Gepost door: Johan van Veen | 26 augustus 2013

Festival Oude Muziek Utrecht 2013 – zaterdag 24 augustus

Johann Jacob Froberger is één van de componisten die centraal staan in dit festival. Kortgeleden las ik in een CD-boekje dat zijn muziek niet vaak gespeeld wordt. Dat lijkt me een misvatting. Ik kom zijn klavierwerken regelmatig op CD tegen en ook in concerten worden ze nogal eens gespeeld. In eerdere edities van het festival is hij herhaaldelijk voorbij gekomen. Desalniettemin was het een goed idee hem als één van de composers in residence aan te wijzen. In een aantal recitals wordt aan zijn werk aandacht besteed. Vandaag hoorde ik Jos Van Immerseel in de aula van de universiteit. Van Immerseel profileert zich de laatste tijd vooral in 19e- en vroeg-20e-eeuws repertoire, op fortepiano en met zijn orkest Anima Eterna. Met Froberger en zijn tijd associeer je hem minder. Daarom was het extra interessant juist hem in dit repertoire te horen. Hij maakte er een boeiend geheel van. Opmerkelijk was dat hij naast Froberger drie werken van William Byrd zette waarmee hij zijn recital begon. Wellicht was het de bedoeling het contrast tussen de twee componisten en de stijlen die zij vertegenwoordigen, te belichten. Dat is dan goed gelukt. Aan de ene kant de vrij strenge polyfone stijl van Byrd, die vooral in zijn Fantasia in a (MB 13) tot uiting kwam, en anderzijds twee toccata’s en een capriccio van Froberger, die wortelen in de Italiaanse stylus fantasticus en sterk improvisatorische trekken hebben. Ritmische vrijheden zijn in Byrd niet aan de orde, bij Froberger des te meer. Van Immerseel eindigde met de bekendste suite van Froberger (XII in C), die begint met het lamento op de dood van Ferdinand IV, zoon van keizer Ferdinand III. Dat eindigt met een stijgende figuur die Ferdinands opname in de hemel verbeeldt. In sommige interpretaties wordt deze episode herhaald, maar gezien haar betekenis is dat nogal merkwaardig. Van Immerseel, die zich vele jaren heeft beziggehouden met de retorische aspecten van muziek, speelde uiteraard geen herhaling.

In het festival draait het allemaal om ‘Europa’, in muzikale zin de kruisbestuiving tussen de verschillende stijlen die in Europa gangbaar waren. De tegenstelling tussen de Franse en de Italiaanse stijl in de 17e eeuw is één van de meest in het oog springende aspecten van de muziekgeschiedenis. Het is wat gecompliceerder dan men soms denkt. De Fransen zetten zich nogal eens af tegen de Italiaanse muziek, maar niet weinigen genoten er desondanks van. Ook de Engelse koning Jacob II, die in 1688 ten gevolge van de Glorious Revolution de wijk moest nemen naar Frankrijk, at van twee walletjes. Het ensemble Le Jardin Secret bracht werken ten gehore die hij wellicht gehoord heeft, en daartoe behoorde zowel Italiaanse als Franse muziek. Het programma begon met een aria van Campra uit diens opera L’Europa Galante. Campra en Charpentier, van wie ook enkele werken werden uitgevoerd, waren de meest door de Italiaanse stijl beïnvloede componisten van Frankrijk. Pièce de résistance was een cantate van Giacomo Carissimi – wellicht ooit de leermeester van Charpentier – op de dood van Maria I Stuart, koningin van Schotland, die in 1587 werd geëxecuteerd. Dat gebeurde overigens niet, zoals de toelichting suggereert, vanwege haar rooms-katholieke geloof, maar vanwege een complot tegen Elizabeth I van Engeland, bedoeld om de Engelse troon in handen te krijgen. Dit stuk vraagt om een ritmisch vrije, sprekende voordracht. Sopraan Elizabeth Dobbins liet het daaraan niet ontbreken, maar toch bleef het geheel wat vlak. Technisch was alles in orde, maar haar stem miste variatie in kleur waardoor het niet helemaal overtuigde. De andere vocale stukken kwamen beter uit de verf. Vreemd was wel de Italiaanse uitspraak van het Latijn; ook in de werken op een Franse tekst werd geen poging ondernomen de toenmalige uitspraak enigszins te benaderen.

Het Egidius Kwartet wijdde zich aan een andere composer in residence, Orlandus Lassus. Vele jaren had hij een riante positie in München, waar hij over een ensemble van zangers en instrumentalisten beschikte dat hem vrijwel onbeperkte mogelijkheden bood. Componisten en uitvoerende musici leefden echter in voortdurende onzekerheid; de situatie kon zomaar veranderen ten gevolge van politieke en daardoor vaak ook financiële verwikkelingen. Daarmee kreeg ook Lassus te maken. Het programma was gewijd aan stukken uit een periode van crisis, toen Lassus het met minder moest doen. Hij ging stukken schrijven voor twee stemmen, zoals enkele instrumentale bicinia, die tijdens dit concert door Susanne Braumann en Lucia Krommer op twee gamba’s werden gespeeld. Die klonken als afwisseling van een bloemlezing van wereldlijke – op Duitse en Franse teksten – en geestelijke werken, die in verschillende combinaties werden gezongen. Het resulteerde in een mooi concert. Het Egidius Kwartet produceert een fraaie klank, gedragen door optimaal mengende stemmen. De extra zangers die voor dit project waren aangetrokken, voegden zich daar moeiteloos in. De verstaanbaarheid was redelijk goed, wat in de Pieterskerk niet vanzelf spreekt.

De Franse stijl oefende op sommige componisten buiten Frankrijk grote aantrekkingskracht uit. Voorbeelden zijn Telemann en Purcell. Zij kwamen aan bod in een programma dat gewijd was aan het Franse grand motet, een motet – meestal op teksten uit de Psalmen – voor solostemmen, klein en groot koor en orkest. De basis voor dit genre werd gelegd door Jean-Baptiste Lully, die het programma van Le Parnasse Français onder leiding van Louis Castelain opende, gevolgd door een motet van Clérambault. De overige componisten waren niet Frans: Antonio Biffi was kapelmeester van de San Marco in Venetië. Hij schreef een Miserere op verzoek van een neef van Lodewijk XIV, die een liefhebber van de Venetiaanse muziek was. Het is een groot werk in Franse stijl met meer solopassages dan men meestal in motetten van Franse componisten aantreft. Merkwaardig was dat enkele onderdelen die volgens het tekstboek voor sopraan zijn gezet, door een falsetterende alt werden uitgevoerd (z’n naam werd niet genoemd in het programmaboek). Falsetterende mannen werden in Frankrijk nauwelijks geapprecieerd, dus uit historisch oogpunt was dit een wat vreemde beslissing. Passages die volgens het tekstboek voor ‘contratenor’ zijn bedoeld, werden nu eens door deze falsettist, dan weer door de hautecontre Jeffrey Thompson gezongen. Laatstgenoemde heeft een mooie stem, maar zijn soms wat onbeheerste uithalen kon ik niet erg waarderen. Tenor Marc Mauillon maakte op mij de meeste indruk met z’n fraaie stemgeluid en afgewogen, maar expressieve interpretatie. Sopranen Eugénie Warnier en Hasnaa Bennani hadden hun vibrato wat kunnen beperken. Met behulp van het programmaboek was de tekst te volgen, maar in de toegift bleek dat zonder tekst de verstaanbaarheid ernstig te wensen overlaat. Ik kon niet waarnemen of in het Latijn of het Duits gezongen werd. Telemanns motet Deus judicium tuum is een ander werk van een niet-Franse componist dat zeer Frans klinkt. Dat is veel minder het geval in Purcells verse anthem My beloved spake. Het genre van de verse anthem gaat terug tot de renaissance en formeel wijkt Purcells anthem nogal af van het Franse grand motet. Het is ook duidelijk dramatischer van aard dan de meeste Franse motetten. Overigens lijkt het me onjuist dat in het programmaboek de Franse term récit met recitatief wordt vertaald. Het gaat hier niet om recitatieven zoals in de Italiaanse opera. Deze term werd in de Franse barok gebruikt voor elke solopassage, vocaal en instrumentaal.

De dag eindigde in de Geertekerk met muziek van één van de meest briljante maar ook raadselachtige componisten van de renaissance: Johannes Ciconia. Vooral de ritmische complexiteit van zijn muziek is verbazingwekkend. Pedro Memelsdorff heeft zich met zijn ensemble Mala Punica intensief met dit repertoire beziggehouden. De uitvoeringsstijl, die het uiterste van alle musici vergt, is heel herkenbaar. Het is fascinerend, maar tegelijk ook wat vervreemdend en zeker ook controversieel. Soms lijkt het bijna op Sprechgesang, terwijl ook de grote dynamische contrasten opvallen. En dan is er Memelsdorff zelf die, ook als maar twee zangers op het podium staan, heftig gesticulerend aanwijzingen geeft. Ik weet niet of dat echt nodig is; storend vind ik het eigenlijk wel een beetje. Technisch staat alles op een zeer hoog niveau; de prestaties van de zangers waren indrukwekkend. Wat je van de interpretaties ook mag vinden, ze zijn zonder meer boeiend en Memelsdorff weet zijn visie op een bijzonder overtuigende manier over het voetlicht te brengen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: