembles voor renaissancemuziek te zijn. We zullen van deze musici hopelijk nog veel mooie dingen te horen krijgen.

In de Lutherse Kerk hield Bertrand Cuiller zich bezig met het derde boek met pièces de clavecin van François Couperin. Daarin vinden we hoofdzakelijk karakterstukken, soms van personen, maar ook van karaktertrekken en situaties. Wat Couperin precies in gedachten had, laat zich voor ons meestal slechts raden. In hoeverre hij echt iets portretteerde is niet te zeggen; de titels lijken vooral te refereren aan dingen die hij als inspiratiebron gebruikte. Dat is ook de reden dat hij het niet nodig vond ze te verklaren. La superbe, or La Forqueray lijkt in ieder geval wel als portret van zijn beroemde gambaspelende tijdgenoot te zijn bedoeld. Of dat portret een eerbetoon is dan wel een sneer is een interessant discussiepunt; in zijn begeleidende tekst in het programmaboek meent Marcel Bijlo het laatste. En wanneer hij schrijft dat Les petits moulants à vent niet bedoeld is als uitbeelding van windmolens maar van de “onnozele kletskousen” in de salons, leverde Cuillers interpretatie daarvan een treffende bevestiging. Beide stukken stammen uit de 17e Ordre; uit de 18e Ordre klonken onder andere Le turbulent en Le tic-toc-choc, ou Les maillotins. Beide werden in een hoog tempo gespeeld, en het eerste was inderdaad turbulent, en herinnerde me aan het soort stukken dat de generatie na Couperin produceerde. In Les fauvétes plaintives (14e Ordre) hoorden we chromatiek, en het concert werd besloten met Le dodo, ou L’amour au berceau (15e Ordre), gebaseerd op een kinderliedje. Cuiller lijkt een nogal introvert musicus, en dat kwam in zijn manier van spelen ook wel tot uitdrukking. Desondanks wist hij ook in de snellere en extrovertere stukken te overtuigen. Hij leverde een technisch gaaf en veelzijdig recital af, dat een goede indruk gaf van de inhoud van Couperins derde klavecimbelboek.

In de Jacobikerk klonk, net als gisteren, een mis van Josquin Desprez. Ditmaal was het de Missa Ave maris stella, die gebaseerd is op een Mariahymne, die dateert uit de 9e eeuw. Voorafgaand aan het Kyrie werd deze hymne gezongen door het ensemble Weser-Renaissance Bremen onder leiding van Manfred Cordes. De Mariaverering, die in het oeuvre van Josquin een belangrijke plaats inneemt, was de rode draad in het programma. Het concert opende met zijn beroemdste werk, het motet Ave Maria, dat in enkelvoudige bezetting werd gezongen. De mis werd met twee zangers per stem uitgevoerd. Hoewel er geen sprake was van een soort liturgische reconstructie, werden de delen van de mis wel afgewisseld door motetten. Na Kyrie en Gloria klonk Illibata Dei virgo nutrix, het Credo werd gevolgd door Virgo prudentissima en het concert werd afgesloten met het Salve Regina. Terwijl het ensemble wat betreft het aantal zangers niet fundamenteel afweek van Vox Luminis, die gisteren de Missa L’homme armé 6. toni uitvoerde, was er een belangrijk verschil dat het uiteindelijk resultaat beïnvloedde. Terwijl bij Vox Luminis de bovenstem door vrouwen werd gezongen, was die rol in Weser-Renaissance toebedeeld aan mannenalten: Alex Potter en Franz Vitzthum. Naar mijn ervaring is het bijna onvermijdelijk dat zulke stemmen het ensemble domineren, in meerdere of mindere mate. Aangezien de beide zangers over krachtige en heldere stemmen beschikken, waren ze duidelijk hoorbaar – iets te duidelijk, wat mij betreft. Wat me bij Vox Luminis positief opviel was de balans tussen de stemgroepen; daaraan mankeerde het hier enigszins. Bovendien leek me het ensemble minder hecht: Cordes heeft wel een soort van pool van zangers waarop hij van tijd tot tijd een beroep doet, maar het is geen vaste groep die voortdurend samen zingt. Dat liet wel enigszins z’n sporen na. Daarmee wil ik niet zeggen dat de uitvoering niet goed was. Er werd uitstekend gezongen en aan de interpretatie mankeerde verder niets. De afwisseling van misdelen en motetten bracht ons meer in liturgische sferen dan de manier waarop Vox Luminis z’n programma had samengesteld, dat meer echt een concert was.

De avond werd gedomineerd door de concertante uitvoering van een opera van Rameau, Les Boréades, die uit 1763 dateert. Daarmee is het Rameau’s laatste opera; de componist overleed in 1764. Het is niet duidelijk of het werk nog tijdens zijn leven is uitgevoerd; gesuggereerd wordt dat het werk vanwege de inhoud, die de gedachten van de Verlichting weerspiegelt, wellicht niet door de censuur kwam. Tijdens de uitvoering door solisten, Collegium Vocale 1704 en Collegium 1704 onder leiding van Václav Luks, werd duidelijk hoe modern dit werk is, niet alleen wat de tekst betreft, maar zeker ook in de muzikale vormgeving. Dat begint al met de instrumentale bezetting: in het orkest spelen twee klarinetten en ook de hoorns spelen een prominente rol. Les Boréades behoort tot het genre van de tragédie lyrique, maar heeft weinig gemeen met oudere werken in dit genre, zoals de opera’s van Lully of zelfs de vroege opera’s van Rameau zelf. Uiteraard werd hier een concertante uitvoering gegeven; een geënsceneerde uitvoering van een opera gaat de mogelijkheden van het festival te boven. Aangezien de meeste ensceneringen van barokopera’s nogal smakeloos zijn, is dat misschien maar goed ook. Ik had naar deze avond wel uitgekeken, omdat ik maar zelden een opera van Rameau live heb gehoord. Helaas stelde de uitvoering me teleur.
Met het orkest was niets mis, integendeel. Collegium 1704 is een uitmuntend ensemble en dat bleek ook nu weer. De kleurrijke partituur werd op een overtuigende manier tot leven gewekt. De instrumentale delen waren vaak opwindend, mede ook dankzij de contrastrijke interpretatie van Luks. De vaak dramatische koren kwamen ook prima uit de verf. Het waren – ik zou bijna zeggen, gewoontegetrouw – de solisten, die het voor een deel lieten afweten. Vooral in opera’s is een echt historisch verantwoorde manier van zingen tegenwoordig bijna uitzondering. Ik heb de laatste jaren maar weinig CD-opnamen van barokopera’s gehoord, waarin echt stijlvol gezongen wordt. In die zin viel deze uitvoering – helaas – niet uit de toon. Neem nu Juan Sancho, die één van de hoofdrollen zong (Abaris). Toen hij voor het eerst optrad, leek hij uit een Rossini-opera te zijn weggelopen. Vooral als hij luid zong – en dat was vaak het geval – en in het hoge register, had zijn stem dezelfde larmoyante klank, die je van tenoren in traditionele uitvoeringen van 19e-eeuwse Italiaanse opera’s hoort. Hij bleek trouwens nogal wat problemen met de hoogte te hebben. Toen hij tijdens de slotfase veel zachter zong, schakelde hij min of meer over op z’n falsetregister. Dat werd in Frankrijk niet gewaardeerd en dus moet daaruit geconcludeerd worden dat de partij eigenlijk te hoog lag voor zijn normale tessituur. Wellicht was Benedikt Kristjánsson een betere keuze geweest; hij zong de rol van Calisis en deed dat goed; hij lijkt de tessituur van een haute-contre te hebben. Uit dramatisch oogpunt was er op de verrichtingen van de zangers niets aan te merken; daarbij moeten vooral Deborah Cachet als Alphise, Caroline Weynants als Sémire en Benoît Arnould als Adamas genoemd worden. Maar kennelijk is het heel lastig om zowel een rol dramatisch het volle pond te geven als consequent in de stijl van de tijd te zingen. Vrijwel alle zangers bedienden zich van een hoeveelheid vibrato, die zich uit historisch oogpunt niet laat verdedigen. Zangers die ik in CD-opnamen en live-uitvoeringen met ander repertoire heel goed en stijlvol heb horen zingen, zoals Weynants en Arnould, maakten zich daaraan ook schuldig. Mijn indruk is dat de zangers het idee hebben dat ze heel hard hun best moeten doen om overal in de zaal hoorbaar te zijn en zich dan gaan forceren. Dat was me ook gisteren, bij het concert van het Ensemble Correspondances, al opgevallen. Over het geheel genomen leek me de uitvoering gewoon te luid. Ik betreur degenen die dichter bij het podium zaten. Die moeten met tuitende oren het pand verlaten hebben.
Wat blijft is de positieve indruk van Rameau’s laatste opera, die duidelijk maakt waarom hij zo’n sleutelrol in de muziekgeschiedenis heeft gespeeld en waarom latere Franse componisten als Berlioz, Ravel en Debussy zo onder de indruk waren van zijn orkestratiekunst. Die kwam onder de handen van Luks in elk geval voortreffelijk naar voren.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: