Gepost door: Johan van Veen | 4 september 2014

Festival Oude Muziek Utrecht 2014 – woensdag 3 september

De woensdag begon, zoals vrijwel elke dag, met een aflevering in de serie ‘klaviertijgers’ in de Lutherse Kerk. Na de fortepiano op dinsdag was het weer het klavecimbel dat centraal stond, nu in werken van Alessandro Poglietti, die sinds 1660 of daaromtrent in dienst was van keizer Leopold I in Wenen. Hij is één van de schakels tussen Frescobaldi en componisten uit de hoogbarok. In zijn klaviermuziek had hij een bijzondere voorkeur voor imitaties van dieren en een muzikale uitbeelding van gebeurtenissen. De Canadese klavecinist Mark Edwards speelde enkele van dit soort stukken, beginnend met de Toccata fatta sopra l’assedio di Filippsburgo, waarin de val van Philippsburg in Zuid-Duitsland in 1676 wordt uitgebeeld. Het langste werk op het programma was de Aria Allemagna con alcuni variationi sopra l’età della maestà vostra, geschreven ter gelegenheid van het huwelijk van Leopold met Eleonora in 1677. Daarin komen allerlei muzikale uitbeeldingen voorbij, zoals van Boheemse doedelzakken en Hongaarse violen, maar ook een Hanacken Ehrentanz en een ‘Hollandse flageolet’. Dan zijn er nog andere werken van vergelijkbaar karakter, zoals een beschrijving van de ‘rebellie van Hongarije’. Sommige delen van deze werken zijn nogal spectaculair en zouden – wanneer ze in de 19e eeuw geschreven waren – voer voor klaviertijgers zijn. Poglietti’s muzikale imitaties zijn in feite de pendant van de imitaties voor viool solo of een ensemble van strijkers, zoals die door bijvoorbeeld Biber werden geschreven. Mark Edwards voerde het programma uitstekend uit, maar de vraag is wel of zijn keuze niet iets minder eenzijdig had kunnen zijn. Poglietti heeft nog meer werken geschreven, zoals toccata’s en suites. Die hoor je nooit, en het had wat afwisseling in het programma gebracht. Die kwam nu vooral van Frescobaldi en Johann Caspar Kerll, maar ook van hen klonken imitaties, en wel van de koekoek. De nachtegaal was het onderwerp van vijf stukken van Poglietti waarmee Edwards zijn recital besloot. Het was een prima concert en zeker onderhoudend, maar die imitaties van Poglietti hoef ik niet elke dag te horen.

Met het volgende concert in de St Willibrordkerk kom je in een andere wereld. Het ensemble Servir Antico onder leiding van Catalina Vicens bracht de luisteraar in de 15e eeuw en belichtte de rol van vrouwen in die tijd. “Dit programma zet de vroege Habsburgse vrouwen – in muziek gepresenteerd als moeder, echtgenote, dochter en zuster, als voorwerp van Mariale devotie maar ook als voorvechtster van het humanisme – voor het voetlicht”, aldus Catalina Vicens in het programmaboek. Dat kwam in de keuze van de stukken wel enigszins tot uitdrukking, maar naar de inhoud van verschillende werken moest men raden, omdat die instrumentaal werden uitgevoerd en hun tekst daarom niet was afgedrukt. Bovendien zijn de teksten die ten gehoor gebracht werden, niet echt uitzonderlijk, en ik had de indruk dat het programma een beetje in een keurslijf geperst was. Dat doet verder niets af aan de kwaliteiten van de uitvoeringen. De vocale werken werden gezongen door Els Janssens-Vanmunster, die over een heel fraaie en voor dit repertoire bij uitstek geschikte stem beschikt, die zich perfect mengde met de instrumenten. Deze werden vaardig bespeeld door Catalina Vicens (organetto), Baptiste Romain (vedel) en Felix Striker (schuiftrompet). Naast enkele stukken van Dufay, o.a. Conditor alme siderum, dat als toegift werd herhaald, klonken anonieme werken en composities van minder bekende meesters, zoals Wolfgang Chranekker en Hermann Edlerawer. Jammer dat het concert relatief weinig luisteraars had getrokken. Het ensemble had een vollere kerk verdiend.

Het Britse vocaal ensemble Gallicantus, onder leiding van Gabriel Crouch, maakte zijn debuut in het festival met een programma gewijd aan twee componisten die op het eerste oog niets met elkaar te maken hebben: Philippus de Monte en William Byrd. Toch is er een link: De Monte stuurde Byrd zijn motet Super flumina Babylonis toe, een zetting van verzen uit Psalm 137 (136), waarin de Joden, die zijn weggevoerd in ballingschap naar Babylonië, zich over hun lot beklagen. Byrd beantwoordde deze geste met een eigen zetting van dezelfde psalm, waarin hij – naast enkele ook door De Monte gebruikte verzen – vooral die gedeelten koos die De Monte had weggelaten. Beide stukken zijn voor acht stemmen, maar waar De Monte deze splitst in twee koren, heeft Byrd hier een dicht stemmenweefsel gecreëerd waardoor de tekst minder goed verstaanbaar is. Het naast elkaar plaatsen van deze twee stukken was niet alleen historisch interessant, maar ook muzikaal, omdat ze een duidelijk stilistisch verschil tussen de Engelse polyfonie en die van het continent lieten zien. Hiermee werd het concert afgesloten, waarin composities van deze twee meesters elkaar afwisselden. De Monte’s motetten zijn vaak heel expressief, maar dat kwam in de uitvoering niet altijd helemaal tot z’n recht. Gallicantus was daarin iets te rechtlijnig; een wat flexibeler aanpak, zoals ik die eerder in het festival van de Cappella Mariana hoorde, zou meer recht gedaan hebben aan zijn uitdrukkingskracht. De muziek van Byrd kwam beter uit de verf, en sommige motetten lieten zien dat ook hij expressieve muziek kon schrijven, zoals Laudibus in sanctis, een beeldende zetting van Psalm 150, en Ne irascaris Domine, een stuk met een veel somberder karakter. In de programmatoelichting werd gesproken over ‘politieke’ motetten: daarin zou Byrd zijn zorg over de problematische positie van de rooms-katholieken, zoals hijzelf, onder de protestantse Elisabeth I tot uitdrukking hebben willen brengen. Dat is heel goed mogelijk, maar nauwelijks bewijsbaar. De door Byrd getoonzette teksten waren destijds gangbaar en de keuze daarvan als zodanig kan niet als bewijs van politieke motieven gelden.

In een festival dat het muziekleven onder de dynastie van de Habsburgers tot onderwerp heeft, kun je niet om Antonio Bertali heen. Van 1624 tot aan zijn dood in 1669 werkte hij aan het keizerlijke hof in Wenen. Hij componeerde een aantal opera’s en oratoria, waarvan de meeste verloren zijn gegaan. Tegenwoordig worden vooral zijn instrumentale werken uitgevoerd; zijn sacrale werken – missen, motetten, psalmzettingen en liturgische werken – hebben nog nauwelijks aandacht gekregen. Dat is jammer, zoals bleek tijdens een vrijwel geheel aan hem gewijd concert in TivoliVredenburg. Onder leiding van Bruce Dickey speelden zijn eigen ensemble Concerto Palatino en het ensemble La Dolcezza van violiste Veronika Skuplik, met acht vocale solisten. Het hoofdwerk was de Missa Redemptoris die Dickey niet lang geleden op het spoor kwam. Het is een werk voor 21 stemmen en past daarmee in de traditie van ‘feestmissen’, zoals die in Oostenrijk werden gecomponeerd, niet alleen voor Wenen, maar ook voor de kathedraal van Salzburg – denk aan de reusachtige Missa Salisburgensis van Biber. Geen wonder dus dat zinken en trombones een belangrijke rol spelen in dit werk waarin tuttipassages worden afgewisseld met episodes voor één of meer solostemmen. Dickey had de solisten en de twee ensembles tot een goede eenheid gesmeed en zo ontstond een prachtige uitvoering die de kwaliteiten van Bertali als componist van vocale muziek duidelijk aan het licht bracht. Het eerste deel was interessant vanwege enkele dramatische werken van Bertali, met name Vidi Lucifero, een stuk dat bestemd is voor het feest van St Michael en beschrijft hoe de duivel (Lucifer) snoeft dat hij God van de troon zal stoten maar door de aartsengel Michael verslagen wordt. Dit stuk wordt beschreven als een motetto sollenne, maar zou ook een oratorium genoemd kunnen worden, want in structuur en karakter is het duidelijk verwant met de oratoria van Giacomo Carissimi. Het grootste deel van het stuk bestaat uit solopartijen voor twee bassen, hier Harry van der Kamp en Wolf Matthias Friedrich. Die maakten er een waar drama van. Het zijn allebei echte bassen, maar zelfs bij hen klonken de laagste tonen wat zwak. Er moeten destijds zangers geweest zijn met een bijzonder groot bereik, ook naar de laagte. Misschien zouden bassen daaraan eens moeten werken, want je mag aannemen dat die hele lage noten echt een functie hadden. Hetzelfde probleem speelde – zij het in iets mindere mate – in Omnes Sancti Angeli voor bas en drie instrumenten, gezongen door Van der Kamp. Voor de pauze klonk nog een oratorium-achtig stuk, Dialogus Germanicus inter Mariam et Peccatorem van een zekere J. Andreas Kern, over wie helemaal niets bekend is. De beide rollen werden mooi gezongen door María-Cristina Kiehr en David Munderloh. Laatstgenoemde is een tenor die hier, evenals zijn collega Daniel Auchincloss, werd aangeduid als contratenor. Zij zongen in de tutti, ook in de mis van Bertali, de partijen die vaak door falsettisten worden gezongen. Voor de inzet van hoge tenoren zijn goede historische argumenten aan te voeren, maar soms kwamen de hoge noten er niet helemaal vlekkeloos uit. Tussen de vocale werken klonken enkele sonates van Bertali in verschillende combinaties van strijkers en blazers. Alles bijeen was het een mooi concert met grotendeels geheel onbekende muziek – en zo hoort het op een festival.

Onbekende werken stonden ook op het programma van het ensemble Flux, onder leiding van Lidewij van der Voort en David Van Bouwel. Centrale componist was Biber – niet bepaald een onbekende grootheid, maar zijn bekendheid beperkt zich hoofdzakelijk tot zijn instrumentale oeuvre. Hij schreef ook een groot aantal sacrale werken, daaronder composities in grote bezetting, zoals de eerder genoemde Missa Salisburgensis. Zijn kleiner bezette vocale werken blijven meestal buiten beeld. Daar is geen enkele reden voor zoals dit concert aantoonde. In zijn vocale muziek is hij minder experimenteel, maar ook hierin zijn de karakteristieken van zijn stijl herkenbaar, vooral in de obligate instrumentale partijen. In zijn Nisi Dominus krijgt de viool een virtuoze partij, in het Salve Regina de viola da gamba. In dit concert werd het laatste stuk besloten met een episode voor twee violen en altviool, maar volgens de werklijst in New Grove is dit stuk voor sopraan, viola da gamba en bc. Waar komen die stemmen voor violen en altviool dan vandaan? Ook in Jauchzet dem Herrn alle Welt van Samuel Capricornus zit een virtuoze gambapartij, fraai gespeeld door Nima Ben David. Capricornus was korte tijd in Wenen (1649), maar werkte de langste tijd in Stuttgart. Verder klonken stukken van Giovanni Giacomo Arrigoni, enige tijd één van de organisten aan het Weense hof (Benedicta sit), Massimiliano Neri, die nooit in Wenen schijnt te hebben gewerkt maar wel door Ferdinand III in de adelstand werd verheven (Sonata V), Giovanni Valentini, werkzaam aan het Weense hof onder Ferdinand II (Domine, deduc me), en Johann Caspar Kerll, hoforganist in Wenen en één van de beroemste klavierspelers van zijn tijd (Sonata III in g). Dit interessante programma werd door het ensemble heel mooi gespeeld, duidelijk gearticuleerd en door de strijkers kleurrijk en dynamisch genuanceerd geïnterpreteerd. Solisten waren Peter Kooij en de jonge sopraan Kristen Witmer. Van de laatste had ik nog nooit gehoord; ze maakte een heel goede indruk met een mooie stem en een stijlvolle voordracht. Op het gebied van tekstexpressie is nog wel ruimte voor verbetering, maar het zou me niet verbazen als we haar de komende jaren in het oude-muziekcircuit vaker zullen tegenkomen. Peter Kooij was uitstekend, zoals altijd, juist ten aanzien van tekstexpressie. En elk woord is te verstaan; dat mag ook wel gesignaleerd worden, want dat is helaas allesbehalve vanzelfsprekend.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: