Gepost door: Johan van Veen | 5 september 2014

Festival Oude Muziek Utrecht 2014 – donderdag 4 september

Vandaag toog ik tegen 11 uur naar de Geertekerk voor een concert van Odile Edouard (viool) en Freddy Eichelberger (orgel). Er stond op het podium onder het grote orgel een klein orgel opgesteld, maar dat kwam niet in actie. Eichelberger bespeelde het grote orgel en dat is logisch, gezien het feit dat het programma bestond uit werken van Johann Caspar Kerll, waaronder twee toccata’s met een pedaalpartij. Dan heb je aan een klein orgeltje niets. Op dat grote orgel speelde Eichelberger ook de basso continuo in de vier vioolsonates van Johann Heinrich Schmelzer. De combinatie van deze twee componisten is logisch: ze waren tijdgenoten en waren allebei werkzaam aan het hof in Wenen, de eerste als organist, de tweede als violist. Beide golden als virtuozen op hun respectievelijke instrumenten en dat kwam in het concert duidelijk naar voren. Kerlls orgelwerken verraden de invloed van de Italiaanse stijl, vooral die van Frescobaldi, met name in de toccata’s, die zijn opgebouwd uit een aantal contrasterende passages. Eichelberger speelde uitstekend, maar het orgel van de Geertekerk is niet het ideale medium, vooral door de stemming: voor Kerlls muziek is eigenlijk de middentoonstemming vereist, en die mag je niet verwachten op een in 1803 gebouwd orgel. Als gevolg daarvan kwamen de harmonische eigenaardigheden in de gespeelde stukken niet helemaal tot hun recht. Schmelzers vioolsonates werden in 1664 gedrukt en deze uitgave is de eerste in de Duitssprekende landen die geheel aan dit genre is gewijd. Het zijn virtuoze stukken met veel passagewerk, die hoge eisen stellen aan de interpreet. Odile Edouard bracht een overtuigende uitvoering, goed gefraseerd en gearticuleerd en met effectieve dynamische contrasten. Enige minpunt waren de kleine onzuiverheden die zich nu en dan manifesteerden, vooral in het hoogste register.

In de serie ‘Klaviertijgers’ was het de beurt aan Maude Gratton, die zich wijdde aan vijf sonates van Jiri Antonin (of Georg Anton) Benda, een componist van Boheemse afkomst die een aantal jaren in dienst was van Frederik de Grote. De sonates dateren uit het midden van de 18e eeuw en daarbij doet zich altijd het probleem voor welk instrument het meest geschikt is: klavecimbel, clavichord, fortepiano of tangentenvleugel. Maude Gratton had gevraagd ze op clavichord te mogen spelen maar daarin was de festivalleiding niet meegegaan. De titel van het concert was “Benda op klavecimbel”, maar uiteindelijk werden ze toch allemaal op clavichord gespeeld. De klaveciniste had een spiertje in haar schouder gescheurd en het bespelen van het clavichord is minder belastend dan het spelen op klavecimbel. Het bleek een blessing in disguise, niet voor Maude Gratton uiteraard, maar wel voor Benda. Het is volstrekt legitiem deze stukken op klavecimbel te spelen, maar op clavichord komt het grillige karakter ervan nog beter tot z’n recht. Melodische wendingen laten zich op klavecimbel uiteraard moeiteloos realiseren, maar onverwachte pauzes zijn op clavichord nog effectiever. Bovendien kan de speler daarop dynamische contrasten realiseren en Maude Gratton maakte daarvan een effectief gebruik. Uiteraard is de ruimte een probleem; het clavichord is een zacht instrument dat in een grotere ruimte als de Lutherse Kerk eigenlijk niet goed past. Maar het instrument was toch redelijk goed te horen en Gratton had haar speelwijze wellicht ook iets aan de ruimte aangepast. De geluiden van buiten de kerk, die bij een recital op klavecimbel of fortepiano nauwelijks opvallen, waren nu soms wel storend. Maar Maude Gratton gaf bevlogen uitvoeringen van deze veel te weinig bekende sonates en daardoor was dit recital één van de interessantste en boeiendste in deze serie.

Mijn volgende concert was in de Pieterskerk waar het Ensemble Clément Janequin onder leiding van Dominique Visse optrad met motetten en chansons “voor Ferdinand I”, zoals de titel luidde. Dat moet je soms met een korreltje zout nemen, want vaak is niet te bewijzen dat een bepaald werk voor een specifieke persoon of situatie geschreven is. Ook in dit geval gaat het waarschijnlijk niet om stukken die speciaal voor de keizer gecomponeerd zijn. De titel is in zoverre plausibel, dat ze allemaal afkomstig zijn uit een bundel die in 1540 door Tielman Susato in Antwerpen werd uitgegeven en was opgedragen aan Ferdinand. Men vindt daarin de crème de la crème van het componistengilde in Europa, met namen als Vinders, Mouton, Willaert, La Rue, Gombert en Rachafort. Op het programma stonden ook enkele – in elk geval tegenwoordig – minder bekende componisten, zoals een zekere Maistre Jhan, Johannes Heugel en Rupert Unterholtzer. Het was een afwisselend programma met wereldlijke werken op Franse tekst – alleen een stuk van Sixt Dietrich was in het Duits – en motetten op Latijnse tekst. Een speciaal aspect van het programma was de canon: er werden diverse werken uitgevoerd waarin de componist van deze destijds zeer populaire compositievorm gebruik maakte, zoals Jean Mouton in Nesciens mater virgo virum, wat een viervoudige canon voor acht stemmen is. Concerten van dit ensemble zijn altijd onderhoudend, ook al kun je soms je twijfels hebben bij de repertoirekeuze. In dit geval had Visse zich ingehouden en – op een enkele uitzondering na – niet al te tekstueel dubieuze stukken uitgekozen. Het ensemble zong prachtig, zoals vrijwel altijd, maar je moet dan geen problemen hebben met de vaak nogal penetrante klank van Visse’s stem. In een aantal stukken werd die wat afgedekt door de veel mildere klank van de andere falsettist van het ensemble, Yann Rolland. Waarom in vrijwel alle stukken het ensemble ondersteund werd door een orgel is me niet duidelijk geworden.

Wie dit ensemble met de Tallis Scholars (onder leiding van Peter Phillips) vergelijkt, merkt hoe groot de verschillen in benadering van het sacrale repertoire van de renaissance zijn. Dit Engelse ensemble zingt met een heel egale klank, strikt legato en vaak nogal rechtlijnig – hoewel niet meer zo extreem als vroeger. Dat werkt uitstekend in de vroege Engelse polyfonie, zoals het repertoire in het Eton Choirbook of in Taverner, maar veel minder in de continentale polyfonie, zeker die van de 16e eeuw. Daarin wordt de verbinding tussen tekst en muziek steeds hechter en dat komt in de interpretatie van de Tallis Scholars minder tot haar recht. Het concert in TivoliVredenburg begon met twee motetten en de achtstemmige Missa Sine nomine van Philippus de Monte: mooi gezongen, maar niet erg gedifferentieerd en met weinig aandacht voor de tekst. De benadering die ik eerder van de Cappella Mariana hoorde, beviel me veel beter. In het tweede deel was de interpretatie iets beter: na twee motetten van De Monte klonken drie werken van Heinrich Isaac, een componist van enkele generaties eerder. Daar is de relatief geringe aandacht voor de tekst minder problematisch. Opvallend was Tota pulchra es dat door slechts vijf stemmen uit het 10-koppige ensemble werd gezongen en daarvan profiteerde: de zeggingskracht was groter dan die van de andere uitgevoerde werken. De Tallis Scholars kunnen rekenen op een grote schare van bewonderaars. Daar kan ik op zich nog wel inkomen, gezien hun onmiskenbare kwaliteiten. Maar de soms bijna uitzinnige reacties van sommige bezoekers gaan me enigszins boven de pet. Onbegrijpelijk en ergerniswekkend is de neiging na elk stuk te applaudisseren, zelfs – tot m’n stomme verbazing – tussen het Credo en het Sanctus van de mis. Weten zelfs de bezoekers van dit festival niet hoe een mis in elkaar zit? Tijd misschien voor enige voorlichting? Het helpt natuurlijk niet dat bij concerten iedere keer het licht bijna helemaal uit gaat. Waarom drukt men eigenlijk teksten in het programmaboek af wanneer geen bezoeker die tijdens het concert kan lezen?

Dat probleem speelde ook tijdens het laatste concert, in de Hertz-zaal, met het ensemble L’Armonia Sonora, onder leiding van Mieneke van der Velden. Centraal in het programma stonden sacrale werken van Antonio Bertali, die werden gecombineerd met één van zijn sonates en met vocale werken van Schmelzer en diens Lamento sopra la morte Ferdinandi III. Laatstgenoemd stuk kreeg een indringende uitvoering, met een sleutelrol van violist François Fernandez. Enkele vocale werken hadden een bekende tekst, zoals Beatus vir en Salve Regina, beide van Bertali, maar het was wel plezierig geweest als de bezoeker de teksten van O Jesu, summa Charitas van Schmelzer en Omnes sancti Angeli van Bertali in het boek had kunnen meelezen. Ze stonden er wel in, maar zonder licht kun je niet lezen. Evenals gisteren – met het ensemble Flux – hoorden we ook nu Kristen Witmer en Peter Kooij, nu versterkt door de alto Daniël Elgersma en de tenor Endrik Üksvärav. Laatstgenoemde begon zijn carrière als koordirigent in Estland, maar richt zich nu meer op een carrière als zanger. Voor de oude muziek lijkt hij me uitstekend geschikt, zoals bleek uit zijn mooie soli tijdens dit concert. Hij heeft masterclasses gevolgd bij o.a. Peter Kooij, en de twee andere jonge zangers behoren tot zijn leerlingen. Dat is een uitstekende leerschool en de vruchten daarvan waren duidelijk hoorbaar. De individuele prestaties in solopassages waren van heel goede kwaliteit en samen zorgden de zangers voor een goed en hecht ensemble. Voeg daarbij het kleurrijke en doorleefde spel van de instrumentalisten en het boeiende repertoire en men begrijpt dat dit concert een heel mooie afsluiting van de dag was.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: