Gepost door: Johan van Veen | 25 augustus 2018

Festival Oude Muziek Utrecht 2018 – vrijdag 24 augustus

Het Festival Oude Muziek Utrecht is weer van start gegaan. We mogen van geluk spreken dat de hoge temperaturen inmiddels uit het land verdreven zijn, want die zouden niet alleen een zware wissel trekken op het uithoudingsvermogen van de bezoekers, maar ook en vooral de instrumentalisten voor grote problemen stellen. Niets van dat alles op de eerste dag, waarbij in de avond zelfs enige tijd regen viel.

Het thema van het festival is ‘Het Bourgondische leven’. Het woord ‘bourgondisch’ wordt tegenwoordig te pas en te onpas gebruikt om een leven van eten, drinken en vermaak aan te duiden. Vooral de bewoners van Latijns Europa en bij ons de inwoners van de zuidelijke provincies wordt de daarbij passende levenshouding toegeschreven. Het programma van het festival maakt duidelijk dat het bourgondische leven in historisch-culturele zin meer inhoudt dan het moderne spraakgebruik suggereert. Dat kwam al direct bij de eerste concerten tot uitdrukking.

Het festival begon op een ongebruikelijke manier. Terwijl in andere jaren na klokgelui een concert in TivoliVredenburg het festival opent, ingeleid door de festivaldirecteur, had men er nu voor gekozen ’s middags een soort voorspel te laten spelen, en wel door het fameuze Huelgas Ensemble. Dat voorspel viel nogal fors uit: drie concerten met een tussenpauze van drie kwartier tot een uur, gevuld met polyfonie van componisten die op één of andere manier met het Bourgondische hof van het derde kwart van de 15e tot het eerste decennium van de 16e eeuw verbonden waren. De leider van het Huelgas Ensemble, Paul Van Nevel, is als weinig anderen thuis in de wereld van het Bourgondische leven van die tijd. Maar zelfs hij heeft ongetwijfeld veel research moeten verrichten voor de samenstelling van het programma, dat de componisten op alfabet rangschikte, van A tot Z. En zelfs hij kon niet bij elke letter een componist vinden. Dus sloeg hij de X over, verzon hij bij een anoniem stuk een naam – Jehan Kwintens – en werd een ander anoniem stuk gepresenteerd als uit de pen van een componist Zonder naam.

Deze drie concerten lieten op een indrukwekkende manier de muzikale rijkdom van het Bourgondische hof zien. Het programma was ook veelzijdig: naast wereldlijke werken, waarin het om de (vaak ongelukkige) liefde gaat, klonken motetten en misdelen, die licht wierpen op de religieuze kant van het Bourgondische leven. De tijdspanne van zo’n 150 jaar resulteerde ook in stilistische variatie, bijvoorbeeld tussen enerzijds de driestemmige ballade Roses et lis ay veu van een zekere Egidius, die leefde en werkte rond 1380, en het Sanctus uit de Missa Sub tuum presidium van Pierre de La Rue en het Agnus Dei uit de anonieme Missa octo vocum supra miserere michi, dat het laatste concert besloot, anderzijds. Daartussen klonken nog andere vroege werken uit de desbetreffende periode, meestal driestemmig, soms met meer dan één tekst, zoals Plasmatoris humani, een motet voor Pasen van Nicolas Grenon (c1375-1456) en het motet Eya dulcis van Jehan Tapissier (c1370-c1410). Onder de opmerkelijke stukken moet Ce qu’on fait a quatimini van Gilles Joye (1424-1483) gerekend worden: de tekst is een mengeling van Frans en Latijn. Het eerste concert begon met een ander opvallend werk: het anonieme chanson On lit de pleurs. De onbekende componist slaagde er meesterlijk in de droevige tekst – “In een tranenbed, opgemaakt met jammerklachten (…) zucht en jammer ik” – effectief te verklanken. Uiteraard waren er verschillende vormen van sacrale muziek te horen, zoals alternatim composities (afwisseling van één- en meerstemmigheid) en getropeerde liturgische werken (waarin de standaardtekst met nieuwe elementen wordt uitgebreid). Het Kyrie Humano generi van ‘Kwintens’ werd in antifonale vorm uitgevoerd. Het Huelgas Ensemble liet weer eens zien een absoluut topensemble te zijn. In dit repertoire excelleert het, door een uitgekiende samenstelling van zangers, die per stuk wijzigt, en door een perfecte balans tussen de stemmen alsmede een loepzuivere intonatie. Van Nevel schuwt geen dynamische contrasten, maar die zijn altijd subtiel. Hij is niet iemand van het grote gebaar, maar behandelt de muziek vooral als vocale kamermuziek. Dat laat onverlet dat er best kritische kanttekeningen bij de interpretatie te plaatsen zijn, maar dat gaat het kader van dit dagboek te buiten.

Even ongebruikelijk als het muzikale voorspel was het eigenlijke ‘avondconcert’. Strikt genomen was dat er niet. In een tijdsbestek van zo’n tweeëneenhalf uur vonden vier verschillende concerten plaats; de bezoekers verplaatsten zich na elk concert in groepen naar een volgend concert. Het concept was zeker origineel en werd passend “De blijde intrede” genoemd. Of men dit concept kan appreciëren is een kwestie van smaak. Mijn smaak is het niet: ik houd er niet van als mensen in rotten van drie zich door de straten begeven, zeker niet als die voorafgegaan worden door een zwaaiend vaandel en een draaiorgel dan wel blaaspoepen, die beide niet tot mijn favorieten behoren (ik druk me mild uit). Als dat draaiorgel dan ook nog een populair deuntje speelt en een deel van de optocht luidkeels mee gaat zingen, haak ik af. Dat doet me iets teveel aan de Nijmeegse Vierdaagse denken. Maar daar stonden dan wel vier concerten tegenover, die op z’n minst interessant en soms heel fraai waren. Dat laatste geldt zeker voor mijn eerste concert in de Dom, waar Vox Luminis een gereconstrueerd motet van Rameau en enkele delen uit het Te Deum van Michel-Richard de Lalande presenteerden. Dat gebeurde op zeer overtuigende wijze, al had de akoestiek van de Dom wel een negatief effect op het resultaat. Van de tekst was weinig tot niets te verstaan (dat de tekst niet ter beschikking werd gesteld, hielp uiteraard ook niet) en ook muzikale details gingen verloren. Voor dit soort repertoire is de Dom in feite ongeschikt. De polyfonie uit de renaissance, zoals die door Graindelavoix en door Cantica Symphonia werd uitgevoerd, past daar beter.

Het eerstgenoemde ensemble trad op in de Nicolaïkerk, en wel op verschillende plekken in een verduisterde kerk. Dat klonk goed, ook al zal de uitvoeringsstijl van het ensemble niet ieders cup of tea zijn. Ik ben sceptisch ten aanzien van aspecten van de benadering van het ensemble en zijn leider, Björn Schmelzer, maar ik heb het slechter gehoord dan nu. Enkele dynamische uitschieters – ongetwijfeld zo bedoeld – en een duidelijke invloed van de volksmuziek kunnen niet onvermeld blijven en zijn enkele van de redenen voor mijn scepsis. In vergelijking zong Cantica Symphonia onder leiding van Giuseppe Maletto in de Catharinakerk nogal rechttoe rechtaan, en te vaak met volle kracht vooruit. Ik miste nuancering en differentiatie in de voordracht van Gloria en Sanctus uit de Missa L’homme armé van Antoine Busnoys. Onbegrijpelijk vond ik de Italiaanse uitspraak van het Latijn; die werd aan het Bourgondische hof zeker niet gebruikt. Grote twijfels heb ik bij het gebruik van instrumenten als vedel, orgel en trombones – vooral in deze combinatie – en de manier waarop ze werden ingezet. De uitvoering deed me denken aan de opnamen van renaissancemissen door het Clemencic Consort in de jaren ’70 en ’80 – muzikaal vaak spectaculair, maar qua interpretatie twijfelachtig. Rest me nog te vermelden dat Bob van Asperen een kort, maar fraai recital gaf in de Lutherse Kerk. Met het oog op het Couperinjaar droeg hij enkele van de pièces de clavecin van François Couperin – geboren 1668 – voor: subtiel in de contrasten en met mooi gedoseerde notes inégales.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: