Gepost door: Johan van Veen | 30 augustus 2011

Festival Oude Muziek Utrecht 2011 – maandag 29 augustus

Evenals vorig jaar is ook dit jaar een bijzonder historisch klavecimbel te bewonderen, dat als instrument in residence betiteld wordt. Het gaat uiteraard om een Italiaans instrument, en wel een klavecimbel dat tussen 1620 en 1640 in Napels gebouwd is. Het is ter beschikking gesteld door het Historisch Centrum Het Markiezenhof te Bergen op Zoom. Historische instrumenten worden soms gebruikt voor CD-opnamen, maar zijn gewoonlijk niet op concertpodia te vinden. Dat is logisch, want ze zijn nauwelijks te verzekeren tegen bijvoorbeeld schade door transport of allerlei calamiteiten, en bovendien onvervangbaar. Het mechaniek is vaak zo fragiel dat er niet frequent op gespeeld kan worden. Dat is ook hier het geval. Vandaar dat naast dit instrument van een anonieme bouwer een ander instrument in de Lutherse Kerk staat opgesteld, zodat de optredende klavecinisten niet hun hele programma op dit kwetsbare klavecimbel hoeven te spelen.

In het eerste concert van de serie met muziek voor toetsinstrumenten, door Laurent Stewart, kwam dat wel goed uit, aangezien hij ook muziek speelde die in elk geval Franse invloed vertoont. Die klonk uitstekend op de Ruckers-kopie die was opgesteld. Twee suites en een toccata van Froberger kwamen op dit instrument goed uit de verf. Dat lag ook aan de levendige speeltrant van Laurent Stewart. Eén van de suites begint met de beroemde Lamento sopra la dolorosa perdita della Real Mstà di Ferdinando IV. Dit eindigt met een stijgende toonladder die algemeen wordt geïnterpreteerd als een verbeelding van Ferdinands opstijgen naar de hemel. Dan is het toch wat merkwaardig dat Stewart de episode die met deze frase eindigt, herhaalde. Het eerste stuk dat Stewart op de Ruckers speelde was Luigi Rossi’s Passacaille. Dat lijkt merkwaardiger dan het is: het werd waarschijnlijk in Frankrijk gecomponeerd toen Rossi daar verbleef in verband met de opvoering van zijn opera Orfeo. Het programma begon met vier stukken van Froberger’s leraar Frescobaldi. Stewart speelde twee toccata’s, een balletto en de bekende Partite sopra l’aria di Romanesca. Daarmee werden enkele van de genres waardoor Frescobaldi vooral bekend geworden is, voorgesteld. De toccata’s werden erg fraai gespeeld; dat geldt ook voor de Partite, al viel hier soms de spanning wat weg, wellicht ook door de kleine pauzes tijdens het stuk. Niettemin, als geheel een geslaagde eerste aflevering in de serie met klaviermuziek.

In mijn verslag van zaterdag 27 september maakte ik melding van het feit dat Palestrina’s muziek soms als “saai” wordt beschouwd. Wellicht geldt dit ook voor Corelli. Hij is een spilfiguur in de geschiedenis van de instrumentale muziek, en dan met name de triosonate, maar zo heel vaak wordt zijn muziek niet gespeeld of opgenomen. Vooral ook door de terugkeer van dezelfde vormen in zijn triosonates kunnen ze eentonig zijn. Maar dat ligt wel vooral aan de uitvoerenden. Die moeten het eigen karakter van elke sonate naar voren halen. Violiste Veronika Skuplik, één van de “artists in residence”, speelde met haar ensemble La Dolcezza enkele sonates uit het opus 1. De naam van haar ensemble is ook haar artistieke credo: de viool moet zoet klinken. Dat is wat anders dan eentonig en saai, zoals het optreden van het ensemble in de Geertekerk bewees. Corelli vermijdt grote contrasten en extremen: alles komt op de inhoud aan. La Dolcezza heeft dat begrepen en bracht doorleefde en genuanceerde vertolkingen. Dat het ensemble ook in staat is grotere contrasten over het voetlicht te brengen bewezen de sonates Purcell (Sonatas of three parts, 1683) en van Rosenmüller (1682). Purcells sonates onderscheiden zich vooral van die van Corelli door gedurfde harmonieën, en die werden haarscherp blootgelegd. Kortom, een geslaagd optreden van La Dolcezza en Veronika Skuplik.

Vervolgens klonk weer muziek van Palestrina in de Pieterskerk. Opnieuw was het een Engels ensemble dat acte de présence gaf: Alamire, onder leiding van David Skinner. Uit het omvangrijke aantal missen was een minder bekende gekozen: de Missa Aspice Domine, gebaseerd op een motet van Jacquet de Mantua, dat voorafgaand aan de mis werd gezongen. Het concert begon en eindigde met motetten van Palestrina: Sicut lilium inter spinas en O beata et gloriosa Trinitas. Hoewel het de vraag is of de typisch Angelsaksische vocale esthetiek zo geschikt is voor Palestrina onderscheidde Alamire zich positief van The Sixteen (zie zaterdag 27 sept) door een genuanceerdere interpretatie. Daarbij speelt ook een rol dat het ensemble met 12 stemmen kleiner is dan The Sixteen (dat overigens met 18 stemmen bezet was) en beter wist in te spelen op de akoestische eigenschappen van de ruimte. In de mis waren diverse passages voor gereduceerde stemmen en ook het motet van Mantua werd met één zanger per stem uitgevoerd. Daarin kwamen de kwaliteiten van de individuele zangers naar voren. Vooral hier blonk het ensemble uit in een fraaie toon en een mooie opbouw van de muzikale frasen. In het openingsmotet was de dynamiek niet altijd bevredigend, maar in het vervolg werd die op een genuanceerde manier gehanteerd. Verbazingwekkend en ergerlijk was dat een deel van het publiek meende tussen motet en mis te moeten applaudisseren en zelfs tussen enkele delen van de mis. Dat Skinner daar ruimte voor gaf in plaats van het af te kappen zal wel een voorbeeld van Britse beleefdheid zijn. Waarschijnlijk had het applaudisserende deel van het gehoor geen tekstboek. Ik vrees dat we moeten vaststellen dat een substantieel deel van het publiek niet meer weet hoe een mis in elkaar zit.

Het voordeel van de huidige situatie met betrekking tot het muziekcentrum is dat de meeste avondconcerten in kerken plaatsvinden. Dat is voor het grootste deel van het uitgevoerde repertoire een voordeel. De muziek die Concerto Italiano onder leiding van Rinaldo Alessandrini in de Domkerk ten gehore bracht, zou in het Muziekcentrum – het oude, maar zeker ook het tijdelijke in Leidsche Rijn – niet tot haar recht zijn gekomen. Op het programma stonden drie componisten waarvan twee nauwelijks bekend zijn: Alessandro Melani en Stefano Fabri. Aan eerstgenoemde wijdde Alessandrini een hele CD die vorig jaar verscheen. Het was voor mij één van de CDs van het jaar, niet alleen door de geweldige interpretaties van Concerto Italiano, maar zeker ook door de kwaliteit van Melani’s composities. Eén van de topstukken op die CD klonk ook in de Domkerk, de Litanie per la beata Vergine, die opvallen door hun gedurfde harmonieën en het frequente gebruik van dissonanten. Tekstexpressie is één van de kwaliteiten van Melani’s muziek, zoals ook in de twee motetten tot uitdrukking kwam. Stefano Fabri slaat in dat opzicht ook geen slecht figuur. Van hem klonken twee psalmzettingen. Na de pauze een tour de force met het indrukwekkende 10-stemmige Stabat mater van Domenico Scarlatti. Het behoort tot de bekende werken van de Italiaanse barok maar zelden zal het zo indrukwekkend worden uitgevoerd als door Concerto Italiano. Dit ensemble is één van de beste in de wereld van de oude muziek. Alle zangers zijn solisten en elke stem heeft zijn eigen kleur en eigenschappen. Toch weet Alessandrini daaruit een eenheid te smeden. In dit Stabat mater worden alle stemmen gelijkwaardig behandeld – geheel volgens de principes van de stile antico – maar tegelijk maakt Scarlatti gebruik van de eigentijdse expressieve middelen om de tekst uit te beelden. Dat gebeurt ook door episodes voor enkele stemmen en daar komen – net als in de eerdere werken van Melani en Fabri – de solistische kwaliteiten van de zangers naar voren. Alessandrini wist ook perfect om te gaan met de akoestische eigenschappen van de Dom: ook al werd soms flink uitgepakt, nergens overschreeuwden de zangers zich en het klankbeeld bleef altijd helder. Kortom, een hoogtepunt van het festival.

Ooit hield Concerto Italiano zich hoofdzakelijk met madrigalen bezig. Daarmee maakten ze ook hun debuut in Utrecht in 1993. Inmiddels heeft het repertoire zich verbreed en wordt niet meer zoveel aandacht besteed aan deze vorm. Giuseppe Maletto, die toentertijd zelf in Concerto Italiano zong, constateert tot zijn leedwezen dat steeds meer ensembles zich van het madrigaal afkeren. Dat deed hem besluiten zijn eigen ensemble op te richten: La Compagnia del Madrigale. Met dit zeskoppige ensemble presenteerde hij zich in de Geertekerk met een aan Luca Marenzio gewijd programma. Marenzio is één van de laatste grote vertegenwoordigers van het polyfone madrigaal. Uit zijn omvangrijke en rijkgeschakeerde oeuvre maakte Maletto een mooie keuze. De madrigalen van Marenzio kenmerken zich door een grote mate van tekstuitbeelding en dat kwam tijdens dit concert goed tot uitdrukking. De interpretatie van het ensemble zorgde voor een boeiend concert. Hoewel de stemmen zich goed mengen vond ik soms de hoge stemmen iets te dominant. In enkele madrigalen werd wel eens flink uitgehaald – iets tè, wellicht. Natuurlijk zijn dynamische contrasten in deze madrigalen op hun plaats, maar hier en daar leken me die iets te groot. Het meest indrukwekkende stuk, Baci soavi e cari, sloot het concert af en was ook uit het oogpunt van de interpretatie het meest overtuigend. Degenen die het programmaboek hebben aangeschaft, kregen er een gratis CDtje van dit ensemble bij met madrigalen van in Rome werkzame componisten. In een iets grotere bezetting laat het daar zijn grote kwaliteiten horen. Een ensemble om in de gaten te houden.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: