Gepost door: Johan van Veen | 5 september 2016

Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – zaterdag 3 september

Zaterdag was voor mij de laatste dag van het festival. Mijn programma begon in de Geertekerk met een optreden van blokfluitist Erik Bosgraaf en klavecinist Francesco Corti. In het programma namen twee componisten een centrale plaats in: Dario Castello en Giovanni Bassano. Dit concert demonstreerde de virtuositeit van de instrumentale muziek die in de eerste decennia van de 17e eeuw in Italië werd gecomponeerd en de zin voor experiment van de componisten. Bosgraaf liet zich vooral gaan in de toevoeging van versieringen; daarin kan een speler nauwelijks overdrijven. Helaas hebben sommige spelers de neiging te snelle tempi te nemen maar dat was hier gelukkig niet het geval. Je bleef als luisteraar in ieder geval niet ademloos achter, of het zou moeten zijn in bewondering voor wat destijds aan muziek gecomponeerd werd en voor de virtuositeit en vingervlugheid van Bosgraaf. Het concert liet ook de invloed van deze muziek in Nederland zien, met stukken van Pieter Alewijnsz de Vois – in navolging van Uccellini – en van Jacob van Eyck, die zich liet inspireren door Giulio Caccini’s Amarilli mia bella. Het concert eindigde met Castello’s bekendste sonate, Sonata II a soprano solo. Bosgraafs uitvoering beviel me heel wat beter dan die van Vittorio Ghielmi van gisteren. Tussendoor gaf Francesco Corti nog mooie vertolkingen van twee klavecimbelstukken van Claudio Merulo en Girolamo Cavazzoni.

Gisteren trad de Cappella Romana in de St Willibrordkerk op met liturgische muziek uit Venetië die geworteld is in de Byzantijnse traditie. Vandaag zong het Ensemble Gilles Binchois onder leiding van Dominique Vellard eveneens liturgische muziek, maar nu uit de westerse traditie, wat we gewoonlijk als gregoriaans aanduiden. Meer speciaal richtte het ensemble zich op een manuscript dat in Berlijn wordt bewaard en liturgische muziek uit de San Marco bevat. Het gaat daarbij vooral om zogenaamde tropen; dat zijn toevoegingen van nieuwe teksten aan een bestaande tekst met de bedoeling die geschikt te maken voor een bepaald feest in het kerkelijk jaar. Eén van de vruchten van de historische uitvoeringspraktijk is het besef dat vóór de 20e eeuw, toen de rooms-katholieke liturgie wereldwijd geuniformeerd werd, liturgische gezangen, zowel qua tekst als qua muziek, konden variëren per land en zelfs per regio. Zo bevat dit handschrift gezangen die nergens anders gevonden zijn. Anderzijds zijn er ook gezangen die aan de andere kant van de Alpen ook voorkomen. Interessant is een opmerking in de toelichting: “Dat het manuscript zoveel tropen op het introïtus bevat is veelzeggend: in de basiliek van de doge wilde men de hoogmis met een plechtige ‘ouverture’ beginnen”. Daaruit blijkt dat ook liturgische muziek alles te maken had met politiek en de status van machthebbers. Vellard kondigde enkele weglatingen aan omdat het programma te lang was. Daar was vrijwel niets van te verstaan. Daar moet het festival toch eens een oplossing voor verzinnen. Gelukkig was de tekst in het programmaboek goed te volgen zodat meestal snel bleek wat was weggelaten. Er bleef genoeg moois over; dit interessante en muzikaal boeiende repertoire werd uitstekend gezongen door vijf kraakheldere, de ruimte van de Pieterskerk gemakkelijk vullende stemmen waarbij zelfs de tekst meestal goed te verstaan was. Deze is de ideale ruimte voor dit soort muziek en het publiek beloonde de zangers met een welverdiend langdurig applaus dat nog tot een mooie toegift leidde die ik helaas niet kon identificeren. De aankondiging was weer geheel onverstaanbaar; misschien had Vellard die moeten zingen.

Het is mooi dat Adrian Willaert in dit festival de aandacht krijgt die hij verdient. Dat is één van de voordelen van een festival als dit. In het concertseizoen zul je zijn naam niet vaak op programma’s tegenkomen en ook het aantal CD-opnamen is beperkt. Gisteren hoorde ik het Officium Ensemble, vandaag was het de Cappella Pratensis die in de Jacobikerk op zoek ging naar “Willaerts Vlaamse wortels”, zoals de titel van het programma luidde. Er klonken motetten uit verschillende fasen van Willaerts carrière, die vergeleken werden met werken van componisten van een eerdere generatie: Josquin Desprez en Jean Mouton. Van de laatste klonk het motet Nesciens mater dat ook het Officium Ensemble zong. Een vergelijking ligt voor de hand. Met acht stemmen is de Cappella Pratensis kleiner dan het Portugese ensemble. De zangers zingen vaak – maar niet altijd – rond een standaard met daarop een koorboek. Hoewel Stratton Bull de leiding heeft wordt de interpretatie toch door de zangers samen bepaald: ze luisteren naar elkaar en reageren op elkaar. Het is meer een echt vocaal ensemble terwijl je het Officium Ensemble een (klein) koor zou kunnen noemen. Beide interpretaties bevielen me goed; bij de Cappella Pratensis is de doorzichtigheid groter dankzij de kleinere omvang maar bij de Portugezen geeft het grotere aantal zangers dit stuk wellicht iets meer grandeur. Hoe dan ook, deze twee benaderingen kunnen moeiteloos naast elkaar staan. In de toelichting werd uitgelegd in welk opzicht Willaert zich van Josquin en Mouton onderscheidt. Daarbij gaat het om helderheid, compactheid en complexiteit maar voor de doorsnee-luisteraar is dat, zeker tijdens een concert, slechts in beperkte mate te ervaren. Belangrijker is dat hier de kwaliteit van Willaerts muziek goed uit de verf kwam door de prachtige uitvoeringen van de Cappella Pratensis. Overigens werd een belangrijk deel van het programma op de ‘traditionele’ manier gezongen, niet rond een standaard, maar in een cirkel. De redenen voor het verschil in opstelling tussen de diverse werken is me niet duidelijk geworden.

Voor mij eindigde het festival in de grote zaal van TivoliVredenburg met een concert waarin het Ensemble Correspondances onder leiding van Sébastien Daucé muziek van Marc-Antoine Charpentier in een Italiaanse context plaatste. Van 1665 tot 1669 verbleef Charpentier in Italië en met name in Rome; het heeft een blijvende invloed op zijn compositiestijl nagelaten. Een link naar Venetië was in feite afwezig want voor zover bekend heeft hij die stad nooit bezocht. Het concert eindigde met zijn Messe a 4 choeurs maar dat wijst niet op Venetiaanse invloed want meerkorigheid kwam ook elders voor, zoals in Rome en in Bologna. In feite was het hele programma gebaseerd op speculatie want hoe Charpentier naar Rome en later weer terug naar Frankrijk is gereisd en welke steden hij heeft aangedaan en welke componisten hij heeft leren kennen weten we niet. Dat komt verder niet in mindering op de kwaliteit van de programmering want we hoorden verschillende componisten die vrijwel helemaal onbekend zijn, zoals Orazio Tarditi, Francesco Beretta en Cristoforo Caresana. Daarnaast klonken werken van iets bekendere meesters, zoals Cazzati, Benevoli en Legrenzi en ook van Merula en Cavalli. Vanwege de noodzakelijke ruimtelijke opstelling van het ensemble was het podium vergroot wat betekende dat het aantal zitplaatsen sterk gereduceerd was. Desondanks was de zaal niet helemaal uitverkocht. Ligt dat aan het feit dat dit ensemble wellicht nog niet heel erg bekend is? De afwezigen hebben een prachtig concert gemist, wat mij betreft één van de hoogtepunten van het festival. Het ensemble beschikt over excellente zangers die een hecht ensemble vormen maar wiens leden ook in staat zijn op een uitstekende manier solopartijen te vertolken. Eigenlijk zaten er geen zwakke plekken in en dat is opmerkelijk voor een ensemble dat hier in een flinke omvang aantrad. Ook de instrumentale partijen werden mooi ingevuld. In meerkorige werken ligt de nadruk op monumentaliteit, minder op zaken als tekstexpressie of harmonische experimenten. Die monumentaliteit kwam hier perfect tot uiting. Natuurlijk miste ik hier – om nog één keer terug te komen op mijn opmerking over het openingsconcert – de akoestiek van een kerk. Daarin hoort deze muziek te klinken en daarin komt ze veel beter tot haar recht. Maar het is nu eenmaal zo als het is en Daucé en zijn musici hadden zich goed aan de omstandigheden aangepast. Het concert liet in elk geval ook nog eens horen hoeveel onbekende muzikale schatten nog op ontdekking liggen te wachten. Het is één van de taken van dit festival de uitvoering van zulk repertoire mogelijk te maken en te stimuleren.

Mijn festival had nauwelijks beter kunnen eindigen dan met dit geweldige concert.

Dit was mijn laatste dagboek, maar er volgt nog een slotbeschouwing.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: