Gepost door: Johan van Veen | 6 september 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – nabeschouwing

Het is tijd voor een nabeschouwing. Ik heb nog even die van vorig jaar doorgelezen en het trof me dat ik een aantal opmerkingen vrijwel ongewijzigd kan herhalen. Opnieuw is het aantal bezoekers gegroeid, maar nog steeds zijn er lege plaatsen, zeker bij de klavecimbelrecitals en de concerten van half elf ’s avonds. Er zijn in het festival wel jongere bezoekers te signaleren, maar het zou me niet verbazen wanneer dat grotendeels muziekstudenten zijn, ook uit het buitenland. In concerten tijdens het reguliere seizoen zie ik die niet. Ook mijn opmerkingen over de relatief geringe betrokkenheid van Radio 4 kan ik herhalen. Enkele concerten zijn rechtstreeks uitgezonden (helaas vaak in nogal belabberde geluidskwaliteit), maar opnamen voor een later tijdstip heeft men geheel aan de Concertzender overgelaten. En die is nog steeds niet overal via de kabel te ontvangen, ook niet hier in Utrecht waar de zender nota bene zijn burelen heeft. Ik heb al eens gewezen op de soms wat problematische relatie tussen muziek en ruimte; dat hoef ik niet te herhalen.

Ook de kwestie van de boventiteling in de grote zaal van TivoliVredenburg heb ik al aangesneden. Ik wil nog wel opmerken dat de vertalingen soms wel wat merkwaardig waren, voorzover je dat kunt zeggen zonder de originele tekst gezien te hebben. Het lijkt me gewoon een misser om “race” als “ras” te vertalen. Dat betekent het wel, maar in de context van de uitgevoerde werken betekent het “geslacht” in de zin van “familie”. Daar hoef je geen Engels voor gestudeerd te hebben.

Over het geheel genomen denk ik dat dit een kwalitatief heel goede aflevering van het festival was. Het thema was goed gekozen en grotendeels goed uitgewerkt. De belangrijkste genres waren vertegenwoordigd. Natuurlijk kun je altijd van mening verschillen over wat wel en niet geprogrammeerd was. In de programma’s met consortmuziek heb ik bijvoorbeeld Christopher Tye gemist; zijn consortmuziek is heel belangrijk en van hoge kwaliteit. Het ensemble Spirit of Gambo heeft recent een prachtige CD met het grootste deel van dat repertoire uitgebracht en dat zou een mooie bijdrage aan het festival zijn geweest.

Het is jammer dat de meeste zangers zich bij het uitvoeren van luitliederen tot Dowland beperken. Er waren veel meer goede componisten van zulke liederen, maar die zijn vrijwel niet aan de orde geweest. Ik noem hier in het bijzonder Henry Lawes, van wie een groot aantal liederen – waarschijnlijk grotendeels voor het theater gecomponeerd – overgeleverd zijn, die je nooit hoort en nauwelijks op CD verkrijgbaar zijn. Ook enkele componisten heb ik gemist, bijvoorbeeld John Ward of, uit later tijd, Pelham Humfrey, een uiterst interessante componist. En Dowland heeft meer gecomponeerd dan wereldlijke en instrumentale muziek. Er zijn ook psalmen, wonderlijk genoeg op melodieën uit het Geneefse psalter. Uit de 17e eeuw zijn ook veel geestelijke liederen voor huiselijk gebruik overgeleverd, o.a. van de hand van de gebroeders Lawes. Opnieuw: dat deel van het repertoire is nauwelijks bekend en dat blijft ook na dit festival zo. Tenslotte: veel Purcell is mooi, maar helaas zijn wel erg veel bekende werken uitgevoerd. Hij heeft nogal wat liederen gecomponeerd – en dan niet de tegenwoordig meestal uitgevoerde liederen uit zijn toneelmuziek – maar die hoor je vrijwel nooit. Zelfs een groot deel van zijn anthems is onbekend en dat geldt in nog sterkere mate voor die van zijn collega Blow.

Zo blijft er altijd wat te wensen over. Misschien iets voor een volgend ‘Engels’ festival.

Mijn kritiek op Christina Pluhars capriolen in Purcells Dido and Aeneas ga ik niet herhalen. Mijn opmerkingen in de vorige aflevering zijn duidelijk genoeg. Ik constateer met genoegen dat Jan Nuchelmans die kritiek in de kern deelt, al laat hij zich in het openbaar – op Radio 4 – wat diplomatieker uit. Hij wijst terecht op de verantwoordelijkheid van het festival ten aanzien van de oude muziek. Ik onderstreep ook graag zijn visie dat een historisch verantwoorde uitvoering zich niet tot de instrumenten beperkt. Die moet een Gesamtkunstwerk zijn – de term is van de NPO-omroeper – en dat zou mijns inziens betekenen dat consequenter gestreefd wordt naar de correcte stemming in renaissancemuziek en een meer historische uitspraak van teksten. Ik hoor nog teveel een moderne uitspraak van het Engels, terwijl echt wel het één en ander bekend is over de uitspraak in vroeger tijden. En misschien kan men ook eens de kwestie van dat vervelende vibrato aan de orde stellen. Vox Luminis is een prachtig voorbeeld van een ensemble dat laat horen dat vibrato helemaal niet nodig is om tot expressieve interpretaties te komen.

De beslissing dit ensemble tot artist in residence te bombarderen was een gouden greep. Het heeft zijn status volledig waargemaakt en moet als één van de beste vocale ensembles in de wereld van de oude muziek worden beschouwd. Hopelijk is het volgend jaar weer van de partij.

Dan staat Venetië centraal en daarbij wordt de schijnwerper speciaal gericht op Adrian Willaert. Ik kijk er nu al naar uit.

Advertenties

Responses

  1. Getuige het daverende applaus na Dido and Aeneas was het publiek duidelijk wel gecharmeerd van het concert. Ik heb genoten!


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: