Gepost door: Johan van Veen | 2 september 2011

Festival Oude Muziek Utrecht 2011 – donderdag 1 september

Vijf concerten met zeer gevarieerd repertoire stonden voor donderdag op het programma. Het begon met een nieuwe aflevering in de serie met klaviermuziek. Nu eens niet in de Lutherse Kerk, maar in de Nicolaïkerk. De reden was dat Magdalena Malec niet alleen klavecimbel speelde, maar ook een aantal stukken op het orgel uitvoerde. Eerder schreef ik al over het 17e-eeuwse Italiaanse klavecimbel dat als instrument in residence fungeerde. Er was ook een Italiaans orgel dat als zodanig werd gepresenteerd en in de Nicolaïkerk staat opgesteld. Het is in 1713 door Carlo Russo gebouwd. Dat lijkt te laat, gezien het repertoire dat Malec speelde: Frescobaldi en zijn Duitse navolgers Froberger en Johann Caspar Kerll. Maar de Italiaanse orgelbouw – evenals de klavecimbelbouw – was conservatief en de meeste orgels uit de 18e eeuw verschillen niet wezenlijk van oudere instrumenten. Het orgel was de grootste attractie van het concert. Instrumenten als dit zijn op vele CDs te vinden, maar je hoort ze in Nederland natuurlijk nooit live. De klank is fundamenteel verschillend van de orgels die wij hier kennen. Dat hoorde je tijdens het concert direct bij de inzet van het eerste stuk, de Toccata I (1637) van Frescobaldi. En een werk als de Toccata III per l’elevazione is op een niet-Italiaans orgel nauwelijks adequaat weer te geven. De uitdrukkingskracht van de muziek kwam ook door de middentoonstemming van het orgel goed tot z’n recht: in een andere stemming verdwijnen de typische, soms heftig wringende dissonanten die de Italiaanse klaviermuziek uit Frescobaldi’s tijd kenmerken. Magdalena Matec bleek een uitstekend musicus, die zowel op orgel als op klavecimbel fraaie interpretaties van de gekozen werken gaf. Heel spannend klonk bijvoorbeeld de Toccata in a van Froberger. Ze sloot af met een mooie weergave van de Passacaglia van Kerll op het orgel. Enig minpunt van het concert was de akoestiek: voor het orgel ideaal, voor het klavecimbel allerminst. Vooral in de snelle passages gingen nogal wat details verloren.

Zoals gebruikelijk kwam om 15.00 uur in de Geertekerk Corelli aan het woord. Nu was het de beurt aan het opus 4, twaalf triosonates van het da camera-type, wat betekent dat de meeste delen verwijzen naar dansen. Inhoudelijk verschillen ze overigens niet wezenlijk van de sonate da chiesa. Behalve vier sonates uit het opus 4 klonk een pas na Corelli’s dood uitgegeven sonate. In alle aan Corelli gewijde concerten worden zijn sonates gecombineerd met werken van andere componisten. Deze keer was dat Pietro Antonio Locatelli, die als vioolvirtuoos door Europa reisde en zich uiteindelijk in Amsterdam vestigde. Met zijn sonates bevinden we ons in een andere wereld. Ze zijn aanmerkelijk virtuozer dan die van Corelli, en worden gekenmerkt door grilligheid en eigenzinnigheid en een zeer persoonlijke creativiteit. De Holland Baroque Society speelt meestal in grote bezetting, maar was nu te horen met twee violen, cello, theorbe en klavecimbel. Het ensemble kenmerkt zich door een zeer levendige en geëngageerde speeltrant, die veel liefde voor de muziek uitstraalt. Dat was ook nu het geval en zo ontstond een atmosfeer waarin de kwaliteit van de muziek en de daarin uitgedrukte affecten goed tot hun recht kwamen. De violistes Lidewij van der Voort en Judith Steenbrink leverden uitstekende prestaties. De stuwende kracht van de continuogroep verdient speciale vermelding: Tomasz Pokrzywinski (cello), Daniele Caminiti (theorbe) en Judith Steenbrink (klavecimbel).

Naast Corelli staat ook Palestrina elke dag op het menu. In de Pieterskerk liet het ensemble Odhecaton onder leiding van Paolo Da Col zijn licht op diens muziek schijnen. Dat was in dit geval de Missa Salvum me fac Domine, gebaseerd op een motet van Jacquet de Mantua, dat aan de mis voorafging. Verder klonken enkele van Palestrina’s motetten, alsmede een motet van Giovanni Maria Nanino. Qua samenstelling is dit ensemble waarschijnlijk het best van alle gehoorde ensembles in staat Palestrina´s muziek te interpreteren. Het bestond uit vijf alto’s, drie tenoren, een bariton en twee bassen. Dat laat direct wel één van de minpunten zien: het overgewicht van de alto’s. Dat was dan ook in de uitvoeringen merkbaar, doordat de bovenstemmen teveel domineerden. De steeds wisselende posities van de zangers ten opzichte van elkaar maakte in dat opzicht weinig verschil. Ook technisch was het optreden niet perfect, omdat sommige inzetten wat wankel waren en hier en daar intonatieproblemen hoorbaar waren. Desondanks kon ik het optreden van dit ensemble waarderen. De kwaliteit van de zangers is buiten kijf en Paolo Da Col smeedt er een mooi ensemble van. De schoonheid van Palestrina’s muziek kwam goed tot haar recht. De tekst helaas veel minder: zeker bij de alto’s was soms nauwelijks te verstaan welke tekst gezongen werd. Dat is trouwens een manco dat niet alleen dit concert aankleefde. Het is me vaker opgevallen in renaissancepolyfonie. Natuurlijk, in deze muziek heeft de tekst niet dat gewicht dat het in de vroegbarok kreeg. Maar het Concilie van Trente streefde niet voor niets naar hervormingen in de kerkmuziek: één van de doelstellingen was dat de tekst van de mis beter verstaanbaar zou zijn. Dus zouden ensembles die zich met deze muziek bezighouden, daaraan meer aandacht moeten besteden.

Dit probleem beperkt zich overigens niet tot de renaissancemuziek. Ook in veel latere muziek laat de verstaanbaarheid van de tekst nogal eens te wensen over. Dat was ook het geval in de koorgedeelten van de werken van Antonio Caldara, die het koor van de Radiotelevisione Svizzera en het barokorkest I Barocchisti onder leiding van Diego Fasolis in de Jacobikerk uitvoerden. Caldara is vooral bekend geworden als componist van opera’s en oratoria in Wenen, waar hij van 1717 tot aan zijn dood in 1736 vice-kapelmeester was. Maar een tijdlang werkte hij in Rome en dat rechtvaardigt de uitvoering van twee psalmzettingen en een Gloria voor solostemmen, koor en orkest. Caldara was in zijn tijd een beroemdheid, maar tegenwoordig wordt hij nog niet echt op waarde geschat. Het uitgevoerde programma liet zien dat dit bepaald niet terecht is. De soli zijn vaak uitgebreide en soms virtuoze aria’s die de operacomponist verraden. Er zitten diverse opmerkelijke instrumentale obligaatpartijen in, vooral voor de viool en de hobo. En in de psalm Confitebor tibi Domine duikt onverwacht een passage in onvervalste stile antico op, waarin het koor nota bene a capella zingt. Kortom, uiterst boeiende en vaak verrassende werken die het ten volle waard zijn uitgevoerd te worden. De interpretatie was over het geheel genomen bewonderenswaardig. Fasolis zette Caldara’s muziek op een gloedvolle wijze neer, met veel aandacht voor details en contrast. De obligaatpartijen werden prachtig gespeeld. Jammer dat de natuurhoorns in Laetatus sum nogal eens uit de bocht vlogen. De vocale solisten waren leden van het koor, in het programmaboek helaas niet met name genoemd. Vooral de sopraan – die ook de virtuoze solopartij zong in Confitebor tibi Domine – was van grote klasse. De alt in Laetatus sum had een prachtige stem, maar was te zwak van volume. De solisten stonden achter het orkest en dat was in dit geval geen goed idee. Dat geeft me de aanleiding de logistieke problemen tijdens dit concert aan te kaarten. Muzikaal gezien was het wellicht beter geweest wanneer de solisten voor het orkest waren gaan staan. Maar omdat ze ook in het koor meezongen zou dat teveel oponthoud tussen de verschillende episodes van elk stuk hebben gegeven. De eenheid binnen een stuk werd toch al enigszins geschaad door het voortdurend laten zitten en opstaan van het koor. In feite was er voor dit ensemble te weinig ruimte op het podium.
Ik heb me overigens afgevraagd of het koor niet wat aan de grote kant was. De koordelen klonken ook wat te massief. Wat mij betreft had Fasolis op het punt van de dynamiek iets genuanceerder te werk mogen gaan. Bepaalde woorden en zinsdelen accentueren en elders wat gas terugnemen had de koorepisodes goed gedaan. Dan was de tekst wellicht ook beter verstaanbaar geweest. Maar dat neemt de positieve algemene indruk niet weg. En het is heel mooi dat Caldara op deze manier op de kaart is gezet.

Het laatste ritueel van de dag in dit festival is een concert met madrigalen in de Geertekerk. De Cappella Mediterranea trad op onder leiding van Leonardo García-Alarcón. Hoewel het concert deel uitmaakte van de madrigaalserie bestond het programma slechts gedeeltelijk uit madrigalen. Daarnaast klonken enkele solo-aria’s en fragmenten uit opera’s van Monteverdi, Luigi Rossi en Giuseppe Zamponi. Daarmee werd de invloed van de monodische stijl gemarkeerd, die al naar voren kwam in de madrigalen van Scacchi en Mazzocchi die in het eerste deel van het programma werden uitgevoerd. Vervolgens klonken aria’s voor een solostem en bc van Luigi Rossi, Mazzocchi en Barbara Strozzi. Mariana Flores maakte indruk met Che si puo fare van laatstgenoemde. Tenslotte werden operafragmenten uitgevoerd, beginnend met ‘Questi i campi di traccia’ uit Monteverdi’s Orfeo, fraai gezongen en geacteerd door tenor Fernando Guimarães. Mariana Flores was iets minder overtuigend in ‘Lasciate Averno’ uit Luigi Rossi’s Orfeo. Als geheel waren de aan de cantate en de opera gewijde onderdelen van het programma het meest overtuigend. Het aan madrigalen gewijde eerste deel was minder geslaagd, vooral ook doordat de stemmen niet optimaal mengden. Overigens begeleidde Leonardo García-Alarcón de madrigalen op het orgel. Merkwaardig, hoogst merkwaardig.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: