Gepost door: Johan van Veen | 29 augustus 2013

Festival Oude Muziek Utrecht 2013 – woensdag 28 augustus

Vandaag, zoals gebruikelijk, eerst naar de Lutherse Kerk voor een aflevering in de serie klavecimbelrecitals rond Froberger. Dit keer was het de beurt aan Bob van Asperen, die inmiddels een complete opname van Frobergers werken voor toetsinstrumenten op CD heeft gezet (Aeolus). Dit keer was de kerk vrijwel geheel gevuld. Het ligt dus misschien toch aan de bekendheid van de optredende musicus. Dat het gisteren bij Jean-Marc Aymes niet vol was, zegt wellicht iets over de oriëntatie van veel bezoekers van het festival. Maar misschien is het ook wel de financiële crisis die bezoekers kritischer maakt en minder risico laat nemen door een concert te bezoeken waar musici optreden die ze niet zo goed kennen.

Van Asperen beperkte zich tot Froberger. Het programma was getiteld “Een persoonlijke bloemlezing”. Ik vatte dat eerst op als een persoonlijke keuze van Van Asperen, maar bij nader inzien zat er een dubbele bodem in die titel. Hij had namelijk vooral werken uitgezocht die een sterk persoonlijk karakter dragen doordat ze openen met een deel dat voorzien is van een titel. Die kan naar gebeurtenissen verwijzen, zoals een overtocht naar Engeland (Suite XXX in a). Een stuk met een titel kan ook een meditatief karakter hebben. Een voorbeeld van dat laatste is de Suite XX in D, die met een Méditation sur ma mort future begint. In totaal speelde Van Asperen vijf suites wat het concert een sterk Frans karakter gaf. Daaraan droeg ook de beroemde Tombeau de Mr. de Blancrocher bij. In enkele gevallen las Van Asperen de door Froberger geschreven verklaring voor. Een vreemde eend in de bijt was de sterk op Frescobaldi georiënteerde Toccata III in G. Het improvisatorische karakter van dit stuk kwam heel goed uit de verf. De suites werden fraai gespeeld, al vond ik het in de snelle delen soms wat moeilijk het discours te volgen door de vrij hoge tempi. Daardoor was de articulatie soms wat minder helder dan ik graag had gehoord. De zoëven genoemde ‘beschrijvende’ delen werden prachtig gespeeld, met veel expressie, zonder sentimentele overdrijving.

Vijf jaar geleden speelde het Amerikaanse ensemble Piffaro in de St. Willibrordkerk. Dat ensemble specialiseert zich op de bespeling van blaasinstrumenten uit de middeleeuwen en renaissance. Dat leidt vaak tot spectaculaire resultaten. Dit jaar trad in dezelfde kerk een vergelijkbaar ensemble op, Les Hautz et les Bas, dat muziek uit de tijd van Ciconia speelde. Deze componist was zelf met maar één stuk vertegenwoordigd. Volgens de titel van het programma ging het om “muziek en politiek in de middeleeuwen”. Blaasinstrumenten werden vaak als signaalinstrumenten gebruikt, bijvoorbeeld om de aankomst van een hoge gast aan te kondigen. Het Concilie van Konstanz (1414-1418) was een gelegenheid waarbij het meerstemmige spel van blazers is gedocumenteerd. Daarbij waren ook allerlei componisten aanwezig, misschien ook Guillaume Dufay.Een programma met blaasmuziek vergt veel verbeeldingskracht. Componisten schreven geen instrumenten voor en dus hebben spelers grote vrijheid. Op het concert klonk bijvoorbeeld een Estampie uit de Robertsbridge Codex, die vaak op orgel gespeeld wordt, maar even zo goed op strijk- of blaasinstrumenten uitgevoerd kan worden. Ook vocale stukken werden toentertijd vaak instrumentaal uitgevoerd. In veel stukken klonken ook slagwerkinstrumenten. Wanneer die werden ingezet en welk slagwerk gebruikt werd, dat is moeilijk te zeggen. Het is duidelijk dat musici in dit soort zaken weleens uit de bocht vliegen. Het was een fantastische performance, maar – in tegenstelling tot het concert van Piffaro in 2008 – had ik nu soms twijfel over de historische grondslag onder de uitvoeringen. Ik had kon me niet aan de indruk onttrekken dat de show belangrijker was dan een historisch verantwoorde interpretatie.

De twee volgende concerten waren dan weer gewijd aan Lassus en zijn tijd. In de Pieterskerk zong The Brabant Ensemble, onder leiding van Stephen Rice, een programma waarin Lassus naast zijn tijdgenoot Cipriano de Rore werd gezet. De laatste is in onze tijd vooral bekend vanwege zijn madrigalen, zoals Anchor che col partire, ook vaak door tijdgenoten bewerkt. Zijn geestelijke werken krijgen minder aandacht en dat is jammer, want het concert liet zien dat die muziek niet onderdoet voor die van Lassus. In zijn programmatoelichting legde Rice er de nadruk op dat beide componisten, o.a. door hun tekstbehandeling, als wegbereiders van de nieuwe tijd kunnen worden gezien, waarvan Monteverdi één van de belangrijkste vertegenwoordigers was. Het ensemble zong erg mooi, maar de relatie tussen tekst en muziek kwam niet optimaal uit de verf. Dat heeft vooral te maken met de vrij lineaire voordracht, die teveel op klank en te weinig op de tekst georiënteerd is. Ensembles als het Huelgas Ensemble en Oratori konden op dat vlak meer overtuigen. Heel mooi was vooral de Missa super Doulce mémoire van De Rore, gebaseerd op het bekende chanson van Pierre Sandrin. Het materiaal van dit werk kwam steeds weer duidelijk hoorbaar tevoorschijn in de mis.

In zekere zin zette Erik Van Nevel met zijn ensemble Currende in de Domkerk het programma van The Brabant Ensemble voort. Nog sterker dan in dat concert kwam hier de stile nuovo om de hoek kijken, die enkele decennia later zich zou manifesteren. Naast Lassus hoorden we werken van Hans Leo Hassler, Alexander Utendal en Johannes Le Febure. Vooral bij eerst- en laatstgenoemden zitten we al dicht tegen de barok aan. In de werken die van hen werden uitgevoerd is de relatie tussen tekst en muziek veel sterker dan in die van eerdere generaties. In Domine, Deus meus stelt Hassler hoge tegenover lage stemmen en herhaalt hij enkele malen de zinsnede “in aeternum cantabo” om de oneindigheid te beklemtonen. Opvallend was de chromatiek in zijn motet Ad Dominum cum tribularer, wat uit de tekst te verklaren is: “Roep ik in mijn nood tot de Heer, Hij geeft mij antwoord”. Het concert eindigde met Doctor bonus van Johannes Le Febure, een stuk voor dubbelkoor. De verbinding tussen tekst en muziek werd door de interpretatie van Currende onderstreept door een duidelijke articulatie en sprekende dynamische contrasten. Kortom, een bijzonder overtuigend optreden in een interessant en inspirerend programma.

Tenslotte weer Froberger: in tegenstelling tot de meeste van zijn tijdgenoten beperkte hij zich tot slechts één genre, muziek voor toetsinstrumenten. Dat wil zeggen: voorzover we weten, want het is natuurlijk mogelijk dat werken in andere genres verloren zijn gegaan. Opmerkelijk is dat twee vocale werken zijn overgeleverd: geestelijke concerten voor drie stemmen, twee violen en bc. Deze zijn in de stijl van de Italiaanse stile nuovo gecomponeerd en werden aan het eind van het concert van Les Cyclopes onder leiding van Bibiane Lapointe en Thierry Maeder in de Pieterskerk uitgevoerd. Ik zal niet beweren dat Alleluia Absorpta est mors en Apparuerunt apostolis wereldschokkende ontdekkingen zijn, maar het zijn zeker waardevolle aanwinsten voor het repertoire en er is geen enkele reden ze te negeren. Ze maakten op mij meer indruk dan Nisi Dominus van Andreas Hofer, ook al is die veel bekender als componist van vocale muziek. Hij was in het programma opgenomen omdat hij, evenals Froberger gedurende een aantal jaren, aan het hof in Wenen werkte. De titel van het concert was dan ook “Frobergers motetten in context”. Tot die context behoorde ook Antonio Bertali, die van 1649 tot 1669 Kapellmeister aan het Weense hof was. Het concert begon met zijn Sonata Tausend Gulden, fraai gespeeld door de strijkers van het ensemble. Daarna volgde een lamento, een in de 17e eeuw populair genre van een zeer expressief karakter. In dit geval ging het om Mortali vedete van Bertali, een klaagzang op de dood van koning Karel I van Engeland, die zijn echtgenote in de mond gelegd wordt. Zo’n stuk vraagt om een echt recitar cantando, sprekend zingen. Daar was bij Eugénie Warnier niet veel van te merken. Ze zong vooral heel luid, maar van de tekst kwam veel te weinig over, en de interpretatie als geheel was onvoldoende gedifferentieerd. Op dat punt maakte de mezzosopraan Eva Zaïcik een veel betere indruk in Wie liegt die Stadt so wüste van Matthias Weckmann, persoonlijk vriend van Froberger. De troosteloosheid die daarin wordt uitgedrukt en geïnspireerd werd door de pestepidemie die Hamburg in 1663 trof, kwam prachtig tot uitdrukking. Ook de bas Andreas Wolf leverde hierin een mooi aandeel. Met tenor Robert Getchell waren zij ook verantwoordelijk voor de goede uitvoering van de twee werken van Froberger. Daarmee kwam de dag tot een mooi slot.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: