Gepost door: Johan van Veen | 26 augustus 2017

Dagboek Festival Oude Muziek Utrecht 2017 – vrijdag 25 augustus

Groot, groter, grootst – zo zou je de ontwikkeling van het Festival Oude Muziek Utrecht kunnen typeren. Het is inmiddels met afstand het grootste festival in zijn soort. En volgens festivaldirecteur Xavier Vandamme ook het beste, al wilde hij dat zelf niet zeggen en beriep hij zich daarvoor op een prijs die het festival binnenkort zal worden toegekend door de overkoepelende organisatie van Europese muziekfestivals. Die prijs lijkt me terecht, vooral vanwege de kwaliteit blijkt uit de programmering die altijd originele elementen bevat en weinig bekende of zelfs geheel onbekende muziek te bieden heeft.

Het openingsconcert bood niets nieuws. Dat wil zeggen: niet wat betreft de ten gehore gebrachte werken. Die zijn allemaal uit de pen van Johann Sebastian Bach gevloeid en worden dus regelmatig uitgevoerd. Dat geldt zeker voor de twee cantates, die door drie solisten, het koor van de Salzburger Bach Gesellschaft en het ensemble La Divina Armonia ten gehore werden gebracht. Zeker de solocantate voor alt, Geist und Seele wird verwirret (BWV 35), behoort tot het standaardrepertoire en is op vele CDs verkrijgbaar. Eén van de bijzonderheden van dit werk is de rol van het orgel. De cantate is in twee delen opgedeeld, die beide met een sinfonia voor orgel en strijkers beginnen. Ook in de aria’s speelt het orgel een concertante rol. In de meeste uitvoeringen en ook in de meeste CD-opnamen wordt die partij op een relatief klein orgel gespeeld. Bach zou daarvan opgekeken hebben: hij gebruikte in zijn cantates een groot orgel met meer dan één manuaal en pedaal. De laatste jaren wordt gepoogd deze uitvoeringspraktijk in ere te herstellen, maar dat is nog niet zo eenvoudig. Er moet een orgel beschikbaar zijn dat qua dispositie, stemming en toonhoogte geschikt is voor Bachs muziek. En dan is er ook nog een logistiek probleem, want niet elk orgel staat op een galerij die ruimte biedt aan zangers en instrumentalisten. Tegenwoordig worden cantates vaak in moderne concertzalen uitgevoerd en daar is of helemaal geen orgel aanwezig of een symfonisch instrument dat ongeschikt is voor deze muziek. Ooit was er een plan ook de grote zaal van Muziekcentrum Vredenburg, zoals het vroeger heette, van een symfonisch orgel te voorzien. Door allerlei oorzaken is het daar nooit van gekomen. Maar in het openingsconcert werden de orgelsoli in cantate 35 toch op een relatief groot instrument uitgevoerd. Het repertoire was conventioneel, het gebruik van dit orgel was het zeker niet.

Op vrijdagmiddag vond de presentatie van een door de firma Van Vulpen, naar een ontwerp van Peter van Dijk, gebouwd barokorgel plaats. Die kon ik niet bijwonen, dus het officiële openingsconcert was voor mij de eerste kennismaking met dit instrument. Lorenzo Ghielmi opende met twee orgelwerken. Allereerst klonk Preludium en fuga in C (BWV 545); Ghielmi had tussen preludium en fuga het adagio uit Toccata, adagio en fuga BWV 564 ingevoegd. In het preludium en de fuga vond ik de klank soms wat scherp. De verschillende kleuren van het orgel kwamen vooral aan bod in Aria variata alla maniera italiana BWV 989, door de afwisseling in registratie per variatie. Ik denk dat met dit orgel Utrecht en het festival een heel interessant en bruikbaar instrument rijker zijn. Dat neemt niet weg dat er wel een paar kritische kanttekeningen te maken zijn. De eerste is dat de akoestiek van de grote zaal voor een orgel niet ideaal is. Er is nauwelijks enige nagalm en dat is voor orgelmuziek allesbehalve ideaal. Dat kwam vooral in de twee solowerken tot uiting. Ik vraag me ook af wat de luisteraars die achter het podium zaten – en dus achter c.q. boven het orgel – gehoord hebben.

Het was een lastige klus om een orgel van enige substantie op een zodanige manier in de grote zaal in te bouwen dat er geen zitplaatsen verloren zouden gaan en de bezoekers die achter het podium zitten niet in hun uitzicht belemmerd worden. De constructie is ingenieus en heeft voor het solistische gebruik van het instrument geen nadelige gevolgen. Maar in het samenspel met een orkest ligt dat wat anders. Zolang het orgel een obligate partij speelt is het duidelijk te horen, maar in de basso continuo heeft het minder presentie dan ik verwachtte, al heeft dat natuurlijk ook te maken met de gebruikte registratie. In de cantate Gott der Herr ist Sonn und Schild (BWV 79) bestaat het orkest, naast strijkers, uit hobo’s en hoorns en als je niet wist dat het grote orgel meespeelde, zou je het nauwelijks gemerkt hebben. Zelfs in de radio-opname die ik achteraf beluisterde, kwam het orgel niet veel duidelijker in beeld.

In de uitvoering van deze avond werd ook een klein orgel gebruikt, als continuo-instrument naast het obligate grote orgel, en in kleiner bezette delen van cantate 79. Dat vond ik een wat merkwaardige beslissing van Ghielmi. Bach heeft zeker regelmatig twee toetsinstrumenten – naast elkaar of in afwisseling – gebruikt, maar het tweede instrument is dan een klavecimbel geweest. Dat was hier een betere optie geweest.

Ghielmi zorgde voor uitstekende uitvoeringen in de twee orgelwerken. Dankzij een goede articulatie was ook bij een vrij hoog tempo, zoals in het preludium en in de sinfonia’s uit cantate 35, het muzikale verloop goed te volgen. Giuseppina Bridelli nam de solopartij in deze cantate voor haar rekening. Ze leverde een zeer respectabele prestatie: een mooie stem, goede dictie en articulatie en duidelijke dynamische accenten. Helaas was de tekst niet optimaal verstaanbaar, als gevolg van een minder dan ideale balans tussen stem en instrumenten. Daarnaast is haar lage register wat zwak, waardoor sommige passages niet optimaal over het voetlicht kwamen. De slotaria viel een beetje tegen. In cantate 79 hadden vooral de hoorns het wat moeilijk. Naast Bridelli traden hier als solisten de sopraan Alice Rossi en de bas Wolf-Matthias Friedrich op, samen in het mooie duet ‘Gott, ach Gott, verlaß die Deinen nimmermehr’, voorafgegaan door een basrecitatief. Friedrich zong dat uitstekend, met goede tekstexpressie en de nodige ritmische vrijheid. In het duet pasten de solisten zich goed aan elkaar aan, waarbij Friedrich wat gas moest terugnemen. Het openingskoor en de beide koralen werden door het koor goed gezongen.

In hoeverre het nieuwe orgel tot een substantieel andere uitvoering van Bachs cantates leidt, zal de tijd leren. Cantates in een moderne concertzaal: dat is per definitie niet ideaal, maar in onze tijd vrijwel onvermijdelijk. En Utrecht heeft in elk geval geen kerk met een orgel dat geschikt is om in samenspel met koor en orkest gebruikt te worden.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: