Gepost door: Johan van Veen | 3 september 2012

Festival Oude Muziek Utrecht 2012 – nabeschouwing

Als afsluiting van mijn verslagen van het festival maak ik de balans op.

Deze 31e editie van het Festival Oude Muziek beloofde veel. Dat had alles met het thema te maken. De beslissing van de festivalleiding uitgebreide aandacht aan Jan Pieterszoon Sweelinck te besteden kan niet genoeg gewaardeerd worden. Zijn muziek voor toetsinstrumenten mag zich in een behoorlijke aandacht verheugen, zijn vocale oeuvre is goeddeels onbekend terrein. Het was een goed idee Harry van der Kamp de status van artist in residence te geven, gezien zijn inspanningen van de laatste jaren een muzikaal monument voor Sweelinck op te richten. De concerten van zijn Gesualdo Consort Amsterdam behoorden tot de hoogtepunten van dit festival. In diverse concerten werd Sweelinck in zijn tijd geplaatst. Dat is nuttig om zijn historische positie te markeren.

Daarnaast ging alle aandacht uit naar de voorgangers van Johann Sebastian Bach. Het woord voorlopers kan men beter vermijden, want de Duitse muziek van de 17e eeuw kan heel goed op eigen benen staan. Er is bovendien lang niet altijd een directe lijn te trekken van 17e-eeuwse componisten naar Bach. Het belangrijkste is dat met de uitvoering van de muziek uit de 17e eeuw het artistieke en religieuze klimaat werd geschetst waarin Bach zijn muziek componeerde. Opnieuw bleek hoe rijkgeschakeerd dit repertoire is. En dan te bedenken dat we tegenwoordig nog maar het topje van de ijsberg kennen. Het repertoire is omvangrijk; daar zouden gemakkelijk nog vele festivals mee te vullen zijn. Juist de diepgang die dit repertoire kenmerkt zorgt ervoor dat je er niet snel op uitgeluisterd raakt. Ik denk dat een aantal van de belangrijkste componisten aan het woord gekomen zijn, al kan ik zo een lijst maken van namen die ontbraken. Dat is dan iets voor een volgend festival.

Het thema van het festival was “Van Sweelinck naar Bach”. Dat is wat pretentieus en werd niet helemaal waargemaakt. Ik bedoel daarmee dat de connectie tussen die twee namen een beperkte is. We zijn de laatste jaren gewend geraakt aan monothematische festivals. Ik had het idee dat dit jaar in feite twee thema’s had: Sweelinck en zijn tijd en wegen naar Bach. De verbinding tussen Sweelinck en Bach is er wel, maar die beperkt zich vrijwel geheel tot de klaviermuziek. Op vocaal gebied zie ik geen lijnen lopen en juist dat repertoire komt altijd ruimschoots aan bod in dit festival.

Bij die klaviermuziek is de lijn tussen Sweelinck en Bach wel goed uit de verf gekomen door aandacht te besteden aan componisten van tussengelegen generaties. Maar ook hier ontbrak wel één en ander. Ik heb bijvoorbeeld van een componist als Scheidt, één van Sweelincks belangrijkste leerlingen, niets gehoord. Het probleem bij dit onderdeel van het festival is dat Utrecht eigenlijk geen historische orgels heeft die voor de muziek tussen Sweelinck en Bach geschikt zijn. Alleen met kunst en vliegwerk is het orgelrepertoire uit de 17e eeuw op een enigszins aanvaardbare manier hoorbaar te maken. Evenals vorig jaar had het festival een belangrijke troef in handen met een echt historisch instrument in de vorm van een virginaal uit 1604.

Vanuit artistiek oogpunt was er dit jaar niet veel te klagen. Uiteraard kon ik het ene concert meer appreciëren dan het andere. Wie mijn dagboeken heeft gelezen, weet dat ik over verschillende concerten kritische noten heb gekraakt. Dat is onvermijdelijk en uiteraard speelt ook persoonlijke smaak daarbij een rol. Slechte concerten heb ik niet gehoord. Daarbij teken ik dan direct aan dat ik bij het bepalen van mijn keuze, behalve persoonlijke interesse, ook verwachtingen ten aanzien van het artistieke niveau laat meespelen. Theaterproducties van Camerata Trajectina vallen dan al bij voorbaat buiten de boot. Plaatjes zoals in de programmabrochure bij hun Hacquart-productie doen me de lust definitief vergaan.
Naast de optredens van het Gesualdo Consort was ik vooral onder de indruk van de uitvoering van de Brockes-Passion van Reinhard Keiser, de concerten van Gli Angeli Genève en het Ricercar Consort in de Dom, het optreden van l’École de Royaumont en de twee concerten van het Bach Collegium Japan die ik hoorde. De recitals met muziek voor toetsinstrumenten waren over het geheel genomen van een uitstekend niveau. Hedendaagse ‘tussenspelen’ zoals in de concerten van Gli Angeli Genève en Alina Rotaru had ik graag gemist.

Er zijn wel een paar kritische noten te kraken. Ik weet niet in hoeverre de festivalleiding invloed heeft op de keuze van het repertoire. Het is geen ramp wanneer een bepaald stuk enkele malen wordt uitgevoerd. Verschillende interpretaties naast elkaar kunnen heel boeiend zijn. Maar er zijn wel grenzen. Wanneer een compositie viermaal tot klinken komt lijkt me dat toch wat overdreven.

Het tweede punt betreft de informatievoorziening. Ik heb twee concerten van La Petite Bande bezocht. Daarbij zou volgens het programmaboek de tenor Markus Brutscher zingen. Die was vervangen door Christoph Genz, maar dat werd nergens vermeld en ook niet bij aanvang van het concert aan het publiek meegedeeld. Dat is niet correct tegenover de concertbezoekers, maar ook niet tegenover beide zangers. Ook irritant was dat nogal eens de volgorde van de uitgevoerde werken afweek van wat in het programmaboek was aangekondigd. Dat zal misschien soms onvermijdelijk zijn, maar de desbetreffende ensembles zou gevraagd moeten worden dat aan te kondigen. Dat voorkomt onnodig geblader om de relevante tekst op te zoeken.

Het programmaboek was, zoals altijd, een rijke bron van informatie. Over de inleidende artikelen en de programmatoelichtingen heb ik slechts lof, maar vanuit redactioneel oogpunt valt er wel wat aan te merken. Zelden heb ik in een programmaboek van het festival zoveel drukfouten aangetroffen. Niet alleen in de programmatoelichtingen, maar vooral in de gezongen teksten. Bij bijna elk concert was het raak. Soms ontbraken hele woorden of zinsdelen of strofes van een bepaald werk. Het boek zou zorgvuldiger geredigeerd moeten worden.
Eén van de aardige dingen van de programmaboeken van dit festival was altijd dat bij elk werk de bron vermeld werd. Dat heb ik dit jaar node gemist. Te vaak werd geen enkele bijzonderheid vermeld. Bij werken van Schütz ontbrak vaak zelfs het nummer in de Schütz Werke Verzeichnis. Soms kon er niet eens een toonsoort van af. Een vermelding als “Suite” of “Canzona” van Froberger – zoals in het concert van Maude Gratton op 28 augustus – is echt niet voldoende.

De logistieke aspecten blijven een punt van discussie. Keisers Brockes-Passion was in Vredenburg Leidsche Rijn wellicht beter op haar plaats geweest dan in de Jacobikerk. Het concert met vier Magnificat-zettingen door het Bach Collegium Japan had ik liever in een kerk gehoord. Ook de concerten met vocale kamermuziek vonden wellicht niet altijd in de meest geschikte ruimte plaats. De concerten van het ensemble Daedalus en van het Gesualdo Consort Amsterdam die in de Pieterskerk plaatsvonden waren in de Geertekerk wellicht beter op hun plaats geweest.

Alles overziende mag de festivalleiding op een geslaagde editie terugzien. Het is mooi dat de in bepaalde opzichten avontuurlijke programmering is beloond met opnieuw een stijging van het aantal bezoekers. Dat zou gewicht in de schaal moeten leggen wanneer het festival de komende jaren geconfronteerd wordt met overheden die moeten bezuinigen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: