Gepost door: Johan van Veen | 3 september 2011

Festival Oude Muziek Utrecht 2011 – vrijdag 2 september

Het festival nadert zijn einde. Dat is maar goed ook, want ik zie steeds meer bezoekers wegdoezelen of een uiltje knappen. En daar spelen de musici niet voor.

De dag begon goed met een concert in de serie klavecimbelrecitals, nu weer in de Lutherse Kerk. Francesco Corti speelde een boeiend programma onder de titel “Frescobaldi en de Napolitaanse connectie”. Daarbij liet hij zien hoe Frescobaldi voortbouwde op de vernieuwingen van Napolitaanse componisten, met name Giovanni de Macque. Corti begon zijn recital met de Ricercata del tono primo van Palestrina, gecomponeerd in dezelfde polyfone stijl als zijn geestelijke werken. Het Capriccio sopra re fa mi sol van De Macque kwam daarna als een schok, door de exuberante en virtuoze stijl en regelmatig optredende dissonanten. Op deze manier werd de verandering in de esthetiek hoorbaar gemaakt. In de rest van het programma werden zulke stukken afgewisseld met dansvormen die uiteraard veel regelmatiger van vorm zijn en harmonisch minder gedurfd. Het meest bizarre stuk stamde van Gesualdo, de Canzon franzese del Principe. Weliswaar is Frescobaldi door Gesualdo beïnvloed, maar hij gaat nooit zover – dat enige klavierwerk van Gesualdo is een doodlopende weg en zulke klavierwerken vind je in de eerste helft van de 17e eeuw dan ook niet meer. Zelfs niet bij Michelangelo Rossi, die in zijn toccata’s toch behoorlijk ver gaat. Corti speelde van hem nu eens niet de zevende toccata – die iedereen speelt – maar de Toccata III alsmede de Corrente I. Het grootste deel van het programma was gewijd aan Frescobaldi: toccata’s werden afgewisseld met gagliarda’s en Corti speelde ook enkele partite. Hij sloot af met een magistrale vertolking van de Cento partite sopra passacagli, één van Frescobaldi’s meesterwerken. Corti’s recital was één van de beste concerten van dit festival: een fraai programma in briljante vertolkingen.

Als er een kans is Monica Huggett, één van de grootmeesters van de barokviool, aan het werk te horen laat je die niet lopen. In de Geertekerk sloot ze de aan Corelli gewijde serie concerten af met enkele van de sonates voor viool en bc opus 5. Deze sonates kondigen een nieuwe tijd aan: de stijl is grilliger en exuberanter dan in de triosonates en technisch gecompliceerder. Daarmee slaan ze de brug naar de werken van virtuozen als Locatelli en Leclair. Huggett was altijd een zeer geëngageerde speelster die alles uit de kast haalde om de muziek tot haar recht te laten komen. Ze heeft niets van haar glans verloren, zo bleek. Ze zorgde voor spannende, kleur- en contrastrijke interpretaties, technisch nog steeds op hoog niveau. Helaas zorgde een gesprongen snaar voor enig ongemak, waardoor het slotwerk, de beroemde variaties over La folia niet helemaal uit de verf kwam. De nieuwe snaar bleef ontstemmen wat kort bijstemmen tussen de variaties onvermijdelijk maakte. Maar het spel van Huggett en haar collega’s maakte opnieuw indruk. James Johnstone speelde nog een toccata van Ercole Pasquini, Elizabeth Kenny speelde op de theorbe een prachtige Ceccona van Giovanni Zamboni Romano en cellist Joseph Crouch een verrassende cellosonate van Nicola Francesco Haym. Met dit mooie concert werd de Corelliserie op een waardige en gepaste manier afgesloten.

Vervolgens ging het naar de Pieterskerk voor het dagelijkse Palestrinaconcert. The Brabant Ensemble, onder leiding van Stephen Rice, bracht de Missa Ad coenam agni providi, gebaseerd op een hymne die eerder door Guillaume Dufay meerstemmig was gezet en die het programma opende. De mis werd aangevuld met drie zettingen van Regina coeli van respectievelijk Johannes Beausseron, Cristóbal de Morales en Palestrina. De laatste is voor 8 stemmen in twee koren, evenals het eveneens uitgevoerde motet Surrexit pastor bonus. Volgens de biografie van het ensemble in het programmaboek legt The Brabant Ensemble meer dan zijn voorgangers de nadruk op muzikale expressie. Eén van de middelen daartoe is een ruimhartig gebruik van dynamiek. Maar dat is inmiddels al min of meer ingeburgerd. Eerlijk gezegd heb ik in dit concert niet zo bijzonder veel expressie gehoord. Alles werd prachtig gezongen en meestal was de tekst vrij goed verstaanbaar. Gezien mijn eerdere opmerkingen daarover verdient dat alle lof. Maar ook in dit concert heb ik niets gehoord wat mensen, die vinden dat Palestrina’s muziek weinig opwindend is, van mening zou kunnen doen veranderen. De grootte van het ensemble (12 zangers) is plausibel, de SATB bezetting veel minder.

Ik noemde het concert van Monica Huggett de afsluiting van de Corelliserie. Strikt genomen klopt dat niet: het echte slotconcert was het avondconcert in Vredenburg Leidsche Rijn, dat zich concentreerde op de concerti grossi van Corelli. Die konden natuurlijk niet ontbreken, maar in het concert van Concerto Copenhagen, onder leiding van Lars Ulrik Mortensen, kwamen ze er met slechts twee van de 12 concerti nogal bekaaid vanaf. Mortensen stelde daar twee instrumentale concerten van Georg Muffat tegenover – en dan kan wat mij betreft de avond niet meer stuk, want Muffat is één van mijn favoriete componisten. Melodisch en ritmisch zijn die concerten onweerstaanbaar. Het één na laatste deel van het Concerto Propitia Sydera is een ciacona, één van de mooiste die in de barok gecomponeerd zijn. Geen wonder dat Muffat die ook gebruikte als afsluiting van de vijfde sonate uit Armonico tributo. Muffat is één van de eerste en belangrijkste vertegenwoordigers van de goûts réunis, de vermenging van de Italiaanse en de Franse stijl, en in zijn geval ook de Duitse. De in het festival vrijwel ontbrekende componist was Händel, terwijl hij toch in Rome werkzaam is geweest en daar composities van hem zijn uitgevoerd. In dit concert kwam hij dan toch nog even om de hoek kijken met de cantate Ah crudel, nel pianto mio en enkele aria’s uit Il trionfo del tempo e del disinganno. Deze werden gezongen door de Zweedse sopraan Maria Keohane. Ze beschikt over een heel fraaie stem en ik heb haar diverse keren met genoegen in religieus repertoire gehoord. Maar in dit repertoire stelde ze teleur. Ze lijkt niet over de theatrale flair te beschikken om deze werken van Händel echt tot leven te wekken. Het was ook geen goed idee om haar achter het orkest te plaatsen, want daarvoor was haar volume te klein. Op zulke momenten blijkt ook dat de akoestiek van Vredenburg Leidsche Rijn niet ideaal is, in elk geval niet voor zangers. Pas in de aria die het concert afsloot kwam Händel echt tot bloei, maar toen stond Maria Keohane ook voor het orkest. Dit is ook de slotaria van Il trionfo del tempo e del disinganno; de virtuoze vioolsolo was waarschijnlijk bedoeld voor Corelli. Deze werd hier prachtig gespeeld door een niet nader genoemde violist van het orkest (Fredrik From?). Het orkest beschikt ook over een fabuleuze hoboïst in de persoon van Antoine Torunczyk, die de solo in de aria ‘Io sperai trovar nel vero’ indrukwekkend interpreteerde. Het orkest is trouwens van excellente kwaliteit en dat leidde tot uitstekende uitvoeringen van de concerti van Corelli en Muffat. Merkwaardig was wel de medewerking van houtblazers in Corelli’s Concerto grosso in D, op. 6,4. In het programmaboek werd niets vermeld over de redenen hiervoor. Er bestaat weliswaar een versie van deze concerten met blazers, maar bij mijn weten is die niet van Corelli zelf. Enige toelichting was wel wenselijk geweest. Overigens: wie naar een concert van Concerto Copenhagen gaat doet er goed aan naar de musici te kijken en niet naar Mortensen, want van zijn nogal overdreven gebaren zou je het op je zenuwen krijgen.

De dag werd, zoals gebruikelijk, afgesloten in de Geertekerk. Na de madrigalen op maandag, dinsdag en woensdag maakte de Cappella Mediterranea op donderdag de overgang naar de monodische stijl. In dit concert trok La Sfera Armoniosa onder leiding van Mike Fentross deze lijn door. Op het programma stonden stukken uit de verzameling waaraan het ensemble zijn naam heeft ontleend, gecomponeerd door Paolo Quagliati en gepubliceerd in Rome in 1623. Het betreft aria’s en duetten met basso continuo, in een aantal gevallen met viool. Opmerkelijk waren de twee solisten: de sopraan Emanuela Galli en de sopranist Paolo López. Beide heb ik eerder gehoord en ze maakten op mij toen een goede indruk. Maar deze avond wilde het niet erg lukken. Emanuela Galli zong vaak te luid. Dit verschijnsel is me bij concerten in de Geertekerk eerder opgevallen. Dat dit qua akoestiek eerder een kamermuzikale ruimte dan een kerk is dringt bij musici blijkbaar niet echt door. Het publiek ziet vrij dicht op de musici en dan is zo’n volume niet nodig – sterker nog, het is contraproductief. Galli’s stem paste niet optimaal bij die van Paolo López, vooral niet door haar nogal flinke vibrato. López stelde me ook wat teleur: de hoogste noten haalde hij wel, maar zo te horen met de nodige moeite. Dat leidde tot vreemde verbrokkelde fraseringen, ongelukkige versieringen en nogal wat intonatieproblemen. Het blijft een merkwaardig fenomeen, de sopranist. Tot nu toe heb ik er zelden één gehoord die me echt kon overtuigen. Als geheel viel het concert me wat tegen. Maar eerlijk is eerlijk: na vier of vijf liederen met steeds hetzelfde soort teksten vol (liefdes)kommer en kwel wordt het soms wat teveel. De muziek is prachtig, maar die teksten …

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: