Gepost door: Johan van Veen | 3 september 2011

Festival Oude Muziek Utrecht 2011 – zaterdag 3 september

Mijn laatste festivaldag is aangebroken. Met drie concerten houd ik het beperkt. Eigenlijk had ik om half elf nog naar het Egidius Kwartet gewild, maar in mijn mapje met kaarten ontbrak een kaart voor dat concert. Nadere inspectie leerde dat ik vergeten was dat concert op het bestelformulier aan te kruisen. Eigen schuld…
Maar ik kan er vrede mee hebben, want mijn laatste concert bleek één van de mooiste van het festival te zijn. Dus ik heb niets te klagen.

Het begon in de Lutherse Kerk, nu eens niet met klaviermuziek van Frescobaldi en tijdgenoten, maar met heel oude muziek door het ensemble Tetraktys onder leiding van Kees Boeke. Op het programma stond “Muziek tussen de concilies van Konstanz en Bazel”. Daarbij gaat het om repertoire dat ontstaan is vóór Dufay of in de eerste jaren van diens carrière. De relatie tussen deze muziek en het festivalthema is niet erg duidelijk en loopt waarschijnlijk via Dufay en – gezien de verwijzing naar twee concilies – het pausdom. Maar dan kun je nog wel veel meer met Rome in verband brengen. Daarom niet getreurd – de uitgevoerde werken van componisten als Gautier Libert, Johannes Simon de Haspre, Johannes Le Grant, Franchois Lebertoul, Gilet Velut, Mahieu Paullet en een zekere Adam waren van hoge kwaliteit, zowel muzikaal als tekstueel. Met de ballade en het rondeau waren twee van de belangrijkste wereldlijke genres uit de tijd vertegenwoordigd. Het is verfijnde muziek die een zorgvuldige benadering vergt. Die leverde Tetraktys ook, dat met Zsuzsi Tòth en Carlos Mena twee uitstekende zangers in zijn gelederen heeft. Aanvankelijk was de balans tussen de twee stemmen niet optimaal, maar dat werd allengs beter. Bij Mena valt als minpunt te noteren dat de tekst soms moeilijk te verstaan was. Bij Zsuzsi Tòth was dat beter verzorgd; ze heeft de ideale stem voor dit repertoire en gaf uitstekende vertolkingen. Voor de instrumentale omlijsting werden fluiten, vedels en harp ingezet. Een fraai concert dat mooi aansloot bij de eerdere concerten met muziek op de grens van middeleeuwen en renaissance.

Aan de muziek van Alessandro Scarlatti is in dit festival relatief weinig aandacht besteed. Als verontschuldiging kan gelden dat een aantal jaren geleden zijn muziek op het festival nogal wat aandacht heeft gekregen. Niettemin was het goed dat een concert aan hem werd gewijd. Het Belgische barokorkest B’Rock bracht onder leiding van Eduardo López Banzo een serenata, Flora pellegrina. Daar gingen enkele duetten en aria’s alsmede een concerto grosso vooraf. López Banzo kondigde, om verwarring te voorkomen, aan dat enkele wijzigingen in het programma waren aangebracht. Maar de verwarring werd eerder groter dan kleiner, aangezien het grootste deel van het publiek van zijn mededeling weinig tot niets kon verstaan. Een deel van de teksten stond ook niet op het tekstblad. Wijzigingen in het programma werden in eerdere concerten steeds door iemand van de organisatie per microfoon aangekondigd. Waarom nu dan niet?
Hoe dan ook, het waren mooie aria’s en duetten die gezongen werden. Daarbij moest sopraan Sabine Devieilhe zich enigszins inhouden om de alto Antonio Giovannini niet te overstemmen. Die heeft een prachtige stem met veel mogelijkheden, maar is (nog) wat zwak van volume. Sabine Devieilhe beschikt over een groot theatraal instinct, zoals uit enkele aria’s en ook uit de serenata bleek. De muziek van Scarlatti is prachtig als altijd en dat vergoedt de wat stereotype teksten over (uiteraard) Clori en dit keer Zeffiro. B’Rock bleek opnieuw – na een eerder optreden in het festival – een uitstekend orkest te zijn, dat in dit concert goed op dreef was.

Mijn slotconcert was het avondconcert van het Huelgas Ensemble onder leiding van Paul Van Nevel. Het was opnieuw Palestrina die in het middelpunt stond, alhoewel slechts één mis, de Missa Ut re mi fa sol la, werd uitgevoerd. Hierin ontbrak het Credo; uit de programmatoelichting werd niet duidelijk of dit deel door Palestrina niet is gecomponeerd of dat het in deze uitvoering werd weggelaten. Van Nevel had muziek geselecteerd die hij karakteriseerde als “het leven voor en na Palestrina”, waarmee deze in een historisch perspectief werd geplaatst. Het concert begon met een vijftal laude, relatief eenvoudige geestelijke liederen op een Italiaanse tekst, zoals die werden gezongen in wereldlijke broederschappen, in homofone zettingen van Giovanni Animuccia en anonieme componisten. Het eerste deel werd afgesloten met de mis van Palestrina. In het tweede deel klonken dan motetten van Felice Anerio en Lamentationes van Giovanni Bacilieri alsmede madrigalen van Agostino Agazzari en Michelangelo Rossi. Waar de drie eerstgenoemden nog grotendeels de stijl van Palestrina volgen houdt Rossi er een eigenzinnige en harmonisch gedurfde stijl op na, met soms plastische tekstuitbeelding. Vooral daar voltrekt zich de breuk met de vertrouwde Palestrina-stijl.
Ik heb in dit festival verschillende ensembles gehoord die zich met Palestrina bezighielden. Tot nu toe was ik niet op een benadering gestuit die me deed denken dat daardoor sceptici voor zijn muziek gewonnen zouden kunnen worden. Tot ik het Huelgas Ensemble hoorde. Van Nevel heeft zijn ensemble, met zangers uit alle windstreken van Europa, tot een eenheid gesmeed met een eigen klank. Die is warmer en expressiever dan we van Engelse ensembles gewend zijn. Doordat de zangers frequent samen zingen en meestal in een kring staan, die het mogelijk maakt naar elkaar te luisteren en zich aan elkaar aan te passen, ontstaat een grote mate van eenheid en flexibiliteit. Mij vielen verschillende dingen op: het feit dat alle lijnen te horen zijn door de grote doorzichtigheid van het klankbeeld, de relatief goede verstaanbaarheid van de tekst en de uitstekende balans binnen het ensemble waarin de bovenstemmen nu eens niet domineren. De behandeling van de dynamiek is voorbeeldig: die ervaar je als de afwisseling van eb en vloed, een volkomen natuurlijk contrast tussen piano en forte en alles wat daartussen zit. Zelfs in forte gezongen passages klinkt het ensemble nooit massief. Als er één benadering van Palestrina perspectieven biedt, dan die van Van Nevel. Ook de andere werken, zowel de eenvoudige laude als de veeleisende madrigalen van Rossi, kregen voorbeeldige uitvoeringen.
Een betere manier om een festival te beëindigen – althans in mijn geval – kan ik me niet voorstellen.

Dit was mijn laatste dagboek. Maandag volgt nog een slotbeschouwing over het Festival Oude Muziek Utrecht 2011.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: