Gepost door: Johan van Veen | 28 augustus 2013

Festival Oude Muziek Utrecht 2013 – dinsdag 27 augustus

Gisteren schreef ik dat de Lutherse Kerk bij het klavecimbelrecital van David Van Bouwel bepaald niet vol zat. Ik veronderstelde dat het feit dat deze klavecinist in Nederland vrij onbekend is daar debet aan was. Het is de vraag of dat klopt, want vandaag speelde Jean-Marc Aymes, die veel bekender is en ook in eerdere edities van het festival optrad en opnieuw was de Lutherse Kerk voor niet meer dan zo’n tweederde gevuld. Dat is wel eens anders geweest. Het lijkt erop dat de muziek van Froberger, die in deze serie recitals centraal staat, maar een relatief beperkt publiek aanspreekt. Ik denk niet dat klavecimbelmuziek als zodanig weinig belangstelling trekt, want vorig jaar stond Sweelinck centraal en toen waren – als m’n herinnering me niet bedriegt – de concerten beter bezet.

Hoe dan ook, de wegblijvers hebben wat gemist. Belichtte Van Bouwel de connectie van Froberger met Frescobaldi en via hem met de generatie van het eind van de 16e eeuw, Aymes beperkte zich tot Frescobaldi en Froberger. Hij wilde vooral laten zien dat laatstgenoemde weliswaar door zijn Italiaanse leermeester is beïnvloed, maar toch een eigen weg insloeg. In zekere zin is zijn muziek strenger dan die van Frescobaldi door meer aandacht voor polyfonie en minder voor improvisatorische elementen. Daarbij moet dan wel worden aangetekend dat zijn eerste boek verloren is gegaan. Het is best mogelijk dat hij daarin nauwer aansluit bij Frescobaldi. In zijn programma liet Aymes zien dat ook invloeden van de Noordduitse orgelschool en langs die weg van Sweelinck en de Engelse virginalisten aanwezig zijn. Afwisselend werden werken van beide componisten ten gehore gebracht, in verschillende vormen, zoals de toccata, de canzona, de fantasia en het capriccio. Aymes’ spel was zeer levendig en contrastrijk. In vergelijking met Van Bouwel bracht hij meer contrast aan en was zijn spel dramatischer en extraverter. Beide speelden de Suite XIV van Froberger, die bij Aymes een kleurrijkere interpretatie kreeg dan van Van Bouwel. In sommige stukken komt de muziek plotseling tot stilstand in een generale pauze. Zoiets moet je niet horen aankomen, en Aymes zorgde ervoor dat die passages inderdaad als een verrassing kwamen. Op die manier onderstreepte hij het theatrale karakter van de stylus phantasticus waartoe de muziek van beide componisten behoort.

Sinds de vroege dagen van de historische uitvoeringspraktijk is veel geschreven over de relatie tussen retorica en muziek. De KRO wijdde er ooit een serie radio-uitzendingen aan. Dat was de tijd dat de klassieke zender nog iets aan serieuze educatie deed. Retorica associeer je niet direct met de muziek van de renaissance. In de prima prattica was de relatie tussen tekst en muziek zeer beperkt – althans, dat is de indruk die je krijgt bij het beluisteren van missen en motetten. Uit dat oogpunt was het aan Lassus gewijde concert in de Pieterskerk bijzonder interessant. Anne Smith, oorspronkelijk blokfluitiste, houdt zich als docent aan de Schola Cantorum Basiliensis speciaal bezig met de rol van de retorica in de muziek van de renaissance. Ze stelde een ensemble van haar beste studenten samen en gaf dat de veelzeggende naam Oratori. Want de componist is een orator, een redenaar, die een gedachte wil overbrengen met gebruikmaking van woorden op muziek en daarvoor bepaalde muzikale figuren te hulp roept. Zangers moeten zich daarvan bewust zijn en vervolgens die retorische elementen in de uitvoering overdragen. Het was interessant vanuit die invalshoek naar de motetten uit Lassus’ Cantiones Sacrae (1562) te luisteren die door Oratori ten gehore gebracht werden. Voor de luisteraar is dat echter ook een wat deprimerende ervaring: hij heeft immers geen woordenboek, dat verklaart welke figuren gebruikt worden voor woorden en zinnen. Sommige dingen zijn evident en zijn direct uit de tekst te destilleren, zoals dynamische schakeringen of versnellingen en vertragingen. Wanneer het over dronkenschap en drinken gaat, klinken de stemmen wat chaotisch door elkaar – dat is herkenbaar. Maar veel zal de gemiddelde luisteraar ontgaan. Een interessante en belangrijke vraag is ook of Lassus op dit terrein een uitzondering is. Hoever gaat die invloed van de retorica? Is die ook bij andere componisten traceerbaar en is dit iets van de tweede helft van de 16e eeuw of gaat dit nog verder terug? Het lijkt me een uiterst belangrijk onderwerp, ook met het oog op de interpretatie van de klassieke polyfonie. Overigens leverde het ensemble een uitstekende prestatie: vijf bijzonder fraaie en prachtig mengende stemmen, met een goede balans. Aan de tekstverstaanbaarheid zou gewerkt kunnen worden – de Pieterskerk werkt daarbij natuurlijk niet echt mee – en ook de uitspraak van het Latijn roept wat vragen op. Hoe dan ook, dit concert was in allerlei opzichten heel interessant en leverde stof tot nadenken. Dat past helemaal bij een festival als dit.

Ik wierp zojuist de vraag op in hoeverre de retorica een rol speelt in de muziek van de renaissance. Is Lassus uniek in dit opzicht of kunnen ook andere componisten vanuit deze invalshoek benaderd worden? Die vraag drong zich vooral op tijdens het avondconcert in de Domkerk met het Engelse vocaal ensemble Stile Antico.Tegenover werken van Lassus stelde het composities van zijn oudere tijdgenoot Nicolas Gombert. In diens muziek heb ik nooit enige relatie tussen tekst en muziek kunnen vaststellen. Maar dat kan veroorzaakt worden door het feit dat ik geen ‘woordenboek’ heb en dus niet weet of en welke muzikale figuren Gombert eventueel gebruikte om bepaalde elementen in de tekst te onderstrepen. Het concert gaf niet zoveel mogelijkheden tot een directe vergelijking omdat van Lassus hoofdzakelijk motetten klonken en Gombert vooral door delen uit zijn Missa Quam pulchra es aan het woord kwam. Toch drong zich bij mij weer de gedachte op dat de twee componisten inderdaad heel verschillend met de tekst omgaan. Gombert trekt vooral een kathedraal van klank op die zeer indrukwekkend en soms overweldigend is. Dat kwam in de uitvoering van Stile Antico prachtig tot uiting. De 12 stemmen vulden de Domkerk moeiteloos en ze onderstreepten de monumentaliteit van Gomberts muziek door soms grote dynamische contrasten. Bij Lassus komt de tekst nadrukkelijker naar voren en zijn muziek vraagt een wat andere aanpak. Dat geldt zeker voor de motetten op teksten uit het Hooglied, die hier gezongen werden. Stile Antico leek zich daarvan bewust en pakte deze stukken anders aan dan Gombert: de articulatie was helderder, elementen in de tekst werden uitgelicht en de dynamische contrasten waren kleinschaliger en werden meer door tekstelementen geïnspireerd. Mijns inziens hadden de verschillen nog wat sterker naar voren kunnen komen. Bij het ensemble Oratori stond de tekst nog duidelijker in het middelpunt. De slotpassage van Veni in hortum meum klonk bij Oratori levendiger en beeldender. In dit concert boden alleen de zettingen van het Magnificat een gelegenheid tot een directe vergelijking tussen Gombert en Lassus. Waar laatstgenoemde bijvoorbeeld de tekst “dispersit superbos” op een directe manier in de muziek tot uitdrukking brengt, hoor je bij Gombert eigenlijk geen enkele tekstuitbeelding. Stile Antico zong prachtig, maar wellicht zou iets meer differentiatie gewenst zijn. Ook de uniforme Italiaanse uitspraak van het Latijn is moeilijk te verdedigen.

De dag eindigde voor mij in de Pieterskerk waar het Huelgas Ensemble zijn tweede concert gaf. Ook hierin stond Lassus tegenover een collega, dit keer van dezelfde generatie: Claude Le Jeune. Laatstgenoemde is vooral belangrijk vanwege zijn vele chansons en psalmzettingen. Twee van zijn chansons werden uitgevoerd alsmede één van Lassus. Tijdens het beluisteren daarvan gingen m’n gedachten weer terug naar het concert van Stile Antico, waar ook een chanson klonk, maar dan van Gombert. Daarin viel eens te meer op hoe weinig tekst en muziek samenhangen; dat is bij Lassus en Le Jeune heel anders. Dit concert bood de mogelijkheid tot een directe vergelijking doordat steeds één tekst tweemaal in composities van beide meesters ten gehore werd gebracht. Veni Sancte Spiritus en Emendemus in melius hoorden we eerst in de versie van Lassus, dan in die van Le Jeune. Van Psalm 7 klonk een stuk op de Latijnse tekst (Domine Deus meus in te speravi) en daarna een versie van Le Jeune op een berijmde Franse tekst van Clément Marot. Luisterend naar hun muziek zou je moeten concluderen dat de overeenkomsten groter zijn dan de verschillen. Volgens Paul Van Nevel hadden ze grote achting voor elkaar en citeerden ze elkaars werken. Het concert eindigde met Le Jeune’s chanson Mon povre coeur dat in harmonisch opzicht opmerkelijk is. Ik dacht direct terug aan Lassus’ Anna, mihi dilecta dat daarmee vergelijkbaar is en dat gisteren in het eerste concert van het Huelgas Ensemble werd uitgevoerd. Van Nevel en zijn zangers zorgden wederom voor een prachtig concert, met een genuanceerde en gedifferentieerde voordracht van de verschillende stukken, ook door een verschil in de uitspraak van het Latijn. De Franse uitspraak zorgt bijna als vanzelf voor een andere klank, een wat lichtere toets. Le Jeune’s oeuvre zou wel wat meer aandacht mogen krijgen – misschien in een volgend festival?

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: