Gepost door: Johan van Veen | 27 augustus 2012

Festival Oude Muziek Utrecht 2012 – vrijdag 24 & zaterdag 25 augustus

“Alle Jahre wieder kommt der Weihnachtsmann”, zo begint een Duits kerstliedje. Of het Festival Oude Muziek Utrecht – voor veel oude-muziekliefhebbers een soort kerstman met een zak vol cadeautjes – ook elk jaar terugkomt, dat is nog maar de vraag. Festivaldirecteur Xavier Vandamme maakte er in zijn welkomstwoord aan het begin van het openingsconcert geen geheim van dat de toekomst zorgen baart. Als het festival overleeft, ligt dat niet aan de landelijke overheid. Gelukkig lijken in elk geval de plaatselijke en provinciale autoriteiten het belang van dit festival in te zien. De donkere wolken die zich boven de culturele sector in Nederland samentrekken hebben de Organisatie Oude Muziek er in elk geval niet van weerhouden een interessant en veelzijdig programma samen te stellen.

De openingsavond kon ik niet bijwonen, maar dankzij Radio 4 kon ik in elk geval horen dat het concert in de Dom klonk als een klok. Het is mooi dat niet alleen aan Sweelinck veel aandacht wordt besteed, maar dat ook Giovanni Gabrieli aan het woord komt, die in hetzelfde jaar als Sweelinck (1612) overleed. Het Gesualdo Consort Amsterdam en het ensemble Oltremontano hebben dit jaar op verschillende festivals al muziek van Gabrieli uitgevoerd, en werden dit keer nog aangevuld door de strijkers van het Arp Schnitger Ensemble. De verbinding met Gabrieli’s ‘sterleerling’ Heinrich Schütz is heel zinvol. De laatste is weliswaar een echte barokke componist, maar de invloeden van Gabrieli zijn altijd hoorbaar en de polyfonie heeft in zijn werk tot het eind van zijn leven een cruciale rol gespeeld. De meerkorige werken profiteerden van de akoestiek van de Dom, al kwam die via de radio natuurlijk niet optimaal tot haar recht.

De bezoekers werden daarna naar een salonconcert gedirigeerd. Ik weet niet of ik dat geapprecieerd zou hebben. Ik ben over het algemeen niet zo dol op verrassingen. Je zult maar terecht komen op een concert dat je zelf niet zou hebben uitgezocht. Welke programma’s en uitvoerenden de bezoekers werden aangeboden onttrekt zich overigens aan mijn waarneming, want het programmaboek geeft daarover geen enkele informatie. Misschien kan dat achteraf nog eens worden meegedeeld?

Voor mij begon het festival op zaterdagmiddag in de Jacobikerk, waar Trinity Baroque een heel programma wijdde aan Sweelinck. Daarbij kwamen alle aspecten van zijn oeuvre aan bod: Franse psalmzettingen, Latijnse motetten, Italiaanse madrigalen en Franse rimes. En natuurlijk klonken ook klavierwerken, grotendeels gespeeld op het grote orgel. Het programma was zonder meer interessant, maar liet ook de problemen zien waarmee de uitvoering van Sweelincks muziek te kampen heeft. Om te beginnen heeft Utrecht geen orgel waarop zijn klaviermuziek echt tot haar recht komt. Dat heeft onder andere te maken met de middentoonstemming die eigenlijk noodzakelijk is om de harmonische escapades hoorbaar te maken. Die muziek vraagt ook om een heel scherpe en duidelijke articulatie, die voorkomt dat een brei ontstaat. James Johnstone wist zich niet echt raad met de akoestische eigenaardigheden van de Jacobikerk en daardoor ontbrak het aan helderheid en doorzichtigheid.

Ook de uitvoering van Sweelincks vocale oeuvre is niet zo eenvoudig. Niet alleen in de madrigalen en rimes, maar ook in de psalmen – en wellicht zelfs in de motetten – hebben we het met vocale kamermuziek te doen. De akoestiek van een kerk is daarvoor niet erg geschikt. Vooral de wereldlijke composities hadden daaronder te lijden. De zangers verlieten soms het podium om elders in de kerk een stuk te zingen. Daarbij werd dan wel direct duidelijk dat de samenklank niet optimaal was, vooral door het storende vibrato in de bovenstemmen. Positief was het gebruik van een historisch georiënteerde uitspraak (hoewel wat het Frans betreft misschien niet helemaal consequent), ook van het Latijn in de Cantiones Sacrae. In de zetting van Psalm 148 (Vous tous les habitans des cieux) kwamen de madrigalismen die Sweelinck toepast (“bliksem, hagel, sneeuw en ijselijke kou, stormwinden, krachtig en ruw”), mooi tot hun recht.

Deze psalm kwam in het avondconcert eveneens tot klinken, ook in de Jacobikerk, maar dan in de uitvoering van het Gesualdo Consort Amsterdam onder leiding van Harry van der Kamp. Dit ensemble zorgde ervoor dat het complete vocale oeuvre van Sweelinck op CD verkrijgbaar is. De zangers van het ensemble zijn door zijn muziek heengekropen en dat resulteerde in diepgaande en doorleefde interpretaties. In dit concert werd Sweelinck geconfronteerd met zijn tijd. Zijn zetting van de boetepsalm 51 (50 in de Vulgaat) werd gevolgd door een compositie van Giovanni Gabrieli, Miserere mei, Deus. Psalm 148 van Sweelinck werd voorafgegaan door een zetting van Cornelis Boscoop, zijn voorganger als organist van de Oude Kerk in Amsterdam. In het tweede deel werd Sweelincks zetting van Psalm 137 (Vulgaat: 136) gevolgd door een compositie van Didier Poncet, hofcomponist van prins Filips Willem van Oranje, oudste zoon van Willem van Oranje. Dat laatste werk – waarschijnlijk voor het eerst uitgevoerd in onze tijd – bleek een bijzonder fraai stuk te zijn, heel anders dan Sweelinck, want niet strofisch en niet gebaseerd op de melodie van het Geneefse psalter, maar wel met gebruikmaking van madrigalismen. Poncet heeft meerdere psalmen gecomponeerd en die zou ik graag eens willen horen, bij voorkeur door het Gesualdo Consort Amsterdam.

De verschillen met het concert van Trinity Baroque kwamen duidelijk tot uiting. De ruimte was dezelfde en dus ook de akoestiek, ook al was de Jacobikerk geheel gevuld, terwijl ’s middags niet veel meer dan de helft van de stoelen bezet was. Het Gesualdo Consort wist daarmee beter om te gaan. Dat de interpretatie veel overtuigender was heeft vooral te maken met een andere aanpak. De stemmen van de zangers zijn beter op elkaar afgestemd en kleuren beter bij elkaar; elk vibrato wordt vermeden, waardoor ook de harmonieën optimaal tot hun recht komen. Het Gesualdo Consort zingt meer vanuit de tekst, articuleert beter en ook de ritmiek in Sweelincks psalmen komt beter tot haar recht. Bovendien is de behandeling van de dynamiek veel genuanceerder. Dat resulteerde in spannende en sprekende uitvoeringen. Pieter-Jan Belder speelde enkele orgelwerken van Gabrieli en Sweelinck op een kistorgel. Sweelincks Chromatische fantasie speelde hij op klavecimbel. Dat deed hij goed, maar ik vrees dat degenen die in het achterste deel van de kerk zaten daarvan niet veel hebben gehoord. Dat was wellicht het enige minpunt van deze avond.

Ik sloot de zaterdag af met een concert in de Pieterskerk, gewijd aan Johann Rosenmüller, door de ensembles L’Armonia Sonora en Concerto Palatino. Er bestaat geen enkele relatie met Sweelinck, maar in zekere zin wel met Bach. Daarom past het in een festival dat de lijnen van Sweelinck naar Bach trekt. Rosenmüller is een voorbeeld van een Duitse componist, die zijn eigen traditie verbond met de Italiaanse theatrale stijl van de 17e eeuw. Dat is eigenlijk wat Bach ook deed: niet voor niets werden zijn cantates als ‘opera-achtig’ be- of veroordeeld. In hoeverre Bach de invloed van Rosenmüller heeft ondergaan, is moeilijk te zeggen. Hij kende hem wel en heeft in één van zijn cantates zelfs een koraalzetting van hem opgenomen.

Rosenmüllers muziek behoort zonder twijfel tot het beste dat in de 17e eeuw is gecomponeerd. In het programma klonken twee lofpsalmen (Confitebor tibi, Domine en Laudate pueri Dominum), een boetepsalm (Domine ne in furore tuo arguas me), Salve mi, Jesu – een bewerking van het Salve Regina – en het geestelijk concert O, Salvator dilectissime, op een tekst met een sterk piëtistisch karakter. De alto Robin Blaze zong dit mooi, met indrukwekkende coloraturen, maar het innige, naar het mystieke neigende karakter van het stuk bleef wat onderbelicht. Merkwaardig was dat hier zinken en cornetten werden gebruikt, wat bij deze tekst niet voor de hand ligt. Volgens de werklijst in New Grove heeft Rosenmüller hier ook alleen strijkers voorgeschreven. Confitebor tibi Domine was de sopraan Hana Blazíková op het lijf geschreven: haar heldere stem en goede articulatie en haar intelligent gebruik van dynamiek zorgden voor een overtuigende interpretatie. Indrukwekkend was de uitvoering van Domine ne in furore tuo door Peter Kooy. De theatrale manier waarop Rosenmüller enkele dramatische passages in de muziek vertaalt kwamen optimaal uit de verf. Het concert werd geopend en afgesloten met stukken voor drie stemmen, waarin de solisten uitstekend harmonieerden. Het ensemble speelde nog de Sonata XI a 5. Alles bij elkaar een mooie afsluiting van de dag.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: