Gepost door: Johan van Veen | 29 augustus 2011

Festival Oude Muziek Utrecht 2011 – zaterdag 27 augustus

Het Festival Oude Muziek Utrecht is aan zijn 30e editie begonnen. Dat zou aanleiding moeten zijn voor feestelijkheden – en die zijn er ook -, maar tegelijk hangt een donkere wolk boven het festival. Het cultuurvijandige klimaat dat door het kabinet-Rutte wordt belichaamd, bedreigt ook dit festival. Aan de publieke belangstelling zal het niet liggen, want ik heb begrepen dat er weer meer kaarten zijn verkocht dan vorig jaar. Oude-muziekliefhebbers laten zich door de regerende cultuurbarbaren er niet van weerhouden ruim een week te genieten van hun ‘linkse hobby’.

Het thema is “Roma – citta eterna” en bestrijkt het repertoire dat in Rome werd uitgevoerd tussen de late middeleeuwen en het midden van de 18e eeuw. Het voordeel van een stad als thema is dat verschillende stijlperioden aan bod kunnen komen. Daardoor worden nu ook liefhebbers van middeleeuwse en vroeg-renaissancemuziek bediend. Die zijn er de laatste jaren wat bekaaid afgekomen.

Het openingsconcert op vrijdag met het ensemble Graindelavoix en het dansgezelschap Rosas was ook gewijd aan de late middeleeuwen. Of de liefhebbers van dit repertoire met dit concert in hun nopjes waren is de vraag. Muziek uit de middeleeuwen gecombineerd met moderne dans – dat leek mij geen aantrekkelijke combinatie, nog afgezien van het feit dat dans me helemaal niets zegt. De combinatie van oud en hedendaags vind ik per definitie niet geslaagd, ook niet in een concert met alleen muziek. Ik besloot dus deze voorstelling aan me voorbij te laten gaan. Dat verschillende bezoekers de voorstelling voortijdig verlieten suggereert dat dat een goede beslissing was.

Zaterdag was voor mij de eerste dag. In de St. Catharinakathedraal trad het Italiaanse ensemble Cantica Symphonia onder leiding van Giuseppe Maletto op dat de complete motetten van Guillaume Dufay op CD heeft opgenomen. Een selectie daaruit werd tijdens dit concert gepresenteerd. Een opvallend aspect van deze uitvoeringen is het gebruik van instrumenten. Dat was in de eerste fase van de oude-muziekbeweging heel gebruikelijk: renaissancepolyfonie werd niet zelden met een batterij instrumenten van verschillende families uitgevoerd. Daarna kwam er een fase waarin veel muziek a capella werd gezongen. De laatste tijd lijkt de pendel weer terug te gaan: er worden weer instrumenten ingezet, maar op een genuanceerdere manier – bescheidener, minder bont en afhankelijk van tijd en plaats waar de muziek oorspronkelijk werd uitgevoerd. Niettemin blijft het een controversieel thema. Cantica Symphonia verdedigde haar visie met verve. Een mooie selectie, waarin de intrigerende isoritmische motetten de hoofdmoot vormden, werd prachtig gezongen en gespeeld. De ruimte werd inventief gebruikt, o.a. door de opstelling van trompet en trombone op de orgelgalerij in het slotwerk.

Een stap verder in de geschiedenis zetten La Colombina met werken van De Victoria en The Sixteen met muziek van Palestrina en navolgers. De uitvoering van muziek van Victoria mag wat merkwaardig lijken in een aan Rome gewijd programma, maar hij studeerde er en was er lange tijd werkzaam. Het concert van La Colombina was bijzonder in die zin dat er vespermuziek werd uitgevoerd die weliswaar al in de jaren ’70 van de vorige eeuw boven water kwam, maar waarvan pas enkele jaren geleden kon worden vastgesteld dat het muziek van Victoria betrof. Een selectie werd door La Colombina al op CD gezet en hier tijdens het concert uitgevoerd. De vesperpsalmen en het Magnificat werden omlijst door bijpassende antifonen op gregoriaanse melodieën en motetten in plaats van de herhaling van de antifonen. Alle psalmen en het Magnificat zijn alternatim-composities: de verzen worden afwisselend eenstemmig en meerstemmig gezongen. In de eenstemmige gedeelten viel op dat er wat onaangename randjes aan de stem van tenor Josep Benet zitten – de intonaties klonken soms ook wat wankel. Maar dat was ook het enige minpuntje aan een voortreffelijk concert, waarin La Colombina op de van dit ensemble bekende, enigszins ingehouden, maar heel subtiele manier de muziek van De Victoria verklankte. De niet al te ruime akoestiek van de Geertekerk paste daar wel bij, al kan ik me voorstellen dat iets meer ruimtelijkheid dit repertoire goed zou doen.

Het contrast met het concert van The Sixteen in de Domkerk was groot. Dirigent Harry Christophers had muziek geprogrammeerd die in de Sixtijnse kapel in Rome geklonken heeft. Naast Palestrina stonden Gregorio Allegri en Felice Anerio op het programma. Om maar direct met het grootste minpunt te beginnen: hoe is het mogelijk dat op een festival dat aan oude muziek is gewijd en waar de historische uitvoeringspraktijk het uitgangspunt is het beroemde Miserere van Allegri klonk in de bekende en overal uitgevoerde versie? Het betreft hier een bewerking uit de 19e eeuw, die maar heel weinig van doen heeft met wat Allegri heeft opgeschreven. Dat is alleen maar te verklaren uit het feit dat Christophers met zijn ensemble wel veel oude muziek uitvoert, maar geen oude-muziekspecialist is – zijn repertoire reikt van de 15e tot de 21e eeuw. Juist een festival als dit had de gelegenheid geboden nu eens het origineel voor het voetlicht te brengen. Wat de uitvoering betreft: The Sixteen zongen prachtig. Maar vanuit het oogpunt van interpretatie werden hier geen nieuwe perspectieven geboden. In de aan het festival gewijde bijlage van de VPRO Gids wordt opgemerkt dat de muziek van Palestrina “te boek staat als bleek en saai”. Dat was de reden aan zijn muziek een aantal concerten te wijden. Festivaldirecteur Xavier Vandamme: “Ik acht de kans dan ook groot dat we de subtiliteiten van Palestrina’s muziek eindelijk op waarde leren schatten”. Het concert van The Sixteen droeg daar wat mij betreft niet aan bij. Saai was het zeker niet, maar subtiel ook niet. De soms grote klankerupties werkten vermoeiend en waren ook niet nodig, gezien de ruime akoestiek van de Domkerk.

Vanuit de Dom ging het naar de Pieterskerk voor een concert met muziek van Monteverdi en tijdgenoten door La Chimera onder leiding van luitist Eduardo Egüez. Samen met Sabina Colonna Preti (gamba) en Giovanna Pessi (arpa tripla) alsmede sopraan Monica Piccinini voerde hij een programma uit met repertoire dat in verband kan worden gebracht met de beroemde zangeres Adriana Basile die overal triomfen vierde en o.a. door Monteverdi hogelijk werd bewonderd. Naast anonieme stukken werden werken van Giulio en Francesca Caccini, Landi, Gagliano en Catalani uitgevoerd, alsmede Monteverdi’s Lamento d’Arianna dat Basile ook heeft gezongen. Monica Piccinini beschikt over een prachtige, heldere stem, een excellente dictie en veel invoelingsvermogen. Dat leidde tot een heel fraai concert met muziek die nooit verveelt. Wel moet worden gezegd dat er wat te weinig variatie in de voordracht zat: het was wat teveel van hetzelfde, en ook op het punt van de versieringen had ze wat inventiever kunnen zijn. Helaas was het Lamento enigszins teleurstellend, omdat het aan dramatiek ontbrak. De meest heftige passages kwamen niet echt goed uit de verf en daar was ook meer declamatie nodig geweest. Niettemin was het een mooi besluit van de dag.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: