Gepost door: Johan van Veen | 27 augustus 2013

Festival Oude Muziek Utrecht 2013 – maandag 26 augustus

De maandag begon met een volgende aflevering in de serie met klaviermuziek, waarin Johann Jacob Froberger de spil is. Dit keer vond het concert op de vertrouwde plek plaats: de Lutherse Kerk, bij uitstek geschikt voor dit repertoire. De kerk was goed bezet, maar bepaald niet vol. Dat zou daaraan kunnen liggen dat de Belgische klavecinist David Van Bouwel niet zo bekend is, althans niet bij ons. Hij had een interessant programma samengesteld dat de luisteraar terugvoerde naar de wortels van Frobergers kunst. Hij was een leerling van Frescobaldi, maar bij laatstgenoemde komen invloeden van vorige generaties samen, zoals Luzzasco Luzzaschi en Ercole Pasquini. Hun experimenten op harmonisch gebied en de vrijheden die ze zich veroorloofden, leidden tot een stijl die als de stylus phantasticus wordt aangeduid. Daar zit ook een sterk subjectief element in, zoals dat bijvoorbeeld in Frobergers lamento’s tot uiting komt. Van Bouwel eindigde zijn recital met de Suite XIV van Froberger, die begint met de ‘Lamentation sure ce que j’ay été volé’. Verschillende in de klaviermuziek van de vroege 17e eeuw gebruikte vormen kwamen voorbij, zoals de toccata, de ricercare, de canzona en het capriccio. Harmonische experimenten die een belangrijk element van dit repertoire zijn, kwamen door de stemming van het instrument goed tot hun recht, bijvoorbeeld in de bekende Toccata VII van Michelangelo Rossi. Die had wel wat pittiger mogen klinken. Van Bouwel’s aanpak was vrij rustig en onspectaculair. Hier en daar had hij er een schepje bovenop mogen doen, maar over het geheel genomen was dit een mooi recital, goed gespeeld en programmatisch interessant.

Twee concerten waren gewijd aan Orlandus Lassus. In de Domkerk belichtte Paul Van Nevel met zijn Huelgas Ensemble zijn “grenzeloze veelzijdigheid”, zoals het programma getiteld was. Achtereenvolgens werden de aspecten van zijn persoonlijkheid en werk belicht: de melancholicus, de architect, de gelovige, de humorist, de homo ludens, de humanist en de minnaar. De verschillende talen van de ten gehore gebrachte stukken laten een ander soort veelzijdigheid zien: Lassus drukte zich in het Latijn, het Duits, het Frans en het Italiaans even gemakkelijk uit – inderdaad ‘grenzeloos’. De karaktertrekken die zoëven genoemd werden, zijn alleen van belang wanneer ze in de muziek tot uitdrukking komen. Dat lijkt een vrij unieke eigenschap van Lassus’ muziek te zijn: z’n persoonlijkheid komt op verschillende manieren daarin tot uiting. Dat was zeker in die tijd vrij ongewoon. Onder de titel homo ludens klonk één van zijn meest merkwaardige stukken: de eerste regels van de psalm Super flumina Babylonis worden daar helemaal uit elkaar getrokken in enkele lettergrepen of groepen van lettergrepen. Dat kun je, zoals Van Nevel in zijn programmatoelichting, als Spielerei aanduiden, maar dan wel één van de meer intellectuele soort. Daarin is Lassus dan weer een typische vertegenwoordiger van de Franco-Vlaamse school, die hield van intellectuele experimenten in de muziek. Je kunt het aan Van Nevel en zijn zangers overlaten om van dit repertoire het beste te maken. De steeds wisselende combinatie van stemmen zorgde voor een optimale balans, waarin geen stemgroep domineerde. Ook de tekst was – voorzover de akoestiek van de Domkerk dat toeliet – redelijk goed te volgen. Door de declamatorische wijze van zingen werd dat ook bevorderd. Het karakter van elk stuk kwam goed tot z’n recht. Alles bij elkaar een prachtig concert. Ik kijk uit naar de volgende optredens van dit ensemble.

Op de late avond trad in de Pieterskerk het vocaal ensemble Cinquecento op. Hier werd muziek van Lassus gecombineerd met werken van zijn tijdgenoot Philippus de Monte. Daarmee werd al een brug geslagen naar het festival van volgend jaar, waarin hij één van de centrale componisten zal zijn. Dat mag wel eens, want zijn muziek wordt nog niet op waarde geschat. Dit concert bewees dat dit niet terecht is. Enkele fraaie motetten – Gaudent in caelis, Miserere mei en In monte Oliveti – werden gecombineerd met enkele delen uit zijn Missa Ultimi miei sospiri. Niet alleen Lassus schreef motetten op een wereldlijke tekst, zoals Dulces exuviae, dat deed ook De Monte. Cinquecento combineerde het genoemde werk van Lassus met Nymphae, parentes van De Monte. Lassus’ motet was eerder ook door het Huelgas Ensemble gezongen, en hoewel leden van Cinquecento nu en dan ook bij Van Nevel zingen, was de interpretatie nogal verschillend. Waar Van Nevel kiest voor een meer declamatorische stijl van zingen waarin de tekst centraal staat, heeft Cinquecento een meer lineaire aanpak, met een lichte neiging tot dominantie van de bovenstemmen. Dat heeft ook met de samenstelling van het ensemble te maken, waarin twee mannenalten de bovenstemmen zingen. Overigens was de balans goed, doordat ook de lagere stemmen voldoende presentie hadden. Ik zou niet durven zeggen wie dichter bij de ‘waarheid’ zit, als die in dit geval al bestaat. Cinquecento is een superieur ensemble dat de werken van Lassus en De Monte prachtig vertolkte. Een hoogtepunt van het concert was het magnifieke Magnificat super Praeter rerum seriem van Lassus. Het is te hopen dat Cinquecento volgend jaar er weer bij is, met muziek van Philippus de Monte.

Tussen deze twee concerten door was ik in de Jacobikerk waar muziek klonk die eigenlijk niet in het thema van dit festival paste. Dat hoeft op zichzelf geen bezwaar te zijn: zo’n thema moet geen keurslijf worden. De muziek was interessant genoeg om voorgesteld te worden. Dat woord ‘voorgesteld’ kies ik niet voor niets: de componist Davide Perez (1711-1778) is nauwelijks bekend – ook al is in een vorige editie een oratorium van hem uitgevoerd – en het ten gehore gebrachte werk is pas kortgeleden ontdekt. De Mattutino de’ Morti werd in 1770 in Lissabon gecomponeerd en is een combinatie van het dodenofficie en de liturgie van de pelgrims. Het werd voor het eerst uitgevoerd ter gelegenheid van een bedevaart naar het heiligdom van Nossa Senhora do Cabo. Kort na de première nam de Orde van St. Cecilia het in gebruik bij jaarlijkse vieringen ter ere van overleden musici. In hoeverre hier sprake is van een ‘ontdekking’ kan ik niet beoordelen: New Grove vermeldt een uitgave van het stuk in Londen in 1774. Het is een lang werk dat tijdens het concert werd ingekort om bezoekers in de gelegenheid te stellen tijdig de Pieterskerk te bereiken voor het concert van Cinquecento. Dat is jammer, maar de geplande CD-opname biedt de gelegenheid het werk in z’n geheel te beluisteren. Dat is zeker de moeite waard, want het is een stuk dat heel interessant is en muzikaal van uitstekende kwaliteit. Daarbij moet dan wel de tijd van ontstaan in aanmerking genomen worden. De soli – verdeeld over twee sopranen, alt, tenor en twee bassen – hebben vaak een nogal opera-achtig karakter, inclusief cadenzen. De relatie tussen tekst en muziek is soms nogal merkwaardig, als je die met werken uit de barok vergelijkt. Soms lijken tekst en muziek met elkaar in tegenspraak, zoals wel vaker bij religieuze muziek uit de klassieke periode. Perez haalt alles uit de kast, vooral ook door een intensief gebruik van blaasinstrumenten. De hoorns en trompetten spelen een prominente rol en dat laat zich uit de vaak dreigende teksten over het laatste oordeel verklaren. Wie de tekst van het Dies irae kent heeft een aardig idee van wat hij hier te horen krijgt. Het werk werd voorafgegaan door een eveneens weinig bekend werk, het Stabat mater van Emanuele d’Astorga (1680-1751). Een prachtig werk dat nog echt barok is en op die manier een sterk contrast vormde met het werk van Perez. Onbegrijpelijk dat dit stuk zo weinig wordt uitgevoerd. Zou dat niet interessanter zijn dan het uitentreure herhalen van het Stabat mater van Pergolesi?
De uitvoering van beide werken was indrukwekkend. Het Italiaanse Ghislieri Choir & Consort waren me onbekend; ze gaven een mooi visitiekaartje af. Behalve Roberta Invernizzi (sopraan) en Salvo Vitale (bas) kwamen ook de solisten uit het koor. Laatstgenoemde moest overigens in enkele passages in Perez wel heel diep gaan, maar die zeer lage noten kwamen er perfect uit. Bij het geheel moet wel een kanttekening gemaakt worden: zowel solisten als koor veroorloofden zich meer vibrato dan in deze muziek verantwoord is. Dat is een moderne trend, waaraan ik niet kan en niet wil wennen.

Het is gebruikelijk dat het laatste concert om middernacht plaatsvindt. Dat laat ik meestal lopen; er is een grens aan wat een mens kan verstouwen. De volgende dag staan tenslotte weer concerten op het programma. Dit keer maakte ik één uitzondering: de kans Emma Kirkby te horen wilde ik me niet laten ontgaan. Door de jaren heen is haar stem zeker veranderd, krachtiger en kleurrijker geworden. Niet veranderd zijn de subtiliteit van haar interpretaties en haar genuanceerde tekstbehandeling. Als dat ergens tot uitdrukking komt, dan in haar vertolking van Engelse liederen uit de late 16e en vroege 17e eeuw. Die maakten dan ook een belangrijk deel uit van het programma, dat ze met luitist Jakob Lindberg gaf in de aula van de universiteit. Daaronder waren verschillende liederen die ze speciaal voor deze gelegenheid had ingestudeerd. Het programma had de nacht als thema, waarnaar de titel “In darkness let me dwell” verwees. Dat lied van Dowland werd uiteraard ook gezongen en was gelijk ook een hoogtepunt van de avond. De tekst en de daarin uitgedrukte emoties kwamen perfect over het voetlicht. Heel merkwaardig is John Danyel’s Can doleful notes waarin je in harmonisch opzicht steeds op het verkeerde been wordt gezet. De als altijd uitstekende intonatie van Kirkby maakte dit tot een bijzondere belevenis. Tarquinio Merula’s Canzone spirituale sopra la Nanna is één van de bekendste stukken uit de Italiaanse 17e-eeuw. Ik heb Emma Kirkby in zulk repertoire nooit op haar best gevonden, maar hier maakte ze toch wel een sterke indruk, ook al weer vooral door de tekstbehandeling. Dat er dynamisch en qua kleur iets blijft liggen, vergeef je haar dan gemakkelijk. Franse liederen liggen haar dan weer beter; jammer alleen – en dat geldt ook voor het Engelse repertoire – dat ze zich niet om een historische uitspraak van de teksten bekommert. Wat dat betreft valt er sowieso nog veel werk te verrichten. Maar als het om tekstbehandeling en expressie gaat kunnen veel jonge zangers aan Emma Kirkby een voorbeeld nemen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: