Gepost door: Johan van Veen | 29 augustus 2016

Festival Oude Muziek Utrecht 2016 – zaterdag 27 augustus

Eén van de aardige kanten van het festival is de aandacht voor weinig of zelfs geheel onbekende muziek. Nu is Tomaso Albinoni geen onbekende naam maar toch zul je die zelden op concertprogramma’s tegenkomen. Ik heb het genoegen gehad de laatste paar jaar enkele CDs met kamermuziek van Albinoni te kunnen recenseren. Daarbij ging het steeds om solosonates. Het Ensemble Masques speelde tijdens een concert in Hertz een aantal sonates uit Albinoni’s opus 2, in de bezetting van twee violen, twee altviolen en bc. Luisterend naar dit concert vroeg ik me af waarom deze stukken zo zelden uitgevoerd worden. Wellicht zijn ze niet spectaculair genoeg – Albinoni is geen Vivaldi. Maar juist omdat hij een eigen geluid heeft zou hij meer aandacht verdienen. In de toelichting werd gesteld dat Albinoni “emotioneel redelijk op de vlakte” blijft. Dat mag zo zijn maar aan expressie ontbreekt het bepaald niet, zoals vooral de langzame delen laten zien, bijvoorbeeld het adagio van de Sonata VI die het programma opende. Contrapunt speelt een belangrijke rol in Albinoni’s oeuvre en dat kwam tot uiting in de verschillende fugatische delen. Daarin lieten de spelers hun kwaliteiten in het ensemblespel horen. Dit concert was een overtuigend pleidooi voor een relatief ‘vergeten’ componist. Dat was ooit anders: dat beroemd/beruchte ‘adagio voor orgel en strijkers’, zoals het meestal werd genoemd, was een hit in de dagen van de traditionele uitvoeringspraktijk maar is in de ban gedaan door de historische uitvoeringspraktijk aangezien het in feite om een nieuw werk van Remo Giazotto gaat. Het zou gebaseerd zijn op een thema van Albinoni maar dat moet betwijfeld worden. Het werd – misschien als een gimmick – tijdens dit concert gespeeld. Vooral een uitvoering met oude instrumenten onthult hoe weinig dit stuk met Albinoni te maken heeft of zelfs met oude muziek. Het is een voorbeeld van de ouderwetse romantische visie op de barok. De tijd dat die visie domineerde, ligt gelukkig ver achter ons.

Zoals elk jaar is er ook nu weer een serie met recitals op toetsinstrumenten in de ideale ruimte van de Lutherse Kerk. Marco Mencoboni beet het spits af met een interessant programma met klaviermuziek uit Venetië op de grens van renaissance en barok. Het programma opende met enkele anonieme dansen zoals die typerend zijn voor de renaissance. Marco Antonio Cavazzoni en zijn zoon Gerolamo waren vertegenwoordigd met respectievelijk een bewerking van een chanson – de componist daarvan werd niet vermeld – en een ricercare, één van de belangrijkste vormen van klaviermuziek rond 1600. Het grootste deel van het programma was gewijd aan Claudio Merulo die een sleutelrol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de muziek voor toetsinstrumenten. Ook van hem klonk een chansonbewerking – Lassus’ Susanne un jour – alsmede een ricercare, een canzona – de laatste een vorm gebaseerd op vocale muziek – en twee toccata’s, die hun oorsprong vinden in improvisaties. De twee toccata’s lieten de ontwikkeling binnen het oeuvre van Merulo zien: de Toccata I del primo tono is nog relatief eenvoudig, maar de Toccata I dell’undecimo detto quinto tono is een uitgebreid en virtuoos stuk dat al in de richting van Frescobaldi wijst. Eén van diens toccata’s speelde Mencoboni als toegift waarmee hij een bijzonder boeiend recital afsloot. Zijn helder gearticuleerde spel liet de polyfonie in het gekozen repertoire mooi uitkomen maar ook de dramatische aspecten, bijvoorbeeld in de laatstgenoemde toccata, kwamen goed tot hun recht.

Mijn derde concert was het optreden van Scherzi Musicali onder leiding van Nicholas Achten in Leeuwenbergh. Het hele concert was gewijd aan ‘amoureuze dialogen’ van Giovanni Felice Sances, die vooral bekend is van zijn zetting van het Stabat mater. De teksten in dit concert waren heel wat minder verheven. Binnen het thema was er veel variatie, ook in de vormen. Het eerste stuk, Chi nel regno almo d’Amore, is strofisch van opbouw terwijl het daarna uitgevoerde Pietosi, allontanatevi bestaat uit twee recitativische passages, gevolgd door aria’s. Er waren enkele stukken voor solostem maar de meeste waren voor twee of drie stemmen. Daarbij gaat het niet in alle gevallen om dialogen. L’infortunio d’Angelica, Lilla bell’e crudele en Tirsi morir volea zijn echte dialogen tussen verschillende karakters. In het eerstgenoemde is één van de rollen die van de testo, de verteller zoals we die in Monteverdi’s Combattimento di Tancredi e Clorinda vinden. Het stuk heeft ook een paar passages die als coro betiteld worden en voor drie stemmen zijn gezet. In het laatstgenoemde stuk treedt ook een soort van testo op, maar dan met de naam Festauro. Deze rollen werden door Achten zelf gezongen, een multitalent: bariton en bespeler van harp, virginaal en theorbe. Zijn manier van zingen doet aan die van Marco Beasley denken: vrij licht en heel wendbaar, met gemakkelijke en natuurlijke versieringen. Als verteller voldeed hij maar het is de vraag of zijn partij soms niet wat meer gewicht had moeten hebben. Als geheel was het een mooi concert dat de kwaliteiten van Sances overtuigend over het voetlicht bracht. Sopraan Deborah Cachet had wat meer nuance in haar interpretaties kunnen brengen; het was allemaal een beetje te luid en te rechtlijnig. Binnen het ensemble was de balans niet altijd optimaal, zeker ook doordat tenor Jean-François Novelli wat weinig presentie had en een beetje bleek uit de hoek kwam. Van dit programma was meer te maken geweest. Het instrumentale aandeel was uitstekend.

Om vijf uur waren er twee concerten waaruit het moeilijk kiezen was: La Colombina wijdde in de Pieterskerk een programma aan Adriaan Willaert terwijl in de Geertekerk Gli Angeli Genève nog eens Rosenmüller in de schijnwerpers zette. Ik had voor laatstgenoemd concert gekozen en daar had ik geen spijt van, al hoorde ik later dat La Colombina’s concert voortreffelijk was. We hoorden in de Geertekerk kleiner bezette werken van Rosenmüller, daaronder een vesperpsalm, een zetting van Confitebor tibi Dominum, een Magnificat en een sonate. Opnieuw raakte ik onder de indruk van de verbeeldingskracht van Rosenmüller: de verbinding van tekst en muziek, het uitlichten van bijzonder betekenisvolle passages, het gebruik van harmonie ten behoeve van de expressie en de effectieve inzet van instrumenten en dan nog de afwisseling in de vocale bezetting. Vooral Alexandra Lewandowska, Alex Potter en Thomas Hobbs hadden een paar prachtige solopassages die ze op indrukwekkende wijze ten gehore brachten. Naast een zetting van Nisi Dominus van Rosenmüller hoorden we ook een zetting van Giovanni Antonio Rigatti, een weinig bekende componist die – als we op het hier uitgevoerde werk mogen afgaan – veel meer aandacht zou moeten krijgen, want dit was een buitengewoon expressief en indringend stuk dat door het ensemble briljant werd uitgevoerd.

Het komt niet zo vaak voor dat een musicus met stormachtig applaus wordt begroet nog voordat hij een noot gezongen of gespeeld heeft. Maar precies dat overkwam Philippe Jaroussky, die in de grote zaal van TivoliVredenburg, samen met zijn ensemble Artaserse, een programma rond opera’s van Cavalli ten gehore bracht. Naast muziek van Cavalli zelf klonken stukken uit opera’s van Pietro Antonio Cesti, Luigi Rossi, Giovanni Legrenzi en Agostino Steffani. Er was veel afwisseling in het karakter van de diverse aria’s. Er waren lamento’s – het magnifieke ‘Lasciate averno’ uit Luigi Rossi’s L’Orfeo en het prachtige Lamento di Polemone van Cesti – maar ook woedearia’s en wat meer ironische stukken. In deze tijd maakt een humoristische verhaallijn nog deel uit van de opera. Zo’n programma kan heel verbrokkeld werken wanneer elk stukje afzonderlijk wordt gepresenteerd en wordt gevolgd door applaus. Jaroussky wilde dat vermijden en de verschillende aria’s werden aaneengesmeed door instrumentale stukken of korte overgangspassages. Nadeel is wel dat afzonderlijke stukken niet de kans krijgen echt te bezinken en vooral bij de lamento’s vond ik dat een nadeel. Maar dat is de prijs die je betaalt wanneer fragmenten uit opera’s worden uitgevoerd. Jaroussky maakte zijn reputatie volledig waar. Elke aria kreeg een indringende en geëngageerde interpretatie. De intiemere en droevige aria’s kwamen het best uit de verf. Jaroussky heeft van nature geen heel grote stem maar wel veel nuance en kleur en die eigenschappen komen juist in zulke aria’s van pas. In die aria’s waarin de protagonist lucht geeft aan zijn woede was hij minder overtuigend. Ik had het gevoel dat hij zich in luide passages iets moest forceren en dan klonk z’n stem niet altijd mooi en sloop er ook een te groot vibrato in. Dat neemt niet weg dat dit concert ongetwijfeld als één van de hoogtepunten de geschiedenis van het festival zal ingaan. Het belangrijkste is dat hier de kwaliteit van de 17e-eeuwse Italiaanse opera – die, met uitzondering van Monteverdi en inmiddels ook Cavalli, nauwelijks bekend is – hier in volle omvang werd gedemonstreerd. Complimenten ook aan het instrumentale ensemble dat met Jaroussky een hechte eenheid vormde. Het enthousiasme van het publiek kende geen grenzen en drong Jaroussky tot drie toegiften. De eerste was Monteverdi’s Si dolce è’l tormento, prachtig subtiel gezongen en gespeeld, met mooie en inventieve versieringen. Misschien had Jaroussky het toen voor gezien moeten houden. De aria ‘Vi ricorda, o boschi ombrosi’ uit Monteverdi’s L’Orfeo werd heel mooi gezongen maar de herhaling van Steffani’s aria ciaccona ‘Gelosia, lasciami in pace’ (uit Alarico) was een beetje karikaturaal.

Mijn dag eindigde in Hertz waar Laurent Stewart en zijn Ensemble #Baroques een programma presenteerden onder de titel “Chiaroscuro: licht en donker in Venetië”. De hoofdrol speelde Barbara Strozzi, de zangeres en componiste die in haar tijd in beide hoedanigheden furore maakte. In haar cantates en aria’s gaat het er vaak heftig aan toe, zowel in emotioneel als in dramatisch opzicht. Dat stelt hoge eisen aan de zangeres die deze stukken uitvoert. Mezzosopraan Dagmar Saskova voldeed in elk opzicht. Ze beschikt over een krachtige, kleurrijke en soepele stem waarmee ze alle hoeken en gaten van Strozzi’s aria’s verkende, bijvoorbeeld in het korte Tradimento maar ook in de dramatische scène Su’l Rodano severo. Niet minder indrukwekkend waren de stukken van andere componisten, met name Nicolò Fontei, o.a. zijn Pianto d’Erinna waaruit een fragment klonk. De vocale werken werden afgewisseld met instrumentale stukken van Legrenzi en Rosenmüller, mooi gespeeld door de violisten van het ensemble Odile Édouard en Benjamin Chénier. Het was een mooie afsluiting van de zaterdag en daarmee van de eerste week van het festival.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: