Gepost door: Johan van Veen | 28 augustus 2012

Festival Oude Muziek Utrecht 2012 – maandag 27 augustus

Sweelinck en Bach waren in de eerste plaats organist. Op dat vlak liggen ook de verbindingslijnen tussen beide. Sweelinck legde mede de fundering voor de Noordduitse orgelschool waarvan Buxtehude aan het eind van de 17e eeuw de belangrijkste vertegenwoordiger was, die grote invloed heeft gehad op Bach. Deze liet zich door verschillende componisten en stijlen inspireren. Zoals de laatste jaren in het festival gebruikelijk zijn de concerten van 13.00 uur gewijd aan muziek voor toetsinstrumenten. Zaterdag gaf Wolfgang Zerer de aftrap met werken van Scheidemann, Weckmann en Bach, vandaag belichtte de Italiaanse klavecinist en organist Lorenzo Ghielmi de invloed van Georg Böhm op Bach. Die is vooral merkbaar in het genre van de koraalpartita: een serie variaties over een koraalmelodie. Koraalpartita’s worden meestal op orgel gespeeld, maar in het oeuvre van beide componisten zijn partita’s zonder pedaalpartij te vinden die ook op klavecimbel kunnen worden uitgevoerd. In dit concert werd het hele programma op het orgel van de Nicolaïkerk gespeeld. Dat is een neobarok instrument dat niet echt ademt en vooral een strak en nogal ongenadig geluid produceert. Ik moest dan ook m’n weerzin tegen dit orgel overwinnen. Het moet gezegd dat Ghielmi de lelijke kanten van het orgel vrij goed wist te maskeren. Het openingswerk, Böhms Praeludium, fuga en postludium in g, klonk me soms nog wat te scherp in de oren, maar kreeg wel een fantasierijke en improvisatorische interpretatie. Heel fraai was vooral zijn koraalbewerking Vater unser im Himmelreich: opeens leek het Nicolaï-orgel wel een echt barok instrument. Ook de beide partita’s kwamen mooi uit de verf: Wer nur den lieben Gott läßt walten van Böhm en O Gott, du frommer Gott (BWV 767) van Bach. Tussendoor klonken geestelijke liederen op Duitse, strofische teksten, voor solostem en basso continuo. Die zijn niet zozeer voor kerkelijk gebruik, maar vooral voor de huiskamer gecomponeerd. In de grote ruimte van de Nicolaïkerk kwamen ze niet echt uit de verf. Vera Milani zong mooi, maar van de tekst was meestal weinig te verstaan. Ik weet niet of andere zangers het er niet beter afgebracht zouden hebben. Dit repertoire verdient meer aandacht, maar dan in een andere omgeving. Het programma werd besloten met de briljant gespeelde Preludium en fuga in C (BWV 531) van Bach, waarin zowel de invloed van Böhm als die van Buxtehude is terug te vinden.

Muziek van een heel ander karakter kwam in Vredenburg Leeuwenberg tot klinken. De Canadese klaveciniste Geneviève Soly heeft van de uitvoering van het oeuvre van Christoph Graupner haar levenswerk gemaakt. Ze heeft een aantal CDs opgenomen met diens klavecimbelwerken en met haar ensemble Les Idées Heureuses verkent ze de instrumentale en vocale muziek van Graupner. Dit concert vond zijn plaats in het festival vanwege het feit dat Graupner een tijdgenoot van Bach was en daarmee deel uitmaakt van zijn historische context. Soly zette Graupner in zijn tijd door hem te confronteren met werken van Händel – die hij in zijn Hamburgse tijd leerde kennen – en diens leraar in Halle, Friedrich Wilhelm Zachow. Dat laatstgenoemde in 1712 overleed is aan de muziekwereld goeddeels voorbij gegaan, dus het was een mooie geste een stuk van hem te spelen. Een belangrijk deel van het concert bestond uit klaviermuziek, overtuigend voorgedragen door Geneviève Soly. Heel interessant waren twee sonates voor klavecimbel en viool die in het handschrift van Graupner zijn overgeleverd, maar volgens Soly niet van hem zijn. Als ze gezegd had dat ze wel van Graupner zijn had ik haar zonder meer geloofd, want ze zijn net zo eigenzinnig als Graupners eigen werken. Die lijken helemaal niet op muziek van welke tijdgenoot ook, en in deze sonates hoorde ik ook niets dat me ook maar enigszins vertrouwd voorkwam. Muzikaal vond ik ze heel boeiend en ze lijken me een interessante verrijking van het repertoire voor deze bezetting. Olivier Brault interpreteerde de vioolpartij met verve. Hij bespeelde ook de viola d’amore in een merkwaardige triosonate waarin de andere melodiestem voor de bas-chalumeau bestemd is. Het resultaat is een opvallend en qua klankkleuren ongewoon stuk. De balans tussen de twee instrumenten was niet ideaal, doordat de viola d’amore teveel domineerde. Of dat aan het karakter van de bas-chalumeau ligt, kan ik niet beoordelen. Het instrument lijkt me nogal intiem van karakter, maar misschien had Vincenzo Casale iets extraverter kunnen spelen.

Een belangrijk aspect van de ontwikkeling van Bach als componist van kerkmuziek werd belicht in een concert van L’École de Royaumont onder leiding van Wim Becu en Lambert Colson. Het ging om de invloed van Martin Luther op de Duitse kerkmuziek. Die is groot, onder andere door de nadruk op het belang van het gebruik van de Duitse taal. Daardoor kwamen de teksten veel dichter bij de gelovigen te staan. Dat maakte het ook zinvol deze teksten op een beeldende manier te verklanken. Heinrich Schütz was een absolute meester op dat gebied. Het leverde hem de bijnaam musicus poeticus op. Prachtige staaltjes van zijn kunst waren te horen tijdens dit concert, zoals Fili mi Absalon en Erbarm dich mein, o Herre Gott. Zijn collega Franz Tunder deed niet voor hem onder, zoals bleek uit Ach Herr, lass deine lieben Engelein. De vier instrumentale stemmen heeft Tunder voor strijkers gezet. Hier klonken zinken en trombones en dat was een minder gelukkige keuze. Ze passen niet zo bij het overwegend intieme karakter van het stuk en de balans met sopraan Alice Foccroulle was niet optimaal. Die zong overigens prachtig, evenals haar solistisch optredende collega’s. Het stuk van Tunder belichtte een ander aspect van Luthers invloed: het koraal. Het concert begon ook met een koraal: Bachs bewerking voor orgel van Durch Adams Fall ist ganz verderbt (BWV 705). Het was een goed idee in het programmaboek de tekst van alle negen strofen van dit koraal af te drukken. Op deze manier wordt duidelijk in welk geestelijk klimaat de gespeelde componisten werkten. Interessant waren twee motetten van Johann Knöfel (1533-1617), beide op Latijnse tekst, hier a capella uitgevoerd. Ze laten zien dat Luther niet radicaal brak met het gebruik van het Latijn. Stilistisch behoren deze motetten tot de stile antico. Dat is ook het geval met Cantate Domino van Hieronymus Praetorius, hier uitgevoerd met stemmen en instrumenten. Enkele instrumentale stukken van Johann Schop en Samuel Scheidt completeerden het programma van dit fraaie en inspirerende concert. Het is overigens wel enigszins ironisch dat een concert, gewijd aan de invloed van Luther op de muziek, plaatsvindt in de St. Willibrordkerk, de meest roomse kerk van Utrecht …

De invloed van Luther is nogal ver weg in het werk dat ’s avonds in de Jacobikerk werd uitgevoerd. In de 18e eeuw begon het passie-oratorium de traditionele oratoriumpassie te verdringen. Staat in laatstgenoemd genre de letterlijke bijbeltekst in het middelpunt, in het passie-oratorium wordt meestal een parafrase van die tekst gebruikt. Het bekendste voorbeeld is de Brockes-Passion, gedicht door Barthold Heinrich Brockes en door diverse componisten op muziek gezet. De zetting van Reinhard Keiser (1674-1739) dateert uit 1712 en werd voor het eerst uitgevoerd in het huis van Brockes. Dat is al een aanwijzing dat het hier geen liturgisch werk betreft, maar dat het voor de concertzaal bestemd is. Deze passie hoort eerder in Vredenburg Leidsche Rijn dan de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach, die daar a.s. zaterdag tot klinken komt. Keiser was beroemd als operacomponist en dat is aan zijn Brockes-Passion te merken. Bachs Passionen zijn ook dramatisch, maar op een heel andere manier. Keisers passie is eigenlijk een opera met een geestelijke tekst. De verschillende karakters uit het verhaal krijgen eigen aria’s, de reflectie op de gebeurtenissen wordt in de mond gelegd van de Tochter Zion en verschillende Gläubige Seelen. Zelfs Jezus krijgt een aria. Dat is bij Bach volstrekt ondenkbaar, ook al komen fragmenten uit de tekst van Brockes in zijn passies terug.

De belgische dirigent Peter Van Heyghen heeft met zijn orkest Les Muffatti in het verleden al voor mooie uitvoeringen van barokke oratoria gezorgd. Dit keer had hij het uitstekende vocale ensemble Vox Luminis aangetrokken om de vocale partijen voor zijn rekening te nemen. Het ensemble kweet zich met verve van die taak. Verschillende zangers traden ook solistisch op en deden dat zonder uitzondering voortreffelijk. Daarbij vielen vooral de sopraan Caroline Wijnants, de tenor Fernando Guimarães en de bas Hugo Oliveira op. Als ‘externe’ solisten hoorden we Jan Van Elsacker als de Evangelist, Peter Kooy in de rol van Jezus en de sopraan Zsuzsi Tóth als Tochter Zion. Laatstgenoemde maakte veel indruk met haar pure stem en grote tekstexpressie. Jan Van Elsacker zong zijn partij goed, maar helaas niet altijd in vlekkeloos Duits. Over de tempi van de recitatieven valt te discussiëren. Peter Kooy zong zijn rol uitstekend, zoals altijd. De koren en koralen kwamen – dankzij een perfecte balans tussen de stemmen – goed tot hun recht. Het orkest gaf een kleurrijke en bevlogen interpretatie van de instrumentale partijen. En bevlogen is ook de goede term om de interpretatie van het werk als geheel te beschrijven. Het dramatische karakter kwam optimaal tot zijn recht. Helaas was het aantal bezoekers beperkt: ongeveer de helft van de kerk was gevuld. Wellicht hebben velen gedacht: Keiser – nooit van gehoord, wat zal dat zijn? Tot nu toe is hij onderbelicht gebleven. Daar zou wat aan gedaan moeten worden. Peter Van Heyghen heeft een belangrijke bijdrage geleverd. Ik had het werk al eerder gehoord, maar niet in een uitvoering van deze klasse. Het was een overtuigend en gloedvol pleidooi voor de kwaliteiten van Reinhard Keiser als componist.

Het ensemble Stylus Phantasticus voerde de bezoeker terug naar de 17e eeuw en de sferen van Martin Luther in een concert in de Pieterskerk. Centraal stonden twee componisten die werkzaam zijn geweest in de Marienkirche in Lübeck: Franz Tunder en zijn opvolger Dietrich Buxtehude. Voor de vocale werken had het ensemble zich verzekerd van de medewerking van de Franse alto Damien Guillon, die ook veelvuldig met Philippe Herreweghe optreedt (o.a. tijdens het slotconcert). Dat laatste is begrijpelijk, gezien zijn vocale kwaliteiten en expressieve manier van zingen. Daarvan profiteerde Tunders geestelijk concert Ach Herr, lass deine lieben Engelein, dat eerder al door L’École de Royaumont was uitgevoerd. Hier klonken uitsluitend strijkers en dat leidde tot een bevredigender resultaat. Dat Guillon in staat is een tekst op een expressieve manier tot klinken te brengen bleek niet alleen hier, maar ook in Buxtehude’s aangrijpende Klag-Lied op de dood van zijn vader. Het wordt helaas zelden volledig uitgevoerd: we hoorden vijf van de zeven strofen. Jubilate Domino heeft een heel ander karakter en ook daar wist Guillon weg mee. Het stuk heeft een obligate partij voor de gamba, voortreffelijk bespeeld door Friederike Heumann. Zij gaf ook een mooie lezing van een sonate voor gamba en bc van Johannes Schenck en het ensemble speelde verder een sonate voor viool, gamba en bc uit het opus 1 van Buxtehude, met violist David Plantier. Het concert werd besloten met een aria van drie strofen – alle in dacapo vorm – van Philipp Heinrich Erlebach, een heel fraai werk en opnieuw voortreffelijk uitgevoerd. Als om zijn kwaliteiten te onderstrepen werd als toegift nog een andere aria van Erlebach uitgevoerd, Meine Seufzer, meine Klagen. Een mooi besluit van de dag.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: