Gepost door: Johan van Veen | 27 augustus 2018

Festival Oude Muziek Utrecht 2018 – zaterdag 25 augustus

De meeste mensen zullen bij de titel van het festival – ‘Het Bourgondische leven’ – in eerste instantie aan de bloeitijd van dit gebied denken: van de tweede helft van de 14e eeuw tot kort na 1500. Maar het programma beperkt zich niet tot renaissancemuziek, ongetwijfeld tot opluchting van diegenen die een voorkeur hebben voor later repertoire. Zij zullen waarschijnlijk ingenomen zijn met de ruime aandacht voor Jean-Philippe Rameau, geboren in Dijon, dat tot Bourgondië behoort. In zijn oeuvre neemt opera een belangrijke plaats in, want hoewel zijn eerste opera pas in première ging, toen hij al 50 jaar was, laat zijn werk zien dat het theater hem in het bloed zat.

Later in de week krijgen we de gelegenheid een complete opera te beluisteren – Les Boréades (woensdag 29 augustus) – maar op zaterdag kregen we alvast een voorproefje door middel van een recital van Pierre Hantaï en Skip Sempé op twee klavecimbels (Hertz). Ze vormen kennelijk een vast duo, want ze gaven al eens een soortgelijk concert in een eerdere editie van het festival. Dat moet ook wel, want Sempé zat met z’n rug naar Hantaï. Er was dus in dit geval – in tegenstelling tot de vorige keer – geen sprake van improvisatie. Weliswaar heeft Rameau een substantieel aantal klavecimbelwerken gecomponeerd, maar stukken voor twee klavecimbels zitten daar niet bij. Hantaï en Sempé speelden enkele stukken voor één klavecimbel, waarbij de de partijen verdeelden en ruimschoots versieringen toevoegden. Daarnaast klonken stukken uit opera’s in versies voor twee klavecimbels. Bewerkingen van stukken uit opera’s voor klavecimbel waren destijds heel gebruikelijk en daarnaast was ook de praktijk van het spelen van instrumentale muziek op twee klavecimbels wijdverbreid, zoals onder andere uit uitlatingen van François Couperin blijkt. Voor liefhebbers van Rameau’s opera’s was het ongetwijfeld een feest der herkenning, want diverse bekende stukken kwamen voorbij. Opvallend is dat er eigenlijk geen verschil is tussen de operatranscripties en Rameau’s originele klavecimbelwerken; die laatste zijn vaak ook theatraal van aard en verschillende van die stukken gebruikte Rameau later in zijn opera’s. Soms waren de tempi wel erg snel, waardoor de articulatie enigszins in het gedrang kwam, maar daar staat tegenover dat Hantaï en Sempé voor een bevlogen interpretatie zorgden, die aan dramatiek niets te kort kwam.

De overgang naar het volgende concert was enorm. Wars van elke vorm van theatraal vertoon is het gregoriaans, dat door het ensemble Ordo Virtutum onder leiding van Stefan Johannes Morent in de Willibrordkerk werd voorgedragen. Het was het eerste concert van een tweeluik, gewijd aan het liturgische repertoire van twee orden: de Benedictijnen en de Cisterciënzers. Aangezien het tweede concert op zondag plaatsvond, kon ik dat niet bijwonen, maar het eerste concert was in ieder geval een bijzonder interessante en muzikaal boeiende aangelegenheid. Uitgevoerd werden de belangrijkste delen – het Magnificat met antifoon uit de Vespers, het invitatorium uit de Metten en de twaalf responsoria die op de lezingen volgen – uit het Officium transfigurationis – voor het feest van de Gedaanteverandering van Christus – van Petrus Venerabilis, de later heilig verklaarde abt van het klooster van Cluny in Bourgondië. De algemene opvatting is dat tekstexpressie in deze muziek afwezig is. En naar tekstuitbeelding, zoals je die in de madrigalen uit de 16e eeuw of in barokmuziek vindt, zul je hier vergeefs zoeken. Maar opvallend is wel dat in het melodische verloop er wel degelijk een relatie met de tekst gelegd wordt. Als de tekst spreekt over de verheerlijking van Christus gaat de melodie de hoogte in, zoals bij deze tekst: “[De] verheven Heer wilde verheerlijkt worden, opdat Hij zijn majesteit in helderheid zou kunnen tonen”. De samenzang van de zes mannen van het ensemble was vlekkeloos en van een grote sonoriteit en helderheid. In de door een solist voorgedragen passages kwam aan het licht dat hun stemmen toch heel verschillend zijn. De responsoria waarin de melodie hoog ligt, werden gezongen door een zanger met een prachtige en krachtige stem, die de hoogte van een haute-contre heeft. Eén van de andere zangers had juist een stem die krachtig is in het lage register. Dat zorgde ervoor dat de contrasten tussen de verschillende responsoria goed uit de verf kwamen. Ordo Virtutum bewees opnieuw – na zijn debuut bij het festival van vorig jaar – een excellent ensemble voor liturgische muziek te zijn. Helaas heeft het oude-muziekpubliek dat nog niet ontdekt, gezien het feit dat de kerk hooguit half gevuld was.

In het festival speelt Josquin Desprez een centrale rol. Dat is één van de meest uitgevoerde componisten uit de renaissance en is goed op CD vertegenwoordigd. Dat betekent niet dat we alleen bekende zaken horen. Een verrassende invalshoek bood het concert van Música Temprana, onder leiding van Adrián Rodríguez van der Spoel in de Jacobikerk. Dit ensemble specialiseert zich op de muziek van het Iberisch schiereiland en uit Latijns Amerika. In dit geval leidde dit tot een programma dat Josquins grote reputatie in Spanje belichtte. Zijn werken waren daar wijdverbreid en er zijn nogal wat transcripties van stukken van Josquin voor vihuela, soms met een vocale partij. Opmerkelijk is dat één van de belangrijkste meesters van de Spaanse renaissance, Francisco Guerrero, boeken met muziek van Josquin liet repareren. Geen wonder dus dat enkele stukken van zijn hand te horen waren. Centraal stond Josquins Missa Hercules Dux Ferrariae, dat in een liturgisch kader werd geplaatst, waarin naast werken van Guerrero en Victoria, ook gregoriaanse gezangen te horen waren. In zijn toelichting in het programmaboek schrijft Van der Spoel over de toenmalige uitvoeringspraktijk: “En natuurlijk werden de stemmen naar Spaans gebruik verdubbeld met blaasinstrumenten: de ministriles altos met de trombones en chirimias” (schalmeien). Hier past wel de kanttekening dat niet iedereen die opvatting deelt. In feite is dit een onderwerp van discussie tussen musicologen en uitvoerende musici. Hoe dan ook, hier werden ze ingezet en dat zorgde voor een mooie kleuring. Niet dat het ensemble die nodig heeft, want zoals altijd waren de zangers weer van grote klasse. Van sopraan tot bas: het ensemble beschikt over prachtige, kleurrijke en wendbare stemmen, die ook optimaal mengen.

Voor het avondconcert keerden we terug naar Rameau. Dit keer stonden drie grands motets op het programma, uitgevoerd door het vocale en instrumentale ensemble Vox Luminis onder leiding van Lionel Meunier. Rameau’s motetten zijn beschikbaar op CD, maar zijn bij velen toch vrijwel onbekend. Dat is niet terecht, want het zijn zonder uitzondering meesterwerken. Ook in deze religieuze werken, die vroeg in Rameau’s carrière zijn ontstaan, laten al zijn theaterinstinct zien, vooral doordat hij de contrasten in de tekst uitdiept en met een veelheid aan muzikale middelen tot uitdrukking brengt. Daarbij maakt hij ook effectief gebruik van de verschillende instrumenten – o.a. in enkele opvallende obligaatpartijen – en het contrast tussen solostemmen en tutti. De soli zijn niet alleen van een grote schoonheid, maar ook uiterst expressief, zoals het récit voor sopraan dat het motet Quam dilecta – na een instrumentale inleiding – opent. Opvallend zijn ook een aantal soli voor de heute-contre, indrukwekkend gezongen door Jeffrey Thompson. Maar ook alle overige soli en ensembles (van duo tot kwartet) kwamen uitstekend uit de verf. Vox Luminis heeft eigenlijk geen zwakke plekken en dat resulteert in een hoge mate aan aristieke consistentie. Alleen nu en dan noteerde ik iets teveel vibrato bij Stefanie True en Sebastian Myrus, maar op het uiteindelijke resultaat had dit geen negatieve invloed. Hopelijk hebben de voortreffelijke uitvoeringen van Vox Luminis de bezoekers en de radioluisteraars ervan overtuigd dat Rameau’s motetten van superieure kwaliteit zijn. Ze zouden vaker moeten worden uitgevoerd, maar het niveau van Vox Luminis zal niet vaak worden gehaald. Laten we hopen dat het ensemble deze stukken ook op CD zet.

Mijn dag eindigde in de Janskerk, waar Björn Schmelzer, curator in residence, en zijn ensemble Graindelavoix gedurende het festival resideren. Het is lang geleden dat deze kerk in het festival werd betrokken en als gevolg daarvan ben ik er al een hele tijd niet in geweest. Het is een prachtig sfeervol gebouw, dat wat mij betreft vaker gebruikt zou mogen worden. De kerk ligt midden in de stad en vooral in het weekend kan dat problemen geven. Desondanks heb ik geen geluiden van het uitgaansleven gehoord en dat op zaterdagavond tijdens een concert met muziek uit de renaissance die in principe niet erg luid is. Hoewel, bij Graindelavoix is dat soms anders. Eén van de karakteristieken is de vrijheid die Schmelzer zijn zangers geeft, die voor een deel niet in de oude muziek, maar eerder in de etnische muziek geworteld zijn. Die vrijheid leidt tot duidelijke invloeden van die etnische muziek, maar ook tot vaak grote dynamische verschillen, waarvan je je afvraagt wat daarvan de reden mag zijn. In de tekst kon ik aanleiding vinden, voorzover ik die kon volgen dan, want waar ik zat kon ik de tekst niet verstaan, en aangezien de kerk vrijwel geheel verduisterd was, kon ik die ook in het programmaboek nauwelijks meelezen. Het was een interessant programma, gewijd aan ‘Bourgondische klaagzangen’. Allereerst klonken vijf chansons van Gilles Binchois, die werden gevolgd door de klaagzang op de dood van Binchois, gecomponeerd door Johannes Ockeghem. Het programma eindigde met de klaagzang op zijn dood van Josquin. Die heb ik niet gehoord, want anderhalf uur na het begin van het concert moesten de laatste twee stukken nog gezongen worden. In de chansons van Binchois en de overige werken – chansons en motetten van La Rue, Brumel, Busnoys en Agricola – lag het tempo meestal vrij laag. In tegenstelling tot de contrasten in dynamiek waren de tempi nogal uniform. Doordat ik de tekst niet goed kon volgen, is me niet duidelijk waardoor de meeste stukken zo lang duurden. Het heeft, naast het tempo, waarschijnlijk vooral met toegevoegde versieringen te maken. Ik heb soms vrij goede uitvoeringen van dit ensemble gehoord, maar dit concert kon me niet bekoren. Eerlijk gezegd was de irritatiegraad behoorlijk hoog. Dit was het enige concert van dit ensemble – afgezien van het korte optreden op vrijdagavond – dat ik zal bezoeken. Dat is wat mij betreft ook wel genoeg.

Advertenties

Responses

  1. Dank voor uitgebreide recensie! Fijn dat Musica Temprana zo goed uit de verf komt. En zeer eens met oordeel over Graindelavoix. Wij begrepen er ook niks van. Waarschijnlijk maken ze het zo donker opdat je niet ziet dat ze heel iets anders zingen of alleen maar een soort piepend geluid uitbrengen.


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: