Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2012

Festival Oude Muziek Utrecht 2012 – donderdag 30 augustus

Donderdag begon weer in de Lutherse Kerk, dit keer met een recital door de in Roemenië geboren klaveciniste Alina Rotaru. Aanvankelijk zouden stukken van Froberger gespeeld worden, naast composities van Sweelinck en Byrd. Het programma werd gewijzigd, volgens een mededeling van Xavier Vandamme omdat in het festival van volgend jaar veel aandacht aan Froberger zal worden besteed. Dat is een weinig overtuigend argument. In de plaats daarvan was het gehele programma gewijd aan Sweelinck. Dat is natuurlijk geen straf. Ook nu weer klonk het virginaal uit 1604, hoewel Rotaru daarvan sporadisch gebruik maakte. We kregen een mooie staalkaart van werken van Sweelinck voorgeschoteld. Het eerste gedeelte begon met de Fantasia chromatica en eindigde met de Paduana Lachrymae. Daartussen klonken verschillende variatiewerken, o.a. Onder een linde groen. In het tweede deel speelde Rotaru o.a. Mein junges Leben hat ein End, één van Sweelincks bekendste stukken. Het concert eindigde met een stuk van John Bull op een thema van Sweelinck. Het was de eerste keer dat ik deze klaveciniste hoorde en de kennismaking is goed bevallen. Ze speelde haar programma rustig, bijna zonder te bewegen, maar heel levendig en technisch gaaf. Ik had de indruk dat de tempi soms was fluctueerden. Als dat zo is was dat ongetwijfeld de bedoeling. Dat lijkt me dan voor discussie vatbaar. Tussen de twee helften met Sweelinck klonk Closing In van Lucas Wiegerink (geb. 1985). Het programmaboek vermeldde daarover niets en waarom het hier gespeeld werd is me niet duidelijk geworden. Het sprak me niet aan; aardig is wel dat het eindigt met een knipoog naar de tijd van Sweelinck.

Dinsdag wijdde Ludus Modalis zich aan psalmzettingen van Franse componisten rond 1600. Eén daarvan was Claude Le Jeune; die stond centraal in het programma dat het ensemble Daedalus onder leiding van Roberto Festa in de Pieterskerk uitvoerde. Nu klonken geen psalmen maar chansons, die de verschillende stijlen belichtten waarvan de componist gebruik maakte. Enerzijds hoorden we chansons in de traditionele polyfone stijl, anderzijds werden chansons uitgevoerd die de principes van de musique mesurée volgden. Daarin wordt het ritme van de muziek door de tekst bepaald. Dit resulteerde in een boeiend programma waarin de veelzijdigheid en de hoge kwaliteit van Le Jeune naar voren kwamen. Ook hier werden vaak slechts enkele strofen van een chanson uitgevoerd. Het zou interessant zijn te weten hoe men daar destijds mee omging, want sommige chansons zijn behoorlijk lang. Een volledige uitvoering vraagt dus nogal wat tijd, zeker bij een relatief rustig tempo, zoals in dit concert. Het ensemble beschikt over uitstekende zangers met mooie stemmen, die heel goed mengen en bij elkaar kleuren. Sommige chansons werden a capella voorgedragen, in andere werden de zangers ondersteund door gamba’s en luit. Hoe goed de zangers ook articuleerden, de tekst was niet altijd goed verstaanbaar. Dat blijft een probleem in een ruimte als de Pieterskerk. Tussendoor klonken enkele mooi gespeelde instrumentale stukken.

Wegen naar Bach: dat is één van de kernpunten van dit festival. Dat stond centraal in de overige concerten die ik bezocht. In de Dom trad het Bach Collegium Japan onder leiding van Masaaki Suzuki op met muziek van vier componisten uit de late 17e en de vroege 18e eeuw. Het concert opende met twee cantates van Johann Kuhnau, die als Thomaskantor door Bach werd opgevolgd. Zijn oeuvre verdient veel meer aandacht, zoals ik gisteren al opmerkte. Helaas had Suzuki twee stukken uitgekozen die al op CD beschikbaar zijn. Wie de uitvoeringen van Cantus Cölln kent moet waarschijnlijk wennen aan de interpretatie van Suzuki, omdat hij werkt met solisten en een koor, terwijl Cantus Cölln deze cantates als ensemblestukken uitvoert. Het Bach Collegium Japan presenteerde deze cantates met grote overtuigingskracht en een hoge graad aan tekstexpressie. De meestal vrij korte soli werden fraai gezongen door Joanne Lunn, Margot Oitzinger, Makoto Sakurada en Dominik Wörner. Het is ook zeer lovenswaardig dat Suzuki eraan werkt dat de Duitse uitspraak van solisten en koor perfect is. De vaak sterke contrasten in de teksten kwamen optimaal tot klinken.
Twee mooie motetten van leden van de familie Bach werden daarna door een vocaal kwintet uitgevoerd: Das Blut Jesu Christi van Johann Michael Bach en Der Gerechte, ob er gleich zu zeitlich stirbt van Johann Christoph Bach. In het eerstgenoemde werk zong Joanne Lunn het koraal – helaas was de tekst daarvan in het programmaboek niet afgedrukt. Ondanks het feit dat deze zangers niet voortdurend in ensembleverband samenwerken wist Sazuki ze tot een hechte eenheid te smeden. Het slot van het concert was gewijd aan Johann Pachelbel, die vooral als componist van orgelwerken bekend is, maar ook veel vocale werken geschreven heeft. Het aangekondigde Magnificat kregen we niet te horen; in plaats daarvan speelde organist Pieter-Jan Belder drie Magnificat-fuga’s. Was dat vanaf het begin de opzet of was het een wijziging om te voorkomen dat het concert te lang duurde? Na deze fuga’s hoorden we twee op koralen gebaseerde cantates, Was Gott tut, das ist wohlgetan en Christ lag in Todesbanden, twee prachtige werken waarin de koraalmelodie op gavarieerde wijze is verwerkt. Ze kregen bevlogen interpretaties van het Bach Collegium Japan, ook hier weer met een opvallend goede tekstexpressie. Het was het laatste optreden van Masaaki Suzuki in dit festival en ik denk dat hij zijn status als artist in residence volledig heeft waargemaakt. Hopelijk zien we hem en zijn ensemble terug in komende edities van het festival.

Eveneens in de Dom werd de meerkorige stijl in Duitsland in de 17e eeuw belicht. Vooral Michael Praetorius heeft vaak gebruik gemaakt van de cori spezzati-techniek die haar wortels had in Venetië. Pierre Cao stelde de twaalf zangers van Arsys Bourgogne ruimtelijk op, hoewel niet al te ver uit elkaar. Slechts in één stuk, Jauchzet dem Herren van Schütz, werd een groep zangers – het ‘tweede koor’ – in een zijbeuk geplaatst. Desondanks kwam de door de componisten beoogde dialoog duidelijk uit de verf. Het concert begon met een werk van Hieronymus Praetorius – niet verwant met Michael – , dat werd gevolgd door enkele motetten van leden van de familie Bach: Halt was du hast van Johann Michael en Unser Leben ist ein Schatten van Johann. In al deze stukken viel op hoe effectief de componisten de dubbelkorigheid gebruiken om elementen in de tekst te belichten. In de werken van Michael Praetorius spelen de Lutherse koralen een belangrijke rol, zoals in het slotstuk van de avond, Wie schön leuchtet der Morgenstern. Heel mooi was Gelobet und gepreiset, waarin de verschillend strofen met een herhaald “Amen” eindigen. Heinrich Schütz mag in een programma als dit uiteraard niet ontbreken, want ook hij past frequent dubbelkorigheid toe. Het Deutsches Magnificat en vooral Herr, unser Herrscher kregen goede interpretaties.
Het was een interessant en mooi concert. De tekstinterpretatie had wel wat beter gekund; de diepgang die het concert van het Bach Collegium Japan kenmerkte, werd hier niet geëvenaard. Alle stukken werden met alleen zangstemmen uitgevoerd; het ensemble Le Concert Lorrain speelde slechts de basso continuo. In enkele stukken, vooral die van Michael Praetorius, zouden blazers als ondersteuning van de zangers extra kleur en gewicht aan de uitvoeringen hebben gegeven.

In de Pieterskerk trad nog eens La Petite Bande onder leiding van Sigiswald Kuijken op. Volgens het programmaboek ging het om motetten rond de dood. Dat zou je aan de gekozen stukken niet zonder meer zeggen. Het concert begon met twee Cantiones Sacrae van Sweelinck: Beati omnes en Magnificat hebben met dat thema niets van doen. Tulerunt Dominum meum van Scheidt is een paasmotet. Deze drie werken kregen goede interpretaties van de zangers die in verschillende combinaties optraden. Minder overtuigend vond ik twee van de geestelijke madrigalen uit de bundel Israelsbrünnlein van Johann Hermann Schein: Zion spricht: der Herr hat mich verlassen en Die mit Tränen säen. Er zit meer in deze stukken dan eruit kwam. Gli Angeli Genève kwam met indringender interpretaties tijdens een concert in oktober van het vorig jaar. Christ lag in Todesbanden van Schein werd niet vocaal uitgevoerd, maar door Josué Melendez op zink met basso continuo. Uit de Musicalische Exequien van Heinrich Schütz klonken daarna twee fragmenten, gevolgd door een Sonate a 4 en de cantate Wenn der Herr die Gefangenen zu Zion van Weckmann. In de sonate liet de intonatie af en toe te wensen over, terwijl in de cantate duidelijk werd dat het ensemble in dit concert beter was dan de individuele prestaties van de zangers. Het programma eindigde met een mooi, door het hele ensemble gezongen, geestelijk concert van Christoph Bernhard, Tribularer si nescirem. Evenals bij het optreden van La Petite Bande op woensdag waren er mooie dingen te horen, maar liet het concert als geheel een wat onbevredigend gevoel achter. In beide gevallen kwam de diepgang van het repertoire niet optimaal tot zijn recht.

Tot slot ging ik naar het Academiegebouw waar Menno van Delft het clavichord zou bespelen. Men had besloten, vooral vanwege de intieme klank van het instrument, het recital van de aula naar de senaatszaal te verplaatsen. Dat was een goede gedachte, maar helaas werd de stilte die voor een clavichordrecital eigenlijk vereist is, verstoord door wat luidruchtige voorbijgangers. Menno van Delft liet zich daardoor niet van de wijs brengen en droeg werken van Bach, Böhm en Kuhnau op boeiende wijze voor op twee verschillende clavichorden. Zijn doorzichtige en sprekende speeltrant zorgden ervoor dat de lijnen goed hoorbaar waren, ook de koraalmelodieën die Kuhnau in enkele delen van zijn Biblische Sonate Der todtkrancke und wieder gesunde Hiskias verwerkte. Het programmatische karakter van dit stuk alsmede van de Capriccio sopra la lontananza del fratello dilettissimo van Bach kwam goed tot zijn recht. Van Böhm speelde Van Delft twee mooie suites en hij beëindigde het recital met een spannende interpretatie van de Preludium, fuga en postludium in g. Dat stuk had ik deze week al twee keer eerder gehoord, op orgel en op klavecimbel, maar dit was wel de beste uitvoering van de drie.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: