Gepost door: Johan van Veen | 6 september 2014

Festival Oude Muziek 2014 – vrijdag 5 september

Vrijdag begon weer in de Lutherse kerk met een aflevering van de serie ‘klaviertijgers’. De tijger droeg dit keer de naam Jean Rondeau. Dat is een Franse klavecinist die in 2012 op 21-jarige leeftijd het klavecimbelconcours in Brugge won. Dat wekt verwachtingen en die werden ook waargemaakt. In zijn programma belichtte hij het geleidelijke afscheid van het contrapunt als leidend beginsel in de klaviermuziek. Dat verklaart dat hij begon met twee ricercares uit de renaissance, die aan Palestrina worden toegeschreven. Die waren de opmaat tot werken van Johann Joseph Fux, de grote advocaat van het klassieke contrapunt in de 18e eeuw. In zijn werk neemt de klaviermuziek – in zijn geval bedoeld voor klavecimbel – een bescheiden plaats in. Van hem klonken een Harpeggio en fuga, qua vorm een soort combinatie van toccata en fuga, een Ciaccona, een in de barok populaire compositievorm die gebaseerd is op een basso ostinato, alsmede een tweedelige sonate. Fux’s leerboek Gradus ad Parnassum was verplichte kost voor elke aankomende componist. Dat gold ook voor Gottlieb Muffat, zoon van Georg, die na lessen bij zijn vader bij Fux in de leer ging. Hij is een interessante overgangsfiguur tussen de barok en de klassieke periode. In zijn klaviermuziek, zoals de hier gespeelde suite uit zijn Componimenti musicali, blijft hij aan de behoudende kant, maar zijn er ook elementen die naar de toekomst wijzen, die vooral in de muziek van Georg Christoph Wagenseil en zijn tijdgenoten tot uitdrukking komen. Van de laatste klonk een sonate die alle kenmerken draagt van het toen populaire divertimento. Daarmee beïnvloedde hij ook Haydn, wiens vroege klaviersonates eveneens een diverterend karakter dragen en soms ook de titel Divertimento. Dat is het geval met de Sonate in As (H XVI,46), die uit de late jaren 1760 stamt. Rondeau speelde hieruit het adagio in de destijds ongewone toonsoort Des. Rondeau maakte er een heel mooi recital van, zonder vertoon van virtuositeit, maar helemaal gericht op de inhoud. De ontwikkeling in de klaviermuziek van de 18e eeuw in Wenen werd hier op een overtuigende manier voor het voetlicht gebracht. Haydns adagio sloot het recital af en was tevens één van de hoogtepunten door de expressieve uitvoering van Rondeau.

Van de late 18e eeuw werd ik getransporteerd naar de 15e eeuw in de St Willibrordkerk, waar het ensemble Psallentes onder leiding van Hendrik Vanden Abeele optrad. Dit ensemble houdt zich bezig met het gregoriaans uit de middeleeuwen en renaissance. Meestal treedt het op met mannenstemmen, maar in dit concert hoorden we een vrouwenschola, die gezangen uit een antifonarium uit Zutphen uitvoerde, gewijd aan de heilige Walburgis (c710-c779). In het programmaboek beschrijft Vanden Abeele de connectie met het thema: “De Engelse koningsdochter Walburgis ging al op jonge leeftijd het klooster in. Ze speelde, met haar broers en haar oom Bonifatius, een belangrijke rol in de kerstening van grote delen van het Duitssprekende, zogenaamd ‘Oostfrankische’ Europa, zodat ze beschouwd mag worden als de moederheilige van het Heilige Roomse Rijk. Haar graftombe in Eichstätt was een belangrijk pelgrimsoord.” Het antifonarium dateert uit de 15e eeuw, maar het officie is ouder en in het handschrift staan oude en nieuwe gezangen door elkaar. Het laat de moderne interpreet grotendeels in de kou staan als het gaat om de manier waarop deze muziek moet worden uitgevoerd. Dat betreft onder andere de interpretatie van het ritme. Moeten deze gezangen ‘met gelijke noten’ of ritmisch gezongen worden? In dit concert werden beide opties naast elkaar gezet. Het verschil is niet sensationeel, maar eerder, zoals Vanden Abeele schrijft, “subtiel”. Desondanks was het duidelijk waarneembaar en het is heel goed dat uitvoerende ensembles op deze manier de geïnteresseerde luisteraar als het ware meenemen in de reis door het repertoire en laten delen in de dilemma’s waarvoor ze gesteld worden. Ondanks het feit dat alle gezangen eenstemmig zijn – hoewel enkele met een tegenstem klonken, waarschijnlijk geïmproviseerd – werd het een bijzonder boeiend concert. Dat het gregoriaans tegenwoordig een groeiend aantal liefhebbers heeft, bleek uit het feit dat de kerk vrijwel helemaal gevuld was. Het langdurig applaus na afloop was meer dan verdiend.

Het Engelse vocaal ensemble Stile Antico mag zich in een grote schare bewonderaars verheugen. Het heeft een contract met Harmonia mundi en zijn debuut tijdens het festival van vorig jaar was een groot succes. Evenals vorig jaar was ook nu de Domkerk geheel gevuld voor zijn optreden met muziek van drie componisten die tijdens het bewind van Maximiliaan I en Karel V actief waren: Josquin Desprez, Heinrich Isaac en Pierre de La Rue. Het programma werd geopend met een motet van Cristóbal de Morales, Jubilate Deo, gecomponeerd ter gelegenheid van de vrede tussen Karel V en de Franse koning Frans I in 1538. Morales was één van de weinige componisten uit het Spaanse deel van het Habsburgse imperium die tijdens dit festival aan het woord kwamen. Uiteraard mocht Josquins chanson Mille regretz niet ontbreken. Het schijnt het lievelingswerk van Karel V te zijn geweest en werd hier in zijn originele vorm maar ook in een 6-stemmige versie van Nicolas Gombert uitgevoerd, in beide gevallen met één zanger per stem. Voor deze stukken is de akoestiek van de Dom iets minder geschikt, maar de motetten kwamen hier beter tot hun recht dan gisteravond in TivoliVredenburg tijdens het concert van de Tallis Scholars. Dat lag overigens niet alleen aan de akoestiek, maar ook aan de interpretatie. Hoewel Stile Antico een vergelijkbare samenstelling heeft is het resultaat heel anders. Dat ligt vooral aan de meer gedifferentieerde interpretatie waarin tekstuele elementen een belangrijkere plaats innemen. Dat kwam duidelijk tot uiting in het grote motet Virgo prudentissima van Isaac dat een veel indringender uitvoering kreeg dan van de Tallis Scholars. Of het feit dat forte gezongen passages hier mooier klonken dan bij de Tallis Scholars aan het ensemble dan wel aan de akoestiek is toe te schrijven, is moeilijk te zeggen. Dit concert beviel mij veel meer en maakte meer indruk dan het optreden van de Tallis Scholars.

Ook bij het avondconcert van L’Arpeggiata onder leiding van Christina Pluhar drong zich een vergelijking op, en wel met het concert van Concerto Palatino en La Dolcezza van woensdag. In laatstgenoemd concert stond Antonio Bertali centraal, die ook in het concert van L’Arpeggiata één van de componisten was. Bovendien was het ‘personeel’ in beide concerten deels identiek: leden van beide ensembles, zoals violiste Veronika Skuplik, Bruce Dickey (zink) en Simen Van Mechelen (trombone) maakten ook deel uit van Pluhars ensemble. Naast Bertali werd ook muziek van Giovanni Felice Sances ten gehore gebracht. In diverse media wordt gesuggereerd dat we de ontdekking van laatstgenoemde aan Pluhar te danken hebben, maar dat lijkt me iets teveel eer. Ook vóór haar activiteiten verschenen al CD-opnamen met werken van Sances. Instrumentaal was dit concert overtuigender dan dat van woensdag. Er werd met meer glans en gevoel voor drama gespeeld dan toen. Op het vocale vlak is het beeld eigenlijk omgekeerd. Het vocaal ensemble dat Bruce Dickey en Veronika Skuplik bij elkaar hadden gebracht, liet een grotere stilistische eenheid zien en was meer een echt ensemble. In het concert van L’Arpeggiata waren er teveel individuele stemmen die eruit sprongen, ten koste van de samenklank. Het constante vibrato van enkele zangers, zoals de sopraan Anna Reinhold en de tenor Emiliano Gonzalez Toro, deed daaraan nogal wat afbreuk. Raquel Andueza is een heel goede zangeres, maar moest zich hier forceren, wat haar aandeel toch wat teleurstellend maakte. Merkwaardig is het stemgeluid van alto Vincenzo Capezzuto, die klinkt als een jongenssopraan. Maar ik heb door de jaren heen heel wat jongenssopranen gehoord die met meer expressie zongen dan Capezzuto. O dulce nomen Jesu van Sances was teleurstellend, en Capezzuto’s gestiek geheel ongepast. Het programma werd zonder onderbreking uitgevoerd. Ik heb de pauze niet gemist; daarvoor was de muziek van Bertali en Sances te boeiend. Het was een goede gedachte de pauzes tussen de stukken te verbinden door korte orgelimprovisaties van Haru Kitamika. Op deze manier werd het publiek de kans ontnomen de spanning en de samenhang te verstoren door applaus. Dat kwam in overvloedige mate na het concert. Wat mij betreft gold dat applaus in de eerste plaats de componisten en ook het idee van Pluhar deze muziek te programmeren. De uitvoering als geheel bevatte veel moois, maar helaas ook een aantal storende onvolkomenheden.

Gunar Letzbor, één van de artists in residence, trad, na het concert van zondag met vocale werken van Aufschnaiter en Biber te hebben gedirigeerd, nog eens op, nu als violist, met zijn ensemble Ars Antiqua Austria. Op het programma stonden de vijftien zogenaamde Rosenkranz-Sonaten van Biber, verdeeld over twee avonden. In de Hertz-zaal kwamen in het eerste concert de sonates 1 tot 10 tot klinken. Het ontbreekt bepaald niet aan CD-opnamen van deze sonates. Er zullen er zeker wel zo’n 20 zijn, die allerlei verschillen laten zien. Ik ken ze niet allemaal, maar vermoed dat geen violist deze sonates zo benadert als Letzbor. Hij durft het aan ronduit lelijke klanken uit zijn viool te halen, wanneer hij dat nodig acht uit het oogpunt van expressie. Dat was vooral het geval in de zevende sonate, waarin de geseling van Jezus wordt uitgebeeld. Hoewel men deze muziek in het algemeen niet als ‘programmamuziek’ mag beschouwen, zijn er wel elementen van uitbeelding, en deze sonate is daar het bekendste voorbeeld van. Letzbor produceerde hier rauwe tonen en leek af en toe zijn viool doormidden te willen zagen. Ik had altijd gedacht dat Reinhard Goebel zijn instrument maltraiteerde, maar Letzbor deed er hier een schepje bovenop. Om zijn interpretatie te kunnen duiden is het belangrijk kennis te nemen van zijn visie op deze sonates, die hij in het programmaboek beschrijft. Essentieel lijken me de slotzinnen: “Pas door de persoonlijke betrokkenheid van de musicus wordt de mystieke essentie van deze composities waarneembaar en begrijpelijk voor de luisteraar. De essentie van het mystieke is het onverklaarbare, de onmogelijkheid om dingen puur met intellect te bevatten. Mystiek ontstaat aan de grenzen van het cognitieve denken, waar het gevoel de heerschappij van het intellect doorbreekt en de verwondering begint. Het een-worden met het geheel is waar elke meditatie – ook die van de rozenkrans – begint.”
Deze visie zette hij om in een hoogst fascinerende, spannende en dramatische interpretatie waarin expressie het won van schoonheid. Dat wil niet zeggen dat die mij in elk opzicht heeft overtuigd. Vooral de bezetting van de basso continuo, met o.a. een gitaar en een colascione, roept twijfel op, zeker als die voor het produceren van slagwerk-achtige klanken worden gebruikt. Dat laat onverlet dat ik deze avond niet had willen missen en ik verheug me op het tweede deel met de resterende sonates.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: