Gepost door: Johan van Veen | 2 september 2017

Dagboek Festival Oude Muziek Utrecht 2017 – vrijdag 1 september

De vrijdag begon voor mij in Hertz, waar Pierre Hantaï een klavecimbelrecital gaf, dat gewijd was aan Engelse virginalisten. Zoals Marcel Bijlo in zijn begeleidende tekst in het programmaboek schreef, had de bloei van dit genre alles te maken met het feit dat het voor componisten die de kerk van Rome trouw gebleven waren, moeilijk, zo niet onmogelijk was kerkmuziek te componeren. Instrumentale muziek was dan een aantrekkelijk alternatief, zeker ook gezien de populariteit van het huiselijk musiceren in de bovenlagen van de maatschappij. Het is ook opvallend dat in het Fitzwilliam Virginal Book, één van de belangrijkste bronnen van virginaalmuziek, katholieke componisten oververtegenwoordigd zijn. Maar er is wel reden het hier geschetste beeld te nuanceren. Eén van de belangrijkste componisten van klaviermuziek was William Byrd en uitgerekend hij werd in staat gesteld kerkmuziek te publiceren. De tweede klaviervirtuoos was John Bull. Hoewel hij de indruk wekte dat hij om religieuze redenen zich op het continent vestigde, lag de echte oorzaak in z’n amoureuze escapades. Byrd en Bull speelden de hoofdrollen in het recital van Hantaï. Verschillende toen bekende vormen kwamen voorbij, zoals de pavan en de galliard, liedvariaties en fantasieën. Een mooi voorbeeld van het laatstgenoemde genre was Bulls Fantasia nr. 12 in d. Populair was in Engeland ook het componeren over een herhaald basthema, de zogenaamde ground. Het meest indrukwekkende stuk in het programma was Byrds My Lady Nevell’s ground dat van Hantaï een bevlogen uitvoering kreeg. De stukken die op populaire melodieën zijn gebaseerd, werden op een luchtige, speelse manier voorgesteld, zoals Byrds The woods so wilde. Ingetogen waren die stukken waaraan een sacraal thema ten grondslag lag (Bull, In nomine nr 4; Redford, Eterne rex altissime). Het applaus beloonde Hantaï met een fraai gespeelde prelude uit één van de Engelse suites van Bach.

Het volgende concert, door Le Miroir de Musique onder leiding van Baptiste Romain, belichtte een hervormingsbeweging die aan de Lutherse reformatie voorafging en die, wellicht meer dan andere, die ook voorafschaduwde. Ik heb het hier over de Moderne Devotie, de beweging die verbonden is met de figuur van Geert Groote (1340-1384). Hij legde de grondslag voor de beweging van de Zusters en Broeders des Gemenen Levens. Het programma was geconcentreerd rond de figuur van Thomas a Kempis (c1380-1471), die sterk door Groote beïnvloed was, maar – zoals de jaartallen al laten zien – geen leerling was, zoals Andrea Braun in haar toelichting in het programmaboek beweert. Hij was in het programma vertegenwoordigd met enkele stukken die aan hem worden toegeschreven. De overige werken waren allemaal anoniem, zoals meestal het geval is bij religieuze muziek uit die tijd; wie de componist was, werd niet belangrijk geacht. Enkele werken hadden een Latijnse tekst; één daarvan was een Kyrie magne Deus. De titel doet al vermoeden dat hier sprake is van tropen: tekstuele uitbreidingen van een liturgische tekst. Het contrast tussen de standaardtekst en de toevoegingen werd door verschillende bezettingen onderstreept. Maar het grootste deel van het programma bestond uit muziek op Nederlandse teksten. Dat is niet verwonderlijk: de Moderne Devotie was een lekenbeweging en Groote had delen van de bijbel (o.a. de Psalmen) in het Nederlands vertaald. De gezongen werken stammen alle uit twee handschriften uit de kring van de Moderne Devotie, die respectievelijk in Brussel en Berlijn worden bewaard. Ze laten een grote variatie aan vormen zien, waarvan er verschillende in het programma aan bod kwamen. Le Miroir de Musique is één van de beste en interessantste ensembles op het gebied van de muziek van de renaissance. Het heeft al verschillende CDs opgenomen die ik elders heb gerecenseerd; elke daarvan was een voltreffer. Het is te hopen dat ook het tijdens dit concert uitgevoerde programma op CD zal verschijnen. Het repertoire is heel ingetogen en dat werd door de zangers en instrumentalisten van het ensemble op een voortreffelijke manier over het voetlicht gebracht. De tekst stond steeds centraal en was uitstekend te verstaan, dankzij de excellente dictie van de zangers. Ze verdienen ook een compliment voor de uitspraak, die – voor zover ik dat kon beoordelen – vrijwel perfect was, terwijl toch maar één van hen, tenor Tore Tom Denys, Nederlands als moedertaal heeft. Voor mij was dit concert één van de beste van het festival.

Heel andere muziek klonk daarna in de Jacobikerk. Het ensemble Gli Angeli Genève, onder leiding van Stephan MacLeod, hield zich hier bezig met Johann Christoph Bach (1642-1703), oom van Johann Sebastian. Zijn oeuvre krijgt steeds meer aandacht, wat niet vreemd is aangezien hij in zijn eigen familie al bekend stond als “ausdrückender Komponist”, oftewel een componist van expressieve muziek. Dat kwam in het programma goed tot uiting. De vorm van het lamento was in de 17e eeuw heel geliefd en werd zowel in opera’s als in de vorm van afzonderlijke stukken gebruikt. In het oeuvre van Johann Christoph Bach bevinden zich twee zulke lamento’s, die redelijk bekend zijn. Ach, dass ich Wassers gnug hätte is voor alt solo en werd door Alex Potter op indringende manier uitgevoerd. Anders van karakter, meer dramatisch, is het lamento voor bas, Wie bist du denn, o Gott, in Zorn auf mich entbrannt, dat door MacLeod werd gezongen. Naast de veeleisende baspartij heeft dit stuk ook een virtuoze partij voor de viool, voortreffelijk gespeeld door Leyla Schayegh. Ik ben geen groot bewonderaar van de stem en de zang van MacLeod, maar dat is vooral een kwestie van smaak. Hij gaf een goede vertolking van dit stuk, waarin de tekstuele contrasten goed uit de verf kwamen. Herr, wende dich und sei mir gnädig is een voorbeeld van een ander geliefd genre van die tijd, de dialoog, hier tussen sopraan, alt en tenor enerzijds en de bas anderzijds. Naast Alex Potter zongen hierin Aleksandra Lewandowska (sopraan) en Thomas Hobbs (tenor). Het slotwerk was eveneens vrij bekend en is ook op CD in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar: de bruiloftscantate Meine Freundin, du bist schön. Hoewel gebaseerd op het bijbelboek Hooglied is het een mengeling van geestelijke en wereldlijke elementen. Het laat zien dat daartussen in die tijd geen strikte scheiding bestond: beide sferen vloeiden moeiteloos in elkaar over. Deze cantate valt op door de expressieve zetting van de tekst en ook van niet-tekstuele elementen die alleen kunnen worden afgeleid uit de aantekeningen van Johann Sebastians vader Johann Ambrosius. De hoofdrollen in dit werk zijn voor de sopraan en de bas, die respectievelijk de bruid en de bruidegom vertegenwoordigen, maar er zijn ook tuttigedeelten met een uitgesproken dansant karakter – hier gezongen door de vier solisten met vier ripienisten – en een virtuoze vioolpartij. Deze cantate ontving een geëngageerde en welsprekende uitvoering die door de toehoorders terecht met langdurig applaus beloond werd. Dat leidde tot een toegift, enkele strofen uit de ‘aria’ Es ist nun aus.

Binnen het festival is er nog een ‘minifestival’, getiteld 150 Psalms. Vier koren c.q. vocale ensembles zingen in twee dagen – vrijdag en zaterdag – alle 150 psalmen uit het gelijknamige bijbelboek in zettingen van de renaissance tot onze tijd. Misschien om praktische redenen ontbreekt de informatie daarover in het programmaboek. Die is ondergebracht in een apart boek dat de kopers van het programmaboek er automatisch bijkregen. Wellicht is het aparte programmaboek vooral voor diegenen bedoeld die wel de concerten in het psalmenproject bezoeken maar geen verdere concerten in het festival bijwonen. Ik hoorde één van de concerten van de Tallis Scholars in de grote zaal van TivoliVredenburg, niet direct de ideale plek voor relatief intieme vocale muziek. Het gaf wel de gelegenheid het orgel van de grote zaal te gebruiken in Sing unto the Lord, een anthem op tekst van Psalm 30 van Orlando Gibbons; Matthias Havinga speelde de orgelpartij. Het concert bevatte een paar curiositeiten, zoals een zetting op Engelse tekst van Psalm 41 door Haydn (Maker of all! Be Thou my guard). Misschien nog curieuzer was een zetting van Psalm 92 op de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst door Franz Schubert. Dat verwacht je niet direct; hij componeerde het op verzoek van een joodse cantor in Wenen. Uiteraard was ook de zetting van Psalm 118 door Salomone Rossi in het Hebreeuws. Vermelding verdient ook Psalm 103 van de Deense componist Mogens Pedersøn, tijdgenoot van Heinrich Schütz. Het is een syllabische en strofische zetting waarvoor Pedersøn de melodie gebruikt die in Duitsland verbonden is aan het koraal Nun lob mein Seel den Herren. Het hedendaagse stuk in het programma was Psalm 63 van Nico Muhly, dat hier z’n wereldpremiere beleefde. Uiteraard bestond het grootste deel van het programma uit renaissancewerken, en wel van Merulo, Victoria, de Monte, Mouton, Guerrero en La Rue. Ik ben over het algemeen geen groot bewonderaar van de Tallis Scholars; de interpretatie heeft niet zo heel veel van doen met de historische uitvoeringspraktijk, waarvan dirigent Peter Phillips – naar men zegt – ook geen groot aanhanger is. Ik heb nogal wat problemen met de manier van zingen, o.a. het feit dat de zangers zich van een teveel aan vibrato bedienen, wat de samenklank en de doorzichtigheid nadelig beïnvloedt. Er wordt ook te weinig gedifferentieerd naar tijd en regio. Het was zeker een interessant programma, maar muzikaal niet echt bevredigend.
Ik moet hier wel iets kwijt over de presentatie. Tijdens de uitvoering werden Nederlandse en Engelse vertalingen van de gezongen teksten geprojecteerd. Met de Engelse vertaling was niets mis, maar in de Nederlandse werden de namen God en Heer bijna voortdurend weg’vertaald’. God werd soms weergegeven met “jij”, daarmee in het midden latend wie aangesproken wordt. De naam ‘Heer’ – Dominus/Dominum in het Latijn en in de Engelse vertaling terecht met “the Lord” weergegeven – werd meestal “de Levende”, maar dat is wat anders. Ook in de inleiding tot het concert werd het exclusief geestelijk karakter van de psalmen al onder het tapijt geveegd. Dit is betreurenswaardig en kwalijk. Je doet de Psalmen geen recht wanneer je verzwijgt dat ze over God gaan.

Mijn dag eindigde in Hertz, waar Vox Luminis wederom zijn opwachting maakte met een programma dat was getiteld “Luthers erfenis”. Dat betreft dan o.a. het koraal dat zo’n enorme invloed in de Duitse muziek heeft gehad – in feite tot op de dag van vandaag – en zelfs ver daarbuiten, want veel van die koralen worden nog steeds over de hele wereld gezongen. Maar het koraal domineerde niet het hele programma. Het opende met een stuk van de al eerder genoemde Johann Christoph Bach: Herr, wende dich und sei mir gnädig, dat eerder al door Gli Angeli Genève was uitgevoerd. Johann Schelle was één van de voorgangers van Bach als Thomaskantor en zijn werk krijgt niet veel aandacht. Ten onrechte, zoals bleek uit Ach Gott und Herr, wie groß und schwer, een bewerking van het gelijknamige koraal voor steeds wisselende combinaties van stemmen. Een ander lid van de Bach-dynastie, Johann Michael, is vooral bekend vanwege zijn dubbelkorige motetten; hier klonk Herr, ich warte auf dein Heil. Eén van de bekendste koralen is Was Gott tut, das ist wohlgetan; hier hoorden we een zetting van Johann Pachelbel, wiens vocale oeuvre overschaduwd wordt door zijn orgelwerken. Hij was echter een belangrijke schakel in de ontwikkeling van de Duitse kerkmuziek. Het concert werd besloten met Herzlich lieb hab ich dich, o Herr van Dieterich Buxtehude. Dat werd gisteravond ook door de Nederlandse Bachvereniging uitgevoerd. Dat leverde een interessante vergelijking op tussen een bezetting met alleen solostemmen en één met koor. Ik kan ze beide waarderen en waarschijnlijk is het niet mogelijk te bepalen wat nu historisch het meest ‘correct’ is. Duidelijk is dat een kleine bezetting als die van Vox Luminis in de grote zaal niet tot z’n recht zou zijn gekomen. Het beste is ze gewoon maar naast elkaar te laten staan. Overigens had ik dit concert liever in een de akoestiek van een kerk gehoord. Net als bij het vorige concert van Vox Luminis was de klank soms wat te luid voor Hertz. Maar dat doet niets af aan de uitstekende interpretaties van de gekozen werken. Het ensemble werd terecht beloond met een ovationeel applaus. Dat leidde tot een mooie verrassing: de complete uitvoering van nog een cantate van Buxtehude, Jesu, meines Lebens Leben, opnieuw prachtig gezongen en gespeeld. Dat laatste ook, want laat ik niet vergeten het aandeel van de instrumentalisten te noemen, die hun partijen heel fraai invulden.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: