Gepost door: Johan van Veen | 29 augustus 2015

Festival Oude Muziek Utrecht 2015 – vrijdag 28 augustus

Zoals gebruikelijk doe ik op deze plaats verslag van het Festival Oude Muziek. Dit jaar is het festival gewijd aan Engelse muziek. Dat werd wel weer eens tijd, want het is al weer heel wat jaren geleden dat dit repertoire uitgebreid belicht werd. Het zal interessant zijn te zien of er witte plekken in de muziekgeschiedenis worden ingekleurd. Ik heb nog geen tijd gehad het programmaboek te bestuderen, dus daarop kom ik in de loop van de volgende week nog wel terug. Het festival ziet het ook als zijn taak aanzetten te geven voor nieuwe benaderingen op het gebied van de uitvoeringspraktijk. Of die pretentie wordt waargemaakt zal de tijd leren. Een ensemble als de Tallis Scholars is niet bepaald een voorbeeld van een vernieuwing op dit vlak.

Het openingsconcert werd verzorgd door Hespèrion XXI onder leiding van Jordi Savall. Het programma was getiteld ‘De gouden eeuw van de gamba’ en was geheel gewijd aan consortmuziek. Dat is weliswaar geen exclusief Engels genre, maar kwam juist in Engeland tot bijzondere bloei. Was het aanvankelijk muziek voor beroepsmusici, na 1600 kwam het binnen bereik van amateurs. Wellicht ligt daarin het grootste verschil tussen Engeland en het continent. Bovendien betekende de opkomst van de barok dat vooral in Italië de gamba het moest afleggen tegen de cello. In Engeland liet de barok nog een tijd op zich wachten en het was Henry Purcell die de laatste muziek voor gambaconsort componeerde.

De samenstelling van een programma met consortmuziek is niet zo eenvoudig. De reden is niet een gebrek aan kwalitatief goed repertoire, maar de overvloed van materiaal waaruit musici een keus moeten maken. In een programma als dit moesten de verschillende genres aan de orde komen. Eén van de meest karakteristieke vormen is de combinatie van pavan en galliard, en met zo’n danspaar opende het programma. Daarbij kwam direct een naam naar boven die waarschijnlijk alleen experts bekend is: Innocenzio Alberti. Z’n naam is Italiaans en herinnert aan de Italiaanse oorsprong van het gambaconsort dat in Engeland – allereerst aan het hof van Hendrik VIII – werd geïntroduceerd door een groep Italiaanse musici. Een ander belangrijk genre is de In nomine, gebaseerd op het antifoon Gloria tibi trinitas dat John Taverner als cantus firmus in zijn mis van dezelfde naam gebruikte. Talloze In nomines zijn bewaard gebleven en het is opmerkelijk hoe deze in karakter van elkaar kunnen verschillen, zoals het In nomine XII ‘Crye’ van Christopher Tye en de zetting van Orlando Gibbons. Natuurlijk kon John Dowland niet ontbreken, o.a. met de pavan Lachrimae antiquae dat bijna het handelsmerk van deze componist geworden is. Een belangrijke rol in het programma speelde ook Anthony Holborne, die in 1599 de eerste bundel met instrumentale muziek in Engeland liet drukken. Daarin staan dansen van divers karakter die overigens ook in andere bezettingen gespeeld kunnen worden. Een stuk als de pavan The funerals komt dicht in de buurt van de melancholieke stukken van Dowland, maar daar staan dan dansen als The honie-suckle en de galliard The fairie-round tegenover.

Terwijl Italianen in het begin van de 16e eeuw consortmuziek in Engeland invoerden, exporteerden Engelse componisten een eeuw later hun muziek naar het vasteland. Eén naam kan daarbij niet ongenoemd blijven: William Brade. Enkele werken van zijn hand werden uitgevoerd, alle met Duitse titels. Hij was in Noord-Duitsland werkzaam en beïnvloedde Duitse componisten in de eerste helft van de 17e eeuw.

Jordi Savall heeft vele concerten gegeven en meerdere opnamen gemaakt met dit soort repertoire. Daarbij viel altijd zijn dynamische speelstijl op. Die is tegenwoordig vrij gangbaar, maar dat was zo’n 20 jaar geleden wel anders. Consortmuziek was het bijna exclusieve domein van Engelse ensembles die er een gelijkmatigere en dynamisch vlakkere speelstijl op na hielden. Ook nu weer wisten Savall en zijn ensemble te overtuigen met doorleefde en intense interpretaties. De melancholieke stukken werden prachtig vertolkt, met als één van de hoogtepunten de magnifieke Four note pavan van Alfonso Ferrabosco II. Mooi was ook de Paven in C van William Lawes, die gekenmerkt wordt door gedurfde harmonieën. De dansen van met name Holborne kregen flitsende uitvoeringen, waarbij de dansritmes goed uit de verf kwamen. Op die muziek werd waarschijnlijk niet gedanst, maar eigenlijk zou ze zo moeten worden uitgevoerd dat de toehoorder z’n voeten niet stil kan houden. Of dat gelukt is heb ik niet gecontroleerd, maar aan de uitvoerenden zal het niet gelegen hebben.

Een paar kritische kanttekeningen moet ik wel maken. De eerste is dat dit repertoire huismuziek is en als zodanig niet geschikt voor een grote concertzaal. Soms slibde het klankbeeld wat dicht en liet de doorzichtigheid te wensen over. Dat was vooral bij snelle tempi het geval. De relatie tussen muziek en ruimte is een kwestie die eigenlijk ook een onderdeel van de discussie over uitvoeringspraktijk zou moeten zijn, maar helaas meestal vermeden wordt. De tweede kanttekening betreft het gebruik van slagwerk. In meerdere stukken van Holborne laat zich dat wellicht verdedigen, hoewel ik denk dat de meeste ook zonder slagwerk tot hun recht kunnen komen. Maar er waren ook composities waarbij ik me afvroeg of het gebruik van slagwerk daarbij wel te verdedigen is, zoals Dowland’s The King of Denmark’s galliard. Ik ben eigenlijk wel benieuwd of historische bronnen aanwijzingen bevatten voor het gebruik van slagwerk in dit soort repertoire. Ook over het gebruik van de gitaar in Engelse consortmuziek heb ik mijn twijfels.

Het derde punt is dat het programma opgedeeld was in vier blokken en dat binnen elk blok de afzonderlijke stukken elkaar snel opvolgden, zonder noemenswaardige cesuur. Dat heeft als voordeel dat er een bepaalde flow in het programma komt en dat het publiek de mogelijkheid ontnomen wordt die te verstoren door applaus. Maar dat heeft wel tot gevolg dat afzonderlijke werken geen tijd krijgen echt te bezinken. Dat is vooral een nadeel bij de meer introverte en malancholieke werken.

Tot slot: het programma werd voorafgegaan door een onverwacht optreden van The Newcastle Kingsmen, aangekondigd als een groep rapper dancers. Dat was wellicht zinvol omdat het programma enkele stukken bevatte die sterk tegen de volksmuziek aanleunen, zoals Ein Schottisch tanz van William Brade. Anderzijds werkte de akoestiek tegen: de begeleidende uitroepen van één van de leden van het ensemble waren volstrekt onverstaanbaar en dat lag niet aan de Engelse taal. Ze traden ook op in de foyer van TivoliVredenburg en dat was waarschijnlijk een passender entourage.

Die optredens heb ik niet gehoord. Waarschijnlijk ben ik niet de enige die voor dit soort dingen geen antenne heeft. Maar daar hoeft de organisatie zich natuurlijk niets van aan te trekken.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: