Gepost door: Johan van Veen | 3 september 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – woensdag 2 september

Woensdag begint waar dinsdag mee eindigde: muziek van John Jenkins. In de Geertekerk treedt het ensemble Fantasticus op. Bij aanvang van het concert wordt meegedeeld dat de violiste Rie Kimura ziek is. Ze wordt vervangen door Antoinette Lohmann. Ik weet niet hoeveel tijd zij heeft gehad zich op dit concert voor te bereiden, maar het is opmerkelijk hoe gemakkelijk ze zich door het programma heenwerkt. Ook het samenspel met Robert Smith (viola da gamba) en Guillermo Brachetta (klavecimbel, orgel) staat als een huis. In het concert van gisteren (Ensemble Masques) konden we al horen hoe de viool in het oeuvre van Jenkins langzaam maar zeker een grotere plaats inneemt. In de suites die toen werden uitgevoerd functioneren ze als alternatief voor de gamba; deze werken kunnen ook als consortmuziek gespeeld worden. In de fantasias-suites die op het programma van Fantasticus staan is daarvan geen sprake meer. Ze bestaan uit drie delen: een uitgebreide fantasia en twee korte dansen of airs. De vorm van de fantasia-suite werd ontwikkeld door John Coprario, maar Jenkins’ bijdragen tot dit genre zijn veel moderner. De vioolpartij is opvallend virtuoos, vooral in de fantasia’s. Wat Jenkins hier doet met de viool zou men kunnen vergelijken met wat Christopher Simpson met de gamba deed, zoals het al genoemde concert van gisteravond liet zien. Ook William Lawes was vertegenwoordigd met een vergelijkbaar werk, Fantazia and ayres nr. 8 in D. In de programmatoelichting werd erop gewezen dat ze elkaar waarschijnlijk beïnvloed hebben. Naast deze twee geboren Engelsen prijkte de uit Napels afkomstige Nicola Matteis op het programma. Hij vestigde zich rond 1670 in Engeland en liet de Engelsen verbaasd staan om zijn ongeëvenaarde virtuositeit. Die komt in zijn vioolwerken duidelijk tot uiting. Sommige van die stukken zijn nogal bizar, maar in dit programma hoorden we enkele relatief ‘conventionele’ werken. Ik heb niets dan bewondering voor de verrichtingen van Antoinette Lohmann, die prachtig speelde: technisch gaaf en muzikaal en stilistisch overtuigend. Ook Smith en Brachetta leverden uitstekende prestaties. Fantasticus is een in Nederland gevestigd ensemble, dus we mogen hopen het vaker op onze podia tegen te komen.

De serie klavecimbelrecitals werd voortgezet door Richard Egarr. Dat was weer in Hertz; ik heb iemand horen zeggen dat de Lutherse Kerk een veel betere plek voor dit soort concerten is. Daar ben ik het eigenlijk wel mee eens. Hertz is een mooie zaal en de akoestiek is prima, maar de Lutherse Kerk heeft iets eigens. Het is bijna een soort grote huiskamer en er is een directer contact tussen de musicus en zijn publiek. Egarr had twee componisten en tijdgenoten op het programma staan: Henry Purcell en John Blow. De klavecimbelwerken van beide zijn vrij onbekend, hoewel Purcell op CD heel wat beter vertegenwoordigd is dan Blow. Egarr voerde een pleidooi voor Purcell; hij heeft ook al eens een CD met zijn klavecimbelwerken opgenomen. Sommige suites zijn technisch weinig gecompliceerd, maar dat wil niet zeggen dat ze van weinig waarde zijn. De relatieve eenvoud heeft z’n eigen charme en onderhoudend zijn Purcells suites zeker. Dat kwam in Egarrs interpretatie goed uit de verf. Hij speelde ook drie grounds, een in Engeland in die tijd heel populaire vorm. Purcell maakte er vaak gebruik van, ook in vocale muziek; enkele van die vocale grounds zijn later voor klavecimbel bewerkt, zoals de door Egarr ook gespeelde A new ground in e, een bewerking van ‘Here the deities approve’ uit Purcells eerste Ode for St Cecilia’s Day, dinsdag j.l. door de Gabrieli Consort & Players uitgevoerd. Opmerkelijk waren de twee werken van Blow, die ik nooit eerder had gehoord. Vooral de Chaconne in FaUt is een opmerkelijk werk, virtuozer dan Purcells klavecimbelwerken. Wie dit stuk hoort verbaast zich erover dat het blijkbaar nooit gespeeld wordt. Ook de Suite in d is een mooi stuk, met soms merkwaardige harmonieën. Egarrs enthousiasme voor de door hem uitgekozen muziek was aanstekelijk en hij wist met zijn spel de toehoorder van de kwaliteiten daarvan te overtuigen.

Vox Luminis kennen we vooral van muziek uit de barok. Het was daarom interessant te horen hoe men het Engelse renaissancerepertoire zou aanpakken. In de Pieterskerk werd een programma met anthems uitgevoerd onder de titel “Light and shadow”. Dat laatste sloeg op de inhoud van de verschillende anthems en motetten. Op het programma stonden motetten op Latijnse tekst voor de rooms-katholieke liturgie en anthems voor de Anglicaanse liturgie in het Engels. Het ensemble gebruikte de ruimtelijkheid goed door enkele stukken in het koor uit te voeren of een zanger die de gregoriaanse verzen zong zijwaarts op te stellen. Vox Luminis produceert een nogal sonore klank, die afwijkt van wat we van Engelse ensembles gewend zijn. Of dat aan de stemmen of aan de training ligt is moeilijk te zeggen. In Engeland zijn er koren van jongens- en mannenstemmen die ook een afwijkende klank produceren en dat wordt dan ‘continentaal’ genoemd, dus het zal waarschijnlijk aan de training liggen. Wat de historische waarheid – als die hier al bestaat – het meest benadert is waarschijnlijk onmogelijk uit te maken. Mij beviel dit ‘alternatief’ heel goed, en dat lag natuurlijk ook aan het niveau dat we van dit ensemble gewend zijn. De samenklank, de dynamiek, de manier waarop de tekst werd behandeld – het getuigde allemaal van de intelligentie en het stijlbewustzijn waarmee Vox Luminis te werk gaat. Het programma eindigde met een prachtig subtiel gezongen In pace in idipsum van Sheppard. Hopelijk horen we het ensemble vaker in renaissancerepertoire.

Het is algemeen bekend dat in Engeland de opera niet van de grond kwam. Purcells Dido and Aeneas wordt als de enige echte Engelse opera beschouwd. Maar er is ook Venus and Adonis van John Blow. Of dat een opera is, daarover zijn de meningen verdeeld. Blow zelf noemde het een masque. Het Dunedin Consort dat onder leiding van John Butt de laatste jaren een aantal opmerkelijke CD-opnamen heeft uitgebracht, maakte zijn debuut in Utrecht met dit werk. Het was een concertante uitvoering en – in tegenstelling tot Purcells King Arthur – werden hier geen scènische elementen ingebracht. Heel dramatisch is het werk ook niet; er zit nauwelijks handeling in. Dat wil niet zeggen dat er niets dramatisch gebeurt: Adonis wordt tijdens de jacht door een everzwijn dodelijk gewond waarna Venus in een jammerklacht uitbarst. Die is wel expressief, maar ook ingetogen. Typisch Engels, zou je kunnen zeggen: laten we vooral niet overdrijven. Die klaagzang werd door Mhiari Lawson goed gezongen, maar stilistisch was ik van haar verrichtingen niet erg onder de indruk. Haar nogal vibratorijke gezang kon me niet erg bekoren. In het algemeen vond ik de vocale verrichtingen niet bijzonder; ook Matthew Brook maakte weinig indruk als Adonis. Claire Wilkinson was het meest overtuigend als Cupid. Het instrumentaal ensemble speelde mooi, maar niet bijzonder spannend of inventief. Venus and Adonis is zeker een mooi werk dat terecht werd uitgevoerd in het festival, want ondanks verschillende CD-opnamen is het niet echt bekend. Maar deze uitvoering was nauwelijks een overtuigend pleidooi voor het werk. En het Dunedin Consort is niet de ontdekking van de eeuw die ik persé in een volgende editie terug wil zien. In het eerste deel van het concert, in het programmaboek enigszins oneerbiedig als ‘voorprogramma’ aangeduid, klonken instrumentale werken van Henry Lawes, Gibbons en Locke, en vocale werken van Weelkes en Ward. Die laatste twee componisten verdienen veel meer aandacht; vooral Ward wordt zelden uitgevoerd – ook niet in dit festival, en dat is een gemis, want zowel zijn vocale werken als zijn consortmuziek zijn van hoge kwaliteit. Dat kwam hier wel tot z’n recht; het eerste deel van het concert sloeg ik hoger aan dan Blow, hoewel ook hier het vibrato van enkele zangers de samenklank enigszins ondermijnde.

Je hoopt altijd dat in het festival muziek te horen is die je nog niet kende. Dat was zeker het geval in het concert op de late avond door Spes Nostra, een gambaconsort onder leiding van Jérôme Hantaï. Het grootste deel van het programma was afkomstig uit een handschrift dat zich in de British Library bevindt. Daar staan een aantal stukken in die uit andere bronnen ook bekend zijn, maar ook unica, werken die alleen hierin voorkomen. Het programma was opgedeeld in drie onderdelen. Het eerste was gewijd aan hymnes: het handschrift bevat een aantal vocale werken die zonder tekst zijn genoteerd. Dat laat zien dat vocale muziek vaak ook instrumentaal werd uitgevoerd. En zo hoorden we hier o.a. Spes nostra van Osbert Parsley en Miserere van Henry Stoning, namen die de meeste muziekliefhebbers niets zullen zeggen en die ik ook voor het eerst hoorde. Natuurlijk konden enkele In nomine’s niet ontbreken. In het tweede deel hoorden we dansen: een pavan van Ferrabosco II en een almand van Dowland, met daartussen vier stukken van Holborne. Geen slagwerk dit keer, in tegenstelling tot het openingsconcert van vrijdag. Ik werd bevestigd in mijn indruk dat dit ook helemaal niet nodig is. Ritmisch was hier alles in orde en Spes nostra speelde deze dansen heel levendig. Het concert eindigde met vier prachtige stukken van Byrd: twee fantasia’s en twee In nomine’s. Ze kregen een indringende en beklijvende interpretatie van een ensemble dat een prachtige en doorzichtige klank produceerde. Spes nostra zorgde voor één van de interessantste concerten van dit festival.

Advertenties

Responses

  1. Het was een geweldig festival!


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: