Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2017

Dagboek Festival Oude Muziek Utrecht 2017 – woensdag 30 augustus

Het thema van festival is ‘reformaties’. Een reformatie treedt vaak op in een periode van onzekerheid en onvrede met het bestaande. En ook een reformatiebeweging als zodanig schept onrust. Dat was zeker ook het geval in het Engeland van de 16e eeuw. Verschillende keren werden de bordjes verhangen, met alle politieke, religieuze en artistieke gevolgen van dien. Catalina Vicens belichtte in een concert met haar ensemble Servir Antico een periode van onvrede in het Engeland van de vroege 16e eeuw. Centraal stond de figuur van Thomas More. Hij is de belangrijkste vertegenwoordiger van het humanisme in Engeland en was goed bevriend met Desiderius Erasmus. Vanuit zijn humanistische idealen – voor de goede orde: dat is iets anders dan wat tegenwoordig onder ‘humanisme’ wordt verstaan – leverde hij kritiek op de maatschappelijke ontwikkelingen van zijn tijd. Hij zag aanvankelijk Hendrik VIII als de belichaming van zijn idealen, maar werd al snel teleurgesteld. Hij is vooral bekend geworden door zijn boek Utopia, waarin hij zijn ideale maatschappij schildert die zich bevindt op een imaginair eiland. Vanuit dit thema had Catalina Vicens een interessant programma van vocale en instrumentale werken samengesteld. De vocale werken waren enerzijds uitingen van onvrede over het bestaande, zoals het stuk van Robert Fayrfax dat het programma opende en dat de zinsnede bevat: “Me thought the world was turned upside down”; het leverde de titel van het concert op: ‘Utopia, of de wereld op z’n kop’. Of neem het derde stuk, van William Newark: “What causeth me woeful thoughtes to think, syn thoughtes been chief causers of my woe?” Catalina Vicens had zelf de muziek gecomponeerd voor een tekst van More, gedeeltelijk in het Engels en gedeeltelijk in de taal die More had ontworpen voor zijn eiland Utopia. Muziek was één van de pijlers van het geluk op het eiland; vandaar Hendrik VIII’s carol Pastime with good company. Dat het allemaal uiteindelijk op niets uitliep, bewijst het feit dat More aan het eind van zijn leven werd opgesloten in de Londense Tower. Fayrfax’ Somewhat musing gaat over iemand anders die zijn lot deelde. Het programma eindigde met een anoniem religieus werk, Benedicite, praise ye the Lord – die laatste woorden worden van begin tot eind steeds weer herhaald. In 1935 werd More door paus Pius XI heilig verklaard; zijn feestdag is 22 juni. Het was nogal irritant dat tijdens het concert alleen het podium verlicht was. Wat voor zin heeft het teksten in het programmaboek af te drukken, wanneer je het de bezoekers vervolgens onmogelijk maakt die tijdens het concert mee te lezen? Juist hier was dat van belang om te begrijpen waar het over ging. Boventiteling, zoals tijdens de voorstelling van Dialogos van afgelopen maandag, was een goede optie geweest. Dat is temeer van belang, aangezien de zangers – María Cristina Kiehr en Tore Tom Denys – zich van een historische uitspraak van het Engels bedienden. Dat op zichzelf kan niet genoeg gewaardeerd worden, vooral omdat het een grote zeldzaamheid is. Een moderne uitspraak zou vooral in dit repertoire een vervreemdend effect hebben. Gelukkig hielpen enkele verbindende teksten in het Nederlands – met behulp van een microfoon en dus verstaanbaar – enigszins om het verloop van het muzikale verhaal te volgen. De beide zangers en de instrumentalisten (Caroline Ritchie, vihuela d’arco; Baptiste Romain, vedel; Ori Harmelin, luit en Catalina Vicens, orgel en organetto) brachten dit programma op een boeiende manier tot leven.

Benjamin Alard sloot de orgelserie binnen dit festival af met de resterende delen uit Bachs Clavier-Übung III. Nu klonken bewerkingen van Luthers versies van Kyrie en Gloria, die deze verzameling de bijnaam ‘Orgelmis’ hebben opgeleverd. De verschillende stijlen kwamen goed uit de verf door de gevarieerde registratie. Hoofdwerk was Preludium en fuga in Es dat de verzameling opent en sluit. Op allerlei manieren, bijvoorbeeld de drie thema’s van de fuga, wordt hier de Drieëenheid naar voren gehaald. Ook binnen het preludium zijn er verschillende contrasterende episoden; de contrasten kwamen goed over het voetlicht. In de openingsepisode, die de vorm heeft van een Franse ouverture, had ik wel een wat scherpere articulatie willen horen. Over de registratie van zo’n stuk valt natuurlijk altijd te twisten; ik vond die hier een beetje te scherp, bijna agressief. Maar dat is ook een kwestie van smaak. Het was me overigens een raadsel, waarom ineens tijdens het recital de hele zaal in het duister gehuld werd. Dat leek me juist hier volstrekt overbodig. Ik wil ook niet nalaten erop te wijzen dat de orgelrecitals relatief weinig bezoekers trekken. Dit keer was het nog redelijk, maar meer dan zo’n 80 à 100 luisteraars zullen er niet geweest zijn. Het orgel – althans het grote orgel – neemt in de oude-muziekwereld een marginale plaats in. Dat Radio 4 inmiddels helemaal verstoken is van orgelprogramma’s helpt natuurlijk ook niet. Daar zou toch iets aan gedaan moeten worden. Misschien dat het festival hieraan – door het orgel in de grote zaal – een bijdrage kan leveren.

Bij sommige concerten is de verbinding met het thema nogal indirect. Een voorbeeld is het concert van Ordo Virtutum, onder leiding van Stefan Johannes Morent. Dit ensemble legt zich toe op liturgisch repertoire uit kloosters, met name in Duitsland. Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van onvolledige bronnen. Zoals Morent in de toelichting schrijft werden oude en niet meer gebruikte koorboeken soms versneden en werd het papier als boekomslag gebruikt. De verbinding met de Reformatie ligt daarin dat dit ook gevolgen had voor koorboeken: kloosters werden opgeheven en het papier waarop niet meer bruikbare muziek genoteerd stond, werd gerecycled. Het programma bestond uit gezangen die in verschillende kloosters gezongen werden en die bewaard gebleven zijn in koorboeken die zich nu in archieven in Stuttgart en Heidelberg bevinden. De bezoekers kregen een indruk van de variatie in het repertoire: antifonen, responsoria, alleluia’s en communiegezangen waren gerelateerd aan de verschillende zon-, feest- en heiligendagen. De zes zangers stelden dit repertoire op overtuigende wijze voor: zes welluidende, perfect harmoniërende stemmen in de voor deze muziek bij uitstek geschikte ruimte van de Willibrordkerk, die voldoende nagalm heeft maar ook weer niet teveel. Daardoor bleef de tekst steeds goed verstaanbaar. Het viel op dat het aantal bezoekers niet erg groot was. Dit soort repertoire is niet voor iedereen makkelijk toegankelijk en bovendien is dit ensemble niet zo bekend. Dat is jammer; zowel vanwege de kwaliteit van de zang als vanwege de keuze van het repertoire verdient het meer aandacht. Enkele van de CDs van dit ensemble heb ik elders gerecenseerd.

In het tweede concert van deze middag gingen het vocaal ensemble Utopia en het instrumentaal ensemble InAlto op zoek naar de bronnen van het koraal – de vorm die zo nauw met de Lutherse Reformatie verbonden is en als één van de belangrijkste inspiratiebronnen van de Duitse kerkmuziek kan worden beschouwd. Het programma was opgebouwd uit blokjes, steeds gewijd aan één specifieke tekst. In het eerste blokje stond Psalm 130 (Vulgaat: 129), één van de traditionele zeven boetepsalmen, centraal: De profundis clamavi. Tussen zettingen van de Latijnse tekst van Josquin en Senfl stonden de strofen van Luthers bewerking, Aus tiefer Not, in zettingen van Mattheus Le Maistre, Johann Crüger, Arnoldus von Bruck en Lupus Hellinck. Ook van Luther stamt Vater unser im Himmelreich, zijn bewerking van het Pater noster. Hier werden zettingen van Luthers tekst van de hand van Balduin Hoyoul en Johann Walter afgewisseld met Josquins Pater noster. Het laatste blokje bestond uit gezangen voor Pasen. Het begon en sloot af met zettingen van het Latijnse gezang Victimae paschali laudes van Josquin respectievelijk Lassus. Daartussen klonken zettingen van Luthers koraal Christ lag in Todesbanden, dat overigens geen bewerking is van het Latijnse gezang, maar op andere bronnen gebaseerd is. Deze zettingen waren van de al eerder genoemde Hoyoul en Walter alsmede van Caspar Othmayr, een andere belangrijke figuur in de geschiedenis van het Lutherse koraal. Als passende afsluiting klonk Walters eerbetoon aan Luther, opvallend genoeg in het Latijn: Beati immaculati. Dat klonk – hoewel in het programmaboek aangekondigd – na een welverdiend applaus van de talrijke toehoorders. De twee ensembles zorgden voor technisch gave en muzikaal boeiende interpretaties. Utopia bestaat uit vijf perfect op elkaar afgestemde zangers, met een prachtig stralende sopraan in de persoon van Griet De Geijter, die me bij eerdere gelegenheden al positief was opgevallen. InAlto is een uitstekend ensemble met één zink en vier trombones. De belans tussen zangers en instrumentalisten was uitstekend, ook dankzij de akoestiek van de Pieterskerk. De contrasten tussen de Latijnse en de Duitse gezangen werden onderstreept door een verschillende positionering in de kerk. Daar was duidelijk over nagedacht. De tekst was steeds duidelijk verstaanbaar. Het programma verschijnt binnenkort op CD en dat is zeker iets om naar uit te kijken.

Het avondconcert was duidelijk niet gerelateerd aan het thema van het festival, ook al kwam Luther aan het staartje nog even om de hoek kijken. Want 1517, het jaar dat de reformator zijn 95 stellingen publiceerde, was ook het sterfjaar van Heinrich Isaac, één van de belangrijkste componisten van de renaissance, die tegenwoordig nog steeds in de schaduw van Josquin Desprez staat. Daarom is het belangrijk dat een musicus als Jordi Savall, met zijn ensembles Hespèrion XXI en La Capella Reial de Catalunya, een programma aan hem wijdde, dat overigens inmiddels al op CD verkrijgbaar is. Het concert was opgezet als een biografie: de verschillende stadia van Isaacs leven en carrière kwamen voorbij aan de hand van composities. Het eind van de honderjarige oorlog (1475) werd verbonden met het motet Sustinuimus pacem, Isaacs vertrek uit Innsbruck met zijn wellicht bekendste werk, het chanson Innsbruck, ich muß dich lassen. Dit kwam aan het slot nog weer terug – en dat is de connectie met Luther – in een latere geestelijke bewerking: O Welt, ich muß dich lassen. In zo’n geval spreken we van een contrafact. Een ander voorbeeld is het motet dat het concert afsloot: Christus filius Dei werd uitgevoerd tijdens de kroning van Karel V tot keizer van het Heilige Roomse Rijk in 1519; het is een bewerking van Isaacs motet Virgo prudentissima, dat hij had gecomponeerd voor de kroning van Maximiliaan I in 1493. Het concert was een waardig eerbetoon aan een groot componist, die meer aandacht verdient. Van zijn enorme verzameling liturgische muziek, de Choralis Constantinus, zijn slechts enkele stukken in opnamen verkrijgbaar. Savall veroorloofde zich, zoals altijd, vrijheden waarover te discussiëren valt, zoals een grote bezetting in het genoemde chanson Innsbruck, ich muß dich lassen en een iets te frequent gebruik van belletjes, maar dat doet aan m’n waardering voor dit concert niets af. Savall had hier de beschikking over een aantal uitstekende zangers, waaronder de sopraan Ingeborg Dalheim en de mezzosopraan Kristin Mulders wel aparte vermelding verdienen. Onder de instrumentalisten waren een aantal oude getrouwen, zoals Sergi Casademunt, Lorenz Duftschmid, Philippe Pierlot, Jean-Pierre Canihac en Harry Ries. Dat zorgde voor een hechte en coherente invulling van de instrumentale partijen. De zo goed als uitverkochte grote zaal beloonde de musici met een lang en welverdiend applaus.

De dag eindigde met een concert door Vox Luminis in Hertz. De titel gaf de inhoud goed weer: “Grosse Freude: een jaar in liederen”. Liederen in de Lutherse traditie, welteverstaan. Het concert opende met de al eerder genoemde Othmayr, als een soort inleiding: Mein himmlischer Vater. Daarna kwamen Michael Altenburg, Michael Praetorius, Andreas Hammerschmidt, nog eens Othmayr, Samuel Scheidt, Thomas Selle en Bartholomäus Gesius voorbij met stukken in verschillende vormen voor de diverse hoogtepunten van het kerkelijk jaar. Het bekendste stuk was ongetwijfeld Praetorius’ Es ist ein Ros’ entsprungen. Uitbundig was Hammerschmidts Freude, Freude, große Freude. Op de klankexplosies – vanuit de muziek gezien geheel terecht overigens – was Hertz niet helemaal berekend. Uitbundig was ook Selle’s Veni Sancte Spiritus, waarschijnlijk het meest virtuoze werk van de avond, vooral door de extreem hoge eerste stem, perfect gezongen door Zsuzsi Tóth. Ik hoorde Vox Luminis eerder in Bachs ‘Hohe Messe’, zij het via de radio. Ik was niet erg onder de indruk en hoorde verschillende stemmen die me in dit ensemble niet op hun plaats leken. Iemand die erbij was, vertelde me, dat één daarvan Stefanie True was, die meer vibrato gebruikte dan we van dit ensemble gewend zijn. Dit concert beviel me veel beter. Het was een boeiend concert waarin de verschillende combinaties van zangers goed uitpakte. De stemmen harmonieerden vrijwel altijd optimaal. Maar ik zou het concert liever in een ruimere akoestiek hebben gehoord.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: