Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2013

Festival Oude Muziek Utrecht 2013 – vrijdag 30 augustus

Vier componisten staan centraal in dit festival. Van die vier werd aan Orlandus Lassus verreweg de meeste aandacht besteed. Dat is begrijpelijk, gezien de omvang van zijn oeuvre. Daarbij is vrijwel altijd vocale muziek te horen. Instrumenten speelden wel een belangrijke rol, maar waren vrijwel altijd ondergeschikt aan de vocale muziek. Er is weinig zelfstandige instrumentale muziek uit zijn tijd overgeleverd, met uitzondering van muziek voor toets- en voor tokkelinstrumenten. Instrumentalisten speelden vooral bewerkingen van vocale muziek. Dat kon variëren van een weergave van de muziek zoals die genoteerd stond tot improvisaties over zulke muziek. Die laatste vorm stond centraal in het concert van Kate Clark (traverso) en Paul O’Dette (luit) in de Lutherse Kerk. Op het programma prijkten bekende titels als Tant que vivray, O Felichi occhi mei en Anchor che col partire. Kate Clark speelde daarbij de bovenstem met diminuties van componisten uit het eind van de 16e eeuw en eigen diminuties in de stijl van de tijd, terwijl O’Dette de overige stemmen voor z’n rekening nam. Het genre van de diminuties is zeker niet onbekend: die worden nogal eens op concerten gespeeld en er zijn ook heel wat CDs met zulke werken. Maar daarbij horen we meestal instrumenten als de blokfluit, de viool of de zink. De traverso is zelden te horen; dat geldt trouwens in het algemeen voor de muziek uit de renaissance. Hooguit speelt het mee in een ensemble met andere instrumenten. Kate Clark houdt zich intensief bezig met de renaissancetraverso en heeft opnamen gemaakt met muziek voor een consort van traverso’s. Ze liet zien dat dit instrument ook voor het diminutierepertoire zeer geschikt is. Het feit dat ze zelf ook zulke diminuties toevoegde is een logisch vervolg op het spelen van genoteerde diminuties. Die vinden immers meestal ook hun oorsprong in improvisaties. Maar ook de kunst van het improviseren – behalve dan het toevoegen van versieringen – is nog relatief weinig ontwikkeld. Ook in die zin was dit een heel interessant programma, op boeiende wijze door de twee musici voorgedragen.

Het ensemble Tetraktys, onder leiding van Kees Boeke, houdt zich al jaren bezig met de muziek uit de vroege renaissance, vooral uit Italië. Dan denk je direct aan componisten als Landini en Ciconia. Laatstgenoemde is één van de componisten van het festival. Tetraktys plaatste enkele van diens stukken naast die van drie tijdgenoten: Paolo da Firenze, Bartolino de Padova en Andrea da Firenze. In zijn programmatoelichting gaf Boeke een karakterisering van de verschillende componisten die bij oppervlakkige beschouwing nogal op elkaar lijken. Dat is heel interessant, maar op een live concert niet zo eenvoudig te volgen. Een CD is daarvoor meer geschikt, omdat je dan kunt vergelijken en iets kunt terughoren. Het vergt bovendien de nodige concentratie en een concert in het festival is daarvoor wellicht niet de meest geschikte gelegenheid. Dat heeft ook met het moment te maken: naarmate het festival vordert, zie ik meer mensen tijdens concerten in slaap sukkelen. Hoe dan ook, het was een bijzonder interessant concert dat de kwaliteit en het eigenaardige karakter van het repertoire goed liet uitkomen. De teksten, zonder uitzondering van hoge kwaliteit, zijn bijzonder belangrijk. Julia von Landsberg (sopraan) en Carlos Mena (alto) deden hun best die teksten zo duidelijk mogelijk voor te dragen. Of dat achterin de St. Willibrorduskerk ook is overgekomen, waag ik te betwijfelen. Deze kerk – of welke kerk dan ook – lijkt me niet de meest geschikte plek voor dit soort repertoire. Het instrumentale aandeel van Kees Boeke (blokfluit, vedel), Baptiste Romain (vedel) en Claire Piganiol (harp) mag niet onvermeld blijven.

Het Concerto Italiano associeer je niet direct met de klassieke polyfonie. Voorzover het ensemble zich met 16e-eeuws repertoire heeft beziggehouden, betrof dat meestal wereldlijke muziek, vooral Italiaanse madrigalen. Meer recent heeft het repertoire zich tot de late 17e en de 18e eeuw uitgebreid. In de Domkerk zong het ensemble onder leiding van Rinaldo Alessandrini de Missa Surge propera van Lassus, voorafgegaan door het motet, waaraan de cantus firmus is ontleend en gevolgd door enkele motetten. Opmerkelijk hierbij is dat de stemmen werden versterkt door twee theorbes en orgel. Het gebruik van instrumenten die colla voce spelen was een gangbare praktijk in de renaissance. Het is opmerkelijk dat deze praktijk in dit festival zelden is toegepast; het slotconcert door het Huelgas Ensemble zal het gebruik van instrumenten in Lassus’ muziek illustreren, maar daarbij gaat het dan om wereldlijke muziek. Het moet gezegd worden dat het orgel een dimensie toevoegt, maar van de theorbes heb ik vrijwel niets gehoord. Als ze er niet waren geweest, zou dat geen verschil gemaakt hebben. Concerto Italiano zong op zichzelf uitstekend, maar de sopranen veroorloofden zich nu en dan een vibrato dat in dit repertoire beslist niet past. De stem van bariton Marco Scavazza is bepaald geen wonder van schoonheid. Ze klinkt nogal gruizig; in het ensemble viel dat niet al te zeer op, maar des te meer in de door hem gezongen gregoriaanse verzen. Ik heb al eerder opmerkingen gemaakt over de verstaanbaarheid van de teksten. Die was hier zeker niet optimaal: het motet Hispanum ad coenam werd door een ander stuk vervangen, maar welke tekst gezongen werd is me een raadsel. Ik kon er geen woord van verstaan.

Dat laatste speelde ook een rol in het concert dat Odhecaton onder leiding van Paolo Da Col in de Pieterskerk gaf. Hier stond een andere mis van Lassus op het programma: de Missa super Dixit Joseph, ook hier voorafgegaan door het motet waarop ze is gebaseerd, en gevolgd door vier motetten. In de lagere stemmen komt de tekst wel over, maar zodra Alessandro Carmignani zijn mond opendoet om de bovenstem te zingen, is van die tekst weinig te volgen. Hij heeft op zichzelf een mooie stem, maar die is nogal penetrant en neigt ertoe het geheel te domineren. Het grootste probleem is dat hij vooral klank produceert en weinig tekst. Zeker in de motetten, waarin de relatie tussen tekst en muziek sterker is dan in de mis, was dat nogal problematisch. In de mis waren er soms wat merkwaardige en (te) lange pauzes, die de stroom van de muziek op een onnatuurlijke manier ophielden. Het was op zich wel een mooi concert, maar een zeker gevoel van teleurstelling kon ik niet onderdrukken. Ik had hier meer van verwacht.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: