Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – zaterdag 29 augustus

Een vol programma vandaag: het eerste concert om 11 uur, het laatste om middernacht. Een serie concerten met muziek voor toetsinstrumenten – meestal in de Lutherse Kerk – is elk jaar een vast onderdeel van het programma. Dit jaar is deze serie niet alleen interessant vanwege het repertoire, maar ook de gebruikte instrumenten, want naast het klavecimbel speelde in het Engeland van de renaissance ook het virginaal een belangrijke rol. Zo’n instrument was ook op het eerste concert te horen: Laurent Stewart speelde een deel van zijn programma op een muselaar, een virginaal met het klavier rechts van het midden. Het programma was gewijd aan Orlando Gibbons, één van de grootste klaviercomponisten van zijn tijd, en John Dowland. De stukken van eerstgenoemde werden hoofdzakelijk op het klavecimbel uitgevoerd, een kopie naar Italiaanse modellen uit de 17e eeuw. Vooral de fantasia’s zijn complexe polyfone stukken die hoge eisen aan de uitvoerder stellen. Stewart koos meestal rustige tempi wat de toehoorder in staat stelde de verschillende lijnen van het stuk te volgen. Daar droeg ook de heldere en gearticuleerde speelstijl van Stewart aan bij. In Gibbons’ dansen kwamen de ritmes goed uit de verf. Dat muziek van Dowland werd gespeeld was enigszins verrassend, want hij heeft geen klavierwerken nagelaten. Zijn composities werden wel frequent bewerkt voor een toetsinstrument; of Stewart hier zijn eigen versies speelde dan wel die van componisten uit Dowlands tijd, daarover liet het programmaboek de luisteraar in het ongewisse. Hoe dan ook, Stewart liet horen dat Dowlands liederen het op een toetsinstrument – in dit geval de muselaar – uitstekend doen.

Misschien maakte hij gebruik van bewerkingen van Thomas Morley. Dat deden in elk geval Skip Sempé, Pierre Hantaï en Olivier Fortin in ‘consortmuziek’ voor drie toetsinstrumenten (TivoliVredenburg, Hertz). Dat lijkt nogal merkwaardig: we kennen consortmuziek voor allerlei soorten melodieinstrumenten, maar voor toetsinstrumenten? In het programmaboek wijst Marcel Bijlo erop dat in huizen van de Engelse elite meerdere toetsinstrumenten stonden, “waar dus ook gezamenlijk op werd gespeeld”. Dat is een wel erg boude uitspraak: het simpele feit dat er meerdere instrumenten voorhanden zijn is nog geen bewijs dat ze ook gelijktijdig bespeeld werden. Ik zou enige historische documentatie van deze praktijk op prijs gesteld hebben. Maar het klonk allemaal prachtig. Hantaï en Fortin bespeelden een klavecimbel, Sempé de door Stewart ook gebruikte muselaar. Ze speelden niet altijd met z’n drieën; een aantal stukken werden op twee instrumenten uitgevoerd, daaronder ook twee specifiek voor twee klavieren bedoelde werken, respectievelijk van Farnaby en Tomkins. Op het programma prijkten ook enkele anonieme stukken en werken van een minder bekende componist uit de late 16e eeuw, William Blitheman.

Mijn eerste concert van de dag was gewijd aan veel later repertoire. Het Collegium 1704 onder leiding van Václav Luks, vorig jaar één van de artists in residence, speelde een programma met werken van Händel en zijn jongere tijdgenoot Charles Avison (TivoliVredenburg, Hertz). Dat is een interessante combinatie, aangezien Avison een vurig bewonderaar was van Francesco Geminiani, die hij hoger aansloeg dan Händel. Dat kwam hem op forse kritiek te staan en heeft hem de reputatie opgeleverd van Händel-criticus. Dat moet volgens Jed Wentz in zijn programmatoelichting enigszins gerelativeerd worden. Hoe dan ook, de confrontatie tussen de twee meesters was interessant, zeker ook uit stilistisch oogpunt, want Avison behoort duidelijk tot een latere generatie. Händel was vertegenwoordigd met twee triosonates, die nog helemaal in de barokke traditie staan en gedomineerd worden door contrapunt. In de zesde sonate uit het op. 5 hoort men overigens allerlei motieven die we ook uit de orgelconcerten kennen. Van Avison klonk één triosonate en die is duidelijk anders van stijl, zoals vooral uit die passages blijkt waarin de violen in parallelle beweging spelen. Opmerkelijk waren de sonates uit drie andere verzamelingen: op. 5, op. 7 en op. 8. Hierin speelt het klavecimbel een solistische rol, vergelijkbaar met die in de Pièces de clavecin en concert van Rameau. Dat is niet de enige ‘moderniteit’: twee van de sonates hebben slechts twee delen wat typisch is voor de tijd na de barok (denk bijvoorbeeld aan Johann Christian Bach). Het Collegium 1704 gaf mooie vertolkingen en het ensemblespel stond als een huis. Het was zinvol dat de violisten stonden in de triosonates waarin zij de hoofdrol speelden, maar gingen zitten in de werken waarin ze slechts een begeleidende rol hadden. Toch kwam de klavecimbelpartij niet altijd helemaal tot z’n recht; het zou beter geweest zijn als de violisten zich naast of zelfs achter het klavecimbel hadden opgesteld.

Camerata Trajectina is een regelmatige gast in het festival. Het concert ‘Dowland in Holland’ was een logische bijdrage aan het programma, omdat het ensemble al eerder concerten heeft gegeven met Nederlandse bewerkingen van Engelse muziek, o.a. in het Netwerk Oude Muziek. Dowlands melodieën werden ook op het continent bekend, zoals in Duitsland en ook in Nederland waar vooral de Friese dichter Jan Janszoon Starter verschillende liederen van een Nederlandse tekst voorzag, zowel geestelijk als wereldlijk. Zijn versies vormden de opening en het sluitstuk van het programma. Daartussen klonken andere bewerkingen, met name van Dirck Rafaelszoon Camphuysen. Hoe goed de bewerkingen ook zijn, soms is de verbinding tussen tekst en muziek niet helemaal geslaagd. Maar we weten – ook uit Duitse koralen van de 16e eeuw – dat men daarmee nogal vrij omging, bijvoorbeeld op het gebied van woordaccenten. Het programma werd verrijkt met een aantal instrumentale bewerkingen van melodieën van Dowland en andere (meestal anonieme) componisten, die in Nederland circuleerden. Daarbij speelde blokfluitiste Saskia Coolen een glansrol met mooie versieringen van de vocale lijnen. De zangers maakten een uitstekende indruk, met mooie solobijdragen van met name Hieke Meppelink en Nico van der Meel.

Muziek van geheel andere orde klonk in de Jacobikerk. Stile Antico nam in 2009 een CD op met werken van John Sheppard en een deel van het programma werd in dit concert ten gehore gebracht, daaronder de monumentale antifoon Media vita, die een indrukwekkende uitvoering kreeg. Het is een veeleisend werk, niet alleen door de lengte – zo’n 25 minuten – maar ook door de virtuositeit van de vocale lijnen, en dan verdient ook de samenklank nog optimale aandacht. Dat laatste is één van de sterke punten van dit ensemble. Ook de individuele kwaliteiten van de zangers kwamen duidelijk naar voren door de ontspannenheid waarmee de veeleisende partijen werden gezongen, ook waar die tegen de grenzen van de tessituur aanschuren. Heel mooi waren ook de subtiele dynamische schakeringen. Dat van de tekst vaak weinig te verstaan was valt de zangers niet aan te rekenen; dat is het resultaat van de complexe polyfonie. Die verstaanbaarheid was in de Latijnse liturgie ook geen vereiste. Dat was anders in de Engelse liturgie, en daarvan kregen we enkele voorbeelden te horen. I give you a new commandment werd door vier leden van het ensemble gezongen en juist hier was de tekstverstaanbaarheid optimaal, deels door het karakter van de compositie – homofoon, syllabisch – maar ook door de heldere manier van zingen. Wie de Jacobikerk kent, weet dat dit de ideale plek is voor dit soort repertoire. Het grote enthousiasme van de volle kerk werd beloond met een prachtige uitvoering van één van de mooiste (geestelijke) madrigalen van de Engelse renaissance, Never weather-beaten sail van Thomas Campion.

Vox Luminis is dit jaar artist in residence en maakte die status bij het eerste optreden al direct helemaal waar. Wat als Purcell’s Funeral Sentences was aangekondigd bood meer dan de titel suggereerde. In feite werd het hele leven van Queen Mary (1662-1694) belicht, in het eerste deel door één van de odes die Purcell voor haar verjaardag schreef, Celebrate this festival (1693). Het is een feestelijk stuk met een instrumentale bezetting waarin naast strijkers ook trompet, hobo’s en blokfluiten klinken. Ook vocaal is het een briljant werk met mooie ensembles en soms uitgebreide soli. Die werden door de leden van het ensemble prachtig gezongen, vooral de sopranen Sara Jäggi en Zsuzsi Tóth en de alto’s Daniel Elgersma en Barnabás Hegyi. Het programma opende met één van Purcells bekendste werken, My heart is inditing, een anthem voor de kroning van James II. Geen connectie met Mary dus, maar het stuk kan wel dienen als voorbeeld van wat bij zo’n gelegenheid uitgevoerd werd. Na de pauze kwam dan de muziek die werd uitgevoerd bij de begrafenis van Mary in 1694. Purcells anthems zijn bekend en worden regelmatig uitgevoerd, maar minder bekend is dat hij die schreef als aanvulling op wat de hoofdmoot van de plechtigheden was: de anthems die Thomas Morley componeerde, waarschijnlijk voor de begrafenis van Elizabeth I in 1603. De stilistische overeenkomst tussen Morley en Purcell is opmerkelijk en resulteert in een grotere eenheid dan men zou verwachten. De anthems die hier te horen waren behoren tot het beste dat Morley en Purcell componeerden, ongetwijfeld geïnspireerd door de gelegenheid en door de prachtige en indringende teksten over dood en opstanding. Vox Luminis heeft deze muziek op CD gezet (Ricercar) en die productie is heel mooi, maar in een live-uitvoering maakt ze een nog sterkere indruk. Het concert eindigde met O dive custos, een klaagzang op de dood van Mary voor twee sopranen en bc. Dit werk maakt nog eens duidelijk waarom Purcell met recht tot de allerbeste componisten in de geschiedenis wordt gerekend. Wat er verder in dit festival ook nog gebeurt, dit concert is zeker één van de hoogtepunten van deze editie.

Tenslotte het concert om middernacht, weer in Hertz van TivoliVredenburg. Daar zou de sopraan Mariana Flores liederen van Dowland and Danyel zingen, met Hopkinson Smith op de luit. Helaas moest Smith zich om persoonlijke redenen afmelden en Mariana Flores werd daarom begeleid door Leonardo García Alarcón op klavecimbel. Dat leidde ertoe dat het programma sterk werd veranderd: geen liederen van Danyel – toch al slecht vertegenwoordigd in het festivalprogramma – maar in plaats daarvan enkele liederen van Purcell. Die kwamen het best tot hun recht: een klavecimbel past hier uiteraard beter dan in Dowlands luitliederen en de op tekstexpressie gerichte interpretatie van Mariana Flores is hier precies goed. Dowland is een ander verhaal. Het gaat hier om liederen in de stijl van de renaissance, waarin de invloed van de moderne stijl (Caccini e.a.) afwezig is, met uitzondering van een stuk als In darkness let me dwell. I saw my lady weepe werd onnatuurlijk langzaam gezongen, met een barokke tekstexpressie die volgens mij hier misplaatst is. García Alarcón speelde veel te lange voor- en tussenspelen wat de eenheid niet ten goede kwam. Het meest problematisch was de opening: de prachtige Four note Pavan van Alfonso Ferrabosco II, waaraan hij later de tekst Heare me O God van Ben Jonson toevoegde. In een consortsong is de zanger geen solist maar voegt zich in het geheel als één van de stemmen. Met een klavecimbel lukt dat natuurlijk niet, dus dit was een ongelukkige keuze. Ook hier was de aanpak te ‘barok’. Al met al een weinig overtuigend concert.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: