Gepost door: Johan van Veen | 30 augustus 2016

Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – maandag 29 augustus

De tweede week begint voor mij op maandag met een concert in Hertz door Capriccio Stravagante onder leiding van Skip Sempé. Het programma documenteert de ontwikkeling van de instrumentale muziek in de eerste decennia van de 17e eeuw. Kenmerkend is het naast elkaar bestaan van verschillende vormen. Dat komt ook in de bezetting tot uitdrukking. Er werden nog stukken geschreven waarin alle partijen gelijkwaardig zijn; deze werden door vier blokfluiten uitgevoerd. Sommige stukken zijn op verschillende manieren en met verschillende instrumenten uitvoerbaar: enkele daarvan werden hier met blokfluiten en bc gespeeld maar kunnen ook door strijkers of door een combinatie van strijk- en blaasinstrumenten uitgevoerd worden. Daarnaast – en dat was het hoofdbestand van het programma – zijn er werken die vanuit de viool gedacht zijn. Daartoe behoren o.a. de stukken van Biagio Marini, Salomone Rossi en Johann Rosenmüller. Dit concert maakte op overtuigende wijze duidelijk hoe traditie en vernieuwing in de eerste decennia van de 17e eeuw in Italië naast elkaar stonden en elkaar deels ook overlapten. Helaas werd het programma in een andere en niet nader gespecificeerde volgorde dan in het programmaboek vermeld uitgevoerd wat het lastig maakte de verschillende stukken te identificeren. Dat mocht de pret verder niet drukken want de uitvoeringen van alle deelnemende musici waren uitstekend.

Mijn tweede concert bracht me naar de Lutherse Kerk, voor weer een aflevering in de serie met klaviermuziek. Dit keer speelde Rinaldo Alessandrini een programma rond de twee Gabrieli’s, die vooral vanwege hun vocale muziek – en in het geval van Giovanni ook muziek voor een instrumentaal ensemble – bekend zijn maar veel minder als componisten van muziek voor toetsinstrumenten. Het is veelzeggend dat in de Engelse muziekencyclopedie New Grove vrijwel geen aandacht wordt besteed aan Giovanni’s klavierwerken. In zijn toelichting schreef Alessandrini dat het grootste deel van dit repertoire zowel op orgel als op klavecimbel gespeeld kan worden maar dat de eigenaardigheden van deze instrumenten leidt tot verschillen in de interpretatie, bijvoorbeeld op het vlak van de articulatie. Zijn programma maakte duidelijk dat zowel Andrea als Giovanni substantiële werken voor toetsinstrumenten componeerden die tot de hoogtepunten van de vroege Italiaanse klaviermuziek gerekend kunnen worden. De toen bekende vormen van canzon en ricercare – beide door het contrapunt gedomineerd – kwamen voorbij. Daarnaast klonk een andere toenmaals populaire vorm: de bewerking van vocale muziek, in dit geval Andrea’s bewerking van Cipriano de Rore’s beroemde madrigaal Ancor che col partire. Tot de briljantste klaviermuziek behoorde de pass’è mezzo; een welsprekend voorbeeld stond aan het begin van het programma: Pass’è mezzo moderno in sei modi e il suo saltarello in quattro modi van Marco Facoli. Alessandrini gaf hiervan een gloedvolle vertolking, die helaas nu en dan door misslagen werd ontsierd. Gelukkig was dat geen omen voor de rest van het programma. Nu en dan had zijn spel ritmisch iets scherper gekund, in elk geval in de werken van de Gabrieli’s. Hij sloot zijn programma af met muziek van één van de merkwaardigste klaviercomponisten van de 17e eeuw: Giovanni Picchi. In de dansen kwam de ritmiek niets tekort en het concert werd afgesloten met een excellente vertolking van Picchi’s enige Toccata.

Jaren geleden hoorde ik in de Willibrordkerk een optreden van het Amerikaanse blazersensemble Les haulz et les bas. Dat was een indrukwekkende gebeurtenis, dus een tweede kans dit ensemble in dezelfde kerk te horen, liet ik niet lopen. Het bezit van een blazersensemble was in de renaissance en de barok een prestigekwestie. Elk zichzelf respecterend hof van een keizer of een koning had zo’n ensemble en vele steden eveneens. De rol van blazersensembles in bijvoorbeeld Duitsland (Stadtpfeifer) is bekend. Ook Venetië kon niet zonder en Les haulz et les bas hadden een programma samengesteld aan de hand van twee handschriften uit de 15e eeuw die een inzicht geven in het repertoire dat toen gespeeld werd en ook de instrumenten die daarvoor gebruikt werden. Hier waren dat schalmei, pommer, schuiftrompet en trombone; in een enkel geval werd ook slagwerk ingezet. Een aantal stukken klonk in verschillende versies; spectaculair waren vooral de zesstemmige bewerkingen – bijvoorbeeld van Josquins beroemdste motet, Ave Maria, in de tweede helft van het programma. Hoe internationaal de muziek was die toen in Venetië werd gespeeld, bleek uit de stukken van Busnoys, Dunstable (in een bewerking van Bedyngham) en Obrecht. In de eerste helft klonk een aantal anonieme stukken, sommige in een bewerking van Ian Harrison, de leider van het ensemble, die nu en dan in verdienstelijk Nederlands een toelichting gaf. De uitvoeringen waren spectaculair en niet alleen vanwege de curieuze instrumenten. Deze musici zijn echte performers die weten hoe je zulke muziek moet presenteren. Het is bewonderenswaardig hoe ze hun veeleisende instrumenten beheersen. Tegelijk was ook duidelijk dat het vrijwel onmogelijk is ze altijd zuiver te bespelen. Het is niet zonder reden dat men in latere tijd steeds probeerde die intonatieproblemen door technische aanpassingen te verbeteren. Hopelijk horen we dit geweldige ensemble in een volgende editie van het festival weer.

Het contrast met het volgende concert kon nauwelijks groter zijn. In de Pieterskerk klonk weer muziek uit de renaissance, maar nu zorgden Adriaen Willaert en het ensemble Cinquecento voor een haast serene rust. Willaert is één van de grote meesters van de renaissance maar zijn muziek wordt niet vaak uitgevoerd en ook het aantal aan zijn oeuvre gewijde CD-opnamen is beperkt. Met de Venetiaanse meerkorigheid zijn de namen van de beide Gabrieli’s verbonden, maar het is Willaert die de grondslag voor deze praktijk legde. In dit concert hoorden we daar niets van: in plaats van meerkorige werken klonken delen uit zijn Missa Mente tota, dat gebaseerd is op een motet van Josquin Desprez. Helaas werd het Credo uit de mis niet uitgevoerd. In plaats daarvan kregen we enkele gregoriaanse gezangen te horen; in de toelichting werd geen verbinding gelegd met de meerstemmige werken, maar die zat waarschijnlijk daarin dat ze betrekking hebben op Maria en dat is ook het thema van Josquins motet dat eindigt met een drievoudig gebed tot de ‘heilige Maria’. Ook dat motet werd gezongen, alsmede twee motetten van Willaert en een treurzang op de dood van de componist – op een Italiaanse tekst waarin ook wordt verwezen naar de dichters Vergilius en Dante – van de hand van zijn neef Alvise. Tekstexpressie is beperkt in dit repertoire maar hier en daar hoor je dat de tekst in de muziek uitgebeeld wordt, bijvoorbeeld de woorden “terribilis et fortis” (geducht en sterk) in het motet Creator omnium Deus. Cinquecento zorgde voor een fraaie en uitgebalanceerde interpretatie: de stemmen mengden perfect en de balans tussen de stemgroepen was ideaal. Dankzij het soepele en heel natuurlijke legato van de zangers kregen deze uitvoeringen een prachtige flow: dat kan saai worden maar was dat niet dankzij de schitterende muziek van Willaert en de genuanceerde interpretatie met zorgvuldig gedoseerde dynamische schakeringen.

Enkele jaren geleden was Václav Luks één van de artists in residence van het festival. Ook via andere concerten en CD-opnamen trekt hij met zijn ensemble Collegium 1704 en bijbehorend Collegium Vocale de aandacht. Alle reden dus naar TivoliVredenburg te gaan om in de grote zaal een programma met muziek van Albinoni, Benedetto Marcello, Giovanni Legrenzi en Antonio Lotti te beluisteren. Toen ik een blik in het programma wierp kwam me dat zeer ambitieus voor. Volgens de toelichting in het programmaboek was Marcello’s Arianna abbandonata een “lijvige cantate”; daarnaast stonden drie psalmen uit zijn bundel Estro poetico-armonico op het programma. Nu staan daar wel een paar kortere stukken in maar de meeste zijn toch aardig omvangrijk. En dan zouden na de pauze nog twee vesperpsalmen en een Magnificat van Legrenzi moeten klinken alsmede de Missa Vide Domine laborem, een missa brevis van Lotti. Dat leek me wat veel en dat was het ook. De pauze kwam pas tegen half tien. De consequentie was dat van Legrenzi slechts één psalm klonk en van Lotti alleen het Gloria uit de mis. Een merkwaardige en ongelukkige gang van zaken: Luks zal toch zelf wel weten hoe lang elk stuk duurt en het festival zal hem toch wel verteld hebben hoeveel tijd hem was toegemeten? Die mis van Lotti had ik wel graag helemaal gehoord want het Gloria is een prachtig werk. Heel expressief is bijvoorbeeld “et in terra pax” en dan moet ik nog de wonderschone sopraansolo ‘Domine Deus’ noemen, met een obligate vioolpartij, uitzonderlijk mooi gezongen door Silvia Frigato. Dit werk bevestigt dat Lotti’s muziek bijzonder expressief van karakter is, zoals we ook weten van zijn verschillende zettingen van het Crucifixus, eigenlijk de enige werken van hem die redelijk bekend zijn. Legrenzi kennen we vooral als componist van instrumentale muziek, maar ook in vocaal repertoire staat hij zijn mannetje, zoals uit Laudate pueri bleek, in de bezetting van twee sopranen, bas en bc. Het concert opende met de Sinfonia in g van Albinoni en dan volgde Marcello’s al genoemde cantate. Die bestaat uit twee recitatieven en twee aria’s. Het is een bijzonder dramatisch werk waarin de aria’s meer zijn dan vehikels om de zangeres de gelegenheid te geven haar talenten te etaleren. Silvia Frigato gaf een zeer indringende vertolking waarin de heftige gevoelens van Arianna volledig tot hun recht kwamen. Deze cantate is een opera in zakformaat en dat kwam hier goed uit de verf. De psalmen van Marcello zijn heel eigenaardige stukken, ook qua idioom. Het slot van Psalm 10 (Mentre io tutta ripongo) is unisono en doet me denken aan volksmuziek of de muziek van de laat-18e-eeuwse Amerikaanse componist William Billings. Marcello zet in de bundel Estro poetico-armonico 50 psalmen op muziek op een parafrase in het Italiaans van de dichter Girolamo Ascanio Giustiniani. In de toelichting werd gesproken over psalmzettingen voor “gemengd koor” maar dat is twijfelachtig. Alleen al het feit dat een aantal is geschreven voor drie stemmen suggereert een uitvoering met solostemmen. Luks zette zijn hele koor in, drie zangers per stem, waaruit nu en dan één zanger een bepaalde passage met een specifiek solistisch karakter zong. Zoals ik al zei, idiomatisch is dit eigenaardige muziek die in weinig lijkt op wat toen gecomponeerd werd. Ook van een splitsing tussen recitatief en aria is geen sprake, ook al zijn beide elementen wel aanwezig. Ik heb sommige psalmen uit deze bundel op CD gehoord en ook nu vond ik ze heel boeiend. Ook al heb ik mijn twijfels over de bezetting, aan de uitvoering als zodanig mankeerde niets. Ondanks de ongelukkige tijdsplanning was dit een bijzonder memorabel concert.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: