Gepost door: Johan van Veen | 5 september 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – zaterdag 5 september

Mijn laatste festivaldag is volgepland tot en met het avondconcert met Purcells Dido and Aeneas. Het eerste concert is in Hertz en maakt deel uit van de serie “Out of Handel’s shadow”. Dat geldt zeker voor Johan Helmich Roman, de eerste geboren Zweedse componist in de geschiedenis, maar veel minder voor Francesco Geminiani, die bepaald niet onbekend is. De laatste jaren is er toenemende aandacht voor Roman en dat is meer dan terecht, zoals dit concert door Musica ad Rhenum overtuigend laat zien. Jed Wentz speelt twee van zijn twaalf sonates voor traverso en bc; daarin klinkt niet alleen de invloed van Händel door, maar zeker ook van de Italiaanse opera. Die wordt nog eens onderstreept door Wentz’ interpretatie, waarin niet alleen de contrasten tussen de verschillende delen naar voren komen, maar ook die binnen afzonderlijke delen, onder andere door vertragingen en versnellingen zoals we die van dit ensemble gewend zijn. Van Geminiani speelt Job ter Haar één van de zes cellosonates die hij als zijn opus 5 in 1746 in Parijs uitgaf. Het zijn nogal eigenzinnige stukken waarin het ritme een belangrijke rol speelt. Dat komt in deze uitvoering goed tot z’n recht. Michael Borgstede speelt enkele klavecimbelwerken die mogelijk van de hand van Händel zijn en zich in de Montagu Music Collection bevinden. Het eerste is een Arpeggio, de twee volgende zijn bewerkingen van opera-aria’s. De tweede is nogal virtuoos en lijkt op de bewerkingen van William Babell; Borgstede verslikt zich nu en dan, maar geeft overigens mooie uitvoeringen. Tenslotte een paar bewerkingen van Schotse melodieën, die in de eerste helft van de 18e eeuw nogal populair waren in Engeland. Het zijn charmante en soms humoristische stukjes, ook door de wat eigenaardige ritmes. Wentz en zijn collega’s maken er het beste van.

In een serie gewijd aan de virginalisten kan William Byrd natuurlijk niet ontbreken. Hij kan als de eerste grote virginalist beschouwd worden die, volgens Mark Manion in het programmaboek, het klavecimbel als soloinstrument op de kaart zette en het van een geheel eigen idioom voorzag. Twee recitals zijn aan hem gewijd, beide in de Lutherse Kerk: zondag speelt Aapo Häkkinen een selectie, vandaag is het Ursula Dütschler. Het programma wordt geopend en besloten met twee fantasieën: de laatste is de briljante Fantasia in G (MB 62). Heel mooi is The carman’s whistle met een onverwachte modulatie, indrukwekkend is wat Byrd maakt van een eigenlijk simpel melodietje als The queens alman, ook bekend als Une jeune fillette, La Monica en Von Gott will ich nicht lassen. Een imitatie van klokken kan gemakkelijk triviaal worden maar dat is The Bells allerminst. Dütschler speelt dit programma heel mooi, met een grote technische beheersing en expressiviteit. Het bekende The woods so wild is één van de hoogtepunten.

De oudste muziek in dit festival wordt uitgevoerd door Dialogos onder leiding van Katarina Livljanic. Het programma concentreert zich op de cultus van Sint-Swithun, die in de 10e eeuw begon. De rode draad vormt de beschrijving van zijn leven door Wulfstan, een zanger uit Winchester; deze wordt aangevuld met gedeelten uit een hagiografie van deze heilige. Deze teksten zijn zonder muziek overgeleverd; ze worden hier voorgedragen op nieuw gecomponeerde en geïmproviseerde muziek waarin geprobeerd wordt de stijl van de tijd – voorzover die bekend is – te benaderen. Gedeelten van de tekst worden sprekend voorgedragen; er zijn ook enkele scènische elementen. Deze teksten worden afgewisseld met liturgische gezangen uit het Winchester Troparium, dat een groot aantal tweestemmige stukken bevat en daarmee een voorbeeld van de vroegste meerstemmigheid is. Deze opzet mondt uit in een bijzonder boeiend geheel – een combinatie van “storytelling” en liturgie, die op welsprekende wijze wordt voorgedragen door de vier zangeressen van Dialogos. Dit concert maakt duidelijk dat deze heel oude muziek een modern publiek zeer wel kan boeien zonder allerlei moderne fratsen.

In de Pieterskerk maakt een Portugees vocaal ensemble zijn festivaldebuut: Officium onder leiding van Pedro Teixeira. Het heeft zich tot nu toe vooral met Portugese renaissancemuziek beziggehouden; vandaag klinken Engelse werken van Byrd, Tallis en Sheppard. De programmering is niet erg origineel: het is een beetje “the best of”. Met uitzondering van de vierstemmige mis van Byrd hebben alle stukken al eerder tijdens dit festival geklonken. Daar staat tegenover dat het ensemble zijn visie op deze muziek met overtuiging verdedigt en een mooi visitekaartje afgeeft. Opvallend zijn de aandacht voor de tekst – die is meestal te verstaan, wat bepaald geen vanzelfsprekendheid is – en soms sterke dynamische accenten, die bij mij wel vragen oproepen. Ik noteer ook een soort van warmte die de uitvoeringen van dit ensemble kenmerken en die je van Engelse ensembles meestal niet hoort. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in het overbekende Ave verum corpus van Byrd. Hoogtepunt is Tallis’ Miserere nostri, Domine dat een bijna electrificerende interpretatie krijgt; in dit stuk staan de zangers in een kring. Dat zouden ze vaker moeten doen; het lijkt de intensiteit van de uitvoeringen te bevorderen. De kennismaking met Officium is me goed bevallen en hopelijk komt het ensemble in een volgende editie van het festival terug.

Naar mijn laatste concert van dit festival heb ik uitgekeken. Purcells enige opera Dido and Aeneas is een meesterwerk, en Mariana Flores zal de titelrol zingen. Ik heb haar de afgelopen jaren op concerten en op CDs als een zeer expressieve zangeres leren kennen en ik verwachtte een hoogst expressieve interpretatie van de rol van Dido, vooral van die beroemde slotaria ‘When I am laid in earth’, één van de mooiste in de barok. Ze stelt niet teleur; ze zingt haar rol met grote intensiteit. Maar helaas wordt de positieve indruk daarvan door Christina Pluhar volledig teniet gedaan door de voor haar typerende eigenzinnigheden, zoals allerlei jazz-achtige interpolaties. De hele proloog wordt op een onhistorische manier bij elkaar gerommeld. De scènische elementen zijn buitengewoon smakeloos en vaak zonder meer vulgair. Zoals altijd zet Pluhar de partituur naar haar hand en doet ze dingen die historisch ingefundeerd zijn. Ze gebruikt in het orkest een contrabas, terwijl vaststaat dat dit instrument in Purcells tijd in Engeland niet gebruikt werd. Een zink heeft in Dido and Aeneas niets te zoeken. In de proloog werd ook nogal vals gespeeld. En waarom doen de heksen alsof ze niet kunnen zingen?
Het is me een raadsel waarom gerespecteerde musici als Mariana Flores of eerste violiste Veronika Skuplik aan dit soort flauwekul meewerken. Met historische uitvoeringspraktijk heeft dit allemaal niets te maken. Door de muziek van Purcell op te leuken – althans, ik neem aan dat ze het zelf wel leuk vindt – geeft Pluhar er blijk van die niet serieus te nemen. En wie een componist en zijn muziek niet serieus neemt, hoort niet in dit festival thuis.

Ik had me mijn slotavond van het festival anders voorgesteld.

Maandag volgt een slotbeschouwing.

Advertenties

Responses

  1. Helemaal,mee eens, ik heb genoeg van de fratsen en de egotripperij Van mevrouw. Ben niet eens naar het concert geweest, Dido is veel te mooi om aan charlatans over te laten. Genoeg podia waar ze haar kunstjes kan tonen.

    Ik vind Murray Perania een geniale Bachvertolker, maar niemand haalt het in zijn hoofd om hem naar het OM festival te halen. En dan zitten we toch een paar niveaus boven Pulhar.

  2. Pluhar uitSellerst Peter Sellers, die, net als zij, veel kennis van zaken heeft en die misbruikt.
    Dat een poging wordt gedaan de ontbrekende muziek van de Proloog te reconstrueren, valt te prijzen, maar deze is mislukt. Dat de heksen als hoeren worden verkleed, is een veel te vette knipoog naar de Hoer van Babylon-opvatting over de RK kerk, maar dat de begeleidende duivels de pseudo-Mercurius leveren, die eindelijk eens duidelijk maken waar dit stuk over gaat, is wel weer fraai gevonden. Dat iemand tussen de bedrijven door liederen van Purcell komt zingen (Edinburgh Fair) is authentiek, maar waarom moet dat een man in een jurk zijn, die ook nog nadrukkelijk onbaroks zingt?
    De stijlbreuk door de ingevoegde jazz deed voor mij de deur dicht. Het
    festival onwaardig en een belediging aan het adres van Henry Purcell.

  3. Wat een piskijkers en zuurzeikers deze Shmulik en Juul (hun namen klinken bedenkelijk illustratief; eerstgenoemde criticus is niet eens aanwezig geweest….en nummer twee schrijft zichzelf niet in schrijnende zin te hoeven herhalen, maar doet het toch ten overvloede!).
    Ik werd aangenaam verrast door de swingende interpretatie van mevrouw Pluhar. En met mij vele andere aanwezigen: er werd doodstil geluisterd en luidkeels geamuseerd gereageerd. Mooi en leuk!! Heb zelden zo lang en gemotiveerd geapplaudisseerd…
    Dit is nog eens een goede manier om jongeren te werven voor de oude muziek.


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: