Gepost door: Johan van Veen | 2 september 2014

Festival Oude Muziek Utrecht 2014 – maandag 1 september

Het festival heeft sinds een aantal jaren enkele artists in residence en vorig jaar vier composers in residence. Dit jaar komt daar een conservatoire in residence bij. Het festival werkt samen met The Juilliard School in New York, één van ’s werelds meest prestigieuze conservatoria. Dat prestige strekte zich tot voor kort niet uit tot de oude muziek. Lang heeft men in New York op spectaculaire wijze de boot gemist. Het is wellicht een teken van de neerbuigendheid waarmee de historische uitvoeringspraktijk lange tijd door de gevestigde instituties is bejegend. Eindelijk is ook bij Juilliard een lichtje opgegaan. Men heeft vijf jaar geleden een afdeling oude muziek opgericht en de resultaten van het onderzoek en onderwijs zijn tijdens het festival te horen. Ik bezocht het concert van het Juilliard415 Chamber Ensemble in de Hertz-zaal van TivoliVredenburg. Onder de titel ‘Kamermuziek voor Leopold I’ klonken werken van Schmelzer, Biber, Buonamente en Romanus Weichlein, de voor de meeste muziekliefhebbers grote onbekende in het programma. Zijn Sonata II die als afsluiting klonk, bleek een mooi werk en laat weer eens zien dat onbekendheid niet een gebrek aan kwaliteit impliceert. (De geïnteresseerden wijs ik graag op de complete opnamen van deze sonates door Gunar Letzbor en Ars Antiqua Austria). Men had gelukkig niet de meest bekende stukken uitgezocht; van Schmelzer dus nu eens niet de Polnische Sackpfeifen of Die Fechtschule, maar één van zijn balletten – een minder bekend aspect van zijn oeuvre (enkele jaren geleden maakte het Freiburger BarockConsort een CD met dit repertoire). Het kreeg een beeldende interpretatie en werd met de nodige Schwung uitgevoerd. De meeste werken waren voor twee violen en twee altviolen, maar er klonken ook twee sonates voor de wat minder gebruikelijke bezetting van drie violen en bc: de Sonata II a 3 violini van Buonamente en Schmelzer’s Sonata a 3 violini. Ik meende enig verschil in toon tussen de violisten waar te nemen; dat kan aan de persoon van de speler liggen, maar wellicht ook aan de gebruikte instrumenten. Door de jaren heen heb ik weinig overtuigende uitvoeringen van Duits-Oostenrijks repertoire door Angelsaksische ensembles gehoord. Dynamisch zijn ze vaak te vlak en de articulatie is nogal eens niet scherp genoeg. Ik kon deze uitvoeringen in het algemeen waarderen; de spelers lijken te begrijpen wat dit soort repertoire van de uitvoerenden vraagt. Desondanks hadden nog duidelijker accenten gezet en had het theatrale aspect sterker belicht kunnen worden. Maar de ontwikkelingen aan de Juilliard School zijn verheugend en de klinkende resultaten hoopgevend.

In de Lutherse Kerk maakte de derde ‘klaviertijger’ haar opwachting. Maar waar deze term op Olga Pashchenko nog enigszins van toepassing is (zie mijn dagboek van zaterdag j.l.) is dat epitheton voor de Chileense klaveciniste Catalina Vicens geheel misplaatst. Ze maakt een introverte indruk, wachtte soms vrij lang voordat ze begon te spelen – waarschijnlijk om zich optimaal te kunnen concentreren – en speelde repertoire dat niet direct geassocieerd wordt met technische virtuositeit. Maar dat is schijn. Want de stukken uit de verzameling Parthenia, die in Engeland in 1613 verscheen, zijn bepaald niet simpel. In Engelse virginaalmuziek komt regelmatig virtuoos passagewerk voor en dat is ook het geval in de werken die zij uit de bundel gekozen had, van Byrd, Gibbons en Bull, destijds gerekend tot de beste componisten van muziek voor toetsinstrumenten. Deze bundel werd samengesteld voor Elisabeth Stuart, dochter van Jacobus I. Wat is de connectie met het festivalthema? Ze huwde met de Duitse prins Frederik V en beiden werden gekroond tot koning en koningin van Bohemen. Na één jaar werden ze afgezet door Ferdinand II van Habsburg. De verbinding met het thema werd versterkt door de Engelse muziek te confronteren met werken van Carl Luython, die in Wenen voor de Habsburgers werkte. Muzikaal was die confrontatie bijzonder interessant, vooral door de verschillende manieren waarop met harmonie wordt omgegaan. In Luythons Ricercar wordt frequent van chromatiek gebruik gemaakt. Luython geldt in zijn vocale muziek als conservatief, dat geldt zeker niet voor zijn klaviermuziek. Italiaanse componisten begonnen tegen het einde van de 16e eeuw met harmonie en stemmingen te experimenteren, en dat zien we terug bij Luython, die enkele jaren in Italië studeerde. Hij bezat een klavecimbel met extra toetsen die enharmonisch spel mogelijk maakten. Ook in Engelse virginaalmuziek komen dissonanten voor, maar die zijn min of meer ‘toevallig’ en maken deel uit van het polyfone discours. Een specifiek expressieve functie hebben ze niet. Catalina Vicens gaf een indrukwekkende uitvoering van Luythons Ricercar, naast een fuga en een versierde intavolatie van een stuk van zijn leermeester De Monte. In het Engelse repertoire excelleerde ze evenzeer: ze articuleerde helder zonder dat dit tot verbrokkeling leidde en speelde met grote ritmische precisie. Dit boeiende repertoire heeft ze ook opgenomen; haar aan Parthenia gewijde CD is elke liefhebber sterk aan te bevelen.

In de St Catharinakerk klonk muziek van eeuwen daarvoor. De Schola Gregoriana Pragensis onder leiding van David Eben maakte weer eens haar opwachting. Dat ensemble, gespecialiseerd in middeleeuws één- en meerstemmig repertoire uit Bohemen, was al enkele malen eerder te gast in Utrecht en maakte steeds grote indruk. Dat was ook nu weer het geval in een programma dat gewijd was aan Petrus Wilhelmi de Grudencz (1392-c1480). Hij werd in Polen geboren en trad in de jaren 1440 in dienst van keizer Frederik III. Van hem hoorden we een aantal werken op Latijnse tekst, maar ook enkele in de volkstaal. Enkele stukken voor twee en drie stemmen werden solistisch uitgevoerd, met in de bovenstem de opmerkelijke Hasan El-Dunia, die de hoogte van een hautecontre heeft, maar in enkele gevallen ook moeiteloos overschakelde op zijn falsetregister. Het concert eindigde met een paar werken voor het feest van St Maarten, met daarin opvallende reminiscenties aan de gans die tijdens dit feest traditioneel op het menu staat. Naast meerstemmige werken was ook eenstemmig repertoire te horen. Dat wordt altijd als ‘gregoriaans’ aangeduid, maar onderzoek in verschillende landen laat zien dat er grote regionale verschillen zijn, zowel tekstueel als muzikaal. Deze Schola houdt zich met het Boheemse repertoire bezig en het was bijzonder interessant dit hier te horen, gezongen door een superieur ensemble dat muziekwetenschappelijke kennis paart aan een grote muzikaliteit. Uiteraard is de ruimte van de St Catharinakerk perfect voor dit soort liturgisch repertoire. Hopelijk zien we deze Schola in een later jaar weer terug in Utrecht.

Een ‘oude bekende’ is inmiddels ook het vocaal ensemble Cinquecento, dat je zou kunnen vergelijken met het Hilliard Ensemble. Dat laatste wordt dit jaar opgeheven en hield zich de laatste jaren steeds meer met hedendaags repertoire bezig. Cinquecento lijkt een waardige opvolger. Opvallend is dat het in de keuze van het repertoire bij voorkeur afwijkt van de platgetreden paden. Dat was ook het geval in het concert in de Pieterskerk. Er klonken enkele werken van Philippus de Monte – geen onbekende, maar toch bepaald ook geen vaak uitgevoerd componist. Verder waren enkele werken van Philipp Schöndorff te horen, en die was geheel onbekend totdat het ensemble zijn gehele oeuvre op CD zette. Nieuw was Jean Guyot de Châtelet (1512-1588). Terwijl De Monte en Schöndorff aan het Habsburgse hof in Praag werkten, was De Châtelet – evenals laatstgenoemde uit Luik afkomstig – in Wenen werkzaam. Van hem klonken drie motetten en een omvangrijke en indrukwekkende alternatim zetting van het Te Deum. De connectie tussen de Habsburgers en musici uit Luik was het thema van dit concert dat begon met het eenstemmige Magna Vox van bisschop Etienne van Luik. Zoals eigenlijk altijd verzorgde Cinquecento een prachtige uitvoering. Het ensemble beschikt zonder uitzondering over fraaie stemmen die perfect op elkaar zijn afgestemd en een mooie totaalklank produceren. Daar passen dan wel twee kanttekeningen bij. De eerste is dat de altus Franz Vitzthum soms wat domineerde – dat is vaak het geval met falsetterende mannenstemmen. Wanneer Terry Wey de bovenstem zong, was dat overigens veel minder het geval. Vitzthum heeft een iets penetrantere stem en zou zijn volume iets kunnen terugnemen. De tweede kanttekening is het bewustzijn van verschillen in uitvoeringspraktijk tussen de regio’s in Europa. De experimenten van de Cappella Pratensis – van vroeger, moet ik eraan toevoegen, toen Rebecca Stewart nog de leiding had – hebben nog niet veel navolging gevonden. Dat heeft ook met de uitspraak te maken: de Italiaanse uitspraak van het Latijn lijkt me in dit repertoire niet verdedigbaar.

Antonio Caldara is één van die barokcomponisten die een reusachtig oeuvre bij elkaar hebben geschreven en in hun tijd een grote reputatie genoten, maar nu nog nauwelijks op waarde worden geschat. In 2011 klonken enkele van zijn geestelijke werken in het festival, onder leiding van Diego Fasolis. Op de CD-markt verschijnen zo nu en dan opnamen met muziek van Caldara, maar van een Caldara-renaissance lijkt vooralsnog geen sprake te zijn. Daar is echter alle reden voor, zoals het genoemde concert in 2011 bewees en onderstreept werd door de uitvoering van zijn oratorium San Giovanni Nepomuceno door solisten en Collegium 1704 onder leiding van Václav Luks in TivoliVredenburg. Het werk zit vol met prachtige en vaak technisch briljante aria’s, de ene nog mooier dan de andere. Het begon al direct na de ouverture met een aria van de Ministro, fraai gezongen door tenor Václav Cizek. Ronduit spectaculair was de aria die het eerste deel besloot, gezongen door Hana Blaziková als de Regina, met een briljante obligaatpartij voor trompet, gespeeld door Hans-Martin Rux. De verschillende personages werden uitstekend geportretteerd. Speciale vermelding verdienen de bas Tomás Král, die koning Venceslao, met al zijn wreedheid, overtuigend neerzette, en mezzosopraan Sophie Harmsen, die een indringende vertolking gaf van de titelrol, de martelaar Johannes Nepomucenus (c1350-1393). Alle zangers waren technisch en stilistisch op hun taak berekend en het orkest speelde energiek en kleurrijk. Inhoudelijk heeft dit werk veel van een opera en sommigen zouden kunnen denken dat het om een scènische uitvoering vraagt. Maar wanneer het zo beeldend wordt uitgevoerd als hier het geval was, is elke enscènering overbodig. Het was een goede geste de tekst door boventiteling te vertalen. Die vertaling had overigens wel wat minder houterig en plechtstatig gekund.

Het laatste concert van de dag was getiteld ‘Muziek in de Kunstkammer’. Het begrip Kunstkammer is de benaming voor een verzameling van voorwerpen van verschillende aard die door vorsten, o.a. enkele van de Habsburgers, werd samengebracht en voor ingewijden tentoongesteld. Hoe dat allemaal zit kan ik hier niet beschrijven; in het programmaboek vindt men een verhaal daarover. Tijdens het concert, in ‘Cloud Nine’ van TivoliVredenburg, werden beelden van voorwerpen in zo’n Kunstkammer vertoond. Daarom was de zaal geheel verduisterd, wat uiteraard het volgen van de teksten van de gezongen stukken onmogelijk maakte. In het programma, met muziek uit hoofdzakelijk de tweede helft van de 16e eeuw, stond ‘versiering’ centraal, vooral in die zin dat composities in hun oorspronkelijke gedaante werden geconfronteerd met bewerkingen, zoals diminuties. Daarin ligt, volgens Skip Sempé in het programmaboek, dan ook de verbinding met de Kunstkammer: “De Weense Kunstkammer, met zijn rijk versierde kunstwerken, vraagt om een programma waarin ornamentatie een even grote rol speelt”. Mij lijkt de lijn tussen het één en ander nogal dun, maar vooruit. De muziek was prachtig en de uitvoeringen meestal goed, zeker wat het instrumentale aandeel van Capriccio Stravagante betreft. Over de verrichtingen van het vocaal ensemble Profeti della Quinta was ik iets minder enthousiast. Het klonk soms nogal wankel, ook in de intonatie, vooral aan de bovenkant van het spectrum. Daar moet ik wel direct bij zeggen dat de akoestiek in de zaal mij voor vocale muziek allesbehalve ideaal lijkt. Ik geloof niet dat deze in het reguliere concertseizoen voor klassieke muziek bestemd is. Ik hoop in ieder geval van niet, want ik zou niet graag voor een concert zoveel trappen willen beklimmen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: