Gepost door: Johan van Veen | 1 september 2016

Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – woensdag 31 augustus

In tegenstelling tot gisteren een vol programma. De dag opende met een concert in Hertz door het Tsjechische ensemble Collegium Marianum onder leiding van Jana Semerádová, die ook de traverso bespeelde in drie soloconcerten van Galuppi, Jiránek en Vivaldi. Galuppi is een componist op de grens van barok en de vroege klassieke stijl. Dat kwam direct tot uiting in het Fluitconcert in D. Het is een compact stuk dat zich duidelijk onderscheidt van het idioom van Galuppi’s grote voorganger in Venetië, Vivaldi. Ook het daarna gespeelde Concerto a quattro in c wijst nieuwe wegen, in de richting van het strijkkwartet. Vivaldi’s invloed is onmiskenbaar in het Fluitconcert in D van de Boheemse componist Jiránek, die de laatste jaren nogal in de belangstelling staat. Er is zelfs een heuse catalogus van zijn oeuvre. Door zijn broodheer werd hij naar Italië gestuurd en mogelijk heeft hij les gehad van Vivaldi. Interessant was het Vioolconcert in D dat zowel aan Vivaldi als aan Jiránek wordt toegeschreven. Het is een heel mooi en nogal virtuoos stuk dat door één van de leden van het ensemble – helaas niet met name genoemd – met élan werd voorgedragen. Vivaldi was de hekkesluiter met één van zijn beschrijvende concerten, getiteld La notte. Jana Semerádová zorgde voor een heel beeldende interpretatie, met Kim Stockx op fagot. Ik kende dit ensemble van enkele uitstekende CDs en het was een genoegen deze musici live aan het werk te horen en te zien. Ze moeten maar snel weer terug komen in Nederland.

In de Lutherse Kerk speelde Carole Cerasi een opvallend programma: hier werd de Italiaanse componist Bernardo Storace tegenover de Franse Jean-Henry d’Anglebert gesteld. Ze hebben gemeen dat we van hen uitsluitend muziek voor toetsinstrumenten kennen. Van Storace weten we vrijwel niets; de enige gegevens zijn ontleend aan de titelpagina van zijn enige bundel met klaviermuziek. Overigens was hij op Sicilië werkzaam; de enige connectie met Venetië is dat de genoemde bundel daar is uitgegeven. Maar Carole Cerasi schrijft in haar toelichting dat zijn muziek stilistisch nauw aansluit bij de Noorditaliaanse stijl. Dat zal dan wel de reden zijn dat hij in dit festival aan het woord komt. Cerasi speelde twee klavecimbels: een Italiaans en een Frans instrument. Ze begon op het eerstgenoemde klavecimbel met de Ballo della battaglia dat ze nogal voortvarend aanpakte; dat is op zichzelf goed maar soms leidde het hoge tempo tot een wat onheldere articulatie. Een paar cesuren hier en daar hadden niet misstaan. Dat was beter in de overige werken, o.a. Romanesca en Aria sopra la Spagnoletta. Daarna speelde ze drie stukken van D’Anglebert op het Franse klavecimbel: een prélude, Tombeau de Mr de Chambonnières – waarschijnlijk zijn leraar – en een chaconne rondeau. Daarna volgden enkele stukken van Storace die ze tot mijn verbazing op hetzelfde klavecimbel speelde. Dat klonk helemaal niet slecht, afgezien van een passage uit het Balletto waarin de gekozen registratie kraaievals bleek. Dat leek me niet de bedoeling; ook al eerder had ik de indruk dat iets met het instrument niet helemaal snor zat. Voor het overige was daarvan weinig te merken. Na weer drie stukken van D’Anglebert besloot Cerasi haar recital met de briljante Ciaccona van Storace. Eerlijk gezegd is mij de raison d’être van dit concert niet helemaal duidelijk geworden maar de confrontatie van twee stijlen is zeker interessant en Cerasi is een uitstekend en bevlogen musicus die er een boeiend geheel van maakte.

Cerasi suggereert in haar toelichting dat Storace zijn klavecimbelwerken in Venetië liet uitgeven omdat het een centrum van muziekdrukkunst was. Datzelfde gegeven lag ook ten grondslag aan het concert van Les Flamboyants onder leiding van Michael Form in Leeuwenbergh. Het programma bestond uit stukken die zijn opgenomen in de eerste gedrukte uitgave met polyfone muziek die in 1501 van de pers van Ottaviano Petrucci kwam, onder de titel Odhecaton. De bundel bestaat vrijwel uitsluitend uit Franse chansons waarvan de tekst echter alleen wordt aangeduid, niet afgedrukt. Daaruit kan de conclusie getrokken worden dat deze verzameling bedoeld was voor instrumentale uitvoering. Daarmee is het dan ook de eerste uitgave met muziek voor een ensemble van instrumenten. Bovendien worden de meeste stukken niet in de originele vorm aangeboden maar met versieringen of zelfs toegevoegde stemmen. Om toch de connectie met de vocale originelen te behouden werd een aantal stukken uit andere bronnen gezongen door Els Janssens-Vanmunster. Haar stem is daarvoor heel geschikt maar soms vond ik de voordracht iets te rechtlijnig; wat meer dynamische variatie zou welkom zijn geweest. Enkele van de bekendste ‘schlagers’ van de renaissance kwamen voorbij, zoals L’homme armé, De tous bien playne en J’ay pris amours. Onder de componisten die hun opwachting maakten waren Josquin, Obrecht, Busnoys en de tegenwoordig wat minder bekende Jean Japart. Dit concert was eigenlijk een staalkaart van wat toen overal in Europa gespeeld werd en liet zien hoe men met algemeen bekend materiaal – dat in manuscript circuleerde – omging. De leden van Les Flamboyants – op blokfluit, gamba’s, luit en harp – droegen dit repertoire levendig en met technisch raffinement voor.

De namen van de Gabrieli’s zijn onverbrekelijk verbonden met Venetië. Maar het beeld van hun oeuvre is wat eenzijdig. De aandacht gaat vooral naar de meerkorige vocale werken uit. Giovanni is ook aanzienlijk bekender dan zijn oom Andrea. De laatste stond centraal in een concert van Cantica Symphonia onder leiding van Giuseppe Maletto. Het grootste deel van de motetten in het programma is te vinden in een bundel die in 1565 in Venetië werd uitgegeven. Maar Maletto schrijft in zijn toelichting dat het hier om vroege werken gaat die ontstonden toen Andrea werkzaam was aan het hof in München, waar Lassus kapelmeester was. Alle motetten zijn voor vijf stemmen maar in de uitvoering door Cantica Symphonia varieerde het aantal zangers per motet. Soms traden alle twaalf zangers aan, dan weer werden motetten met één zanger per stem uitgevoerd. Die kwamen ook het beste uit de verf, zeker de aan Maria gewijde motetten die meestal een intiem en devoot karakter dragen. In de groter bezette stukken viel de uitvoering me wat tegen. Ik heb er geen problemen mee wanneer er luid gezongen wordt; sommige stukken vragen daar om of geven daar op z’n minst aanleiding toe, zoals Cantate Domino canticum novum waarmee het programma opende. Maar dat is geen reden een wat ruwe klank te produceren. De stemmen mengden niet optimaal en dat was deels te wijten aan één of twee zangers die een nogal scherpe klank produceerden. Niet elk ensemble hoeft dezelfde zoetgevooisde klank voort te brengen die kenmerkend is voor bijvoorbeeld Cinquecento maar hier vond ik – in elk geval in de volle bezetting van het ensemble – de klank te ongepolijst. Dat laat onverlet dat het over een aantal uitstekende stemmen beschikt; die kwamen dus vooral in de kleinere bezettingen aan het woord.

Cavalli is behoorlijk goed vertegenwoordigd in dit festival. In eerdere concerten is zijn activiteit als operacomponist belicht, het was in het avondconcert de taak van Concerto Palatino, onder leiding van Bruce Dickey, de geestelijke muziek van zijn pen te belichten. Die is ondergewaardeerd: het is veelzeggend dat in een Engels boek over Cavalli dit deel van zijn oeuvre er nogal bekaaid afkomt. Jaren geleden nam Concerto Palatino al eens Vespermuziek uit de verzameling Musiche sacre van 1656 op (Harmonia mundi, 1995). Het is dus bekend terrein voor Dickey en zijn ensemble al is de bezetting van Concerto Palatino een andere dan destijds. Het is een schitterende opname die de kwaliteiten van Cavalli’s muziek goed over het voetlicht brengt. Dat gebeurde ook tijdens het concert, want ook deze bezetting mocht er zijn, met zulke gerenommeerde zangers als Monica Piccinini, Sabine Lutzenberger, Marcel Beekman, David Munderloh, Charles Daniels, Jan Van Elsacker, Harry van der Kamp en Tim Scott Whiteley. Dan kan er weinig misgaan. Heel mooi is de variatie in karakter en bezetting tussen de verschillende delen: vier psalmen en het Magnificat. Zowel in de soli als de tutti konden de zangers overtuigen. Het ensemble slaagde erin de voor deze muziek eigenlijk niet zo geschikte ruimte naar zijn hand te zetten. Het podium bood in elk geval de mogelijkheid van een ruimtelijke opstelling. Tussen de vocale delen klonken de vier canzona’s en de twee sonates die in dezelfde bundel te vinden zijn. Die zijn waarschijnlijk bedoeld als substituut voor de antifonen. Daarmee kreeg deze uitvoering dan toch het karakter van een echte Vesper (ook al ontbraken enkele delen alsmede gregoriaanse gezangen). Dat werd doorbroken door het applaus tussen de afzonderlijke stukken wat ik als storend ervoer. De musici negeerden het aanvankelijk maar gaven uiteindelijk er toch maar aan toe. Dat hadden ze beter niet kunnen doen. Het publiek moet soms worden opgevoed. Rest me nog toe te voegen dat het spel van de instrumentalisten buitengewoon indrukwekkend was.

In het concert door Capriccio Stravagante van maandag hoorden we al muziek die op verschillende wijzen kan worden uitgevoerd: met instrumenten en bc maar ook als consortmuziek. Laatstgenoemde uitvoeringswijze stond centraal in het concert van het Franse gambaconsort L’Achéron in Hertz. Daarin werd nog eens onderstreept dat het gambaconsort nog wel degelijk bestond in Italië, ondanks de dominantie van de concertante stijl met briljante partijen voor soloinstrumenten. We hoorden het gambaconsort in twee rollen. Allereerst klonken instrumentale werken: vier korte stukken en een sonata van Biagio Marini alsmede de Sonata quarta van Legrenzi. Daarnaast trad het op als ondersteuning van de zangers van Vox Luminis in een Salve Regina van Sances – van wie we eerder “amoureuze dialogen” hoorden (Scherzi musicali, zaterdag) – en een uitgebreide zetting van het Dies irae van Legrenzi. Dat werk voor acht stemmen bevat ook een aantal passages voor één of meerdere solostemmen. Het is een prachtig stuk dat een kant van Legrenzi laat zien die nauwelijks bekend is; wat mij betreft is zijn vocale muziek één van de ontdekkingen van dit festival. De samenwerking van beide ensembles was excellent: ze opereren op dezelfde golflengte en creëerden de perfecte belans tussen stemmen en instrumenten. De expressie in dit werk kwam optimaal tot haar recht. Het schijnt dat beide ensembles ook in de toekomst blijven samenwerken. Dat is goed nieuws voor de muziekliefhebbers maar vooral voor de muziek die ze onder handen gaan nemen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: