Gepost door: Johan van Veen | 5 september 2011

Festival Oude Muziek Utrecht 2011 – nabeschouwing

Het Festival Oude Muziek Utrecht zit er weer op. De jubileumeditie was in elk geval vanuit economisch oogpunt succesvol. Volgens een persmededeling was de kaartverkoop met 20 procent toegenomen in vergelijking met vorig jaar. Het zou interessant zijn te analyseren wat daarvan de oorzaak is. Lag dat aan het thema? Ik heb er al op gewezen dat door de keuze voor een stad een grote variëteit aan stijlen aan bod kon komen. Vooral de liefhebbers van muziek uit de middeleeuwen en de renaissance hebben de laatste jaren weinig van hun gading kunnen vinden. Dat was dit keer anders en dat zal wellicht tot de toegenomen belangstelling hebben bijgedragen. Ik weet niet of de organisatie een poging gaat doen de oorzaken te achterhalen. Dat gebeurt meestal wel wanneer de belangstelling tegenvalt. Maar zo’n onderzoek lijkt me minstens zo nuttig wanneer het festival succesvol is geweest.

Hoe dan ook, de bezoekersaantallen en het evidente – ook economische – belang van het festival voor de regio, zelfs voor Nederland, kunnen als goede argumenten dienen om overheden ertoe te bewegen bij noodzakelijke bezuinigingen het festival zoveel mogelijk te ontzien. Op de landelijke overheid zullen ze waarschijnlijk geen indruk maken, gezien de nauwelijks verholen afkeer van kunst en cultuur van de huidige regeringscoalitie.

Maar het gaat natuurlijk in de eerste plaats om de artistieke waarde van het festival. De keuze van Rome als thema is goed uitgepakt. Wat mij betreft is die voor herhaling vatbaar: naast Rome zijn er nog wel andere steden een festival waard. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Dresden. Van in elk geval de 16e eeuw tot het begin van de 19e eeuw is dat een belangrijk muzikaal centrum geweest en een groot deel van het daar gecomponeerde en uitgevoerde repertoire is nog onbekend.

Ook de manier waarop het thema is uitgewerkt, verdient lof. Er was een goede verhouding tussen de verschillende tijdperken en de diverse genres: vocale muziek met als centrum Palestrina, ensemblemuziek met Corelli als spil en klaviermuziek rond Frescobaldi. De aanwezigheid van twee unieke historische toetsinstrumenten verleende het laatstgenoemde onderdeel extra cachet.

Een steeds terugkerend onderwerp in het festival door de jaren heen is de relatie tussen repertoire en ruimte. Het feit dat het Muziekcentrum niet beschikbaar is en de vervanging – de zogenaamde ‘rode doos’ – ongemakkelijk ver uit het centrum ligt is wat de Engelsen een mixed blessing noemen. Vervelend uit organisatorisch oogpunt, want Vredenburg had een grotere capaciteit dan welke kerk in de binnenstad ook. Om alle festivalgangers een avondconcert te bieden vinden meestal twee concerten tegelijkertijd plaats. Dat is mooi vanuit het oogpunt van variëteit, maar lastig als je eigenlijk niet kunt kiezen. Voordeel van de huidige situatie is dat het uitgevoerde repertoire meestal tot klinken komt in een geschikte ruimte. In die zin mag gehoopt worden dat na voltooiing van het nieuwe Vredenburg kerken als de Jacobikerk en de Dom gebruikt zullen blijven worden voor concerten die een ruime akoestiek nodig hebben.

In dit verband moet wel een kritische noot geplaatst worden bij het slotconcert. Waarom Monteverdi’s Mariavespers in Vredenburg Leidsche Rijn werden uitgevoerd is me een raadsel. Vanwege de grote belangstelling zal het wel onvermijdelijk zijn dat het slotconcert daar wordt gegeven. Maar dan is de keuze voor dit werk een erg ongelukkige. Ik hoorde het via Radio 4 en akoestisch was de uitvoering zo plat als een dubbeltje. Aangezien de relatie tussen dit werk en Rome ook niet echt evident is was een ander werk een betere keuze geweest. Recent zag ik op Mezzo een uitstekende uitvoering van Händels La Resurrezione onder leiding van de Tsjechische dirigent Vaclav Luks. Dat werk zou een uitstekende afsluiting zijn geweest en in deze ruimte beter tot z’n recht zijn gekomen. Maar dan moeten sommigen natuurlijk wel eerst hun vooroordeel tegen Händel overwinnen …
Over de uitvoering zal ik niet veel zeggen, aangezien ik er niet bij geweest ben. Ik heb me er wel over verbaasd dat het anno 2011 blijkbaar nog mogelijk is de concerti in de Mariavespers vrijwel zonder enige versiering te zingen. Merkwaardig, hoogst merkwaardig.

Drie componisten stonden centraal: Frescobaldi, Palestrina en Corelli. De kwaliteiten van de eerste zijn onomstreden, de twee andere lopen tegen het vooroordeel aan dat ze saai zouden zijn. De serie die aan Corelli was gewijd had de kwaliteiten dat vooroordeel te ontkrachten. Wat Palestrina betreft ben ik daar niet zo zeker van. De uitvoering onder leiding van Diego Fasolis, waarnaar nogal was uitgekeken, was wat mij betreft geen ear-opener. Ze was zeker niet beter dan wat al aan opnamen beschikbaar is. Ook de meeste andere aan Palestrina gewijde concerten openden wat mij betreft geen nieuwe perspectieven. Zoals ik in mijn dagboek van zaterdag 3 september schreef komt het Huelgas Ensemble het dichtste bij wat ik als ideaal beschouw. Maar er is op dat vlak nog wel wat werk te verzetten. Eén aspect mag daarbij wel speciaal aandacht krijgen: de verstaanbaarheid van de tekst. Die laat in veel uitvoeringen nogal te wensen over.

Ik heb in mijn dagboeken al aangegeven wat als hoogtepunten moeten worden beschouwd: het optreden van Concerto Italiano, Concerto Palatino met Frescobaldi en het Huelgas Ensemble. Daarmee wil ik het uitstekende optreden van andere ensembles en musici niet te kort doen, zoals het Gesualdo Consort Amsterdam, La Compagnia del Madrigale, Cantica Symphonia en andere. Negatieve uitschieters moeten ook genoemd worden: Graindelavoix, met een volstrekt ongeloofwaardige en in feite nogal ridicule visie op Palestrina, en The Sixteen, die het presteert een 19e-eeuwse vervalsing van Allegri’s Miserere als echt te verkopen. In feite heeft zo’n ensemble op het festival niets te zoeken.

Alles tegen elkaar afwegend mag gezegd worden dat dit festival zijn waarde eens te meer heeft bewezen. Het was het tweede festival waarvoor Xavier Vandamme geheel verantwoordelijk was. Op basis van de festivals van 2010 en 2011 mag geconcludeerd worden dat het festival met hem een uitstekende directeur/programmeur heeft aangetrokken die in staat is de basis van het festival te versterken zonder dat dit ten koste gaat van het artistieke niveau.

Volgend jaar: “Van Sweelinck naar Leipzig”. Ik ben benieuwd hoe dit wordt uitgewerkt. Maar vooralsnog lijkt me dat met dit thema niet veel mis kan gaan.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: