Gepost door: Johan van Veen | 3 september 2016

Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – vrijdag 2 september

De vrijdag begon weer in Hertz met een concert door Il Suonar Parlante onder leiding van Vittorio Ghielmi, gewijd aan Venetiaanse consortmuziek. Twee eerdere concerten lieten al zien dat het consort – dat tegenwoordig bijna exclusief wordt geassocieerd met de Engelse renaissance – in Italië in de 17e eeuw nog steeds een rol speelde. Maar er is weinig muziek die expressis verbis voor zo’n ensemble geschreven is. In het programma dat Il Suonar Parlante uitvoerde, waren alleen twee werken van Giovanni Legrenzi specifiek voor viole da gamba gecomponeerd. Verder klonken klavierwerken van de Gabrieli’s die – zoals Ghielmi schrijft in zijn toelichting – vanwege hun polyfone opbouw ook heel goed met meerdere instrumenten gespeeld kunnen worden. Het was een interessant programma maar de interpretatie kon ik niet erg waarderen. Dat lag vooral aan de wat onaangename toon die Ghielmi zelf op zijn diskantgamba voortbracht. Wat een verschil met het excellente ensemble L’Achéron afgelopen woensdag! Heel vreemd was ook dat Ghielmi zijn diskantgamba gebruikte als soloinstrument in Castello’s Sonata seconda a soprano solo wat meestal op viool wordt gespeeld. Ik vond de diskantgamba geen geschikt instrument voor dit stuk en ik betwijfel ook of dit instrument destijds solistisch werd gebruikt. Heel interessant en qua uitvoering beste onderdeel van het concert was een intavolatie van stukken uit Monteverdi’s L’Orfeo, fraai gespeeld door Margret Köll op harp en Luca Pianca op luit.

Evenals vorig jaar zorgde Luca Guglielmi voor een programmatisch bijzonder interessant concert in de Lutherse Kerk. Er klonken werken van drie componisten die in Venetië geboren zijn en/of daar hun opleiding hebben ontvangen. Het programma opende met twee sonates van Giovanni Benedetto Platti die de langste tijd van zijn leven in Duitsland werkte. De laatste jaren neemt de belangstelling voor zijn oeuvre toe wat niet in de laatste plaats te maken heeft met het groeiende besef dat hij een belangrijke schakel is tussen de barok en de klassieke periode. In zijn klavierwerken is dat duidelijk te merken en dat werd door Guglielmi onderstreept door een fortepiano als instrument te kiezen. Hij bespeelde een kopie van het eerste instrument van die aard, ontwikkeld door Bartolomeo Cristofori. Verschillende Italiaanse componisten toonden al snel belangstelling voor Cristofori’s uitvinding en er wordt gesuggereerd dat Platti een rol gespeeld kan hebben bij de verbreiding van dit type instrument naar Duitsland. In elk geval klonken deze sonates op dit instrument bijzonder overtuigend, zeker ook door het doorleefde en geëngageerde spel van Guglielmi. Daarna klonken twee sonates en een divertimento van Galuppi. Zijn klavierwerken waren bijzonder geliefd en vonden hun weg door heel Europa. Eerder liet Francesco Corti al een keuze horen op het klavecimbel. Het was heel interessant zijn sonates nu eens op fortepiano te horen. Een specifiek instrument lijkt Galuppi niet in gedachten gehad te hebben. Dat de fortepiano op z’n minst in beeld was wordt gesuggereerd door de dynamische tekens in het Divertimento in A, die de vorm heeft van een suite. Guglielmi besloot zijn concert met de onbekendste van de drie componisten, Andrea Lucchesi, die evenals Platti in Duitsland werkte. Zijn Sonate in D, op. 1,6 was wellicht de meest klassieke van de gespeelde werken. In zijn programmatoelichting noteerde Guglielmi allerlei elementen die vooruitwijzen naar Haydn en Mozart. Niet alleen was dit concert programmatisch interessant, het was ook mooi een kopie van een Cristofori te horen. Guglielmi zorgde voor een uitstekend concert met overtuigende interpretaties, gebaseerd op een puntgave techniek en een complete beheersing van het instrument.

Buitengewoon intrigerend was het concert van de Cappella Romana in de St Willibrordkerk. Onder leiding van Alexander Lingas klonk hier liturgisch repertoire “op het kruispunt van oost en west”, zoals de titel van het concert luidde. Venetië was vele eeuwen politiek en economisch één van de belangrijkste centra van Europa en dat leidde tot een veelheid aan betrekkingen, ook met het oosten en de daar dominante Byzantijnse cultuur. Maar als gevolg van politieke ontwikkelingen vestigden zich ook inwoners van oostelijke streken in Venetië, daaronder Grieken die hun eigen variant van het christelijk geloof en de daarbij behorende liturgie meebrachten. In het programma hoorden we liturgische gezangen in het Latijn en in het Byzantijnse Grieks dat qua uitspraak meer verwantschap met het moderne dan met het klassieke Grieks laat zien. Dat maakte het volgen van de teksten soms wat lastig. Het programma was opgedeeld in vier hoofdstukken: Kruisiging en kruisafneming, Wederopstanding, Eucharistiegezangen en Hymnes voor de Moeder van God. Daarin kwamen zowel de overeenkomsten als de verschillen tot uitdrukking. Opvallend in de Byzantijnse gezangen zijn de lange melisma’s waardoor een stuk met een niet al te lange tekst toch nogal wat tijd in beslag neemt. Het laatste stuk van het programma bevatte een passage met een vocalise op “terererere”; deze betekenisloze lettergrepen worden aangeduid met de term teretismata en komen sinds de 14e eeuw voor in Byzantijnse manuscripten. Zo’n passage kan eigenlijk naar believen worden uitgebreid of ingekort. Dit repertoire is bijzonder fascinerend en grotendeels onbekend. De Cappella Romana heeft zich hierin gespecialiseerd en bracht recent een CD uit met liturgische muziek van Cyprus. De zangwijze doet enigszins denken aan die van koren in de Russisch-orthodoxe traditie, met een belangrijke rol voor de lagere stemmen. In dit concert zongen ook vrouwen mee maar hun rol was verhoudingsgewijs bescheiden. De akoestiek van de St Willibrordkerk is perfect voor dit repertoire. De uitvoering van Cappella Romana was buitengewoon indrukwekkend. Wie zich verder wil oriënteren kan de website van het ensemble meer interessante producties vinden.

Vorig jaar maakte het Portugese Officium Ensemble zijn debuut in het festival. Het programma was toen niet erg avontuurlijk maar de manier van zingen beviel mij zeer en ik was niet de enige die het ensemble graag nog eens zou willen horen. Tot m’n genoegen maakte het ensemble dus dit jaar opnieuw zijn opwachting en zong in een volle Pieterskerk een programma rond de Missa Quaeramus cum pastoribus van Adrian Willaert. Het programma werd geopend met het motet van Jean Mouton waarop Willaert zijn mis heeft gebaseerd. Verder hoorden we enkele motetten van Cipriano de Rore die gekenmerkt worden door het gebruik van de canontechniek. Dat was vrij gebruikelijk in de 16e eeuw en lijkt een soort intellectueel spel maar in feite leidt het tot een ingenieus polyfoon weefsel dat aan de desbetreffende werken een hoge mate van sonoriteit verleent. Intrigerend was Nesciens mater van Mouton waarin de dubbelkorigheid op een bijzondere manier wordt aangewend. Het koor stond niet in twee groepen aan beide zijden van het podium – zoals in Andrea Gabrieli’s O Domine Jesu Christe dat het concert afsloot – maar achter elkaar, het ene voor in het schip, het andere op de trappen naar het koor. Dat gaf een heel speciaal effect waarin Moutons gebruik van de dubbelkorigheid goed tot z’n recht kwam. Opvallend was het gebruik van de dynamiek: dirigent Pedro Teixeira was niet bang om soms flinke dynamische contrasten aan te brengen maar hij maakte daarbij duidelijk verschil tussen de traditionele polyfonie en de twee motetten van Monteverdi – Adoramus te Christe en Cantate Domino – waarin de componist de stile antico combineert met elementen van de moderne stijl van de vroege 17e eeuw, bijvoorbeeld in de behandeling van de tekst. Hier werd de dynamiek op een meer barokke manier toegepast, bijvoorbeeld door elementen uit de tekst te beklemtonen door een forte. Hier werd ook veel meer gedeclameerd terwijl in de oudere composities het legato overheerste. De kwaliteiten van dit ensemble kwamen in dit programma mooi naar voren. De klank beviel me veel beter dan die van Cantica Symphonia afgelopen woensdag. De positieve indrukken van vorig jaar werden volledig bevestigd.

Ik had besloten het verjaardagsfeestje voor Jordi Savall aan me voorbij te laten gaan. Maar zo gemakkelijk ging dat niet. Want dat feestje liep nogal uit de hand. Ik had in de loop van de middag een mailtje van de organisatie ontvangen dat het wat langer zou duren. Het concert van half elf zou daarom om elf uur beginnen. Toen ik arriveerde zat er maar weinig publiek in de zaal. Dat leek me merkwaardig. Tenslotte zou dit het enige concert in het festival zijn dat geheel aan Monteverdi was gewijd: Cantar Lontano zou, onder leiding van Marco Mencoboni, o.a. de Combattimento di Tancredi e Clorinda uitvoeren. Na een kwartier wachten werd het publiek wat onrustig. Sommigen begonnen te applaudisseren: ze wilden wel eens wat zien en horen. Dat helpt natuurlijk niet en is ook weinig respectvol tegenover de musici die ook met een onverwachte situatie werden geconfronteerd. Na twintig minuten begonnen ze dan toch maar met hun concert voor een half lege zaal. Een kwartier later, nadat de eerste twee stukken waren uitgevoerd, volgde een invasie van bezoekers van Savalls feestje die merkten dat het concert al begonnen was, ondanks de mededeling dat op hen gewacht zou worden. Dit had niet mogen gebeuren. Maar de laatkomers waren in elk geval op tijd om een geweldige uitvoering van de Combattimento mee te maken. Tenor Luca Dordolo droeg het verhaal voor als een acteur, met spaarzame maar effectieve gebaren en een geweldige stembeheersing. Zelden werd het verhaal zo direct aan de luisteraar meegedeeld. Uiteraard speelde ook de ruimte – die een vrij direct contact tussen artiesten en publiek mogelijk maakt – hierbij een rol. De instrumentale partijen werden op een theatrale manier ingevuld. Het concert werd besloten met nog twee madrigalen die door het hele ensemble uitstekend werden vertolkt.

Er was nog een concert, dat oorspronkelijk om middernacht had moeten beginnen. Dat werd dus nogal wat later maar de geduldige muziekliefhebber werd rijkelijk beloond door sopraan Roberta Mameli en luitist Eduardo Egüez die een programma met luitliederen van Francesco Bosnacio uitvoerden. Bosnacio is niet de componist van deze liederen maar hij gaf enkele bundels uit waarin hij frottole van o.a. Tromboncino en Cara reduceerde tot liederen voor zangstem en luit. Daarmee is het intiem repertoire dat in de huiskamer tot klinken moet komen. Dankzij het kleine aantal luisteraars en de aanpak van de beide artiesten werd Hertz tot een intieme huiskamer omgetoverd. De fijnzinnige en communicatieve interpretatie zorgden ervoor dat de luisteraar met een tevreden gevoel huiswaarts kon gaan.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: