Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2011

Festival Oude Muziek Utrecht 2011 – dinsdag 30 augustus

Er zijn van die concerten waarbij niet direct duidelijk is in welke relatie ze tot het thema staan. Dat was het geval met het optreden van de Schola Gregoriana Pragensis onder leiding van David Eben in de St. Willibrordkerk. De titel in het programmaboek luidt: “Barrevoets van Rome naar Praag”. Centrale figuur is Adalbertus, bisschop van Praag. Hij vluchtte aan het einde van de 10e eeuw naar Rome, maar werd direct teruggestuurd in gezelschap van een groep monniken. En daar ligt de relatie met het thema, want die monniken namen uiteraard hun liturgische gezangen mee. Tijdens het concert werden de verschillende zangstijlen belicht. Onder het zingen van een gezang in de Tsjechische taal liepen de leden van de Schola door de kerk naar het koor. Daar werden Latijnse gezangen uitgevoerd in achtereenvolgens de Oudromeinse, de ambrosiaanse, de Oudspaanse en de Gallicaanse traditie, uitmondend in wat we kennen als het ‘gregoriaans’, de ‘Romeins-Frankische synthese’, zoals het programmaboek het aanduidt. De meeste gezangen zijn uiteraard eenstemmig, maar er zaten ook een paar tweestemmige bij, en het concert eindigde met het meerstemmige Presulem ephebeatum van Petrus Wilhelmi de Grudencz. Het was het fascinerende slot van een uiterst boeiend concert, hoewel die term eigenlijk niet van toepassing is op een aaneenrijging van gezangen die in een duidelijke samenhang en als één geheel uitgevoerd werden. De helderheid en de kracht van de acht mannenstemmen van de Schola Gregoriana Pragensis kwam in de ruimte van de St. Willibrordkerk ideaal tot hun recht. Het is de perfecte ruimte voor liturgische muziek en zou vaker gebruikt moeten worden. En deze Schola mag ook wel terugkomen.

De muziek van Palestrina neemt een belangrijke plaats in het festival in. De bedoeling is dat die in een nieuw licht komt te staan en van het vooroordeel van saaiheid wordt bevrijd. In mijn vorige verhalen van het festival liet ik al twee concerten de revue passeren. Over The Sixteen was ik niet erg te spreken (zaterdag 27 september); Alamire (maandag 29 september) sloeg ik hoger aan. Dit keer was het de beurt aan Graindelavoix onder leiding van Björn Schmelzer. In de Pieterskerk werd één van de bekendste missen van Palestrina uitgevoerd, de Missa Papae Marcelli, ter ere van paus Marcellus II, die overigens maar drie weken paus was. Deze mis werd gepresenteerd in een liturgisch kader, een mis voor Pasen. Behalve de mis klonken enkele van Palestrina’s motetten alsmede gregoriaanse gezangen. Een nieuwe kijk op Palestrina is een nobel doel, maar of dat de kijk moet zijn die Schmelzer er op heeft, mag ernstig betwijfeld worden. Het inzetten van instrumenten in muziek die in de Sixtijnse kapel heeft geklonken is op zichzelf al discutabel, dat geldt ook voor de toevoeging van versieringen in verschillende stemmen. Maar wat in de uitvoeringen van Graindelavoix vooral opvalt is een manier van zingen die sterk aanleunt tegen volksmuziektradities. Dat kan overtuigend zijn wanneer dat door musici wordt gedaan die uit die traditie komen en hun eigen muziek zingen. Maar hier klinkt het gemaakt en geforceerd, door zangers die een bepaalde stem opzetten. Het wil er bij mij niet in dat deze manier van zingen – die, oneerbiedig gezegd, me enigszins aan de geluiden deed denken die je in de dierentuin hoort – in de Sixtijnse kapel werd gepractiseerd. Ik heb in elk geval in de toelichtingen in het programmaboek geen enkel steekhoudend argument gelezen dat deze benadering zou rechtvaardigen. Ooit verscheen een dissertatie over het psalmgezang in Nederland in de 17e eeuw. Het droeg de titel “Daer wert om ’t seerste uytgekreten”. Dat gebeurde ook tijdens dit concert. Een andere dan de traditionele benadering van Palestrina is zeer welkom. Maar deze lijkt me een doodlopende weg.

Controversieel is ook de interpretatie van muziek uit de ars nova. Dat was het thema van het concert van Mala Punica onder leiding van Pedro Memelsdorf in de Domkerk. Het controversiële zit hem niet eens zozeer in de manier waarop dit ensemble te werk gaat, maar in de muziek zelf. Hoe verder je in de tijd teruggaat, hoe minder gegevens er zijn over de uitvoeringspraktijk. En dat maakt elke interpretatie bij voorbaat controversieel. En die van Mala Punica roept vele vragen op die zaken betreffen als tempo, dynamiek, stemgebruik, de inzet van instrumenten (wanneer? welke?). Dit repertoire, ontstaan in de 14e eeuw, met componisten als Johannes Ciconia, Antonio Zacara di Teramo en Mattheus de Sancto Johanne, is uiterst complex, vooral ritmisch, en vereist een buitengewoon goede zang- en speeltechniek. Daarover beschikten de zangers en spelers van Mala Punica in ruime mate. Kennelijk was de gecompliceerdheid van het repertoire de reden dat Pedro Memelsdorf heftig gesticulerend voor het kleine ensemble stond. Een beetje komisch was dat wel en wellicht ook enigszins overdreven. Maar het resultaat was van grote klasse, en daar gaat het uiteindelijk om. De verschillende gezangen werden vrijwel aaneengesloten uitgevoerd, wat in een concert van bijna anderhalf uur als een grote prestatie mag gelden. Dankzij het intrigerende en boeiende repertoire en een uitvoering op hoog niveau werd het een memorabele avond.

Evenals op maandag besloot ik de dag met een optreden van La Compagnia del Madrigale onder leiding van Giuseppe Maletto. Deze keer stond Palestrina centraal en dat is opmerkelijk. Hij geldt vooral als componist van enigszins strenge religieuze polyfonie. Dat hij zich ook aan het genre madrigaal gewaagd heeft, is nauwelijks bekend. Alleen al om die reden was het een goed idee zijn madrigalen ten gehore te brengen. Van enkele van die madrigalen werden rond 1600 vele instrumentale bewerkingen gemaakt, met name van Io son ferito, ahi lasso en Vestiva i colli. Deze werden op dit concert uitgevoerd, met nog 11 andere madrigalen van zeer verschillend karakter. Duidelijk werd dat Palestrina’s madrigalen ten onrechte onderbelicht blijven. Ze doen zeker niet onder voor de andere madrigalen tijdens dit concert, zoals die van Lassus en Arcadelt. Verder klonken madrigalen van iets minder bekende meesters als Philippe Verdelot, Giovanni de Macque en Giovanni Maria Nanino. Het ensemble was buitengewoon goed op dreef. De minpuntjes die ik in het concert van maandag signaleerde, waren nu geheel afwezig. De balans binnen het ensemble – overigens in iets andere samenstelling – was perfect en de stemmen waren optimaal op elkaar afgestemd. Helaas bleven bij dit onderhoudende concert – evenals dat van maandag overigens – veel stoelen in de Geertekerk onbezet. Ligt dat aan de relatieve onbekendheid van het ensemble of aan het repertoire? We zullen het zien wanneer woensdagavond het Gesualdo Consort Amsterdam zijn bijdrage aan de serie madrigaalconcerten levert.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: