Gepost door: Johan van Veen | 4 september 2017

Festival Oude Muziek Utrecht 2017 – nabeschouwing

Na tien dagen – in mijn geval acht dagen – te zijn ondergedompeld in de oude muziek is het tijd de balans op te maken van een editie van het festival, die – als we alleen al uitgaan van de bezoekersaantallen – weer succesvol was. De groei is er blijkbaar nog niet uit. Je vraagt je af hoe lang dat zo door zal gaan, want ik zie op concerten met oude muziek meestal vooral grijze en kale(nde) hoofden. Misschien is het logisch dat op door-de-weekse dagen jonge(re) mensen zich niet laten zien; die hebben wellicht andere, dringender zaken te doen. Op het festival zie je wel jongeren, maar ik vermoed dat daar heel wat muziekstudenten bij zijn. Die vormen niet het toekomstige publiek. Initiatieven om kinderen en jongeren met oude muziek in aanraking te brengen, zijn wenselijk en verdienen steun.

Overal wordt 500 jaar Reformatie herdacht. Het was een goed idee van het festival hier een eigen weg te kiezen. Meer van hetzelfde ondermijnt het bestaansrecht van een festival. Het was heel interessant dat allerlei hervormingsbewegingen die zich al vóór Luther manifesteerden, muzikaal belicht werden. Daarmee is vaak repertoire verbonden dat een eigen karakter heeft en doorgaans niet of zelden te horen is. Goed was ook dat parallelle bewegingen in andere landen aandacht kregen, zoals in Engeland, Frankrijk en Nederland. Wellicht had nog wat meer aandacht kunnen worden besteed aan het liedrepertoire dat in het kielzog van de verschillende Reformaties ontstond. In dit opzicht waren vooral de concerten van Camerata Trajectina interessant. Het gaat hier om repertoire dat op de concertpodia zelden tot klinken komt, maar gezien het enorme aantal liedboeken dat in de late 16e en in de 17e en 18e eeuw het licht zag, ligt hier nog een groot terrein braak.

Binnen het festival liep nog een ‘minifestival’ rond de Psalmen. Dat leidde min of meer een eigen leven, naast het festival. De concerten waren niet in het programmaboek opgenomen. Dat is eigenlijk wel jammer, want daardoor viel het verband tussen dit en het hoofdfestival enigszins weg. De programmering was ook zodanig dat het voor festivalbezoekers niet zo eenvoudig was de concerten van dit Psalmenproject in hun programma in te passen. Dat was in elk geval mijn ervaring. Anderzijds is er ook wel wat voor te zeggen het enigszins gescheiden te houden, aangezien een substantieel deel van het programma’s binnen het Psalmenproject bestond uit werken die je onmogelijk als ‘oude muziek’ kunt bestempelen.

De programmering was, zoals eigenlijk elk jaar, interessant en afwisselend en er was weer veel onbekends te horen. Dat is één van de bestaansredenen van het festival. Er waren ook diverse ensembles te beluisteren die ik niet of nauwelijks kende. Dat leverde soms een aangename en verrassende kennismaking op en soms ook teleurstelling. Over interpretaties kun je altijd van mening verschillen. Dat is goed, want in veel gevallen is niet zonder meer vast te stellen wat de waarheid is. Dat wil mijns inziens niet zeggen dat alles ermee door kan. Ik vrees wel eens dat inmiddels ook de wereld van de historische uitvoeringspraktijk het slachtoffer wordt van het postmodernisme. In de kunst wordt die stroming gekenmerkt door eclecticisme en relativisme. Dat betekent concreet dat musici er geen probleem van maken in hun interpretaties elementen te incorporeren die er vanuit historisch perspectief niet in thuis horen, zoals jazz-invloeden in improvisaties. Het relativisme slaat vooral daar toe waar musici en ensembles zonder problemen verworvenheden van de historische uitvoeringspraktijk aan hun laars lappen. Het publiek lijkt daardoor ook te zijn aangetast, want ook zulke escapades worden met applaus begroet. Misschien is het te beleefd om z’n ongenoegen te laten blijken, maar ik vrees eigenlijk dat het veel toehoorders worst zal zijn. Ik zou toch graag zien dat de festivalleiding op dit punt wat kritischer wordt. Als de historische uitvoeringspraktijk het uitgangspunt van dit festival is, dan moet er ook voor worden gewaakt dat die niet wordt uitgehold. Ik heb in mijn dagboek verschillende concerten genoemd waarop vanuit historisch oogpunt één en ander – of zelfs veel – was aan te merken.

Er is nog een punt waarop enige bezinning nodig is, en dat betreft de ruimten waarin muziek tot klinken komt. Het succes van het festival alsmede de (financiële) noodzaak een zo groot mogelijk publiek te bedienen heeft als nadeel dat nogal eens muziek klinkt in een ruimte die daarvoor minder geschikt is. Diverse malen klonk in Hertz muziek die eigenlijk de ruimere akoestiek van een kerk nodig heeft. Anderzijds is er muziek die in een te ruime akoestiek niet tot haar recht komt. Ik heb begrip voor de factoren die ertoe leiden dat voor een bepaalde ruimte gekozen wordt, maar anderzijds is de vraag of niet uiteindelijk het belang van de muziek het zwaarst moet wegen. Ook de ruimte en de akoestische omstandigheden behoren tot de historische uitvoeringspraktijk.

Een paar praktische zaken tot slot. Ik zie in mijn slotbeschouwing van vorig jaar dat ik toen al wees op de problemen met de belichting. Op dat punt is er niets veranderd. Nog steeds wordt het de bezoekers vaak onmogelijk gemaakt de teksten in het programmaboek te lezen door een totale verduistering van de zaal. De zin daarvan ontgaat me geheel. Ik constateer dat op één punt dat ik vorig jaar aansneed, vooruitgang is geboekt. Aan de Nederlandse boventiteling in de grote zaal van TivoliVredenburg werd dit jaar een Engelse vertaling toegevoegd. Dat lijkt me een grote vooruitgang, gezien het internationale karakter van het festival en de vele bezoekers die het Nederlands niet machtig zijn. Problematisch is nog steeds het programmaboek. Het is me niet duidelijk waarom zo vaak complete stukken van teksten ontbreken. Dat is nogal irritant wanneer je de tekst gaag wilt volgen, vooral in barokrepertoire, waar tekst en muziek nauw samenhangen.

Alles overziende mag gezegd worden dat dit festival niet alleen qua bezoekersaantallen een succes was. Ook de programmering en de kwaliteit van de uitvoeringen verdient lof. Volgend jaar zal vooral de renaissance aandacht krijgen, als het festival de titel ‘Het Bourgondische leven’ draagt. Ik ben benieuwd hoe dat thema wordt ingevuld. Met Josquin Desprez als ‘composer in residence’ kan er haast niets mis gaan.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: