Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2016

Dagboek Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – dinsdag 30 augustus

Op dinsdag stond er voor mij niet veel op het programma: slechts drie concerten. Het eerste was in de Lutherse Kerk, waar Francesco Corti zich wijdde aan klaviermuziek van Baldassare Galuppi. In zijn programmatoelichting bij zijn concert van maandag schreef Rinaldo Alessandrini dat na het midden van de 17e eeuw nauwelijks nog Italiaanse componisten zich met overgave op klaviermuziek stortten. Je zou Galuppi een uitzondering kunnen noemen, ook al is hij in de eerste plaats bekend geworden door zijn vocale muziek. Hij heeft niettemin een groot aantal sonates en andere werken voor een toetsinstrument geschreven, die – getuige de verbreiding in manuscript over heel Europa – met veel enthousiasme ontvangen werden. Het lijkt erop dat ze in onze tijd inmiddels ook worden ontdekt, want de laatste paar jaar heb ik diverse recensie-exemplaren van CDs met zijn klaviermuziek ontvangen. Ik heb kunnen vaststellen dat ze veel beter is dan men wellicht geneigd is te denken. De klaviermuziek uit het midden van de 18e eeuw – met uitzondering van Duitse componisten als Wilhelm Friedemann en Carl Philipp Emanuel Bach – wordt vaak geassocieerd met eenvoud, om niet te zeggen simplisme, de dominantie van de rechterhand en frequent gebruik van de Albertibas en trommelbassen, kortom: muziek die het ene oor in en het andere uit gaat. Zulke muziek is er wel maar Galuppi’s sonates zijn van betere kwaliteit. Hoewel voor amateurs geschreven zijn sommige allerminst eenvoudig. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Sonate in A waarmee Corti zijn recital besloot. Vooral het laatste deel (allegro assai) is veeleisend en laat de invloed van Domenico Scarlatti zien, onder andere in de toepassing van de techniek van het kruisen van de handen. Ook in de twee sonates waarmee Corti begon, in F resp. in c, is de invloed van Scarlatti onmiskenbaar aanwezig. Het was dan ook zinvol dat Corti twee sonates van laatstgenoemde in zijn programma had opgenomen. Interessant was ook de confrontatie met Johann Adolf Hasse, ook iemand die vrijwel uitsluitend door zijn vocale muziek bekendheid geniet. Ook hij heeft een (bescheiden) aantal klavierwerken nagelaten, die zelden gespeeld worden. Deze laten enige invloed van de Franse klavecimbelschool zien. In de Sonate in d, op. 7,5 was dat vooral in het langzame deel te horen. Corti hield een overtuigend en welsprekend pleidooi voor deze vergeten en nog niet op waarde geschatte klaviermuziek. Het klavieroeuvre van Galuppi is aan herwaardering toe en Corti liet zien hoe goed deze muziek – of in elk geval een deel ervan – kan klinken wanneer ze met stijlgevoel gespeeld wordt.

Mijn tweede concert was het avondconcert in de grote zaal van TivoliVredenburg. Onder de titel “L’amore innamorato” werden aria’s en instrumentale stukken uit verschillende opera’s van Cavalli uitgevoerd door vier zangers en het ensemble L’Arpeggiata, onder leiding van Christina Pluhar. Ik ging daar met enige scepsis heen want de weerzinwekkende uitvoering van Purcell’s Dido and Aeneas door Pluhar in het festival van vorig jaar staat me nog levendig voor de geest. Maar ze gedroeg zich keurig; dat sommige teksten in de door Cavalli getoonzette libretti ook nogal weerzinwekkend zijn is haar fout niet (ook al vermoed ik dat ze die wel kan waarderen). De uitvoering was concertant, al maakten de zangers gebruik van gestiek en bewogen ze zich in een paar aria’s of korte scènes wel over het podium. Sopraan Nuria Rial maakte muzikaal de meeste indruk, ook al omdat ze de meer intieme aria’s zong; die passen het beste bij haar stem en – voorzover ik dat kan beoordelen – haar persoonlijkheid. Mezzosopraan Giuseppina Bridelli bleek uit een wat ander hout gesneden: ze zong de meest dramatische stukken en dat ging haar uitstekend af. Ze heeft een heel theatrale aanpak die hier voortreffelijk werkte. Stilistisch was ze minder overtuigend, vooral door het soms te grote vibrato. De beide alto’s, Vincenzo Capezzuto en Jakub Józef Orlínski, hadden een mooi aandeel in het programma, maar speelden een bescheiden rol. De laatste heeft een mooie stem maar aan het wat muizige geluid van eerstgenoemde moet je wel wennen. Dit programma onderstreepte nog eens de grote muzikale kwaliteit van Cavalli’s opera’s en het is verheugend dat die de laatste jaren vaker worden uitgevoerd. De soms dubieuze teksten moet je dan maar op de koop toenemen.

Ik sloot de dag af in Hertz met het laatste concert van Gli Angeli Genève dat dit keer gewijd was aan duetten voor twee bassen, afgewisseld met enkele werken voor solostem en instrumentale stukken. In de Italiaanse barok wordt de vocale muziek gedomineerd door hoge stemmen, sopraan en alt. Bassen spelen in de opera een ondergeschikte rol en ook in andere genres wordt hun relatief weinig virtuoze muziek toebedeeld. Het is wellicht aan Rosenmüllers Duitse oorsprong toe te schrijven dat zich in zijn oeuvre verschillende virtuoze geestelijke concerten voor één of twee bassen bevinden. Op het programma stonden twee bijzonder dramatische stukken, Estote fortes in bello (Wees sterk in de oorlog) en Congregati sunt (“Onze vijanden hebben zich verzameld en pochen op hun kracht”) die Rosenmüller op de manier van een battaglia behandelt, met de daarbij behorende ritmes en accenten in de vocale en zeker ook de instrumentale partijen. Veel Duitse componisten werden door de Italiaanse stijl beïnvloed. Dat geldt ook voor Franz Tunder, zoals blijkt uit het geestelijk concert Herr, nun lässest du deinen Diener. Geheel anders van karakter is Erbarm dich mein, o Herre Gott van Heinrich Schütz, een aria voor solostem en strijkers die een bewerking is van een koraalmelodie. Dit stuk is overigens niet specifiek voor bas; de enige moderne uitgave die ik kon raadplegen geeft de solopartij aan een sopraan. Interessant is Laetatus sum van Biber, die vooral door zijn vioolmuziek bekend is. Hij was een virtuoos op dat instrument en er kan weinig twijfel over bestaan dat hij de vioolsolo in dit stuk die in feite de derde ‘stem’ is, voor zichzelf gecomponeerd heeft. Het ensemble werd enigszins gehandicapt doordat de tweede bas, Benoît Arnould, getroffen was door een keelontsteking. Uiteindelijk was daarvan niet echt veel te merken, althans niet voor het publiek. Hij sloeg zich er met bravoure doorheen. Gevolg was wel dat de solostukken die oorspronkelijk wel over beide solisten verdeeld zullen zijn geweest, allemaal door Stephan MacLeod gezongen werden. Ondanks deze tegenslag was het een bijzonder mooi concert, met indrukwekkende muziek die op uitstekende wijze werd uitgevoerd door de zangers en instrumentalisten van Gli Angeli Genève. Het was een mooi besluit van de dag en een mooi afscheid van het ensemble dat op dit festival een uitstekende indruk heeft gemaakt. MacLeod heeft zijn status als artist in residence zonder meer waar gemaakt.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: